CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3: ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne’.

01. Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne (met planidentificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01).36.211 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In het omgevingsplan leggen gemeenten vast welke trillingen door een activiteit in trilling gevoelige ruimten van trilling gevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Bkl). Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet hieraan worden voldaan. Hierbij vindt een afweging plaats tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van een locatie. Daarbij houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen (zie tabel 4.9.1 en 4.9.2) uit de artikelen 5.87 en 5.87a van het Bkl worden overgenomen (conform artikel 5.86 Bkl). Volgens artikel 5.87 Bkl dienen continue trillingen in eerste instantie te voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1. Indien hieraan wordt voldaan, is er sprake van een acceptabele situatie. Wanneer niet wordt voldaan aan deze waarden, moeten de continue trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden onder A2 en A3. Hetzelfde geldt voor

Tabel 4.9.1. Standaardwaarden voor toelaatbare continue trillingen in trilling gevoelige ruimten (artikel 5.87 Bkl) Soort Standaardwaarde Standaardwaarde

4.9.2

Tijdsperiode A1 trillingssterkte Vmax

07.00-23.00 uur 0,1

23.00-07.00 uur 0,1

wing. Er worden geen trillinggevoelige bouwwerken gerealiseerd. Te-

A2 trillingssterkte Vmax A3 trillingssterkte Vper

0,4 0,05

0,2 0,05

delijk trillingen veroorzaken voor de omgeving.

Tabel 4.9.2: Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trilling gevoelige ruimten (artikel 5.87a Bkl) Soort Standaardwaarde Standaardwaarde Tijdsperiode A1 trillingssterkte Vmax

07.00-23.00 uur 0,2

23.00-07.00 uur 0,2

A2 trillingssterkte Vmax A3 trillingssterkte Vper

0,8 0,1

0,4 0,1

Onderzoek

Het planvoornemen omvat uitsluitend de aanleg van een verkeerslus voor vrachtwagens en de uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouvens voorziet de ontwikkeling niet in activiteiten die continu of herhaal-

Op ongeveer 120 meter afstand ligt een spoorlijn. Gelet op het voorgaande is aanvullend onderzoek naar trillinghinder niet nodig. 4.9.3

Conclusie

Vanuit het omgevingsaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Natuur en landschap

Artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl bieden een mogelijkheid tot afwijking

4.10.1

Toetsingskader

van de waarden, in het geval van bedrijventerreinen of zwaarwegende

Met ingang van 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan

economische of maatschappelijke belangen.

in de Omgevingswet. Binnen het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen

Verder leiden niet op alle locaties de standaardwaarden voor een activi-

met de huidige regelgeving in de Wet natuurbescherming. Het betreft

teit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. Een

met name voorschriften voor de bescherming van aangewezen Natura

gemeente kan dan gemotiveerd, vanuit het oogmerk van een evenwich-

2000-gebieden, regels ter bescherming van plant- en diersoorten (waar-

tige toedeling van functies aan locaties, kiezen voor andere waarden

onder vogels) en voorschriften met betrekking tot de bescherming van

(artikel 5.86, lid 2 Bkl).

houtopstanden. De regelgeving met betrekking tot gebieds- en soortenbescherming vindt haar oorsprong grotendeels in twee Europese richtlij-

In het ‘Omgevingsplan gemeente Maasgouw het aspect trillingen in arti-

nen, namelijk de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn

kel 22.83 tot en met 22.89 van paragraaf 22.3.5 vermeld. Ook is in arti-

(92/43/EEG).

kel 22.18 de specifieke zorgplicht benoemd voor het gebruik van bouwwerken om overlast of hinder door trilling te voorkomen.

artikel 5.87a Bkl over de standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen.

Gebiedsbescherming In Nederland zijn er specifieke gebieden van groot belang voor flora en fauna, waaronder Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Deze gebieden worden beschermd door verschillende wettelijke instrumenten.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

31

In artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet staat dat het verboden is om

c, van de Omgevingswet. Een activiteit die potentieel significante nade-

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit uit te voeren.

lige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied wordt aange-

De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in

Daarnaast bepaalt lid 2 van hetzelfde artikel dat het eveneens verboden

duid als een Natura 2000-activiteit, zoals beschreven in bijlage A van de

de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omge-

is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te

Omgevingswet. Natura 2000-gebieden hebben externe effecten, wat be-

vingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Van-

voeren. Voor beide gevallen geldt dat afwijkende regelingen kunnen zijn

tekent dat ook ingrepen buiten deze gebieden die verstoring kunnen

uit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstand-

opgesteld in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omge-

veroorzaken, moeten worden geëvalueerd op hun impact op soorten en

koming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch

vingsverordening of een ministeriële regeling.

habitats.

netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische

Hoofdstuk 11 van het Bal behandelt de vergunningplicht voor Natura

Een ruimtelijk plan dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor een Na-

verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met

2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. In dit hoofdstuk zijn te-

tura 2000-gebied kan alleen worden goedgekeurd als uit een passende

omringende agrarisch gebieden te verbinden. Ook is het gericht op de

vens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de

beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied

bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gun-

mogelijkheden tot maatwerk. Indien geen vrijstelling van toepassing is,

niet zal aantasten. Bij verkregen zekerheid kan vergunningverlening

stige staat van instandhouding van aanwezige dier- en plantensoorten,

dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, waarbij onder-

plaatsvinden, zoals bepaald in artikel 8.74, lid b, van het Besluit kwaliteit

typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in

scheid wordt gemaakt tussen enkelvoudige en meervoudige aanvragen,

leefomgeving (Bkl). Als er echter geen zekerheid is verkregen, kan het

Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden

afhankelijk van de aard van de activiteit (flora- en fauna-activiteit en/of

plan toch worden goedgekeurd mits wordt voldaan aan de volgende drie

maken del uit van het NNN. Het NNN omvat niet alleen natuurgebieden

Natura 2000-activiteit).

voorwaarden:

op land, maar omvat ook alle grote wateren in Nederland, zoals de grote

1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

rivieren, het IJsselmeer en de Waddenzee. De provincie wijst in de om-

2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar be-

gevingsverordening de NNN-gebieden aan.

