Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Inhoudsopgave
2
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Voorgenomen wijzigingen bestemmingsplan 1.5 Leeswijze
5 5 5 6 10 15
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Planvoornemen
17 17 18
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
23 23 26 29
Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden en onderzoek 4.1 Akoestiek 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Bodem 4.4 Ecologie 4.5 Externe veiligheid 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Milieuzonering 4.9 Ontplofbare oorlogsresten 4.10 Verkeerskundige aspecten 4.11 Water 4.12 M.e.r.-beoordeling
33 33 33 34 35 37 44 44 44 47 47 48 57
Hoofdstuk 5 Juridische opzet 5.1 Algemeen 5.2 Regels en verbeelding
59 59 59
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
63 63 63
Hoofdstuk 7 Procedure en overleg 7.1 Procedure 7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening 7.3 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
65 65 65 65
Toelichting
3
4
Hoofdstuk 1 Inleiding Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Revitalisering Scheepswerf Maasbracht" van de gemeente Maasgouw.
1.1 Aanleiding en doel Als grootste binnenhaven van Nederland is Maasbracht met recht hét centrum van de binnenvaart. De watergebonden bedrijvigheid in en rondom de binnenhaven van Maasbracht geeft een belangrijke impuls aan de regionale economie. De relatief milieuvriendelijke vervoerswijze maakt binnenvaart, in toenemende mate, tot een belangrijke sector voor het verduurzamen van onze economie. Zeker de combinatie met watergebonden bedrijvigheid biedt kansen voor het stimuleren van circulariteit, distributie en logistiek. De komende decennia ligt er bovendien een forse opgave voor binnenvaartschippers en -reders om de vloot aan binnenschepen te verduurzamen (schonere motoren of duurzame brandstoffen). De opgaves die spelen zorgen voor uitdagingen voor de binnenhaven van Maasbracht om, binnen deze veranderende context, haar positie vast te houden. Tullemans bv Oliehandel is een van de bedrijven die gevestigd is aan de binnenhaven van Maasbracht. Als brandstofleverancier ziet Tullemans bv Oliehandel de kans om haar eigen onderneming om te vormen tot een zogenaamde 'Clean Energy Hub'. Dit duurzame tankstation kan binnenvaartschepen bevoorraden met een aantal duurzame energiebronnen, zoals: CNG, LNG, elektriciteit, biodiesel en waterstof.
Het is uiteindelijk de bedoeling dat Nederland in totaal 7 clean energy hubs krijgt, waarmee het voor de (inter)nationale concurrentiepositie cruciaal is dat één van deze hubs in Maasbracht komt te liggen. Naast het toekomstbestendig maken van de eigen onderneming ziet Tullemans bv Oliehandel kansen in een bredere ontwikkeling in de omgeving. Hiermee wordt een impuls gegeven aan de toekomstbestendigheid en daarmee de positionering van de binnenhaven van Maasbracht. Onderdeel van deze bredere gebiedsontwikkeling van de binnenhaven is de revitalisering van de bestaande scheepswerf en machinefabriek, gelegen aan de Bunkerhaven 3-5 te Maasbracht. Deze locatie is al 60 jaar een vertrouwd beeld in de binnenhaven en is gelegen aan de vaarroute van de Maas en het Julianakanaal. Het terrein is in het bezit van een eigen werkhaven met een dwarshelling van 115 meter waarmee verschillende reparatiewerkzaamheden aan schepen kunnen worden uitgevoerd. Tullemans bv Oliehandel is voornemens om de Scheepswerf en Machinefabriek Maasbracht te transformeren naar een duurzame en moderne scheepswerf. Een werf die geschikt is om de motoren van de vloot aan binnenschepen om te bouwen naar duurzame energie systemen. Een dergelijke werf zou uniek zijn voor Zuid-Nederland en levert tevens een enorme impuls voor de bedrijvigheid in de binnenvaarthaven van Maasbracht.
Op grond van het vigerende bestemmingsplan is de beoogde revitalisering van de scheepswerf slechts ten dele mogelijk. Een wijziging van het vigerende planologische kader is derhalve noodzakelijk om de beoogde revitalisering van de Scheepswerf en Machinefabriek Maasbracht, gelegen aan Bunkerhaven 5, te kunnen realiseren. De gemeente Maasgouw heeft aangegeven in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. Dit bestemmingsplan heeft tot doel het plangebied van de scheepswerf te voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.
1.2 Plangebied De beoogde locatie is gelegen op een stuk grond (landtong) tussen de Oude Maas en het Julianakanaal ten westen van Maasbracht aan de Bunkerhaven 3-5. Het terrein is kadastraal bekend als Maasbracht, sectie F, nummers 1765, 1771, 1881 (gedeeltelijk), 2159, 2160 en 2262 (gedeeltelijk). Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart en is vervolgens de exacte begrenzing van het plangebied weergegeven op een kadastrale kaart.
5
LOCATIE SCHEEPSWERF EN MACHINEFABRIEK 'MAASBRACHT'N.V.
BEGRENZING PLANGEBIED GEPROJECTEERD OP EEN KADASTRALE KAART.
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'bedrijventerrein Maasbracht', dat op 15 januari 2013 door de gemeenteraad van Maasgouw is vastgesteld. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven, met de begrenzing van het plangebied in rood omlijnd weergegeven.
6
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN 'BEDRIJVENTERREINENMAASBRACHT',MET DE BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED ROOD OMLIJND WEERGEGEVEN.
Op basis van de verbeelding, zoals op voorgaande afbeelding is weergegeven, gelden voor het plangebied de volgende bestemmingen en aanduidingen: Enkelbestemming 1. 'Bedrijventerrein' (art. 4); 2. 'Natuur' (art. 7); 3. 'Water – Riviergebonden' (art. 10); Dubbelbestemming 4. 'Waterstaat – Stroomvoerend Rivierbed' (art. 18); 5. 'Waterstaat – Waterkering' (art. 20); Gebiedsaanduiding 6. 'geluidzone – industrie' (art. 24.1); 7. 'geluidzone – gezoneerd industrieterrein' (art. 24.2); 8. 'milieuzone – roerdalslenk' (art. 24.4); Functieaanduiding 9. 'bedrijf tot en met categorie 4.2'; 10. 'specifieke vorm van bedrijf – geluidszoneringsplichtige inrichting'; 11. 'specifieke vorm van bedrijf – scheepswerf'; 12. 'specifieke vorm van water – werkstrook'.
