Bijlage 3: bestemmingsplan inclusief bijlagen
Tekst van het document
Pagina 28 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.
bij het maken en sluiten van een boorput wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100, als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit in acht genomen.
Uitzonderingen op deze verbodsbepalingen zijn: a. b. c. d.
e. f.
werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekking met het oog op openbare drinkwaterproductie; andere onttrekkingen, mits bestemd voor uitsluitend menselijke consumptie; boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig de Wet bodembescherming en de Waterwet; het saneren van de bodem en het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, indien dat gebeurt overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet bodembescherming; bodemonderzoeken die door de wet zijn voorgeschreven; voor zover Gedeputeerde Staten voor de verboden handelingen algemene regels krachtens hebben vastgesteld en gehandeld wordt in overeenstemming met die regels.
In artikel 4.3.2 van deze verordening zijn beperkingen opgenomen met betrekking tot het gebruik van de bovengrond in grondwaterbeschermingsgebieden. Het plangebied ligt in de boringsvrije zone Roerdalslenk III. In de regels van dit bestemmingsplan zijn de beschermingsregels van de OvL2014 voor deze milieubeschermingsgebieden overgenomen (zie verder paragraaf 4.5.4 van deze toelichting).
2.5.
Beleidskader Waterschap Limburg
2.5.1
Waterbeheerplan (Limburg) 2016 – 2021
2.5.1.1
Algemeen
Het waterbeleid van het Waterschap Limburg is neergelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021 (“Water in beweging”) dat op 22 december 2015 in werking is getreden. Dit plan betreft een gezamenlijk beheerplan van de twee voormalige waterschappen in de provincie Limburg, namelijk het Waterschap Roer en Overmaas en het Waterschap Peel en Maasvallei. Op 1 januari 2017 zijn beide waterschappen gefuseerd. Met het waterbeheerplan geeft het waterschap aan hoe zij in de komende vijf jaren zullen omgaan met de bescherming tegen hoogwater in de Maas, het beheer van het watersysteem, de (afval-)
Pagina 29 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
waterketen en crisisbeheersing. Het plan is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het hoogwaterveiligheidsbeleid Maas sluit aan op het landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Primair gaat het om de versterking van de dijken langs de Maas. 2.5.1.2
Toepassing op het bestemmingsplan
Het waterbeheerplan is niet van toepassing op het plandeelgebied van het Abdijcomplex Thorn, omdat de hoogwaterbescherming in de vorm van dijken langs de Maas (ver) buiten het plangebied liggen.
Pagina 30 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
HOOFDSTUK III ONDERZOEK
Onderzoek
3.1.
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.1
Wettelijk kader
In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en als aangevuld in artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (zie paragraaf 2.4.2.2 van deze toelichting). De ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 juli 2017 vereenvoudigd. Op grond van het nieuwe artikel 3.1.6, tweede lid, moet in de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd. De provincies mogen deze wettelijke regel aanvullen. Deze aanvulling mag echter niet in strijd zijn met het doel van de regel, namelijk vereenvoudiging van de ladder zoals die vóór 1 juli 2017 luidde en daarmee het loslaten van de norm “actuele regionale” behoefte en de drie treden van de ladder. De provinciale regeling in artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 vormt een in dat licht toegestane aanvulling. 3.1.2
Preliminaire toets
Bij de beoordeling of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, moet de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt worden getoetst aan de definitie van het begrip “stedelijke ontwikkeling”. Deze is gegeven in artikel 1.1.1, eerste lid en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening. In artikel 3.1.6, tweede lid, van dat besluit is bepaald, dat de ladder moet worden toegepast indien de stedelijke vernieuwing een “nieuwe” ontwikkeling is.
Pagina 31 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
Aan dit wettelijke begrip is gaandeweg door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verder invulling gegeven. Volgens de huidige stand van de jurisprudentie beoordeelt de Afdeling de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door in onderlinge samenhang te beoordelen welke planologisch beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan en in hoeverre het plan in vergelijking met het voorgaande plan voorziet in een functiewijziging (uitspraak ABRvS van 6 april 2016, nr. 201505759/1/R1). De herontwikkeling van het Abdijcomplex Thorn, zoals in dit bestemmingsplan is voorzien, zal geen extra ruimtebeslag veroorzaken. De functieverandering zelf was reeds passend in het voorheen geldende bestemmingsplan Oude Kern Thorn. De gronden hadden daarin de bestemming “Centrum” en volgens deze bestemming was horeca binnen de horeca-categorieën 1,2,3 en 5 toegestaan. Deze regel is ook in dit bestemmingsplan overgenomen. De horecafunctie was dus op vergelijkbare wijze toegelaten onder het voorheen geldende plan (uitspraak ABRvS van 1 juni 2016, nr. 201506411/1/R1). Dit bestemmingsplan maakt derhalve geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Een behoefte aan een ontwikkeling hoeft dan ook niet te worden beschreven of gemotiveerd.