Natura 2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de Euro-

lang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

pese Vogel- en Habitatrichtlijn. De minister van Landbouw, Natuur en

3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen

Activiteiten in deze gebieden mogen alleen plaatsvinden indien ze geen

Voedselkwaliteit wijst deze gebieden aan via een aanwijzingsbesluit, zo-

om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura

nadelige effecten hebben op de essentiële kenmerken of waarden van

als bepaald in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Bovendien stelt hij op

2000-netwerk bewaard blijft.

het gebied, of als dergelijke effecten kunnen worden voorkomen of ver-

basis van artikel 2.43 van de Omgevingswet de instandhoudingsdoel-

minderd door het implementeren van mitigerende maatregelen.

stellingen vast. Nederland beschikt over meer dan 160 Natura 2000-ge-

De criteria voor het beoordelen van de omgevingsvergunning voor Na-

bieden.

tura 2000-activiteiten worden beschreven in afdeling 8.6 van het Besluit

Bijzondere natuurgebieden en landschappen

kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze beoordelingsmaatstaven zijn vastge-

Naast de Natura 2000-gebieden heeft de minister van Landbouw, Na-

steld binnen het aanvullingsspoor Natuur. 9

tuur en Voedselkwaliteit de bevoegdheid om bijzondere nationale na-

Bij de voorbereiding van een omgevingsplan dienen mogelijke significante effecten als gevolg van projecten, plannen en activiteiten, zowel

tuurgebieden aan te wijzen, zoals vastgelegd in artikel 2.44, lid 2 van de

individueel als in combinatie met andere plannen of projecten, te worden

Omgevingswet. Daarnaast kan de provincie in de omgevingsverorde-

geïdentificeerd en beoordeeld, zoals voorgeschreven in artikel 16.53, lid

ning specifieke provinciale natuurgebieden en landschappen als bijzonder aanwijzen, conform artikel 2.44, lid 5 van de Omgevingswet.

9

‘Vergunningplicht Natura 2000-activiteit’, aandeslagmetdeomgevingswet.nl

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

32

Soortenbescherming

van de Omgevingsregeling staat deze methode vermeld voor het bere-

4.10.2

Onderzoek

Onder de Omgevingswet worden tal van dier- en plantensoorten be-

kenen van stikstofdepositie bij Natura 2000-activiteiten. Om het project

In het kader van het wijzigen omgevingsplan ten behoeve van de be-

schermd, met aandacht voor soorten van Europees belang die vallen

te kunnen uitvoeren, mogen de berekende resultaten niet hoger zijn dan

oogde ontwikkeling is door middel van een verkennend ecologisch on-

onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn, evenals bepaalde

0,00 mol/ha/j. Wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan, kunnen

derzoek (quickscan flora en fauna) een beoordeling gemaakt van de

soorten van nationaal belang. De bescherming van soorten vindt zowel

negatieve significante effecten op het betreffende Natura 2000-gebied

mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaar-

binnen als buiten het NNN plaats. Deze bescherming kan variëren van

op voorhand worden uitgesloten, waardoor het project op basis daarvan

den. De rapportage van de quickscan flora en fauna is opgenomen in de

wet- en regelgeving tot concrete maatregelen die gericht zijn op het be-

kan worden voortgezet.

bijlagen.

In overeenstemming met artikel 2.18, lid 1, sub f van de Omgevingswet

Houtopstanden

Quickscan flora en fauna

rust de primaire verantwoordelijkheid hiervoor doorgaans bij de provin-

Bomen en bossen vallen onder ‘houtopstanden’ en vervullen belangrijke

Houtopstanden

cies. Niettemin hebben ook decentrale overheden de mogelijkheid actief

en unieke functies in de fysieke leefomgeving, zoals het invangen van

Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwingscontour houtkap

beleid te voeren, bijvoorbeeld door het opstellen van programma's voor

fijnstof, de opslag van koolstofdioxide, het bergen van water of het ver-

bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is

soortenbescherming.

minderen van grote temperatuurschommelingen in stedelijk gebied, en

toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Omgevingswet

het vormen van een belangrijk leefgebied voor tal van planten en dier-

bij dit plan niet aan de orde.

houden, vestigen of uitbreiden van populaties van verschillende soorten.

Door de strike formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrij-

soorten. Gezien de langdurige ontwikkelingstijd van bossen is hun be-

wel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden nagegaan of er

scherming van aanzienlijk belang. De bescherming van houtopstanden

Vogels

specifieke soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Zoals eerder

is daarom vastgelegd in de Omgevingswet. De regelgeving omtrent de

Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met

aangegeven, wordt in hoofdstuk 11 van het Bal bepaald wanneer een

bescherming van houtopstanden is opgenomen in Afdeling 11.3 van het

een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kun-

omgevingsvergunning vereist is.

Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Conform artikel 11.126 van het

nen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de

Bal is het kappen van houtopstanden onderworpen aan een algemene

betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het op-

Stikstof

meldplicht. Daarnaast geldt op basis van artikel 11.129 van het Bal een

gaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs

Stikstofemissie betreft de uitstoot van stikstof, afkomstig van bijvoor-

verplichting tot herbeplanting voor houtopstanden met een oppervlakte

geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels.

beeld verkeer, energiecentrales en industriële activiteiten. Stikstofdepo-

van 10 are of meer, evenals voor bomenrijen bestaande uit meer dan 20

In de wetteksten wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broed-

sitie is de neerslag van stikstof op de grond. Met name voor de natuur

bomen, buiten de zogenaamde 'bebouwingscontour houtkap'. De be-

seizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half

vormt dit een uitdaging, omdat het de bodem verrijkt met voedingsstof-

bouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het omgevings-

augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van

fen, wat nadelig is voor de biodiversiteit in het betreffende gebied. Het

plan, zoals bepaald in artikel 5.165, lid b van het Besluit kwaliteit leefom-

een broed-geval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/af-

behoud van alle planten- en diersoorten vereist zowel voedingsrijke als

geving (Bkl). Bovendien is er een specifieke zorgplicht (artikel 11.116

wezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van

voedingsarme bodems.