7
1.3.1 Enkelbestemmingen Bedrijventerrein De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 tot en met 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'; b. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 2 tot en met 3.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1'; c. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 2 tot en met 3.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2'; d. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 3.1 tot en met 4.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1'; e. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 3.1 tot en met 4.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2'; f. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 4.1 tot en met 5.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 5.1'; g.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', een bedrijfswoning; h. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepswerf', een scheepswerf; i. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf', een transportbedrijf; j. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - geluidzoneringsplichtige inrichting' een inrichting als bedoeld in bijlage 1 onderdeel D van het Bor; k. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'sluis', uitsluitend een sluis; l. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg; m. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - brekerij', een brekerij; n. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen; o. uitsluitend aan de bedrijfsvoering ondergeschikte kantoren; p. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening', uitsluitend nutsvoorzieningen; q. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bunkerstation', een bunkerstation; r. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalbewerker', een metaalbewerker of een bedrijf in metaaloppervlakte behandeling; s.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houtbewerker', een houtbewerker; t. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - recycling edelmetalen', een recyclingbedrijf wat edelmetalen recycled; u. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - recycling metalen', een recyclingbedrijf wat metalen recycled; v. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'garage', een garagebedrijf; w. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - veevoer', een bedrijf wat veevoer produceert met een productie van meer dan 100 ton per uur en de op- en overslag behorende bij het veevoer bedrijf; x. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - jachtenbouw', een jachtenbouw bedrijf; y. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kartonfabriek', een kartonfabriek; z. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsmotorenfabriek' een machinefabriek dan wel reparatiebedrijf ten behoeve van scheepsmotoren. aa. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'muziekschool' een muziekschool en muziekstudio. met de daarbij behorende: ab. wegen en paden; ac. groenvoorzieningen; ad. parkeervoorzieningen.
Plangebied Ter plaatse van het plangebied gelden de aanduidingen 'bedrijf tot en met categorie 4.2' (onder e.), 'specifieke vorm van bedrijf - scheepswerf' (onder h.) en 'specifieke vorm van bedrijf - geluidzoneringsplichtige inrichting' (onder j.). Natuur De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, herstel dan wel de ontwikkeling van de aanwezige, dan wel daaraan eigen natuurlijke en landschappelijke waarden; b. de verbetering van het milieu voor de natuurlijke levensgemeenschappen;
8
c. d. e. f. g. h. i.
de opbouw van het landschap; beperkt recreatief medegebruik, waaronder dient te worden verstaan wandelen, fietsen, paardrijden en het aanleggen van boten; onverharde wegen ten behoeve van het landbouwverkeer; voet- en fietspaden; groenvoorzieningen; (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, water, waterlopen en waterpartijen; voorzieningen van algemeen nut.
Plangebied Ten noordoosten van het plangebied tussen de scheepswerf en de Bunkerhaven is een klein deel van het plangebied bestemd met 'Natuur'. Water - Riviergebonden De voor 'Water -Riviergebonden' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor: a. de scheepvaart; b. de beheersing van de waterstand en de waterbeheersing; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - werkschip', een werkschip, waarbij het totaal aantal werkschepen niet meer mag bedragen dan dat er aanwezig waren ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp bestemmingsplan en voorts het bepaalde in artikel 4 in acht dient te worden genomen, waarbij tevens geldt dat op een werkschip geen bedrijfswoningen en/of kantoren zijn toegestaan; d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - werkstrook', een werkstrook, waarbij het bepaalde in artikel 4 in acht dient te worden genomen en waarbij tevens geldt dat de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten onlosmakelijk verbonden dient te zijn met de vestiging c.q. uitoefening van bedrijven als toegelaten op de aangrenzende bestemming 'Bedrijventerrein' en waarbij eveneens geldt dat het functioneren van het scheepvaartverkeer te allen tijde gewaarborgd dient te zijn; e.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - sluishaven', een haven voor binnenvaartschepen, welke uitsluitend gebruikt mag worden voor binnenvaartschepen die tijdelijk geen gebruik kunnen maken van de sluis te Maasbracht, bijvoorbeeld ten tijde van druk scheepvaartverkeer of hoog water; f. het behoud en herstel van natuurwaarden; g. waterlopen en waterpartijen; h. groenvoorzieningen; i. infiltratievoorzieningen; j. kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden. Plangebied De kom/waterpartij ter plaatse van het plangebied heeft naast de bestemmingen als opgenomen onder a., b. en f. tot en met j. voor een deel ook de aanduiding 'specifieke vorm van water - werkstrook' (onder d.).
1.3.2 Dubbelbestemmingen Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend Rivierbed'. Dit betekent dat het plangebied in zijn geheel, de waterpartij en het maaiveld ter plaatse van de scheepswerf, onderdeel uitmaakt van het rivierbed van de rivier de Maas en als gevolg van hoog water in de Maas onder water kan komen te staan. Om de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van de rivier de Maas te behouden zijn regels opgenomen om bepaalde ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging feitelijk onmogelijk maken. Deze regels, afkomstig van waterregelgeving, zijn ook opgenomen in het bestemmingsplan en als zodanig door vertaald naar de volgende bestemmingsomschrijving: 'De voor 'Waterstaat Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. riviergebonden activiteiten; b. voor het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater onder normale en maatgevende hoogwaterstanden, sediment en ijs; c. de waterhuishouding; d. de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering; e. het vergroten van de afvoercapaciteit. Onder riviergebonden activiteiten wordt verstaan:
9
f. g. h. i. j. k.
de aanleg of wijziging van de waterstaatkundige functies; de realisatie van voorzieningen voor een betere en veiligere afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart; de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales; de realisatie van natuur; de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden; de winning van oppervlaktedelfstoffen.'
Waterstaat - waterkering Voor een klein deel van het plangebied, het oostelijk deel, geldt tevens de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. Dit deel is naast de daar voorkomende (enkel)bestemming, mede bestemd voor de inrichting en het onderhoud van de daar gesitueerde primaire kering.
1.3.3 Gebiedsaanduiding Geluidzone - industrie Binnen het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie'. Binnen het als zodanig aangeduide gebied mogen in principe geen nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, mogen worden gerealiseerd vanwege een hoge geluidbelasting als gevolg van industrielawaai. Geluidzone - gezoneerd industrieterrein Tevens geldt binnen het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone - gezoneerd industrieterrein'. Binnen het als zodanig aangeduide gebied mag de geluidbelasting van de inrichtingen (zoneplichtige en niet-zoneplichtige) worden toegerekend aan de geluidzone door deze mee te nemen in de geluidsboekhouding van het ter plaatse gezoneerde industrieterrein. Milieuzone - roerdalslenk Voor het gehele plangebied geldt de aanduiding 'milieuzone - roerdalslenk'. Binnen dit gebied gelden beperkingen door bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 30 meter in verband met de bescherming van het grondwater.
