CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4: Bestemmingsplan ‘Sleydal, fase 5’ (NL.IMRO. 1641.BPL113-VG01).

01. Raadsvergadering 2 juni 2026, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling bestemmingsplan 'Sleydal fase 5' en beeldkwaliteitsplan (welstandsnota) 'Sleydal fase 4 en 5'34.807 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2.2

Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is binnen het plangebied en de directe omgeving geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle objecten, waarop met de beoogde woningbouw een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie gelden er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

25

4.3

Bodem Bij wijziging van een bestemming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht te worden besteed aan de kwaliteit van de bodem en het grondwater. In beschouwing dient te worden genomen of er sprake is van gebruik dat gevoeliger is voor eventueel aanwezige bodemverontreinigingen dan het gebruik dat ingevolge de vigerende bestemmingsregelingen is toegestaan. In het voorliggende geval is sprake van een de bestemming ‘Natuur’ met als dubbelbestemming retentiebekken (bestemmingsplan Heel– Panheel) c.q. retentiegebied (Reparatieplan)die wordt gewijzigd naar een woonbestemming. In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapporten. Uit het verkennend bodemonderzoek dat in 1993 is uitgevoerd en het daarop volgend vooronderzoek volgt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodembedreigende activiteiten en/of calamiteiten hebben plaatsgevonden. Het gebruik van de onderzoekslocatie als landbouwgrond en braakliggend terrein heeft naar verwachting niet geleid tot verontreiniging van de bodem. Wel blijkt dat omstreeks 2003 op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie een grondwal / dijk is aangelegd met grond waarvan de herkomst en kwaliteit onbekend is.

Aangezien uit de bodemkwaliteitskaart Regio Limburg Noord blijkt dat de grondwal/dijk ligt in een gebied waar zowel de boven - als de ondergrond voldoet aan de ontgravingsklasse landbouw/natuur is de verwachting dat ook de grondwal/dijk als onverdacht kan worden beschouwd voor wat betreft het voorkomen van bodemverontreinigingen. Op basis van de gegevens uit het vooronderzoek wordt de volledige onderzoekslocatie dan ook als onverdacht aangemerkt. De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie behoeft niet verder fysisch-chemisch te worden onderzocht. Conclusie In het kader van de bestemmingsplanprocedure is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate inzichtelijk gemaakt. Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Ecologie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna 2 uitgevoerd. Dit om in te schatten of er op de onderzoekslocatie plant- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 -gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoekresultaten. Voor meer informatie wordtverwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.

4.4.1

Beschermde soorten Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij de realisatie van 15 grondgebonden woningen in het onderzoeksgebied in Heel, mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op vogels met jaarrond beschermde ta kkennesten in bomen, broedvogels, de grote leeuwenklauw en de das. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende muizensoorten, egels en vleermuizen binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief eff ect op beschermde soorten (of functies) verwacht. Flora – nader onderzoek Het onderzoeksgebied voldoet aan de biotoop voor de grote leeuwenklauw. Deze kon tijdens het veldbezoek niet worden uitgesloten. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk. 1 Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, Vooronderzoek Sleydal te Heel, projectnummer 2 Kragten, Verkennend flora- en faunaonderzoek

140220303/R1,

17 oktober 2022.

Sleydal fase 5 Heel , 10 oktober 202 2.

26

Roofvogels met takkennesten – nader onderzoek in bladerloos seizoen Binnen het onderzoeksgebied zelf zijn ten tijde van het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust-en/of verblijfplaatsen en/of nesten van algemene broedvogels vastgesteld. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied kunnen echter wel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig zijn. Om verstoring van deze nesten tijdens de werkzaamheden te voorkomen dient in het bladerloos seizoen onderzocht te worden of er zich neste n van vogels met jaarrond beschermde bevinden. En zo ja, in hoeverre er sprake is van toekomstige werkzaamheden binnen de verstoringsafstand van deze nesten. Broedvogels – rekening houden met broedseizoen bij werkzaamheden Hoogstwaarschijnlijk komen algemene soorten als houtduif en heggemus voor binnen en in de omgeving van het onderzoeksgebied. Van deze soorten is niet uit te sluiten dat zij tot broeden komen in de aanwezige houtige begroeiing in en langs het onderzoeksgebi ed. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied.

Om verstoring te voorkomen wordt geadviseerd om zo veel mogelijk te werken buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Das – nader onderzoek Binnen het onderzoeksgebied zijn wissels en holen aangetroffen die mogelijk van de das kunnen zijn. Nader onderzoek naar het gebruik van het onderzoeksgebied door de das is noodzakelijk. Steenmarter en levendbarende hagedis – ecologisch werkprotocol De soorten steenmarter en levendbarende hagedis soorten kunnen aanwezig zijn binnen het onderzoeksgebied. Voor deze soorten geldt een partiële vrijstelling. De vrijstelling voor de steenmarter geldt van 15 augustus tot en met februari. De vrijstelling voor de levendbarende hagedis geldt in maart en apri l en verder vanaf 15 augustus tot en met 15 oktober. Het bouwrijp maken van het gebied kan zonder ontheffing plaatsvinden indien gewerkt wordt binnen de vrijgestelde periode, volgens een op te stellen ecologi sch werkprotocol. Muizen (ware muizen, woel - en spitsmuizen), amfibieën en egel – rekening houden met zorgplicht Voor algemeen voorkomende muizensoorten en de gewone pad bieden de bermen en de akker binnen het onderzoeksgebied een mogelijk geschikt leefgebied. Tijdens de realisatie van de woningen kan eventueel een egel het gebied betrekken.

Algemeen voorkomende muizensoorten, gewone padden en egels zijn in de provinciale verordening van provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden maar hetvangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen (in het kader van de zorgplicht) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming worden voorkomen. Dit houdt in dat aangetroffen individuen bij de (graaf)werkzaamheden dienen te worden verjaagd of gevangen en te worden vrijgelaten in aanliggend gebied, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Overige soortgroepen Voor de volgende soortgroepen geldt dat bij het bouwrijp maken en het realiseren van de woningen geen negatieve effecten verwacht worden: vissen en ongewervelden.