3.2.
Beoordeling vanuit regelgeving milieueffectrapportage
3.2.1
Wettelijk kader
Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten altijd vele belangen tegen elkaar worden afgewogen. Soms zijn die belangen tegenstrijdig aan elkaar. Dan is een afweging op zich niet voldoende, maar zal er naar oplossingen moeten worden gezocht. Op die manier moet worden gewaarborgd dat verschillende belangen niet ten koste van elkaar gaan, maar naast elkaar tot hun recht komen. Hiertoe kunnen verschillende alternatieven met elkaar worden vergeleken. Het Besluit milieueffectrapportage (hierna verder: Besluit m.e.r.) stelt in een aantal gelimiteerde gevallen verplichtingen aan die alternatieven, om de milieugevolgen daarvan in beeld te brengen. Het is de bedoeling om op deze wijze milieuargumenten een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, naast bijvoorbeeld stedenbouwkundige argumenten. Het Besluit m.e.r. heeft betrekking op besluitvormingsprocessen van een groot aantal wetten, waaronder de Wet ruimtelijke ordening. Het gevolg hiervan is bij diverse ruimtelijke instrumenten, waaronder het bestemmingsplan, een uitgebreidere ruimtelijke onderbouwing.
Pagina 32 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.2.2
Beoordeling m.e.r.-aanmeldnotitie
Een milieueffectrapportage (hierna verder: m.e.r.) is verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van woonwijken de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen. Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het abdijcomplex, in het bijzonder een functieverandering ten behoeve van horeca-categorieën 1, 2, 3 en 5. Omdat deze in het voorheen geldende bestemmingsplan reeds op vergelijkbare wijze waren toegelaten, is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook is er geen sprake van andere activiteiten die zijn opgenomen op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r..
Gelet hierop en gezien de in deze toelichting beschreven aspecten aangaande externe veiligheid, geluidhinder, luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, bodemkwaliteit, archeologie, ecologie, water en verkeer, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significante effecten, die een m.e.r.-aanmeldnotitie noodzakelijk maken. 3.2.3
Vormvrije milieueffectrapportage
Ten behoeve van de herontwikkeling van het abdijcomplex is een m.e.r.-scan uitgevoerd. Conform de m.e.r.-scan is er geen sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als gevolg hiervan is de conclusie dat er voor de herontwikkeling van het abdijcomplex geen verplichtingen ontstaan op grond van de regelgeving op het gebied van de m.e.r.. Ook een vormvrije milieueffectrapportage is daarom niet nodig.
Pagina 33 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.3.
Bedrijven en milieuzonering
3.3.1
Wettelijk kader
De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten ten opzichte van gevoelige functies, zoals (bedrijfs-)woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang en dergelijke, te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een "goede ruimtelijke ordening" eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies en wel door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Bedrijfsmatige activiteiten zijn volgens de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (2009) ingedeeld in een aantal categorieën met bijhorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de Standaard BedrijfsIndeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, namelijk de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is.
In een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de verhouding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies (milieuzonering). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals bijvoorbeeld woningen): 1. 2.
ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Op basis van eerdergenoemde VNG-publicatie kan worden bepaald in hoeverre de inrichtingen en bedrijven beperkend kunnen zijn voor het tot stand brengen van een goed woon- en leefmilieu in hun omgeving. In deze uitgave zijn per (milieu)categorie bedrijvigheid richtafstanden genoemd, die kunnen worden aangehouden teneinde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Hiertoe worden een zestal milieucategorieën onderscheiden. Per milieucategorie is een richtafstand opgenomen, welke ten opzichte van in de omgeving aanwezige gevoelige bestemmingen dient te worden aangehouden. Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (vanwege geur, geluid, stof of gevaar).