1.3.4 Functieaanduiding Bedrijf tot en met categorie 4.2 Binnen het plangebied is het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten toegestaan die staan vermeld in de milieucategorieën 3.1 tot en met 4.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten. Specifieke vorm van bedrijf - geluidszoneringsplichtige inrichting De betreffende functieaanduiding heeft een direct verband met de gebiedsaanduiding 'geluidzone - gezoneerd industrieterrein' en geeft aan dat ter plaatse een inrichting als bedoeld in artikel 1 onderdeel D van het Bor is toegestaan. Specifieke vorm van bedrijf - scheepswerf De functieaanduiding geeft aan dat ter plaatse van deze aanduiding een scheepswerf is toegestaan. Specifieke vorm van water - werkstrook Langs de huidige kade is een strook water aangeduid met de aanduiding 'werkstrook'. Binnen de werkstrook mogen alleen bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend die onlosmakelijk verbonden zijn met de vestiging c.q. uitoefening van bedrijven conform hetgeen in de enkelbestemming 'Bedrijventerrein' is toegestaan en waarbij ook het functioneren van het scheepvaartverkeer te allen tijde gewaarborgd dient te zijn.
1.4 Voorgenomen wijzigingen bestemmingsplan Dit bestemmingsplan heeft tot doel het plangebied te voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. In deze paragraaf volgt een beschrijving van de voorgenomen wijzigingen ten opzichte van het huidig juridisch-planologisch regime.
1.4.1 Wijzigen van enkelbestemming 'Bedrijventerrein' naar 'Water - Riviergebonden' Het planvoornemen voorziet in een fysieke verandering van de directe omgeving ten behoeve van het optimaliseren van een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering ter plaatse. Naast een fysieke aanpassing is ook een juridisch-planologische wijziging nodig om het terrein ook als zodanig functioneel geschikt te maken.
10
UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET HET VIGEREND BESTEMMINGSPLAN (L) EN UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET DE GEWENSTE BESTEMMINGSPLANWIJZIGINGEN (R). DE VOORGENOMEN WIJZIGINGEN ZIJN IN ROOD WEERGEGEVEN.
De voorgenomen wijzigingen hebben betrekking op het afgraven van een deel van gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein' ter hoogte van de zuidwestelijke inham en ten noordoosten van het plangebied. De inham ten zuidwesten van het plangebied wordt vergroot om meer beweging- en manoeuvreerruimte te creëren voor de schepen, met een maximale lengte van 135 meter, waaraan onderhoud wordt gepleegd. Ten noordoosten van het plangebied wordt een stuk grond afgegraven om enerzijds extra bewegings- en manoeuvreerruimte te creëren voor de te onderhouden schepen en anderzijds, in combinatie met een fysieke aanpassing van direct aansluitende inham (zie hiervoor beschrijving onder 1.4.2), een stuk land 'recht te trekken' om een nieuwe kade te realiseren ten behoeve van het aanleggen/aanmeren van schepen. Met deze aanpassingen wordt water gecreëerd. Om die reden is een juridisch-planologische aanpassing gewenst van 'Bedrijventerrein' naar 'Water – Riviergebonden', met inbegrip van de functieaanduiding 'specifieke vorm van water – werkstrook' (zie 1.4.6).
1.4.2 Wijzigen van enkelbestemming 'Water - Riviergebonden' naar 'Bedrijventerrein' Het planvoornemen voorziet in een fysieke verandering van de directe omgeving ten behoeve van het optimaliseren van een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering ter plaatse. Zo wordt de oostelijke inham bij de scheepswerf 'rechtgetrokken' om een nieuwe kade te realiseren om schepen te kunnen aanleggen/aanmeren.
UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET HET VIGEREND BESTEMMINGSPLAN (L) EN UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET DE GEWENSTE BESTEMMINGSPLANWIJZIGINGEN (R). DE VOORGENOMEN WIJZIGING BETREFT EEN AANPASSINGVAN DE OOSTELIJKE INHAM OP DE HIERBOVEN WEERGEGEVEN UITSNEDEN ROOD OMLIJND WEERGEGEVEN.
Naast de fysieke aanpassing is het ook noodzakelijk om een juridisch-planologische wijziging door te voeren, te weten van 'Water – Riviergebonden' naar 'Bedrijventerrein', om ervoor te zorgen dat de bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van de scheepswerf ook daadwerkelijk ter plaatse kunnen worden uitgevoerd.
11
1.4.3 Wijzigen van enkelbestemming 'Bedrijventerrein' naar 'Groen' Met onderhavig bestemmingsplan wordt tevens getracht om op een aantal locaties de planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. In de huidige situatie zijn betreffende gronden, gelegen tussen het kadastrale bedrijfsperceel van Bunkerhaven 5 en de doorgaande weg Bunkerhaven, bestemd als 'bedrijventerrein'. In de beoogde situatie vindt er een beperkte ruilverkaveling plaats ten behoeve van het realiseren van een logische kadastrale begrenzing van de scheepswerf. Deze herbegrenzing leidt tot optimalisatie van de gebruiksmogelijkheden en indeling van het terrein. Parallel aan deze herbegrenzing krijgen alle gronden die in de beoogde situatie gelegen zijn tussen het bedrijfsperceel en de doorgaande weg Bunkerhaven de enkelbestemming 'groen'. Deze bestemming sluit niet alleen beter aan bij de feitelijke situatie maar biedt ook de planologische ruimte om, indien dit in de toekomst bij een bredere ontwikkeling van het gebied aan de orde komt, in te spelen op het wegprofiel. De voorgenomen aanpassing leidt tot een wijziging van de enkelbestemming van 'Bedrijventerrein' naar 'Groen'.
UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET HET VIGEREND BESTEMMINGSPLAN (L) EN UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET DE GEWENSTE BESTEMMINGSPLANWIJZIGINGEN (R). BINNEN HET ROOD OMLIJND GEDEELTE WORDT HET WEGPROFIEL VAN DE BUNKERHAVENAAN DE NOORDZIJDE VERBREEDT OP GRONDEN MET DE BESTEMMING 'BEDRIJVENTERREIN'.
1.4.4 Wijzigen van enkelbestemming 'Natuur' naar 'Bedrijventerrein' en 'Groen' Ten noordoosten van het plangebied tussen de bestemmingen 'Verkeer' (Bunkerhaven) en 'Bedrijventerrein' (scheepswerf) is een relatief kleine groenstrook aanwezig met de bestemming 'Natuur'. Voor de initiatiefnemer is het, ter optimalisatie van het bedrijfsperceel, wenselijk om een deel van deze groenstrook om te vormen naar de bestemming 'Bedrijventerrein'. Evenals beschreven in paragraaf 1.4.3. krijgen alle gronden die in de beoogde situatie gelegen zijn tussen het bedrijfsperceel en de doorgaande weg Bunkerhaven de enkelbestemming 'Groen'. De voorgenomen aanpassing leidt tot een wijziging van de enkelbestemming van 'Natuur' naar 'Bedrijventerrein' en 'Groen'.