4.4.2

Beschermde gebieden Natura 2000 -gebieden - stikstofdepositieonderzoek Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000 -gebieden. Hiertoe dient een aanvullend stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000 -gebieden.

27

Op grond van de conclusies uit het verkennend flora - en faunaonderzoek, is voor de ontwikkeling middels AERIUS Calculator een nader onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 3 . Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het plan zal afzonderlijk – of in combinatie met andere plannen – geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000 gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling evenals het aanvragen van een ver gunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Provinciale gebiedsbescherming – niet aan de orde Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het onderzoeksgebied ligt echter wel binnen de g roenblauwe mantel. Geadviseerd wordt dan ook om in het op te stellen landschappelijk inpassingsplan de natuurwaarden binnen het gebied te versterken en waar mogelijk aansluiting te zoeken met de omringende natuurgebieden en -waarden (zie paragraaf 2.3 ).

Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities voor het Natuurnetwerk Limburg redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het Natuurnetwerk Limburg niet worden aangetast. Houtopstanden – niet aan de orde Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming verbiedt het vellen of doen vellen van een houtopstand zonder voorafgaande melding aan de provincie (Gedeputeerde Staten). Dit geldt voor houtopstanden buiten de bebouwde de bebouwde kom. Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van Heel ligt, is artikel 4.2 van de Wet Natuurbescherming niet van toepassing. Daarnaast zijn de aanwezige houtopstanden niet opgenomen op de bomenstructuurkaart van de gemeente Maasgouw. Voor het verwijderen van aanwezige houtopstanden is geen omgevingsvergunning voor het kappen nodig.

4.4.3

Nader onderzoek In verband met de bevindingen van het in de vorige subparagraaf beschreven verkennend flora - en faunaonderzoek, is een nader onderzoek 4 uitgevoerd naar de mogelijke geschiktheid van het plangebied en de directe omgeving voor roofvogels met grote takkennesten, de grote leeuwenklauw en de das. Onderstaand worden de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezennaar de volledige rapportage. Takkennesten (o.a. boomvalk, torenvalk, havik), Grote leeuwenklauw Gezien het feit dat voor roofvogels met jaarrond beschermde nesten en de grote leeuwenklauw geen gebruik maken van het onderzoeksgebied wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden voor wat betreft voor roofvogels met jaarrond beschermde nesten en voor de grote leeuwenklauw. Das In het bosje aan de noordelijke rand van het onderzoeksgebied is ter hoogte van de aangetroffen holen, een dassen bijburcht aanwezig, die niet functioneert als kraamburcht maar wel regelmatig bezocht wordt. De wissels van de das liggen buiten het onderzoek sgebied, tussen de burcht en de Sleijbeek, en door het populierenbosje. Er verdwijnen geen wissels en de bijburcht kan in principe eveneens intact blijven. Door de ingreep kan deze bijburcht echter wel verstoord worden.

3 Kragten, Stikstofdepositie onderzoek Sleydal fase 5, Heel, MAG072

, 2 maart 2026.

4 Kragten, Sleydal fase 5, Nader onderzoek takkennesten, grote leeuwenklauw en das, projectnummer MAG072

, 20 februari

2024.

28

Indien het populierenbosje behouden blijft en de strook grond tussen het onderzoeksgebied en de Sleijbeek behouden blijft en ingericht blijft in de huidige staat, zal de das geen hinder ondervinden in het bereiken van foerageergebieden of de bijburcht. De das foerageert niet binnen het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zelf zijn geen wissels aangetroffen. Wel dient verstoring van de das voorkomen te worden. Mede na afstemming met en op verzoek van de provincie Limburg, heeft op vrijdag 29 maart 2024 een aanvullend locatiebezoek plaatsgevonden met daarbij vertegenwoordigers van de gemeente Maasgouw, de dassenwerkgroep Maasgouw en Kragten. Tijdens dit locatiebezoek is de situatie ter plekke zorgvuldig bekeken en geanalyseerd. Hierbij zijn de volgende afspraken gemaakt: • De meest noordelijke circa 12 meter van het plangebied wordt niet ingericht als tuin en wordt ook niet verkocht, maar behoudt de huidige bestemming ‘Natuur’. Deze gronden worden overgedragen aan de gemeente Maasgouw. • Aan de noordzijde van de woonpercelen, langs de achtergrens van de tuinen, wordt een haag van gebiedseigen soorten aangeplant. • Het restant van het perceel dat de bestemming ‘Natuur’ behoudt, blijft in de huidige vorm behouden (ruw gras met struweel). Hier wordt extensief maaibeheer toegepast.

• De gemeente Maasgouw gaat het perceel integraal met de overige groenvoorzieningen ecologisch beheren.

4.4.4

Conclusie Op grond van het uitgevoerde verkennend flora- en fauna onderzoek, het nader onderzoek en de afspraken die zijn gemaakt et betrekking tot de das, wordt onevenredige verstoring van de das voorkomen. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en het plan kan in overeenstemming met de natuurwetgeving worden uitgevoerd.

4.5

Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit externe veiligheid buisleidingen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in he t plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Risiconormen Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft omt k te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute.

Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per

29

modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. De ligging van het invloedsgebied per modaliteit is in navolgende tabel weergegeven. Tabel 1

Invloedsgebied per stofcategorie Stofcategorie

Weg, water LF1 LF2 LT1 LT2 LT3 LT4 GF1 GF2 GF3 GT2 GT3 GT4 GT5

Spoor

Spoor

C3 D3

35 375

D4

>4.000

A

460

B2 B3 B3

995 >4.000 >4.000

Invloedsgebied 1% letaliteitsafstand (m) Weg 45 45 730 880 >4.000 n.v.t. 40 280 355 245 560 >4.000 >4.000

Water 35 35 600 880 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 65 90 n.v.t. 1.070 n.v.t. n.v.t.