van het Bal) van toepassing op het kappen van houtopstanden, het her-

een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De

beplanten van grond, of na het tenietgaan van een houtopstand op an-

voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat

dere wijze.

veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van in-

Wanneer een project zich nabij een Natura 2000-gebied bevindt en potentieel significante stikstofuitstoot en -depositie kan veroorzaken, is het

standhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.

verplicht een stikstofberekening uit te voeren (voor de bouw- en/of gebruiksfase) met behulp van het rekeninstrument AERIUS. In artikel 4.15

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

33

Vleermuizen

Specifieke zorgplicht

projectgebied worden externe effecten door licht, geluid en trillingen uit-

De aangrenzende bebouwing bevat geen geschikte doorgangen naar

Behalve de genoemde soorten geldt een bescherming onder de speci-

gesloten.

potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikke-

fieke zorgplicht voor soorten van de rode lijst. Dit zijn circa 4.300 soor-

ling zal er geen sprake zijn van (potentiële) schadelijke handelingen met

ten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van rode lijst-soorten

De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van een verkeerslus en

be-trekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageerge-

binnen het plangebied.

mogelijke uitbreiding van bestaande bedrijvigheid, wat een toename van

bied voor vleermuizen.

stikstofuitstoot met zich kan brengen. Een mogelijke toename van stikWel zijn er in de directe omgeving van het plangebied volgens de NDFF

stofdepositie op de genoemde Natura 2000-gebieden is niet uit te slui-

Grondgebonden zoogdieren

soorten bekend als de bunzing wezel, haas, konijn, bruin blauwtje,

ten. Daarom is een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-bere-

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen

kleine parelmoervlinder, beemdkroon, gewone agrimonie, rapunzel-

kening benodigd voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase. De rap-

van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)

klokje, rode ogentroost en spiesraket.

portage is opgenomen in de bijlagen. De berekeningen tonen aan dat

leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op

zowel in de gebruiksfase als de aanlegfase de resultaten niet hoger zijn

de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten

Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein dat functioneel is als

dan 0,00 mol/ha/j. Hierdoor kunnen negatieve effecten op Natura 2000-

en potentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader

parkeerplaats. De kans op aanwezigheid van soorten van de rode lijst is

gebieden als gevolg van stikstofdepositie op voorhand worden uitgeslo-

van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te

daarmee zeer laag. Een overtreding met betrekking tot de specifieke

ten. Het onderzoek ‘Stikstofnotitie aanleg verkeerslus en bedrijfsuitbrei-

dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.

zorgplicht is daarmee niet aan de orde, mits algemene zorgplichtmaatre-

dingen d.d. 28 mei 2025’ laat geen stikstofdepositie op voor verzuring

gelen worden genomen om het doden en verwonden van individuen te

gevoelige gebieden zien. Er is daarmee geen vergunning voor een Na-

voorkomen.

tura 2000 activiteit nodig.

len, amfibieën, ongewervelde diersoorten en vissen zijn op voorhand uit-

Conclusie

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de bouwfase als de

gesloten. Wat amfibieën betreft is in het kader van de algemene zorg-

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan

gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

plicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventu-

alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het

Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-ge-

eel passerende individuen.

provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits het verwijderen van

bieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

Reptielen, ongewervelde diersoorten, amfibieën en vissen Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van reptie-

nestgelegenheid buiten het broedseizoen plaatsvindt, of een controle Vaatplanten

aantoont dat er geen sprake is van een broedgeval. In het kader van de

Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ont-

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

zorgplicht is het bovendien noodzakelijk om voldoende zorg te dragen

wikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er

schermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs moge-

van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn,

Invasieve exoten

lijke moet worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen.

geldt ook geen vergunningplicht op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl.

Stikstofonderzoek

4.10.3

pest, waterteunisbloem, Japanse duizendknoop en de grote waternavel.

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een aangewe-

Vanuit het omgevingsaspect natuur en landschap is er sprake van een

Binnen het plangebied zijn echter geen waarnemingen van deze soorten

zen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied

evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

gedaan tijdens het veldbezoek.

‘Grensmaas’ is gelegen op circa 4,6 kilometer afstand van het projectge-

In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de reuzenberenklauw, reuzenbalsemien, hemelboom, smalle water-

Conclusie

bied. Eventuele effecten zouden externe factoren betreffen, zoals geluids- en lichttoename en stikstofdepositie. Gezien de afstand tot het

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

34

4.11

Bodem

4.11.1

Toetsingskader

Het meewegen van de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit is onderdeel

is door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV (MAH BV) een historisch

krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwik-

bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is in de bijlagen

kelingen. Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden

van onderhavige ruimtelijke motivering opgenomen. Hierna volgt de con-

geboden in de effecten van het initiatief op afvalwater, grondwater, op-

clusie.

pervlaktewater, hemelwater/regenwater en drinkwater. De weging van

van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie

het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid

tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een omge-

Het vooronderzoek heeft geen gegevens opgeleverd die duiden op een

van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving

vingsplan bevat daarom in ieder geval waarden voor de toelaatbare

eventuele bodemverontreiniging op de onderzoekslocatie gelegen aan

vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het

kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig ge-

de Oudeweg (ong.) te Linne. Het gebruik van de onderzoekslocatie als

Bkl).

bouw op een bodemgevoelige locatie. Het gaat daarbij om een gebouw

landbouwgrond en/of wadi heeft naar verwachting niet geleid tot veront-

Daarbij is het van belang dat waterbeheerders vroegtijdig worden be-

of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen

reiniging van de bodem. Op basis van de gegevens uit het vooronder-

trokken bij de planvorming. Ook is het belangrijk dat er op een gestruc-

meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook

zoek wordt de locatie dan ook als onverdacht aangemerkt. De bodem

tureerde wijze afstemming tussen het waterschap en de gemeente

de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit.