12
UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET HET VIGEREND BESTEMMINGSPLAN (L) EN UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET DE GEWENSTE BESTEMMINGSPLANWIJZIGINGEN (R). BINNEN HET ROOD OMLIJND GEDEELTE IS DE BETREFFENDE GROENSTROOK WEERGEGEVEN.
1.4.5 Correctie bouwvlak op basis van nieuwe bestemmingsgrenzen enkelbestemming 'Bedrijventerrein' Naast de hierboven beschreven wijziging van de enkelbestemming van 'Natuur' naar 'Bedrijventerrein' is het ook wenselijk om de begrenzing van het bouwvlak binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' te corrigeren/door te trekken om een eenduidigere en functionelere bouwvlak te creëren.
UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET HET VIGEREND BESTEMMINGSPLAN (L) EN UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET DE GEWENSTE BESTEMMINGSPLANWIJZIGINGEN (R). BINNEN HET ROOD OMLIJND GEDEELTE VINDT NAAST DE AANPASSINGVAN DE BESTEMMING VAN 'NATUUR'NAAR 'BEDRIJVENTERREIN'TEVENS DE AANPASSING VAN HET BOUWVLAK PLAATS.
1.4.6 Functieaanduiding 'specifieke vorm van water - werkstrook' vergroten over de hele 'binnenhaven' Conform het huidig vigerend bestemmingsplan heeft een strook water langs de kade de functieaanduiding 'specifieke vorm van water – werkstrook'. Alleen binnen deze strook mogen werkzaamheden uitgevoerd worden in relatie tot de scheepswerf. Met de voorgenomen revitalisering van de scheepswerf wordt het mogelijk om tegelijkertijd meer en grotere binnenvaartschepen (tot maximaal 135 meter) in onderhoud te hebben met een focus op het volledige revitaliseringsproces van deze schepen (groot onderhoud, inbouwen andere energiebronnen, scheepsrecycling). Vanuit het oogpunt van een duurzame en efficiënte bedrijfsvoering is het wenselijk om de hele (water)plas te voorzien van de functieaanduiding 'specifieke vorm van water – werkstrook' om meer schepen tegelijkertijd in onderhoud te hebben.
UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET HET VIGEREND BESTEMMINGSPLAN (L), MET DE WERKSTROOK 'SPECIFIEKE VORM VAN WATER - WERKSTROOK' IN ROOD WEERGEGEVEN, EN UITSNEDE VAN HET PLANGEBIED MET DE GEWENSTE BESTEMMINGSPLANWIJZIGINGEN (R), DE DONKERBLAUWEGEDEELTEN VAN HET OPPERVLAKTEWATER IN DE BINNENHAVEN GEVEN DE GEWENSTE UITBREIDINGEN VAN DE WERKSTROOK WEER.
13
1.4.7 Functieaanduiding uitbreiden met de mogelijkheid tot scheepsrecycling Conform het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2'. Uitzondering hierop vormt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – scheepswerf' waar een scheepswerf behorende tot milieucategorie 5.1 is toegestaan. Met het planvoornemen is de initiatiefnemer voornemens om de scheepswerf geschikt te maken om ook activiteiten ten aanzien van scheepsrecycling te laten plaatsvinden. Deze activiteiten, welke zijn ondergeschikt aan de overige activiteiten van de scheepswerf, zorgen ervoor dat sprake is van circulaire activiteiten en de werkzaamheden complementeert indien een schip wordt afgekeurd en reparatie economisch niet meer mogelijk is. De activiteiten van de scheepsrecycling worden juridisch-planologisch mogelijk gemaakt in de westhoek van het plangebied en beslaan maximaal 5% van het totale oppervlak van de scheepswerf. Daarmee is de ondergeschiktheid van deze activiteiten planologisch geborgd. Met scheepsrecycling wordt bedoeld: het slopen of ontmantelen van schepen.
Naast het gescheiden slopen of ontmantelen van schepen (hout, plastics, machines, elektrische toestellen), moeten de schepen ook ontdaan worden van de bij de sloop of ontmanteling vrijkomende afvalstoffen, zoals asbest, PCB-houdende materialen, kunststofafval, afgewerkte olie, oliefilters, etc. en aan scheepslading gerelateerde afvalstoffen en afvalstoffen die ontstaan tijdens het in gebruik houden van een schip. Na de sloop van het schip vindt met een mobiele knipschaar verkleining van het schroot plaats. Het schroot wordt vervolgens per schip afgevoerd. Scheepsrecycling is niet als zodanige activiteit opgenomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten. Gekeken naar de specifieke werkzaamheden met betrekking tot scheepsrecycling, zoals in voorgaande alinea beschreven, kan een vergelijking worden gemaakt met de werkzaamheden binnen categorie 'Vervaardiging van transportmiddelen (excl. auto's, aanhangwagens) onder 'Scheepsbouw- en reparatiebedrijven' (4.1) en categorie Groothandel en Handelsbemiddeling onder 'Autosloperijen: b.o. > 1.000 m²' (3.2) voor wat betreft de mobiele shredder. Om aan te tonen dat de werkzaamheden van de scheepswerf daadwerkelijk past binnen de milieucategorie 4.1, en daarmee conform de huidig juridisch-planologisch kaders ter plaatse, dienen de aspecten geluid, stof, geur en gevaar nader onderzocht te worden.
Het resultaat van de onderzoeken is te lezen in hoofdstuk 4.
1.4.8 Bebouwingshoogte verhogen naar 20 meter Het vigerende bestemmingsplan staat uitsluitend gebouwen binnen het bouwvlak toe waarvan de bouwhoogte conform artikel 4.2 niet meer mag bedragen dan 12 meter. Gezien de actuele ontwikkelingen in de scheepvaart is deze bouwhoogte echter niet meer toereikend. Vanuit bedrijfseconomisch perspectief gaat de scheepswerf de grootst mogelijke klasse binnenvaartschepen bedienen. Het betreft CEMT-klasse: 'Va' (lengte: 135 meter, breedte: 11,50 meter en hoogte ca. 9,50 meter (o.b.v. diepgang geladen: 4 meter en strijkhoogte geladen: 5,40 meter)). Een aantal werkzaamheden aan deze schepen, zoals bijvoorbeeld het onderhoud aan de scheepsromp en/of het vervangen van scheepsonderdelen, dienen droog en overdekt uitgevoerd te worden. Hiervoor is een bedrijfshal gepland met een bouwhoogte van maximaal 20 meter t.o.v. omliggend maaiveld. De bouwhoogte van 20 meter is noodzakelijk omdat naast de maximale hoogte van het schip (circa 10 meter) ook rekening gehouden moet worden met de vrije ruimte tussen de constructie van de bedrijfshal en de constructie van de bovenloopkranen in de bedrijfshal alsmede met de vrije ruimte tussen het schip en de vloerbodem van de hal.