Toetsing plangebied In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen of ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Het plangebied ligt op meer dan 840 meter van het Lateraalkanaal Linne-Buggenum en de Maas en op circa 2.200 meter van de snelweg A2. Verder zijn de woningen gesitueerd op minimaal 570 meter van de ten noorden van het plangebied gelegen ondergrondse gastransportleiding van de Gasunie . Het betreft leiding Z -513 -01 , met een maximale druk van 40 bar en e en uitwendige diameter van 8 inch, waarvoor een 1% letaliteitscontour van toepassing is van 95 meter . Het plangebied ligt op basis van de Signaleringskaart EV niet binnen de plaatsgevonden risicocontour 10 -6 van bovengenoemde risicobronnen. Evenmin ligt het plangebied binnen de 1% letaliteitscontour van omliggende risicobronnen. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel is sprake van de ligging binnen het invloedsgebied van de snelweg A2 en het Lateraalkanaal Linne Buggenum voor wat betreft toxische gaswolken. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied een verantw oording van het groepsrisico plaats te vinden.

Vanwege de ligging op meer dan 200 meter van de transportroutes kan op basis van artikel 8, lid 1 worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij een beperkte verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval ; 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). Hieraan wordt onderstaand invulling gegeven.

30

Uitsnede Signaleringskaart EV, met het de ligging van het plangebied aangeduid met een rode pijl. Voor wat betreft de mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval geldt dat de kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied gelet op de tussenliggen de afstand zeer klein is. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk pla ats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Ten aanzien van de zelfredzaamheid geldt dat bij blootstelling aan een toxische gaswolk schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid vormt. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouww erken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Van belang hierbij is dat een gebouw waarin personen schuilen geen buitenlucht naar binnen blaast via ventilatiesystemen. Om dit te voorkomen kan een centrale geschakelde mechanische ventilatievoorziening worden aangebracht.

In het kader van veiligheid en zelfredzaamheid wordt daarom geadviseerd bij de toekomstige nieuwbouw te voorzien in dergelijke voorzieningen. Van belang is verder dat bewoners tijdig worden gewaarschuwd. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing - en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL -alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Dit mede vanwege het feit dat met ingang van 1 ja nuari 2018 het streven erop is gericht om het WAS uit te faseren. Advies veiligheidsregio Op basis van artikel 9 van het Bevt en artikel 13 van de Bevb dient de Veiligheidsregio Limburg -Noord in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In het voorliggende geval, waarbij uitsluitend sprake is van een toxisch scenario op meer dan 200 meter van een transportroute, hanteert de veiligheidsregio een standaardadvies. Dit standaardadvies is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Met het advies van de Veiligheidsregio en de te nemen maatregelen zullen de risico’s zoveel mogelijk wo rden beperkt. Conclusie Vanwege het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen.

31

4.6

Kabels en leidingen Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen kabels of leidingen gelegen die dienen te worden voorzien van een juridisch-planologische beschermingszone. Wel ligt ten oosten van het plangebied een hoogspanningsverbinding. Het betreft de 380 kV verbinding ‘Maasbracht – Dodewaard’ . Voor deze hoogspanningsverbinding geldt op basis van de netkaart van het RIVM een indicatieve magneetveldzone van 105 meter ter weerszijden van de hoogspanningsverbinding. De beoogde woningen zijn geprojecteerd buiten deze indicatieve magneetveldzone, waardoor er vanuit dit kader geen belemmeringen bestaan.

Uitsnede netkaart RIVM, met indicatieve magneetveldzone hoogspanningsverbinding.

4.7

Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). Daarnaast zijn de volgende besluiten en regelingen van toepassing: • Besluit gevoelige bestemmingen; • Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM); • Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM). Deze wet - en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden bl ootgesteld aan verontreiniging. Hiervoor zijn onder meer grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM 2,5 ) en stikstofdioxide (NO 2 ) de belangrijkste stoffen. Een project wordt toelaatbaar geacht als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Hierin is ten aanzien van woningbouw aangegeven dat een project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ als sprake is van ≤ 1.500 woningen (netto) bij

32

minimaal 1 ontsluitingsweg en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (het 3% criterium). Aangezien slechts sprake is van de realisatie van een beperkt aantal woningen, wordt ruimschoots binnende genoemde grenzen gebleven en bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen. Naast de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit, is het van belang om te bepalen of de heersende luchtkwaliteit afdoende is voor de beoogde functies. Volgens de NSL Monitoringstool bedraagt de concentratie PM10 in de nabijheid van het plangebied minder dan 35 µg/m³, de concentratie PM 2,5 minder dan 20 µg/m³ en de concentratie NO 2 minder dan 35 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO 2 40 µg/m³ en voor PM 2,5 20 µg/m³. Dit betekent dat de luchtkwaliteit i n de huidige situatie voldoende wordt geacht en er geen normen worden overschreden. De luchtkwaliteit zal de komende jaren in Nederland naar verwachting nog verder verbeteren, onder meer door voortschrijdende technologie en bijvoorbeeld de toename van het aantal elektrische voertuigen. Hiermee wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen zoals opgenomen in de wet- en regelgeving. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteitbestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling .

4.8

Milieuzonering Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven /inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit worden gerealiseerd. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. VNG -brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG -publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze brochure zijn richtafstandenlijsten opgenomen, waarin voor diverse milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) richtafstanden zijn aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Hierbij d ient te worden opgemerkt dat gemotiveerd kan worden afgeweken van deze richtafstanden, indien bijvoorbeeld kan worden aangetoond dat de feitelijk te verwachten milieubelasting afwijkt van de richtafstand. Woningen vormen geen functies die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat in d e toekomstige woningen sprake zal zijn van een goed woon - en leefklimaat, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de richtafstand tot over het plangebied valt. Andersom beredeneerd, zijn er in de omgeving geen inrichtingen aanwezig die in hun activiteiten worden belemmerd door de beoogde woningbouw. Conclusie Gelet op de afstand tussen de beoogde woningen en de inrichtingen in de omgeving, kan binnen de woningen een goed woon - en leefklimaat worden gegarandeerd in relatie tot de ligging ten opzichte van omliggende inrichtingen. Daarnaast worden omliggende inrichtingen niet in hun functioneren beperkt door de realisatie van de woningen binnen het plangebied. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

33

4.9

Ontplofbare oorlogsresten De gronden ter hoogte van het plangebied zijn in het verleden, na WOII, ontgraven ten behoeve van grindwinning. De bodem is dan ook tot op een aanzienlijke diepte reeds verstoord. Het uitvoeren van een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk.