ter plaatse van de onderzoekslocatie behoeft ons inziens niet verder fy-

plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van

sisch-chemisch te worden onderzocht.

belang is.

bouwen op bodemgevoelige locaties. Bij het bepalen van de waarden

Kortom, uit het onderzoek is gebleken dat in de bodem geen sprake is

Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvor-

voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de inter-

van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem en dat

ming kunnen initiatiefnemers online middels de digitale watertoets na-

ventiewaarden voor de verschillende stoffen in de bodem en neemt de

er geen sprake is van verontreiniging van grondwater. De locatie is ge-

gaan of hun project voldoende rekening houdt met de waterbelangen.

gemeente de grenswaarden in acht (artikel 5.89i en 5.89j Bkl). Bij over-

schikt voor herontwikkeling. Er is geen aanleiding om aanvullend bo-

Uit de digitale watertoets volgt een advies welke wateraspecten relevant

schrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als

demonderzoek uit te voeren op de locatie.

zijn voor het project en waarom. Aanvullend op dit advies dient in onder-

Het Bkl bevat instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige ge-

de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k en 5.98ka Bkl). Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie (artikel 5.89p Bkl). Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aan-

havige ruimtelijke motivering verantwoording afgelegd te worden over de 4.11.3

Conclusie

Dit gebeurt meestal in de ‘weging van het waterbelang’ van het ruimte-

toedeling van functies aan locaties.

lijke project. Dit proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’

4.12

Weging van het waterbelang

gewezen (artikel 5.89o Bkl).

Toetsingskader

4.11.2

gevingsbeleid. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in

Onderzoek

manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders.

Vanuit het omgevingsaspect bodem is er sprake van een evenwichtige

Het omgevingsaspect water vormt een integraal onderdeel van het om-

De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste ontwikkeling.

het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.37, lid 1, een

Met het planvoornemen is namelijk sprake van bodemgevoelige bebou-

‘weging van het waterbelang’ uit te voeren bij ruimtelijke plannen, zoals

wing (een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt,

nieuwbouwprojecten. De weging van het waterbelang is een instrument

voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aan-

waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie

eengesloten aanwezig zullen zijn), namelijk de bedrijfshallen. Derhalve

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

(onder de oude wetgeving bekend als de watertoets) een plaats bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. 4.12.1

Onderzoek

Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is voor het planvoornemen door Sweco een rapportage opgesteld. De rapportage is in de bijlagen opgenomen. Het waterbeleid voor de planlocatie is gebaseerd op kaders van de Rijksoverheid, het Waterschap Limburg en de gemeente Maasgouw. Op

35

nationaal niveau zijn het Nationaal Water Programma 2022–2027 en het

van het vuilwater ingezameld en lokaal verwerkt, waarbij infiltratievoor-

norm (100 mm/etmaal) en zodanig dat de voorziening binnen 24 uur

Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie leidend, waarin water een stu-

zieningen zoals een wadi zijn voorzien ter plaatse van de groenstrook.

weer beschikbaar is. Aan het voorgaande wordt gevolg gegeven.

rend principe is in ruimtelijke ontwikkeling, met nadruk op klimaatadapta-

Bij een waterdiepte van 1,2 meter is hiervoor circa 244 m² ruimte beno-

tie bij extreme neerslag en droogte. Waterschap Limburg hanteert het

digd. Het systeem wordt zo ontworpen dat het binnen 24 uur kan ledi-

4.12.2

stand-still-beginsel: bij nieuwe verharding mag geen extra hemelwater

gen en bij extreme neerslag kan overstorten op het hemelwaterriool. Uit-

Vanuit het omgevingsaspect weging van het waterbelang is er sprake

worden afgevoerd ten opzichte van de natuurlijke situatie. Daarom moe-

gangspunt is dat de waterkwaliteit minimaal gelijk blijft of verbetert ten

van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

ten initiatiefnemers hemelwater op eigen terrein opvangen via infiltratie-

opzichte van de huidige situatie; daarom worden geen uitlogende bouw-

en bergingsvoorzieningen die zijn afgestemd op extreme buien (100 mm

materialen toegepast. Voor de uitvoering zijn mogelijk vergunningen ver-

in 24 uur). De gemeente Maasgouw sluit hierop aan en stelt dat regen-

eist van het waterschap, en aansluiting op het vuilwaterriool zal in over-

water bij nieuwbouw en in het buitengebied zoveel mogelijk op eigen

leg met de gemeente plaatsvinden.

terrein verwerkt moet worden. Hemelwater mag slechts bij uitzondering worden afgevoerd naar het gemeentelijk stelsel, bijvoorbeeld bij techni-

Uit de uitgevoerde watertoets blijkt dat de waterhuishoudkundige gevol-

sche onhaalbaarheid of vanuit volksgezondheidsoogpunt. Het uitgangs-

gen van het planvoornemen goed beheersbaar zijn. Het toekomstige

punt is vasthouden, infiltreren en pas als laatste redmiddel bergen en af-

verhard oppervlak van circa 1.460 m² leidt tot een waterbergingsopgave

voeren.

van 146 m³, waarvoor passende infiltratievoorzieningen zoals een wadi worden gerealiseerd binnen de groenstrook. De bodemopbouw en

De planlocatie ligt op circa 27,30 m +NAP en kent een bodemopbouw

grondwaterstand zijn gunstig voor infiltratie. Aansluiting op het geschei-

die bestaat uit grof zand en grind, met op diepte kleilagen. Regionaal is

den rioolstelsel is mogelijk, waarbij hemelwater lokaal wordt verwerkt en

de ondergrond goed doorlatend, met verschillende watervoerende la-

vuilwater in overleg met de gemeente wordt afgevoerd. Er wordt voldaan

gen. Het grondwater stroomt vermoedelijk richting de Maas en de Ge-

aan de beleidskaders van het Rijk, het waterschap en de gemeente,

middeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt dieper dan 4,5 m onder

waarmee het planvoornemen waterneutraal en klimaatadaptief is.