Pagina 34 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.3.2
Verkennend onderzoek
Voor het gebruik van het buitenpodium als theater is een apart onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 3.4). De verdere toekomstige functie van het plangebied is volgens de VNG-milieuzonering aan te wijzen als horeca (hotel, restaurant, café, bar). Omdat het centrumgebied vanwege de aanwezigheid van een breed scala aan functies als “gemengd gebied” kan worden beschouwd, volgt daaruit dat het terrein een afstandsmaat van 0 meter heeft tot aan de dichtstbijzijnde woonbestemming. Deze afstand is vastgesteld als gevolg van de geluidsproductie van de horecafunctie. De overlast als gevolg van geur, stof en gevaar is ingeschaald op maximaal 0 meter voor gevaar. Ter plaatse van het bestemmingsvlak “Horeca” aan de westzijde van het plangebied maakt het plan uitsluitend een berging ten behoeve van een horecafunctie mogelijk, maar geen horecavestiging als zodanig. De dichtstbijzijnde objecten met een bestemming die wonen mogelijk maakt, liggen hiermee op een afstand van minimaal 6 meter (Kloosterberg 8) en ongeveer 19 meter (Hofstraat 10 en 14) vanaf de bestemmingsvlakken “Horeca”. Hiermee voldoet het plan voor wat betreft de horecafunctie aan de VNG-richtafstanden. In het hiervoor geldende bestemmingsplan Oude kern Thorn hebben enkele kleinschalige bedrijven binnen de kern de bestemming “Centrum” gekregen. Deze bedrijven vallen maximaal onder milieucategorie 2.
Omdat het centrumgebied als “gemengd gebied” kan worden beschouwd, is ten opzichte van milieucategorie 2 een maximale afstand van 10 meter tot een gevoelige functie vereist. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om aan de voorzijde van Hofferkeukens, Hofstraat 12a in Thorn, binnen de verkeersbestemming een terras te exploiteren. Econsultancy heeft in opdracht van Levels-Boonen Architectuur & Vormgeving een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd voor het terras behorend bij restaurant Hofferkeukens te Thorn. Het akoestisch onderzoek heeft als doel het bepalen van de geluidsbelasting op de omgeving en deze te toetsen aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Bij de ruimtelijke inpassing van bedrijfsactiviteiten in afwijking van het vigerend bestemmingsplan biedt de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) een handreiking voor het uitvoeren van een goede ruimtelijke onderbouwing. De publicatie geeft voor verschillende bedrijfsmatige activiteiten een richtafstand voor een aantal milieuthema’s. Is de afstand tussen de geplande woningbouw en bedrijvigheid kleiner dan de richtafstand, dan is een uitgebreid onderzoek gewenst. De publicatie maakt voor de beoordeling onderscheid in twee gebiedstypen:
Pagina 35 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
-
een rustige woonwijk is een woonwijk; een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Het plangebied is gelegen in het centrum van de kern Thorn. Het betreft een levendig toeristisch centrum met diverse functies. Daarom wordt het gebied getypeerd als ‘gemengd’. Bij toetsing aan het Activiteitenbesluit kan stemgeluid daarom buiten beschouwing worden gelaten. In de ruimtelijke afweging speelt stemgeluid echter wel een rol. Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek industrielawaai (rapportnummer 11927.003, d.d. 26 november 2020) uitgevoerd voor het terras behorend bij restaurant Hofferkeukens te Thorn. In het akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting op de omgeving bepaald en deze getoetst aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de maximale mogelijkheden tot invulling van het terrein op basis van de indeling van het terras, zoals die in figuur 9 is aangegeven.