4.10

Verkeerskundige aspecten

4.10.1

Verkeer In de toekomstige situatie zijn 15 woningen voorzien. Indien in de worstcasesituatie wordt uitgegaan van 15 vrijstaande koopwoningen, dan bedraagt de verkeersaantrekkende werking op basis van de CROW -publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren- Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ minimaal 7,8 en maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gemiddeld betekent dit 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor 15 woningen komt dit neer op gemiddeld 123 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De hoofdontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer geschiedt via de Broekbeemden. Verder wordt binnen het plangebied een erftoegangsweg aangelegd met inbegrip van openbare parkeerplaatsen. Voor wat betreft de verkeersintensiteiten geldt at d deze in de huidige situatie vrij beperkt zijn op de omliggende wegen. Voor wat betreft de toename als gevolg van de beoogde ontwikkeling in relatie tot de huidige en toekomstige intensiteiten worden er geen problemen verwacht. Wel dient te worden opgemerkt dat het plan Sleydal ontwikkeld is voor 1993 en relatief krap is opgezet, met relatief smalle rijlopers die minder goed zijn toegerustop de huidige breedte van auto’s. Verder is er slechts aan een zijde van de straat een trottoir. Het bestaande profiel is echter niet meer aan te passen.

Hoewel de bereikbaarheid vanwege het krappe wegprofiel van de aansluitende wegen niet optimaal is, wordt de beoogde ontwikkeling inpasbaar geacht gelet op de beperkte intensiteiten en de toegestane maximum snelheid van 30 km per uur. Binnen het plangebied wordt voorzien in een ruimer wegprofiel, conform de huidige richtlijnen. Tevens wordt voorzien in ruim voldoende parkeerplaatsen. Het één en ander wordt nader uitgewerkt in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunningaanvragen. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat inpasbaar wordt geacht.

4.10.2

de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt

Parkeren De voorziene ontwikkelingen binnen het plangebied leiden tot een bepaalde parkeervraag. Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te berekenen, dient de nota ‘Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente Maasgouw’ gehanteerd te worden. De parkeernormen voor woningen zijn volgens de nota ingedeeld naar prijsklasse van woningen. maakt deel uit van de zone ‘rest bebouwde kom’.

Het plangebied

De parkeernorm voor een woning in de prijsklasse goedkoop is 1 ,7 parkeerplaatsen per woning. De parkeernorm voor een woning in de prijsklasse midden is 1 ,9 parkeerplaatsen per woning en voor een woning in de prijsklasse duur 2 ,2 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeernormen zijn inclusief de parkeerruimte voor bezoekers. Uit onderzoek blijkt dat de maximale parkeerbehoefte voor bezoekers uit 0,3 parkeerplaats per woning bestaat. Bij projecten met meerdere woningen moet daarom minimaal 0,3 parke erplaats per woning in de openbare ruimte beschikbaar zijn.

34

Binnen het plangebied is sprake van de realisatie van 15 woningen, deels vrijstaand en deels halfvrijstaand. In het concept-verkavelingsplan is voorzien in voldoende parkeerruimte ten behoeve van de beoogde woningen, zowel op de woonpercelen zelf (minimaal 15 parkeerplaatsen) als in het openbaar gebied (22 parkeerplaatsen). Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat het voorliggende bestemmingsplan slechts een juridischplanologisch kader biedt waarbinnen de beoogde ontwikkeling verder vormgegeven kan worden. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag wordt op basis van de in de regels van het bestemmingsplan verankerde parkeernormenen de prijsklasse waarbinnen de uiteindelijk te realiseren woningen vallen, getoetst aan de gemeentelijke nota ‘Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente Maasgouw’ .

4.11

Water In het kader van de Watertoets dient een bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten waarin wordt aangegeven hoe met water om te gaan. Allereerstwordt kort ingegaan op de beleidskader s en vervolgens op de wijze waarop binnen het plangebied wordt omgegaan met water. Beleid Het beleid ten aanzien van water is op rijksniveau onder meer vastgelegd in de Waterwet, het Nationaal Bestuursakkoord Water en de publicatie Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water . Belangrijke doelen en taken zijn het teveel of tekort aan water aanpakken en het verbeteren van de waterkwaliteit. Op hoofdlijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden -scheidenschoonmaken. Op provinciaal en regionaal niveau is het beleid ten aanzien van water vastgelegd in het Provinciaal Waterprogramma 2022 -2027 c.q. het Waterbeheerprogramma 2022 -2027 van het Waterschap . In deze beleidsdocumenten zijn de algemene uitgangspunten zoals opgenomen in het rijksbeleid nader uitgewerkt. Toets plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is het allereerst van belang om de kenmerken van de watersystemenbinnen het plangebied en de directe omgeving in beeld te brengen. Hierbij zijn de aspecten grondwater, oppervlaktewater en hemelwater van belang.

Grondwater Voor wat betreft het grondwater blijkt uit de kaarten van de Omgevingsverordening Limburg 2014 dat het plangebied niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied ligt. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Ter plaatse zijn alle boringen (en het roeren van grond) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden. Voor boringen dieper dan 8 0 meter geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Dergelijke boringen zijn vooralsnog niet voorzien. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig waarmee bij de planvorming rekening dient te worden gehouden. Waterkering Aan de oostzijde van het plangebied ligt een waterkering. Met de verkaveling van het plangebied is rekening gehouden met deze waterkering. De woningen zijn namelijk buiten de bij de waterkering behorende kernzone, binnenbeschermingszone en het profiel van vrije ruimte geprojecteerd, waardoor er vanuit de ligging ten opzichte van de waterkering geen belemmeringen bestaan. Verder is voor de waterkering , de bijbehorende kernzone en het profiel van vrije ruimte de dubbelbestemming ‘Waterstaat– Retentiegebied’ opgenomen.