maaiveld. De locatie ligt binnen de Roerdalslenk, een grondwaterbeschermingsgebied, waarin strenge regels gelden voor grondroerende

Advies waterschap Limburg

activiteiten en diepe boringen. Er is geen oppervlaktewater in de directe

Voor het planvoornemen adviseert het waterschap om uit te gaan van

omgeving aanwezig. De huidige ontwateringsdiepte is toereikend, en

een hemelwaterberging van 100 mm per 24 uur en zo klimaatadaptief

om wateroverlast te voorkomen wordt geadviseerd de toekomstige

mogelijk te bouwen. Belangrijk aandachtspunt is de laagte in het land-

bouwpeilen minimaal 20 cm boven het wegpeil aan te leggen. Aan de

schap: bij ophoging of aanvulling moet worden voorkomen dat water

Oudeweg is een gescheiden rioolstelsel aanwezig, waarop het plan

wordt verplaatst naar omliggende percelen en daarmee hinder voor der-

kan/mag worden aangesloten.

den ontstaat. Daarnaast wordt geadviseerd te onderzoeken of bestaand verhard oppervlak kan worden meegenomen in het afkoppelen. Al het

Het planvoornemen heeft een totaal toekomstig verhard oppervlak van

hemelwater dient binnen het plangebied te worden opgevangen en ge-

circa 1.460 m². Dit leidt tot een waterbergingsopgave van ongeveer 146

infiltreerd, zonder afvoer naar het gemengde riool. De infiltratie- en ber-

m³, gebaseerd op 100 mm per m². Het hemelwater wordt gescheiden

gingsvoorzieningen moeten worden ontworpen conform de regionale

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

Conclusie

4.13

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

4.13.1

Toetsingskader

De Omgevingswet streeft naar een evenwichtige benadering van het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, met specifieke aandacht voor diverse belangen, waaronder cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Deze wet, in combinatie met de Omgevingswet, biedt een allesomvattende bescherming van het cultureel erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed, inclusief werelderfgoed. Dit vereist een grondige inventarisatie en analyse van het erfgoed binnen hun grenzen, gevolgd door het opnemen van een passend beschermingsregime in het omgevingsplan. In het omgevingsplan van de gemeente Maasgouw is cultureel erfgoed in paragraaf 22.2.6 opgenomen. In artikel 22.22 wordt vermeld dat indien een activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2, de voorschriften voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag of de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing zijn. In artikel 22.28 worden inperkingen hierop gegeven.

Ook wordt in artikel 22.286, lid 2 aangegeven dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning een rapport verstrekt dient te worden waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

36

Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen10:

4.13.2

Onderzoek

1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed)

moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

2. Archeologische monumenten

Archeologie

3. Stads- en dorpsgezichten

Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Linne (vastgesteld 18

Cultuurhistorie

4. Cultuurlandschappen

december 2014) van de gemeente Maasgouw. Volgens het bestem-

Aan de hand van de ‘Cultuurhistorische waardenkaart Limburg’ kaart

5. Roerend en immaterieel erfgoed

mingsplan Linne heeft het plangebied een dubbelbestemming waarde

van de provincie Limburg is bepaald of in en rondom het projectgebied

archeologie. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch on-

relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Hieruit volgt dat bin-

Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om deze ele-

derzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan: 1.000 m2 en dieper

nen het projectgebied geen sprake is van de aanwezigheid van cultuur-

menten te beschermen via hun omgevingsplannen. Een cruciale over-

dan 50 cm beneden maaiveld.

historische waarden. In de directe omgeving van het projectgebied zijn

weging hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed zich binnen hun

Om inzicht te krijgen in de archeologische situatie van het projectgebied

tevens geen cultuurhistorische objecten gelegen.

grenzen of direct daarbuiten bevinden, en welke specifieke elementen

heeft Sweco archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ter plaatse. De

men wil (of moet) beschermen. Hierbij dienen de instructieregels in de

rapportage is in de bijlagen opgenomen. Het doel van het bureauonder-

Het plangebied grenst rechtstreeks aan bestaande bedrijfslocaties en

artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en

zoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde ar-

maakt deel uit van een modern bedrijventerrein zonder beschermde mo-

de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten

cheologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd

numenten, archeologische waarden of landschappelijke elementen met

leefomgeving (Bal) (met betrekking tot rijksmonumenten en werelderf-

door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van be-

een bijzondere cultuurhistorische status. De voorgenomen uitbreiding

goed) in acht te worden genomen.

staande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

van de bedrijfsbebouwing en de aanleg van de vrachtwagenverkeerslus

Provincies en gemeenten krijgen hierbij ondersteuning van specialisten

Vanuit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat als gevolg van de

structuur. Omdat er geen waardevolle historische bebouwing wordt aan-

van zowel de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als het minis-

aanleg van een wadi in het begin van de 21e eeuw zullen archeolo-

getast en het ruimtelijk karakter van het terrein behouden blijft, doet de

terie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries

gische waarden, als die al aanwezig waren in het plangebied, bijna vol-

ontwikkeling geen afbreuk aan de aanwezige cultuurhistorische waar-

dragen bij aan de ontwikkeling van de wet en de daarbij behorende re-

ledig zijn verwijderd. Mogelijk dat aan de randen van het plangebied/de

den.

gels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie

wadi nog archeologische resten liggen maar dit is een dermate klein

(NOVI) en leveren kennis en informatie voor andere overheidsinstanties.

deel dat dit niet een behoudens waardige vindplaats zal zijn.

De wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erf-

Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek wordt dan ook ge-

goed en archeologie in Nederland is vastgelegd in het Bkl, Bal, en de

adviseerd om het plangebied vrij te geven. Als het plangebied nu of in

provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen. Op basis hiervan is het

de toekomst door de gemeente Maasgouw wordt vrijgegeven voor bo-

verplicht om bij de afweging van belangen de vijf elementen van cultu-

demroerende werkzaamheden, dan blijft er,(conform aan artikel 5.10

reel erfgoed in overweging te nemen.

van de Erfgoedwet uit juli 2016), een meldingsplicht bestaan. Eventuele

vormen daardoor een logische voortzetting van de huidige ruimtelijke

Conclusie

Vanuit het omgevingsaspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake

archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen

10

4.13.3

van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.14

Mer-beoordeling

4.14.1

Toetsingskader

De milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Per

https://www.cultureelerfgoed.nl/binaries/cultureelerfgoed/documenten/publicaties/2020/01/01/handreiking-begrippenkader-cultureel-erfgoed-onder-de-omgevingswet/Handreiking-Begrippenkader-cultureel-erfgoed-onder-Omgevingswet-2022.pdf

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

37

project dient te worden besloten of er een mer-plicht geldt, of dat er aan-

4.14.2

Onderzoek

vankelijk slechts een mer-beoordeling wordt gevraagd. In bijlage V bij

Gezien de omvang en de locatie van de voorgenomen ontwikkeling

het Omgevingsbesluit staan de projecten en de daarvoor benodigde be-

wordt dit project niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelings-

sluiten waarvoor een mer-beoordelingsplicht of een mer-plicht van

project. De gemeente is echter grondeigenaar en initiatiefnemer van het

kracht zijn.

plan, waardoor een aanmeldnotitie niet vereist is. Op basis van de specifieke kenmerken van het project, de locatie en de

In kolom 1 zijn de categorieën van projecten aangewezen, waaronder

aard van de potentiële milieueffecten, blijkt dat er geen sprake is van

een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkel-

significante nadelige gevolgen voor het milieu. Dit maakt het opstellen

centra en parkeerterreinen’ (J11). Voor deze categorie project is een

van een mer-aanmeldnotitie of het doorlopen van een volledige mer-pro-

mer-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a,

cedure niet noodzakelijk.

niet van toepassing (kolom 2). Echter, bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ geldt een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. De mededeling is ook wel

4.14.3

Conclusie

Vanuit het omgevingsaspect ‘mer-beoordeling’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

een aanmeldnotitie en bevat een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten. Het bevoegd gezag beslist op basis

Tabel 4.14 Mer-beoordeling

daarvan of een mer nodig is. Of daadwerkelijk een mer-beoordelingsplicht geldt, is afhankelijk van of het project onder de benaming ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ valt. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt. Onder de Omgevingswet is er sprake van één mer-beoordelingsprocedure. Om te voldoen aan de voorwaarden in afdeling 16.4 Omgevingswet en hoofdstuk 11 en om de bijlage V van het Omgevingsbesluit moet een mer-aanmeldnotitie worden opgesteld bij een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

38

5 5.1

Juridisch kader TAMomgevingsplan Preambule

De regels vangen aan met een preambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moet worden. Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De beoogde ontwikkeling op deze locatie is in strijd met het van het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan ‘Linne’, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Dit TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van dit TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22c van het omgevingsplan.

5.2

Systematiek van de bestemmingsregels

Voor de systematiek van dit TAM-omgevingsplan is aangesloten bij het nieuwe deel van het omgevingsplan Linne, dat momenteel nog in ontwikkeling is.

Het TAM-omgevingsplan fungeert als toetsingskader voor bouwplannen

Artikel 22c.2 en 22c.3

op de planlocatie alsmede vormt het TAM-omgevingsplan een bindend

In eerstgenoemd artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen

kader voor het gebruik van gronden en opstallen op de planlocatie. Via

geldende begrippen. Daarnaast zijn in het tweede genoemde artikel de

dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel

begrippen opgenomen die specifiek gelden voor dit TAM-omgevings-

Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijkeplan-

plan.

nen.nl het omgevingsplan gewijzigd. Artikel 22c.4 Meet- en rekenbepalingen De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in:

In deze artikelen wordt beschreven hoe voor de toepassing van dit TAM-

•

Algemene bepalingen (Afdeling 22c.1)

omgevingsplan bepaalde maten gemeten moeten worden.

•

Functies (Afdeling 22c.2)

•

Algemene bepalingen(Afdeling 22c.3)

Artikel 22c.5 Algemeen gebruiksverbod

•

Overgangsrecht (Afdeling 22c.4)

In dit artikel staat beschreven dat het verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toe-

5.2.1

Afdeling 22c.1 - Algemene bepalingen

gedeelde functies.

In deze afdeling staan de begripsbepalingen en overige bepalingen. Artikel 22c.6 Aanvraagvereisten Artikel 22c.1 Toepassingsbereik

In dit artikel staat dat de aanvraagvereisten, die in paragraaf 22.5.2 van

Doordat een TAM-omgevingsplan er niet automatisch voor zorgt dat de

het omgevingsplan staan, ook van toepassing zijn op een omgevings-

regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden,

vergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

komen te vervallen, moet een toepassingsbereikbepaling in het plan worden opgenomen. Deze bepaling regelt dat de regels uit de bestem-

5.2.2

mingsplannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet meer van

In dit hoofdstuk zijn de regels omtrent de toegestane en vergunnings-

Afdeling 22c.2 - Functies

toepassing zijn op de locatie waarvoor dit TAM-omgevingsplan is opge-

plichtige gebruiks-, bouw- en overige activiteiten opgenomen. Deze zijn

steld.

gekoppeld aan de op de digitale verbeelding opgenomen functies. Deze functies betreffen:

In het tweede lid is een voorrangsbepaling opgenomen voor onderdelen

-

Bedrijf;

van dit TAM-omgevingsplan die afwijken van de bruidsschat, omdat

-

Groen;

deze niet of onvoldoende toeziet op hetgeen vanuit gemeentelijk beleid

-

Verkeer;

gewenst is en/of nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Hiermee is het

-

Waarde – Archeologie 3.

mogelijk om af te wijken van de bruidsschat op het moment dat deze in

De opgenomen regels zijn beoogd om het planvoornemen binnen het

strijd is met dit TAM-omgevingsplan. In het derde lid worden de regels

plangebied juridisch-planologisch mogelijk te maken en hiervoor een

uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende ver-

passend kader te bieden. Ook de reeds verleende omgevingsvergun-

beelding.

ning voor het perceel Oudeweg 80 is hierin vertaald. Inhoudelijk wordt

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

39

daar waar mogelijk zoveel mogelijk aangesloten bij de regels die gelden

Artikel 22c.15 Overige regels

op basis van het tijdelijke omgevingsplan.