De bovenloopkranen worden gebruikt om een schip in de bedrijfshal te (ver)plaatsen, de schepen aldaar in de lucht te houden om obstakelvrij (onderhouds)werkzaamheden aan de romp te kunnen uitvoeren. Daarnaast worden de bovenloopkranen gebruikt om zware scheepsonderdelen te hijsen en te verplaatsen. De bebouwingshoogte van maximaal 20 meter geldt alleen voor een deel van het bouwvlak ten zuiden en zuidoosten van de waterplas. Voor het bouwvlak ten oosten van de waterplas geldt daarentegen een maximale bebouwingshoogte van 8 meter.
14
1.5 Leeswijze In hoofdstuk 2 is een beschrijving opgenomen van de huidige situatie binnen het plangebied en de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 3 gaat in op de van toepassing zijnde beleidsaspecten. In hoofdstuk 4 worden de randvoorwaarden en onderzoeksaspecten beschreven. De juridische opzet van dit plan wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5 en de economische uitvoerbaarheid is omgeschreven in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat tot slot een beschrijving van de procedure en het overleg ten behoeve van dit bestemmingsplan.
15
16
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving Op locatie aan de Bunkerhaven 3-5 te Maasbracht is Scheepswerf en Machinefabriek 'Maasbracht' N.V. gevestigd. De huidige bouwwerken en gebouwen op het terrein van de inrichting zijn sterk verouderd. Om de bedrijfsvoering van de inrichting weer toekomstbestendig te maken is de initiatiefnemer voornemens om het gehele complex gefaseerd te herinrichten door onder andere de huidige bouwwerken en bebouwing te vervangen. Daarnaast wil initiatiefnemer ook de activiteiten uitbreiden om aan te sluiten bij de hedendaagse vragen vanuit de markt.
2.1 Bestaande situatie
LUCHTFOTO VAN DE HUIDIGE SITUATIE VAN DE INRICHTING VAN DE SCHEEPSWERF IN ROOD OMLIJND WEERGEGEVEN.
17
LUCHTFOTO VAN DE HUIDIGE BEBOUWING VAN DE SCHEEPSWERF.
De huidige inrichting van de scheepswerf is min of meer gecentreerd rondom de scheepshelling (I). De scheepshelling is een installatie om schepen uit het water te halen en weer te water te laten. De huidige hellingbaan is circa 30 meter breed en 120 meter lang. Ter hoogte van de scheepshelling is een torenkraan gesitueerd (II). De torenkraan staat op rails evenwijdig aan de scheepshelling. Verspreid over het terrein zijn verschillende bedrijfshallen/loodsen gesitueerd (nummers III, IV, V, VI en X). Verder zijn ter hoogte van de hoofdinrit naar het terrein (vanaf de Bunkerhaven gezien) twee kantoorgebouwen gesitueerd (nummers VII en VIII). In de huidige situatie is er tussen het bedrijfsperceel van de scheepswerf en de rijbaan Bunkerhaven een groenstrook met struweel gelegen. Deze groenstrook heeft tevens een functie als kabels- en leidingenstrook.
2.2 Planvoornemen Het planvoornemen omvat in hoofdzaak wijzigingen van juridisch-planologische aard in combinatie met enkele fysieke aanpassingen van het terrein om zodoende de bedrijfsvoering van de scheepswerf en machinefabriek te optimaliseren en toekomstbestendig te maken. Deze wijzigingen en aanpassingen zijn in paragraaf 1.4 reeds toegelicht. De onderstaande afbeelding geeft de beoogde inrichting van de scheepswerf weer, zoals de initiatiefnemer deze momenteel voor ogen heeft. Om de huidige bedrijfsvoering niet te veel te frustreren zal de revitalisering/ transformatie van de inrichting over een periode van 10 jaar plaatsvinden. De (technische) ontwikkelingen op het gebied van de scheepvaart (formaat schepen, gebruik duurzame energie systemen, ombouw motoren, recycling onderdelen, etc.) neemt momenteel een vlucht. Ten behoeve van een duurzame, moderne en toekomstbestendige bedrijfsvoering is ervoor gekozen om in het bestemmingsplan een juridisch-planologisch kader op te nemen waarbinnen ruimte is om bouwwerken/gebouwen te realiseren welke, als de situatie daarom vraagt, kunnen afwijken van hetgeen in onderstaande afbeelding is weergegeven.
18
AFBEELDING VAN DE INRICHTING VAN DE SCHEEPSWERF.
De fysieke aanpassingen van het terrein van de scheepswerf hebben betrekking op het vergroten van de zuidwestelijke inham (daar waar op bovenstaande afbeelding een droogdok is geprojecteerd) en het rechttrekken van de noordoostelijke kade. Hierbij wordt een gedeelte van de waterplas gedempt en vergroot, kademuren geplaatst en het terrein voorzien van verharding in de vorm van stelconplaten. Verder worden na de sloop van de huidige bebouwing nieuwe bebouwing gerealiseerd. Het planvoornemen bestaat uit de volgende nieuw te realiseren c.q. aan te passen bebouwing: 1. de aanleg van een nieuwe grotere hellingbaan van de scheepshelling; 2. het verlengen van de bestaande rails parallel aan de scheepshelling waar de (te handhaven) torenkraan op komt te staan; 3. het plaatsen van een vaste torenkraan ten oosten van de scheepshelling; 4. het bouwen van twee werk- en constructiehallen, één ten zuiden en één ten noordoosten van de scheepshelling, met een bouwhoogte van maximaal 20 meter; 5. het bouwen van een bedrijfshal ten noordoosten van de scheepshelling, met een bouwhoogte van maximaal 8 meter; 6. het bouwen van een kantinegebouw en een kantoorgebouw ten zuiden/zuidoosten van de scheepshelling; 7. het plaatsen van maximaal één droogdok in de waterplas met een maximale omvang van 7.000 m². Voor dit droogdok zijn er in de praktijk twee situaties voorstelbaar.
Het plaatsen van een (klein) droogdok dat gebruikt kan worden in de reguliere bedrijfssituatie of een (groot) droogdok dat kan worden gebruikt gedurende groot onderhoud van het terrein, specifiek de hellingbaan. Een en ander is visueel weergegeven in onderstaande afbeelding.
19
GLOBALE WEERGAVE LOCATIE VAN DE KLEINERE DROOGDOK (TEN NOORDWESTEN VAN DE WATERPLAS) EN VAN DE GROTERE DROOGDOK (TEN NOORDOOSTEN VAN DE WATERPLAS).