35

Uitsnede leggerkaart Waterschap Limburg. Afvalwater Het afvalwater wordt aangesloten op het deels bestaande en deel nog aan te leggen rioolstelsel. Hemelwater Ten aanzien van hemelwater geldt dat duurzaam gebruik van hemelwater wordt nagestreefd. Uitgangspunt hierbij is dat de eerste 100 mm hemelwater op het terrein zelf wordt geborgen en geïnfiltreerd, met een beschikbaarheid van de bergingsvoorziening(en) binnen 24 uur, één en ander conform de huidige richtlijnen van W aterschap Limburg. Het voorliggende bestemmingsplan biedt slechts een juridisch-planologisch kader biedt waarbinnen de beoogde ontwikkeling verder kan worden vormgegeven. De exacte wijze waarop wordt omgegaan met hemelwater , wordt nader uitgewerktin het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag , waarbij dient te worden voldaan aan de genoemde eisen. Beleidsregels grote rivieren Op basis van de kaarten behorende bij de Beleidsregels grote rivieren, valt het plangebied binnen het bergend regime van de Maas. In paragraaf 3.1.3 is dit al aan de orde gesteld. Kortheidshalve weergegeven is geconstateerd dat er geen sprake van afname bergend vermogen is aangezien de locatie niet kan instromen bij de overeenkomstige afvoer zoals momenteel wordt gehanteerd.

Overleg waterbeheerder Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg en de watertoetster beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat.

4.12

M.e.r.-beoordeling Algemeen Om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, dient in een vroeg stadium te worden beoordeeld of de toekomstige activiteiten mogelijk significante effecten hebben op milieu, natuur of landschap. Een eerste stap in dit proces is een beoordeling of het planvoornemen voldoet aan de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage(Besluit m.e.r.).

36

Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. zijn in de onderdelen C en D van de bijlagen beoordelingsdrempels opgenomen, op grond waarvan bepaald kan worden of voor een bepaalde ontwikkeling een m.e.r. -beoordelingsprocedure of een m.e.r.-procedure dient te worden uitgevoerd. Deze drempels zijn indicatief. Dit houdt in dat het niet vanzelfsprekend is dat wanneer een ontwikkeling beneden deze drempelwaarden blijft, er geen m.e.r. beoordeling of m.e.r. noodzakelijk is. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit (en) die voorkomen op de D -lijst, maar welke beneden de drempelwaarden blijft, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze toets wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Uit deze toets zijn twee conclusies mogelijk:  Er is geen m.e.r.( -beoordeling) nodig, want belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten ;  Er is een m.e.r. -beoordeling dan wel direct een m.e.r. noodzakelijk, aangezien belangrijke negatieve milieugevolgen niet vallen uit te sluiten. In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' zijn de selectiecriteria beschreven die bepalen of er mogelijk sprake is van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu.

Hierbi j moet worden gedacht aan de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en natuurlijk de mate van verontreiniging of hinder. Ten tweede is de locatie van de projecten natuurlijk van belang. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen of een pr oject in de nabijheid van een gevoelig gebied is gelegen. Voorbeelden van gebieden die extra aandacht vragen zijn wetlands, berg - en bosgebieden, reservaten en natuurgebieden en bij wet beschermde gebieden. Bij de samenhangende beoordeling van bovenstaande kenmerken van een project en de potentiële aanzienlijke milieugevolgen dient het volgende te allen tijde te worden meegewogen:  het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking);  het grens overschrijdende karakter van het effect;  de waarschijnlijkheid van het effect;  de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. De ontwikkeling is in het Besluit m.e.r. niet opgenomen in onderdeel C, maar kan wel geschaard worden onder onderdeel D, onder categorie D11.2 " De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen ." Hiervoor zijn de volgende drempelwaarden zijn opgenomen: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2 .000 of meer woningen omvat, of 3.

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Relevantie voor het plangebied Omdat het planvoornemen ruim beneden de drempelwaarden valt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Naast het Besluit m.e.r. wordt ook de Wet natuurbescherming als afwegingskader gehanteerd. Indien er namelijk sprake is van significante negatieve effecten op een Natura 2000 -gebied, geldt een plan m.e.r.-plicht. Bij de ontwikkelingen binnen het plangebied zijn negatieve effecten op Natura 2000 -gebieden niet aan de orde. Er is geen plan m.e.r.-plicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van artikel 7.1 7 Wm, dient het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van een besluit een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.Naar aanleiding van het bovenstaande is het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

37

In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van het voorliggende bestemmingsplan diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor alle voor dit plan relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in dit hoofdstuk, blijkt dat het plan slechts beperkte milieueffecten heeft. Kenmerken van het plan Omvang van het project (relatie met drempel D -lijst) D11.2 : ''de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het bestemmingsplan maak t de realisatie van in totaal 15 woningen mogelijk. De indicatieve drempel uit de D -lijst wordt daarmee niet overschreden. Cumulatie met andere projecten

Gebruik natuurlijke hulpbronnen Productie afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, waardoor geen sprake is van cumulatie van milieueffecten met andere projecten. De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Zowel tijdens de aanleg - als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Voor wat betreft de afvoer van (huishoudelijk) afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke resteffecten die aanleiding zouden geven tot het doorlopen van een m.e.r. -procedure. Bodem Op basis van paragraaf 4.3 blijkt dat er vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen bestaan voor de beoogde ontwikkeling. Evenmin heeft de ontwikkeling een significant negatieve invloed op de bodemkwaliteit. Water Op basis van paragraaf 4.11 blijkt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan. Flora en fauna Op grond van het uitgevoerde verkennend flora - en fauna onderzoek , het nader soortenonderzoek en de afspraken die zijn gemaakt omtrent de mogelijke bijburcht van de das ten noorden van het plangebied, kan de ontwikkeling overeenkomstig de natuurwetgeving worden uitgevoerd en is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk .

Uit het onderzoek naar stikstofdepositie is naar voren gekomen dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het plan zal afzonderlijk – of in combinatie met andere plannen – geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000 -gebieden. Archeologie Op basis van paragraaf 4.2 blijkt dat er vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen bestaan. Geluid Op basis van paragraaf 4.1 blijkt dat er vanuit het aspect geluid geen onoverkomelijke belemmeringen bestaan.

38

Bedrijven en milieuzonering Op basis van paragraaf 4.8 blijkt dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen bestaan. Luchtkwaliteit Op basis van paragraaf 4.7 blijkt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan.