Met het oog op de waarborging van het realiseren van voldoende parkeer- en laad-/losruimte, is in dit artikel een regeling opgenomen, waar-

5.2.3

Afdeling 22c.3 – Algemene regels

Artikel 22c.11 Anti-dubbelregel

aan in voorkomende gevallen bij vergunningaanvraag moet worden getoetst.

Deze regel voorkomt dat, wanneer volgens de regels van dit TAM-omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een be-

5.2.4

Afdeling 22c.4 - Overgangsrecht

paald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven ter-

In dit hoofdstuk is het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik ge-

rein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of

regeld.

bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Verbeelding Artikel 22c.12 Algemene bouwregels

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan dient te

In dit artikel zijn enkele regels over bouwactiviteiten opgenomen, die bin-

worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012 en de

nen het gehele plangebied van het TAM-omgevingsplan gelden. Dit be-

Werkafspraak TAM-omgevingsplan (geostandaarden.nl). Dat betekent

treft regels op ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en

dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat speci-

eventuele bestaande afwijkende maten.

fieke functies 'functieaanduidingen' worden benoemd.

Artikel 22c.13 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels opgenomen die gelden ter plaatse van het werkingsgebied ‘overige zone – roerdalslenk 2’. Deze regels bevatten een verbod voor het uitvoeren van enkele soorten activiteiten, met het oog op het voorkomen van onevenredig negatieve gevolgen voor de bodem. Er is ook een vergunningplicht aangewezen met beoordelingsregels. Artikel 22c.14 Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten Dit artikel bevat een aantal aanwijzingen voor vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten. Hierbij is een set beoordelingsregels van toepassing.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

40

6

Haalbaarheid

6.1

Dit kan op twee manieren:

verbeterd. Deze samenwerking onderstreept de gezamenlijke inzet om

1. Privaatrechtelijk kostenverhaal: in een anterieure of posterieure

de ontwikkeling succesvol en duurzaam te realiseren.

overeenkomst (afdeling 13.6.2 Omgevingswet)

Financieel-economische haalbaarheid

Kostenverhaal houdt de verplichting voor de gemeente in om er in dat

2. Publiekrechtelijk kostenverhaal: kostenverhaalregels in een omge-

Op 24 september 2025 is door de betrokken partijen een akkoordverkla-

geval voor te zorgen dat de kosten, die zij maakt om deze ruimtelijke

vingsplan, kostenverhaalvoorschriften in een omgevingsvergunning

ring kosten en voorwaarden (tevens exploitatie-overeenkomst) onderte-

ontwikkeling mogelijk te maken, verhaald worden op de initiatiefnemer.

voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afdeling 13.6.3 Om-

kend. Waarin de voor de ontwikkeling onderlinge rechten en plichten

gevingswet)

van partijen zijn opgenomen. De overeenkomst legt verder vast welke kosten partijen moeten dragen en welke activiteiten partijen moeten (la-

In artikel 13.13 van de Omgevingswet staat aangegeven dat bij het wijzigen van het omgevingsplan kostenverhaal aan de orde kan zijn.

Het afsluiten van een anterieure of posterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij

In dat geval moet worden beoordeeld of er sprake is van een bouwacti-

de voorkeur. Wanneer het niet mogelijk is om een overeenkomst te slui-

viteit in de zin van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit artikel defi-

ten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dat betekent dat het bevoegd

nieert een bouwactiviteit als volgt:

gezag dan de kosten op basis van de omgevingsvergunning voor een

•

de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;

buitenplanse omgevingsplanactiviteit verhaald. Zolang de kostenver-

•

de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen

haalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwwerkzaamhe-

met een woonfunctie;

den uit te voeren.

• • •

•

de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;

Slechts in een aantal specifieke gevallen kan (hoeft niet) de gemeente

de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder

afwijken van het verplichte kostenverhaal (artikel 8.14 Omgevingsbe-

b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;

sluit):

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met an-

•

het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van arti-

dere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een

kel 13.18 van de wet kan worden verhaald, bedraagt minder dan

woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of

€ 10.000,-;

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met an-

•

en met A9 van bijlage IV1;

dere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze ge-

er zijn geen verhaalbare kosten als bedoeld in de onderdelen A5 tot

•

de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.

bruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m² bedraagt.

Er is een koopovereenkomst gesloten tussen de gemeente en beide betrokken partijen/bedrijven. In deze overeenkomst is de financieel-econo-

Wanneer van het bovenstaande sprake is, is de gemeente verplicht om

mische haalbaarheid van de ontwikkeling vastgelegd. De gemeente

kosten te verhalen. Bovenstaande bouwactiviteiten zijn kostenverhaal-

neemt het initiatief voor de realisatie van de vrachtwagenverkeerslus,

plichtig.

waarmee de bereikbaarheid en verkeersveiligheid in het gebied worden

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

ten) uitvoeren.

6.2

Maatschappelijke verantwoording

6.2.1

Participatie en omgevingsdialoog

Voor het planvoornemen geldt geen participatieplicht vanuit de gemeenteraad. Toch wordt enige vorm van participatie toegepast. De kennisgeving van het voornemen tot wijziging van het omgevingsplan is gepubliceerd in het Gemeenteblad, zodat het voor eenieder zichtbaar was. Daarnaast is de kennisgeving actief verspreid onder de direct betrokkenen in de planomgeving. Hierbij zijn de direct aangrenzende bewoners en perceeleigenaren individueel geïnformeerd over het planvoornemen. Belanghebbenden uit de directe omgeving zijn in staat om binnen de participatieperiode hun zienswijze, aandachtspunten of suggesties kenbaar te maken. Deze participatieperiode liep van vrijdag 10 oktober 2025 tot en met donderdag 30 oktober 2025, een periode van drie weken. Gedurende deze termijn kon zowel schriftelijk als mondeling worden gereageerd op het planvoornemen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen reacties, zienswijzen of opmerkingen vanuit de omgeving ontvangen. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen aanleiding heeft gegeven tot het indienen van reacties of bezwaren vanuit de directe omgeving.