Het terrein van de scheepswerf wordt voorzien van een terreinafscheiding in de vorm van hekwerk en keermuur. Dat laatste ter hoogte van de te bouwen werk en constructiehal en bedrijfshal ten oosten en noordoosten van de scheepshelling. De bestaande groenstrook tussen het bedrijfsperceel van de scheepswerf en de rijbaan Bunkerhaven wordt in de toekomstige situatie ingericht als bloemrijke berm. Naast een groene omranding van het bedrijfsperceel past deze inrichting ook bij de dubbele functie als (bestaand) kabel- en leidingstrook. Deze zone krijgt de enkelbestemming 'groen'. Binnen deze enkelbestemming is het, ter plaatse van de hiertoe aangegeven aanduiding, mogelijk om (naast de bestaande inrit) maximaal twee nieuwe inritten te realiseren. Een inrit is hierbij bedoelt voor het vrachtverkeer en een inrit voor de nieuw te realiseren parkeervoorziening voor personenauto's op het bedrijfsperceel. Inritten worden qua materialisering voorzien van elementenverharding. Zoals eerder aangegeven staat de daadwerkelijke inrichting van de scheepswerf nog niet vast. De herontwikkeling van de scheepswerf neemt enkele jaren in beslag en in die periode kan vanwege de huidige snelheid van ontwikkelingen op het gebied van scheepvaart de vraag en de wens uit de markt ook veranderen.
Om op de marktvraag in te kunnen spelen is het bestemmingsplan gebaseerd op maximale kaders waarbinnen het plan op een verantwoorde wijze kan worden gerealiseerd binnen de beschouwingsperiode van 10 jaar. Hierbij is ook rekening gehouden met de uitgangspunten en randvoorwaarden die vanuit rivierkundig aspect worden gesteld aan het plan.
2.2.1 Fasering Zoals eerder aangegeven vindt de herontwikkeling/transformatie van de scheepswerf en machinefabriek gefaseerd plaats binnen een periode van 10 jaar. De fasering is verdeeld in de volgende 4 fases. Fase 1 realisatie kantoor, kantine en vaste torenkraan In de eerste fase wordt de bestaande bebouwing dat nu dienstdoet als kantoor/kantine gesloopt en wordt een nieuwe kantoor- en kantinevoorziening gerealiseerd. Daarnaast wordt oostelijk van de scheepshelling een vaste torenkraan geïnstalleerd. Deze werkzaamheden zijn conform het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Maasbracht' reeds toegestaan en ten behoeve van de bouw van de genoemde bouwwerken alsmede de milieuneutrale wijziging van de inrichting is op 24 augustus 2022 door de gemeente Maasgouw een omgevingsvergunning verleend (nummer Z/22/1660364).
20
Fase 2 ontwikkeling van de nieuwe hellingbaan Deze fase heeft betrekking op de ontwikkeling van de nieuwe hellingbaan. De nieuwe hellingbaan wordt vergroot van 110 naar 150 meter waardoor grotere schepen gerepareerd kunnen worden. Deze werkzaamheden zijn conform het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Maasbracht' reeds toegestaan. Fase 3 realisatie grondwerk buitenterrein en plaatsen nieuwe harde keringen/kades De aanpassingen/activiteiten/werkzaamheden binnen fase 3 zijn binnen het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Maasbracht' niet toegestaan. In het kort worden met voorliggend bestemmingsplan het volgende toegestaan: Planologische grenscorrectie tussen bestemmingen 'Water' en 'Bedrijventerrein' en omgekeerd; Planologische grenscorrectie tussen bestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Groen en 'Verkeer'; Het aanpassen van de begrenzing van het bouwvlak; Het aanduiden van de hele waterplas met de aanduiding 'werkstrook'; Het mogelijk maken van de activiteit scheepsrecycling; Het wijzigen van de maximale bouwhoogte van gebouwen naar 20 meter voor een deel van het bouwvlak. Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel het plangebied te voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader, waarbinnen deze aanpassingen/activiteiten/werkzaamheden zijn toegestaan.
Fase 4 Sloop en nieuwbouw van loodsen De laatste fase bestaat uit de sloop en nieuwbouw van de loodsen, bedrijfshallen en/of werk- en constructiehallen op het terrein. De gewenste bouwhoogte van de nieuwe gebouwen, plaatselijk tot maximaal 20 meter, alsmede de gewenste locatie van deze gebouwen (buiten het bouwvlak) zijn strijdig met het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Maasbracht'. Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel het plangebied te voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader, waarbinnen deze activiteiten zijn toegestaan.
2.2.2 Inpassing in landschap Het planvoornemen bevat de mogelijkheid tot het realiseren van werk- en constructiehallen met een maximale bouwhoogte van 20 meter. Om de invloed van bebouwing op het omliggende landschap te minimaliseren is gekeken naar de inpassing van deze gebouwen in de omgeving. Hiervoor is een landschappelijke inpassingsplan opgesteld. Dit plan is als bijlage 1 bij deze toelichting te raadplegen.
21
22
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving.
Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden hiervan zijn het: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Verbeteren en beschermen van biodiversiteit.
Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Bij de voorgenomen revitaliseringsontwikkeling zijn met name het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen van de waterveiligheid (zie paragraaf 3.1.3) en de klimaatbestendigheid van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen zoals genoemd in het NOVI in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de NOVI.
23
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd, met als doel een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Daarnaast ondersteunt het gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Zoals eerder aangegeven in de inleiding maakt het plangebied onderdeel uit van de grootste binnenhaven van Nederland. De binnenvaart van en naar het Julianakanaal richting België of Rotterdam maakt veelvuldig gebruik van de (bunker)faciliteiten van deze binnenhaven. In het licht van verduurzaming ligt er de komende decennia ook een forse opgave voor binnenvaartsector om de vloot aan binnenschepen te verduurzamen naar schonere motoren en/of duurzame brandstoffen.
Om daarop in te spelen ziet Tullemans bv Oliehandel de kans om haar huidige onderneming als brandstofleverancier om te vormen tot een Clean Energy Hub, een duurzame tankstation voor binnenvaartschepen met een aantal duur duurzame energiebronnen, zoals: CNG, LNG, elektriciteit, biodiesel en waterstof. De huidig strategisch gelegen scheepswerf en machinefabriek nabij de binnenhaven maakt onderdeel uit van het plan, omdat hier de mogelijkheid kan worden gecreëerd om alhier de motoren van de vloot aan binnenvaartschepen om te bouwen naar duurzame energie systemen. Om de scheepswerf en machinefabriek hiervoor geschikt te maken dient een transformatie/revitalisatie plaats te vinden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische kaders om deze transformatie/revitalisatie mogelijk te maken. De juridisch-planologische kaders om de revitalisering van de scheepswerf mogelijk te maken wijzigt ten opzichte van de huidige juridisch-planologische situatie niet significant. Conclusie Gelezen het voorgaande kan worden geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en het planvoornemen dan ook niet getoetst hoeft te worden aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen onder meer bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Ruimtereservering Parallelle Kaagbaan, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. In het voorliggende geval is uitsluitend het aspect 'Grote rivieren' van belang. Onderstaand wordt hier nader op ingegaan. Grote rivieren Op 14 juli 2006 is de Beleidsregels grote rivieren in werking getreden. De beleidslijn is onder de titel 'Grote rivieren' doorvertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Op basis van de kaarten behorende bij de Beleidsregels grote rivieren valt het besluitgebied binnen het stroomvoerend regime van de Maas, zoals is weergegeven op de navolgende abeelding.