Risico voor ongevallen

Plaats van de projecten Bestaand grondgebruik

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Externe veiligheid Op basis van paragraaf 4.5 blijkt dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan. Wel dient invulling te worden gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico. De beoogde ontwikkelingen zorgen niet voor een toename van risico's in de omgeving. Er worden geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd , onverhard en feitelijk braakliggend en voorzien van een natuurbestemming. Het bestaande grondgebruik levert geen belemmeringen op in relatie tot de beoogde ontwikkeling. Niet van toepassing.

Opname vermogen milieu met aandacht voor Wetlands: niet van toepassing wetlands, kustgebieden, berg - en bosgebieden, Kustgebieden: niet van toepassing reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, Berg- en bosgebieden: niet van toepassing gebieden waar milieunormen worden overschreden, Reservaten en natuurparken: niet van toepassing gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing (zie paragraaf 4.4 ) landschappelijk historisch cultureel of archeologische Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: N iet van toepassing gebieden van belang. Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: N iet van toepassing Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)

Niet van toepassing

Grensoverschrijdend karakter

Niet van toepassing

Orde van grootte en complexiteit effect

Niet van toepassing

Waarschijnlijkheid effect

Niet van toepassing

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

Niet van toepassing

Op basis van de in deze paragraaf opgenomen informatie heeft het college van burgemeester van wethouders op grond van artikel 7.17 Wm de beslissing genomen dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft en dat geen milieueffectrapporthoeft te worden gemaakt.

39

5

JURIDISCHE OPZET

5.1

Algemeen Het bestemmingsplan is opgesteld conform de 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012' (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit de regels, de verbeelding en deze toelichting.

5.2

Regels en verbeelding

5.2.1

Algemene opbouw regels De regels zijn conform de SVBP2012 opgebouwd uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de bestemmingen die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend. In hoofdstu k 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied van toepassing zijn dan wel aanduidingen die betrekking hebben op meer dan één bestemmingsvlak. In hoofdstuk 4 zijn de regels opgenomen waarmee het overgangsrecht wordt geregeld en is een artikel opgenomen waarin de formele naamgeving van het bestemmingsplan is vastgelegd.

5.2.2

Juridisch -planologische egeling r plangebied Voor het plangebied zijn de enkelbestemmingen ‘Wo ongebied ’ en ‘Natuur’ opgenomen. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Wa terstaat– Waterbergend rivierbed’ en ‘Waterstaat – Retentiegebied’ opgenomen. Onderstaand wordt achtereenvolgens ingegaan op de genoemde bestemmingen. Wo ongebied Voor het gedeelte waar de woningen en bijbehorende voorzieningen zijn voorzien, is de bestemming ‘Woongebied’ opgenomen. Ter plaatse zijn maximaal 15 woningen toegestaan, met inbegrip van bijbehorende verkeerskundige voorzieningen en bijvoorbeeld groenvoorzieningen. Natuur Voor de gronden buiten het als ‘Woongebied’ en als ‘Tuin - Landschappelijke en natuurlijke waarde’ bestemde gebied is, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan, de bestemming ‘Natuur’ opgenomen. Ter plaatse is de landschappelijke inpassing van Sleydal fase 5 voorzien. Tuin - Landschappelijke en natuurlijke waarde Voor het achterste deel van de noordelijke woonpercelen is de bestemming ‘Tuin - Landschappelijke en natuurlijke waarde’ opgenomen. Hiervoor is gekozen in verband met de ligging nabij het direct ten noorden gelegen Landgoed Nederhoven. In het verleden zijn afspraken gemaakt over het uitsluiten van gebo uwen ter hoogte van de gronden waarvoor de bestemming ‘Tuin - Landschappelijke en natuurlijke waarde’ is opgenomen.

In de bouwregels is het realiseren van gebouwen ter plaatse daarom uitgesloten. Naast het rechtstreeks uitsluiten van de mogelijkheid tot het realiseren van gebouwen, is door de systematiek die in dit bestemmingsplan is toegepast, het evenmin mogelijk om bij een woning vergunningsvrije gebouwen op te richten binnen deze bestemming. In de regels is aangesloten bij het begrip erf, zoals deze ook is opgenomen in het Besluit omgevingsrecht. Kort gezegd houdt dit in dat in het bestemmingsplan is geregeld dat het niet is toegestaan eventuele gebouwen te gebruiken ten dienste van de woning. Waterstaat - Retentiegebied De dubbelbestemming ‘Waterstaat - Retentiegebied’ is overeenkomstig het Reparatieplan opgenomen voor het retentiegebied en de bijbehorende waterkering direct ten oosten van het plangebied. De als zodanig bestemde gronden zijn mede bestemd voor waterberging en waterbeheer en waterkeringen. Hierbij is de

40

dubbelbestemming opgenomen voor het volledige profiel van vrije ruimte behorende bij de waterkering. De beoogde woningen zijn volledig geprojecteerd buiten deze dubbelbestemming. Waterstaat – Waterbergend rivierbed De dubbelbestemming ‘Waterstaat - Rivierbed’ is opgenomen in verband met de ligging binnen het bergend regime van de Maas. De als zodanig bestemde gronden zijn mede bestemd voor een waterbergende functie. Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1.3 , dient op grond hiervan weliswaar een vergunning ingevolge de Waterwet te worden aangevraagd, maar is geen compensatie van bergend vermogen noodzakelijk, omdat de ter plaatse aanwezige waterkering bescherming biedt bij de T1.250 norm (de oude norm), maar ook bij de huidige T3.000 norm. Met andere woorden, er is geen sprake van afname bergend vermogen aangezien de locatie niet kan instromen bij de overeenkomstige afvoer zoals momenteel wordt gehanteerd. Milieuzone – roerdalslenk 3 Voor het gehele plangebied is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – roerdalslenk 3 ’ opgenomen in verband met de ligging binnen de Roerdalslenk, zone 3. Binnen deze zone gelden beperkingen ten aanzien van diepe boringen.

41

6

ECONOMISCHE UITVOERVAARHEID In de Grondexploitatiewet als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat gemeente n verplicht zijn om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven ge vallen, of indien:  het kostenverhaal anderszins is verzekerd;  het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en  het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan. In het kader hiervan is tussen de gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd is.