41

6.2.2

Wijziging van het omgevingsplan

Het Ontwerp ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne’ (met planidentificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-ON01)) met de daarbij behorende stukken heeft van vrijdag 18 december 2025 tot en met donderdag 29 januari 2026 (dus gedurende zes weken) ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. In het kader van de vaststelling zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Een overzicht van deze wijzigingen is opgenomen in de als bijlage toegevoegde Nota ambtshalve wijzigingen inzake het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne’.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

42

Bijlage 1: Nota ambtshalve wijzigingen inzake het ‘TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne’

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

43

Z/26/158219 - D/26/234159

Nota ambtshalve wijzigingen inzake het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne’ Het Ontwerp ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne’ (met planidentificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-ON01)) met de daarbij behorende stukken heeft van vrijdag 18 december 2025 tot en met donderdag 29 januari 2026 (dus gedurende zes weken) ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden, ten opzichte van het ontwerp daarvan, de navolgende ambtshalve wijzigingen doorgevoerd bij de vaststelling van het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne’ (met planidentificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01)): Motivering De conclusie in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten in de fysieke leefomgeving, paragraaf 4.2.3 (aspect geluid) is aangepast. Was 4.2.3 Conclusie Vanuit het omgevingsaspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Wordt 4.2.3 Conclusie Vanwege de maximale geluidniveaus van de activiteiten ter plaatse van de keerlus/keervak treden er overschrijdingen op van de richtwaarden. De overschrijdingen op de woningen aan de Oudeweg 87 en Rijksweg 23 worden veroorzaakt door het optrekken of de parkeerrem van een vrachtwagen. Middels het realiseren van een geluidsscherm met een hoogte van 2,3 meter en een lengte van ruim 20 meter op de grens van de keerlus/steekvak en het terrein van de Nissen Boomverzorging & Hovenier worden de overschrijdingen op de woning aan de Rijksweg 23 volledig worden weggenomen. Het realiseren van een dergelijk geluidscherm is verkeerskundig en ruimtelijk niet wenselijk. Daarnaast zal de door Nissen Boomverzorging & Hovenier te realiseren bedrijfshal functioneren als geluidafscherming. Ter plaatse van de Oudeweg 87 treedt akoestisch gezien, een verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast is het treffen van aanvullende bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk Tot slot wordt het woon- en leefklimaat, uitgaande van een goed onderhouden woning en gevels met een geluidsisolatie van ten minste 20 dB, gegarandeerd. Geconcludeerd wordt vanuit het omgevingsaspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Pagina 1 van 2

Z/26/158219 - D/26/234159

Verbeelding Het bouwvlak behorende bij het bedrijf aan de Oudeweg 80 wordt aangepast volgens de vergunde situatie.

Was

Wordt

Pagina 2 van 2

Separate bijlagen Bijlage 1 Tekening toekomstige situatie Bijlage 2 Vergunning uitbreiding bedrijf Oudeweg 80 Bijlage 3 Quickscan flora en fauna Bijlage 4 Stikstofonderzoek Bijlage 5 Vooronderzoek bodem Bijlage 6 Weging van waterbelang Bijlage 7 Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 8 Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Bijlage 9 Akoestisch onderzoek industrielawaai

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Algemene bepalingen Toepassingsbereik Wettelijke begripsbepalingen Aanvullende begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Algemeen gebruiksverbod Aanvraagvereisten

4 4 5 6 9 10 11

Hoofdstuk 2 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Functies Bedrijf Groen Verkeer Waarde - Archeologie 3

12 12 14 15 16

Hoofdstuk 3 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten Overige regels

18 18 19 20 21 22

Hoofdstuk 4 Artikel 16

Overgangsrecht Overgangsrecht

23 23

2

Inhoudsopgave (vastgesteld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

Regels Preambule Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een keerlus, groenstrook en een uitbreiding van naastgelegen bedrijvigheid op het perceel tussen de Oudeweg 80 en Rijksweg 23 te Linne. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) in het omgevingsplan van de gemeente Maasgouw. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22c] van het 'Omgevingsplan gemeente Maasgouw'. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22c.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22c]’ gelezen worden.

Regels (vastgesteld)

3

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Algemene bepalingen

Toepassingsbereik

a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c. b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.

4

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

Artikel 2

Wettelijke begripsbepalingen

De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan.

Regels (vastgesteld)

5

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

Artikel 3

Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de volgende begrippen gehanteerd: 3.1

plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 van de gemeente Maasgouw. 3.2

omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Maasgouw. 3.3

TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 3.4

aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge dit plan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 3.5

aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 3.6

archeologische monumentenzorg

Zorg die zich richt op het optimaal beheer van de bodem als unieke bron van informatie over de geschiedenis van Nederland. 3.7

archeologisch onderzoek

In een schriftelijke rapportage vastgelegd bureau- en/of veldonderzoek naar de materiële neerslag van menselijke aanwezigheid en menselijk handelen in het verleden. 3.8

archeologisch verwachtingsvol gebied

Door burgemeester en wethouders aangewezen terrein waarvan op grond van historische gegevens of door archeologische vondsten en onderzoek vermoed wordt dat het van algemeen belang is wegens zijn betekenis voor de archeologische monumentenzorg. 3.9

archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, ten minste ouder dan 50 jaar. 3.10

bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.11

bevoegd gezag

Bevoegd gezag als bedoeld in de Omgevingswet. 3.12

bodemverstorende activiteiten

Het plegen van ingrepen die de bestemming van de grond veranderen en/of waardoor het grondwaterpeil verandert of het uitvoeren van grondbewerkingen.

6

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne

3.13

bedrijf

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 3.14

bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 3.15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=25c5e15c-8a73-4b54-8f3e-5059a97bbad5