24
UITSNEDE KAART BELEIDSREGELS GROTE RIVIEREN.
In het stroomvoerend rivierbed mag in beginsel niet worden gebouwd of een andere activiteit worden gepleegd die structureel van invloed is op het afvoervermogen van de rivier. In artikel 5 'Riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime' van de Beleidsregels grote rivieren, zijn riviergebonden activiteiten opgenomen waarvoor in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid van de Beleidsregels grote rivieren, toestemming gegeven kan worden. Onder artikel 5, sub e. is de aanleg of wijziging van scheepswerven en specifiek daaraan verbonden bedrijfsactiviteiten benoemd als riviergebonming gegeven kan worden. Het voorliggende initiatief valt binnen deze categorie. Hierbij moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 7, eerste en tweede lid. Hierin is namelijk opgenomen dat de toestemming alleen wordt gegeven indien er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft, er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is.
In overleg met Rijkswaterstaat is door Kragten een rivierkundige analyse opgesteld naar de gevolgen van de gefaseerde herinrichting van de scheepswerf op de Maas (zie paragraaf 4.11.2). Op basis van deze analyse wordt aangetoond dat het hele ontwerp van de scheepswerf, maar ook in de afzonderlijke fases, er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit. Ook is er sprake van een zodanige situering en uitvoering van de herontwikkelingsactiviteiten dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. Tot slot dient te worden opgemerkt dat voor de voorgenomen activiteiten in het kader van de revitalisering van de scheepswerf een watervergunning dient te worden afgegeven door Rijkswaterstaat, waarbij aan de hand van de rivierkundige analyse en het ontwerp van de scheepswerf nogmaals wordt getoetst aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 7, eerste en tweede lid van de Beleidsregels grote rivieren. Conclusie Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding aangezien wordt voldaan aan de voorwaarden ten aanzien van de ligging binnen het stroomvoerend regime van de Maas. Er is verder slechts sprake van een lokale ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.
25
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. Op grond van de kaart 'Limburgse principes' geldt dat het plangebied gedeeltelijk onderdeel uitmaakt van de 'Groenblauwe mantel' en gedeeltelijk is aangewezen als 'Werklocatie'.
UITSNEDE KAART 'LIMBURGSE PRINCIPES' UIT DE OMGEVINGSVISIE LIMBURG.
Groenblauwe mantel Voor wat betreft de beleidsmatige uitgangspunten in relatie tot de ligging de groenblauwe mantel, zijn in verhouding tot het POL2014 voor de beoogde ontwikkeling geen direct relevante beleidswijzigingen opgenomen. Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen (voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone) vormen samen de groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg (ca. 36.000 ha). De gebieden vormen samen een soort mantel tussen en bij het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden zien voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter (meer ruimte voor de beken en Maas), de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Op veel plekken zijn in de rivier- en beekdalen in de loop der tijd (delen van) steden en dorpen tot ontwikkeling gekomen. Die bebouwde gebieden maken geen deel uit van de groenblauwe mantel, maar staan er wel mee in verband. Analyse In het voorliggend geval is de binnenhaven en een deel van het 'droge' werkterrein van de scheepswerf aangeduid als groenblauwe mantel.
Het huidig juridisch-planologisch kader staat reeds toe dat zowel de binnenhaven als het droge deel van het terrein in gebruik kan worden genomen ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 4.2 en ter plaatse van de aanduiding 'scheepswerf' bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 5.1. Direct ten noordwesten van het plangebied is conform het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Maasbracht' zelfs sprake van bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.1. Aangezien de uitbreidingsactiviteiten met betrekking tot de scheepsrecycling geprojecteerd is buiten het als groenblauwe mantel aangeduid gebied, is in dit geval slechts sprake van een revitalisering van een bestaande bedrijfslocatie. Er is uitdrukkelijk geen sprake van
26
nieuwvestiging. Gezien de activiteiten die op de scheepswerf plaatsvinden, welke ook juridisch-planologisch als zodanig aldaar zijn toegestaan, is het niet aannemelijk te veronderstellen dat ter plaatse sprake is van de aanwezigheid (en daarmee ook het behoud en het versterken) van natuurwaarden conform de groenblauwe mantel. Naast de delen van de scheepswerf is ook de landtong in zijn geheel aangeduid als groenblauwe mantel. Conform het vigerende bestemmingsplan is de landtong ter plaatse aangeduid als zijnde een primaire waterkering (dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering'). Bezien vanuit het oogpunt van het veilig functioneren van de primaire waterkering is het niet wenselijk en, gezien het frequente onderhoudsprotocol aan dergelijke keringen, ook niet aannemelijk dat ter plaatse sprake is van de aanwezigheid van natuurwaarden conform de groenblauwe mantel. Conclusie Gelezen het voorgaande is het niet aannemelijk te veronderstellen dat ter plaatse sprake is van aanwezige waarden conform de groenblauwe mantel. Zodoende wordt met betrekking tot het planvoornemen geen negatieve invloed uitgeoefend op de kernkwaliteiten binnen de groenblauwe mantel. Werklocatie Bedrijventerrein Er is binnen de provincie Limburg een behoorlijke voorraad aan bedrijventerreinen: ruim 800 ha (11%) is nog beschikbaar.