Gelet hierop kan in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Tussen de gemeente en initiatiefnemer isverder een planschadeovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat eventuele planschade als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling voor rekening van de initiatiefnemerkomt.

42

7

PROCEDURE EN OVERLEG

7.1

Procedure Voordat de wettelijke procedure ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van de Wet ruimtelijke ordening kan worden opgestart, wordt het concept ontwerp bestemmingsplan aan diverse instanties toegezonden ten behoeve van overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze bepaling schrijft voor dat het bestuursorgaan (i.c. de gemeente Maasgouw ) dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan spelen. Na het vooroverleg en de inspraak wordt de vaststellingsprocedure zoals omschreven in art. 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening opgestart. Deze wettelijke procedure kan als volgt worden samengevat: De procedure start met een openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan, waarna het ontwerpbestemmingsplan wordt gepubliceerd en gedurende een termijn van zes weken door één ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan kunnen worden ingebracht. Na de termijn van de terinzagelegging dient de gemeenteraad in principe binnen 12 weken te beslissen over de vaststelling van het plan.

Na de publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan hebben belanghebbenden zes weken de tijd om tegen het plan in beroep te gaan. Het bestemmingsplan treedt de dag na afloop van de beroepstermijn in werking.

7.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening Het voorontwerp bestemmingsplanis voor een reactie toegestuurd aan belanghebbende instanties. Reactie is ontvangen van de volgende instanties: • Provincie Limburg, per e-mail d.d. 18 sept ember 2023. • Waterschap Limburg, per e -mail d.d. 1 september 2023. • Veiligheidsregio Limburg-Noord, per brief d.d. 29 augustus 2023. Onderstaand wordt kort ingegaan op de vooroverlegreacties en het gemeentelijke standpunt ten aanzien daarvan. Reacties provincie Limburg Met betrekking tot de plancapaciteitsmonitor wordt verzocht de openstaande indicatoren in te vullen. Verzocht wordt uitgebreider te beargumenteren hoe het plan past in de provinciale/regionale woningbehoeftes en de lokale kwantitatieve en kwalitatieve behoeftes. Ten aanzien van de thema’s natuur en water wordt onder meer opgemerkt dat de quickscan nog te weinig informatie bevat en dat nader onderzoek dient uit te wijzen of een ontheffing noodzakelijk is.

Gemeentelijk standpunt Hieraan wordt in het kader van de vaststelling invulling gegeven. De onderbouwing is aangevuld, waarbij onder meer is ingegaan op het Woningmarktonderzoek regio Midden Limburg 2018 -2030 . Het nader onderzoek is nagenoeg afgerond en wordt opgenomen in het vast te stellen bestemmingsplan. De conclusies van het nader onderzoek en de wijze waarop onevenredige verstoring van mogelijk aanwezige soorten wordt voorkomen, worden op voorhand met de provincie Limburg gedeeld.

Ook wordt gesteld dat een kernkwaliteitenanalyse voor de ligging binnen de bronsgroene landschapszone op basis van OVL 2014 gemist wordt en dat verwacht

Met betrekking tot de kernkwaliteitenanalyse vindt voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan afstemming plaats met de provincie Limburg.

43

wordt dat extra versterking van omliggend e bronsgroene natuur aan de orde gaat zijn. Reacties Waterschap Limburg Opgemerkt wordt dat de locatie binnen de zoneringen van een kering ligt. Gewezen wordt op het feit dat in de buitenbeschermingszone een aantal regels gelden . De zorgplicht is in ieder geval van toepassing. Daarnaast is er indien er een ontgraving van meer dan 2,5 meter nodig is een vergunning vereist van het Waterschap.

7.3

Gemeentelijk standpunt De ligging binnen de buitenbeschermingszone is bekend. Toekomstige bewoners worden hierop gewezen.

Verder wordt opgemerkt dat de locatie binnen het waterbergend rivierbed van de Maas ligt en dat zonder toestemming van Rijkswaterstaat hier niet mag worden gebouwd.

Dit is bekend. Afstemming met RWS heeft reeds plaatsgevonden en vanuit RWS bestaan er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.

Met betrekking tot de verwerking van hemelwater worden de normen van het waterschap overgenomen. Hiermee is men akkoord. Wel wordt aandacht hiervoor gevraagd bij de toekomstige bewoners. Reacties Veiligheidsregio Limburg -Noord Opgemerkt wordt dat slecht ‘’een externe veiligheidsscenario van invloed op het plangebied is, zijnde het toxisch scenario vanaf de A2 of het Lateraalkanaal Linne-Buggenum. Aangezien het groepsrisico slechts beperkt toeneemt beperkt het advies zich tot de zelfredzaamheid. In het kader hiervan wordt geadviseerd om: brandkranen aan te leggen conform gemeentelijk beleid ‘bluswater en bereikbaarheid’;

De toekomstige bewoners worden hierop gewezen en zullen in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen moeten voldoen aan de normen van het waterschap. Gemeentelijk standpunt

-

ter plaatse van de doodlopende straat een keerlus voor hulpdiensten aan te leggen, dit in overleg met Brandweer Limburg-Noord;

-

kennis te nemen van het overschrijden van de gestelde opkomsttijd. Verwezen wordt naar eventueel te nemen maatregelen zoals uiteengezet in het ‘Dekkingsplan werkexemplaar 1.06 gemeente Maasgouw’.

Dit wordt meegenomen in het kader van de nadere uitwerking van het plan.

In het meest recente ontwerp is een keerlus voorzien. In het kader van de nadere civieltechnische uitwerking wordt hierover afstemming gezocht met Brandweer Limburg-Noord. Deze reactie wordt ter kennisgeving aangenomen.

Terinzagelegging en zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Sleydal fase 5 (met planidentificatienummer NL.IMRO.1641.BPL113 -ON01) met de daarbij behorende stukken heeft van vrijdag 8 december 2023 tot en met donderdag 18 januari 2024 (dus gedurende zes weken) op basis van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn vijf zienswijzen ingediend. Voor meer informatie over de ingediende reacties en het gemeentelijk standpunt ten aanzien daarvan, wordt verwezen naar de als bijlage toegevoegde Nota ter be antwoording zienswijzen inzake het bestemmingsplan ‘Sleydal fase 5’en inspraakreactie op de ontwerp -welstandsnota (beeldkwaliteitsplan) ‘Sleydal fase 4 en 5’.

44

7.4

Ambtshalve wijzigingen In het kader van de vaststelling zijn naast de wijziging en als gevolg van zienswijzen, ook enkele amb tshalve wijzigingen doorgevoerd. Een overzicht van deze wijzigingen is opgenomen in de als bijlage toegevoegde Nota ambtshalve wijzigingen inzake het bestemmingsplan ‘Sleydal Fase 5 ’.

45

BIJLAGEN

B1 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING / BEPLANTINGSPLAN

Legenda: B1 Bomen buitengebied, gebiedseigen soort; Tilia europaea, stamomtrek op 1m 14-16cm

2 st.

B2 Bomen buitengebied, gebiedseigen soort; Sorbus aucuparia, stamomtrek op 1m 10-12cm

1 st.

B3 Bomen buitengebied, gebiedseigen soort; Prunus padus, stamomtrek op 1m 14-16cm

1 st.

B4 Bomen buitengebied, gebiedseigen soort; Prunus avium, stamomtrek op 1m 14-16cm

2 st.

B5 Straatbomen, Prunus serrulata ‘Amanogawa’ stamomtrek op 1m 14-16cm Hoogte: 6m

7 st.

B6 Straatbomen, Acer rubrum stamomtrek op 1m 14-16cm Hoogte: 6m

5 st.

B7 Straatbomen, Amalanchier lamarckii stamomtrek op 1m 14-16cm Hoogte: 6m

6 st.

Onderbegroeiing straatbomen bestaand uit plantvakken met mix van: Potentilla fruticosa Spirea arguta Galium verum B8 Straatbomen, Parrotia persica stamomtrek op 1m 14-16cm Hoogte: 6m

5 st.

G1 Ruw grasland,

G2 Kruidenrijk grasland,

H1 Haag, erfafscheiding langs woningen,

Behouden bestaande situatie en extensief maaibeheer toepassen

Cruyd-Hoeck Mengsel G1 Laag Bloemrijk-grasland - lichte grond

Aanplanten in een enkele rij, vijf planten op een meter.

Waar mogelijk bestaande inheemse struwelen handhaven in strook.

Waar mogelijk bestaande inheemse struwelen handhaven in strook.

Carpinus betulus, hoogte 60-80 cm, wortelgoed, Cornus mas hoogte 60-80 cm, wortelgoed Acer campestre, hoogte 60-80 cm, wortelgoed

GH1 Gemengde Haag Aanplanten in een enkele rij, vijf planten op een meter. Carpinus betulus, hoogte 60-80 cm, wortelgoed, Crataegus monogyna hoogte 60-80 cm, wortelgoed Acer campestre, hoogte 60-80 cm, wortelgoed Cornus mas, hoogte 60-80cm, wortelgoed Rhamnus cathartica, hoogte 60-80cm, wortelgoed Rosa canina, hoogte 60-80 cm, wortelgoed Euonymus europaeus, hoogte 60-80cm, wortelgoed

2

03-03-2026

1

03-06-2024

Versie

85 st. 85 st. 85 st. 85 st. 85 st. 85 st. 85 st.

Datum

Omschrijving

Fa se : Vo o r l o p i g Fo r m a a t: A2

20

Sch a a l : 1 :1 0 0 0 Pr o j e ctn u m m e r : M AG0 7 2 30

RVSP

-+C0RVSP+-

Par.

BZ

-+R0BZ+-

BZ

-+R0BZ+-

Verificatie Par.

BZ

-+L0BZ+-

BZ Validatie

-+L0BZ+-

Par.

088 - 3366333 in f o @ k r a g t e n . n l www. k r a g t e n . n l

Beplantingsplan

10

-+C0LBRI+-

Opsteller

Sleydal fase 5

0

LBRI

80 st. 80 st. 80 st.

40

50

60

70

80

90

100m

B2 STANDAARDADVIES VEILIGHEIDSREGIO LIMBURG-NOORD

B3 NOTA TER BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN INZAKE HET BESTEMMINGSPLAN ‘SLEYDAL FASE 5’ EN INSPRAAKREACTIE OP DE ONTWERP WELSTANDSNOTA (BEELDKWALITEITSPLAN) ‘SLEYDAL FASE 4 EN 5’

Z/23/121013 - D/24/138486

Nota ter beantwoording zienswijzen inzake het bestemmingsplan ‘Sleydal fase 5’en inspraakreactie op de ontwerp-welstandsnota (beeldkwaliteitsplan) ‘Sleydal fase 4 en 5’. 1. Procedure In de onderhavige situatie is sprake van een ontwerp van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en niet van een wijziging van een omgevingsplan, zoals bedoeld in de Omgevingswet (Ow). Op de procedure van de totstandkoming van het ontwerpbestemmingsplan is, ingevolge artikel 4.6 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet, het oude recht van toepassing (i.c. het recht, zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow). Het ontwerpbestemmingsplan ‘Sleydal fase 5’ (met planidentificatienummer NL.IMRO.1641.BPL113-ON01) met de daarbij behorende stukken heeft van vrijdag 8 december 2023 tot en met donderdag 18 januari 2024 (dus gedurende zes weken) op basis van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn vijf zienswijzen ingediend door: 1] (ontvangen d.d. 3 januari 2024) 2] (ontvangen d.d. 12 januari 2024) 3] J (ontvangen d.d. 15 januari 2024) 4] (ontvangen d.d. 17 januari 2024) 5] (ontvangen d.d. 17 januari 2024) De ontwerp-welstandsnota (beeldkwaliteitsplan) ‘Sleydal fase 4 en 5’ met de daarbij behorende stukken heeft vanaf vrijdag 9 december 2023 tot en met donderdag 18 januari 2024 (dus gedurende zes weken) ter inzage gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=2b7ef376-29f9-496a-9ebd-5ff709d03a9f