Op de reeds uitgegeven oppervlakte (6.500 ha) zijn ruim 11.000 bedrijfsvestigingen met bijna 220.000 werkzame personen actief. Uitgaand van de situatie op 31 december 2019 en het meerjarig gemiddelde uitgiftepatroon is onze voorraad toereikend voor zo'n 7 tot 10 jaar. Afhankelijk van de vraag-ontwikkeling kunnen zich echter knelpunten voordoen in soort en kwaliteit van terrein dat nodig is. Vanuit financieel en economisch oogpunt kan het aantrekkelijk zijn om nieuwe gronden te ontwikkelen. Vanuit het oogpunt van circulariteit van bestaande bedrijfsgebouwen en optimaal ruimtegebruik is dat niet altijd de beste keuze. Multifunctioneel ruimtegebruik en herstructurering bieden hier kansen. Het is de ambitie van de provincie om ook in de toekomst te beschikken over genoeg werklocaties en goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven. Samen met gemeenten en/of eigenaren wordt de komende jaren toegewerkt naar werklocaties die zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht aan de maat zijn. Daarbij wordt zo efficiënt mogelijk omgegaan met het ruimtebeslag. Ten aanzien van bedrijventerreinen: wordt gekozen voor compacte werklocaties om ruimtegebruik en landschappelijke inpassing te optimaliseren. Daarbij wordt de voorkeursvolgorde volgens de NOVI gehanteerd: 1. gebruik ruimte op bestaande terreinen; 2. ontwikkeling nieuwe terreinen aansluitend aan stedelijk gebied; 3.
andere buitenstedelijke locaties. Hiermee wordt aansluiting gevonden bij de 'Limburgse principes', met name de principes 'meer stad, meer land' en 'zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden'. Nieuwe bedrijven vestigen zich dus bij voorkeur op bestaande werklocaties. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt aangestuurd op uitbreiding van de grenzen van bestaande werklocaties. Voor gevestigde bedrijven kan daarbij maatwerk aan de orde zijn. Gemeenten zijn hierbij als eerste partij aan zet, maar wel in onderlinge regionale afstemming. Pas als dit geen oplossing biedt, bekijken we in overleg met de gemeenten de derde stap: de mogelijkheden voor nieuwe locaties voor bedrijventerreinen. wordt door de provincie de regie genomen als het gaat om het bepalen van nieuwe locaties voor bedrijventerreinen voor grootschalige productielocaties van meer dan 10 hectaren, met bedrijvigheid van de hogere milieu categorieën en/of logistieke terreinen. De reden hiervoor is dat deze nationaal en internationaal opererende bedrijven op bovenregionale schaal locaties zoeken. Dit wordt in overleg met de gemeenten opgepakt en zo nodig door de inzet van sturende instrumenten zoals een instructie of een projectbesluit. Hierbij worden de eerder beschreven voorkeursvolgorde volgens de NOVI gehanteerd.
Belangrijke criteria bij het bepalen van nieuwe locaties voor dit type bedrijvigheid zijn verder multimodaliteit, arbeids- markt, gezondheid, veiligheid, clusteren van risicovolle activiteiten, biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit. wordt bij de vestiging van nieuwe bedrijven zo veel mogelijk gestreefd naar multifunctioneel ruimtegebruik. Combinaties van functies vergroot de levensvatbaarheid en duurzaamheid van bedrijventerreinen, en de koppelkansen met andere beleidsdoelen zoals de energietransitie. wordt het beleid om risicovolle industriële activiteiten te clusteren op de bestaande bedrijventerreinen voor de zwaardere milieucategorieën gecontinueerd. Dit speelt vooral op Chemelot (zie ook hoofdstuk Economie). Voordelen hiervan zijn: beperking van het ruimtebeslag, minder bewoners die te maken hebben met risicovolle activiteiten in de omgeving, geconcentreerde transportbewegingen en een verhoging van de agglomeratiekracht - de bundeling van kennis en mensen. Binnen de clusters wordt ruimte gegeven aan het economisch belang van de bedrijven. Waar clustering niet mogelijk is, wordt het gebied zo veilig mogelijk ingericht zodat grote groepen mensen beschermd worden tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.
27
is het in stand houden van kwalitatief goede werklocaties niet vanzelfsprekend. Gemeenten zijn aan zet als het gaat om de programmering en organisatie van herstructurering van verouderde werklocaties. Waar nodig wordt als provincie een faciliterende rol overwogen. In het voorliggend geval is sprake van een revitalisering van een bestaande scheepswerf teneinde de bedrijfsvoering van de scheepswerf toekomstbestendig te maken en effectief in te laten spelen op de toekomstige ontwikkelingen inzake binnenvaartschepen. Hierdoor blijft het gebied ter plaatse in gebruik als bedrijventerrein en krijgt het een nieuwe kwalitatieve impuls. Daarnaast blijft werkgelegenheid behouden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is kortom in lijn met de Omgevingsvisie Limburg op dit punt.
3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 is de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding geven. Inmiddels is ook de opvolger, de 'Omgevingsverordening Limburg' vastgesteld, maar deze treedt pas in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, dus daarom wordt in deze toelichting ingegaan op de thans van toepassing zijnde Omgevingsverordening Limburg 2014. Roerdalslenk Op basis van de Omgevingsverordening Limburg ligt het besluitgebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het is binnen deze zone verboden: een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei; werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter dient vier weken op voorhand schriftelijk gemeld te worden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Dergelijke boringen zijn echter niet voorzien.
Overige milieubeschermingsgebieden Voor het overige ligt het besluitgebied op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 niet binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Bronsgroene landschapszone (huidig onderdeel van de Groenblauwe mantel) Het plangebied ligt ook binnen de 'bronsgroene landschapszone'. In de omgevingsverordening zijn in paragraaf 2.7 de volgende regels opgenomen ten behoeve van de bronsgroene landschapszone: De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het besluitgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Zoals beschreven in paragraaf 3.2.1 (onder Groenblauwe mantel) is het niet aannemelijk te veronderstellen dat ter plaatse sprake is van aanwezige waarden conform de bronsgroene landschapszone c.q. de groenblauwe mantel.
Het plangebied is reeds in gebruik als zijnde een scheepswerf conform de huidig juridisch-planologische kaders (bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 4.2 en specifiek ter hoogte van de scheepswerf tot en met milieucategorie 5.1). Direct ten noordwesten van het plangebied is conform het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Maasbracht' sprake van bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.1. Ook is een groot deel van de landtong, waar o.a. de scheepswerf is gevestigd, conform het bestemmingsplan een primaire waterkering. Gezien de functie van waterkering en het frequente onderhoudsprotocol ten behoeve van het blijven functioneren van de kering is het ook voor dit deel van het gebied niet aannemelijk dat er sprake is van enige natuurwaarden. Tot slot is in voorliggende geval slechts sprake van een revitalisering van een bestaande bedrijfslocatie en geen nieuwvestiging. Zodoende kan een beschrijving van de kernkwaliteiten achterwege blijven en is van compensatie van de negatieve effecten op de natuurwaarden geen sprake. Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 Tot slot ligt het plangebied binnen de regio Midden-Limburg. Met de gemeenten binnen de regio Midden-Limburg, waaronder de gemeente Maasgouw, en de provincie Limburg zijn bestuursafspraken gemaakt over de wijze waarop het POL2014 nader uitgewerkt wordt en specifiek voor de thema's wonen, detailhandel, kantoren,