Figuur 9 – Indeling van het terras bij de Hofferkeukens
Voor bedrijven gelden conform de VNG-publicatie in beginsel de in onderstaande opgenomen richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), het maximale geluidniveau
Pagina 36 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
(LAmax) en de verkeersaantrekkende werking (Lih). Indien de richtwaarden uit stap 2 niet toereikend zijn, kan het bevoegd gezag na motivatie de richtwaarden van stap 3 hanteren. Richtwaarden VNG-publicatie in rustig gebied Typering dag LAr,LT (stap 2) 50 LAmax (stap 2) 70 Lih (stap 2) 50 LAr,LT (stap 3) 55 LAmax (stap 3)* 70 Lih (stap 3) 65 * exclusief aan- en afrijdend verkeer
avond 45 65 45 50 65 60
Nacht 40 60 40 45 60 55
Uitgaande van een volcontinue bedrijfsvoering met volledig bezet terras vanaf 10.00 uur treedt ter plaatse van de woningen Hofstraat 9 en 14 een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van meer dan 50 dB(A) etmaalwaarde op. Ter plaatse van de woning Hofstraat 14, waarvan de gevel grenst aan het beoogde terrein, treedt in de dagperiode een geluidsbelasting op van 50 dB(A) en wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 2. In de avond- en nachtperiode is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau eveneens 50 dB(A). Hiermee is sprake van een overschrijding van de richtwaarde uit de VNG-publicatie. Ook het maximale geluidniveau als gevolg van stemgeluid is ter plaatse van enkele woningen hogerdan de richtwaarde. Deze overschrijding treedt in elke etmaalperiode op. In het kader van goede ruimtelijke ordening wordt geconcludeerd dat door het opleggen van gedragsvoorschriften en beperkingen van de openingstijden wordt voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 van de publicatie. De beperkingen zijn samengevat in onderstaande tabel. Maximale bedrijfsduur per terrasvlak Terrasvak Dagperiode Avondperiode 2 9u 4u 3 9u 4u 4 9u 4u 5 9u 1u 6 9u 1u 7 9u n.v.t. 8 9u 4u
Nachtperiode 2u 2u 2u 1u 1u n.v.t. 4u
Bij toetsing aan het Activiteitenbesluit voldoet zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximale geluidniveau aan de grenswaarden. Het feit dat de inrichting in de geschetste
Pagina 37 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
situaties wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit is bovendien reden om aan te nemen dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar mag worden geacht. De met dit bestemmingsplan beoogde functiewijziging voldoet aan de milieuzonering die met een goede ruimtelijke ordening is geboden. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.
3.4.
Evenementen
3.4.1
Wettelijk kader
Evenementen zijn er in vele soorten en maten en kunnen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Bij kleine evenementen, zoals een straatfeest, is dit niet het geval. Meerdere kleinere evenementen op dezelfde locatie, die afzonderlijk op jaarbasis incidenteel zijn, maar wel een terugkerend karakter hebben wel een duidelijk effect op de leefomgeving. Hetzelfde geldt voor reguliere grote evenementen. Daarmee zijn deze ruimtelijk relevant. Daarbij is overigens ook de locatie van belang, omdat negatieve effecten eerder zullen optreden in een woonwijk dan in centrumgebied of op een bedrijventerrein. In de ruimtelijke ordening wordt verder onderscheid gemaakt tussen evenementen, horende bij een inrichting en evenementen in de openbare ruimte. Beide kunnen ruimtelijk relevant zijn. Ruimtelijk relevante evenementen moeten worden beoordeeld en geborgd in een ruimtelijk besluit. Van evenementen op locaties waar deze volgens het bestemmingsplan niet mogelijk zijn, moet worden beoordeeld of ze ruimtelijk relevant zijn, waarbij ook andere evenementen in overweging moeten worden genomen die op een ander moment in het jaar op die locatie plaatsvinden. Is een evenement ruimtelijk op een dergelijke locatie relevant, dan is niet alleen een evenementenvergunning nodig, maar ook een omgevingsvergunning afwijken. Reguliere evenementen kunnen in het bestemmingsplan worden geregeld.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan moet een afweging worden gemaakt of die evenementen aanvaardbaar zijn ten opzichte van de omgeving. 3.4.2
Verkennend onderzoek
Op 1 juli 2020 heeft Econsultancy nader een akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging voor het Abdijcomplex te Thorn. Het bestemmingsplan staat toe dat op
Pagina 38 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
de locatie aan de Hofstraat 12 horeca gevestigd kan worden, in nauwe samenwerking met het permanent buitenpodium en terrasruimte. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. 3.4.2.1
Toetsingskader
Het onderzoek heeft direct betrekking op het houden van evenementen binnen de grenzen van de inrichting in het kader van de ruimtelijke onderbouwing. Wat betreft de overige (reguliere) activiteiten is reeds vastgesteld dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat volgens de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (2009). Daarom wordt direct gerelateerd aan de relevante wetten en regelgeving. 3.4.2.2
Uitgangspunten
Het bestemmingsplan heeft betrekking op de locatie Hofstraat 12. Het plangebied is ingedeeld in de bestemmingen ‘Horeca’ en ‘Verkeer’. De bestaande woningen Kloosterberg 1 tot en met 5 worden herbestemd tot horeca. Het plein ten noorden hiervan wordt aangewezen als ‘muziektheater’. Het onderzoek heeft als doel randvoorwaarden te stellen aan het type evenementen op de betreffende locatie. In dat kader worden twee typen evenement inzichtelijk gemaakt, die qua typologie aansluiten bij wat het bestemmingsplan beoogt toe te staan: 1. 2.
markt of braderie met achtergrondmuziek, 70 dB(A) op 5 meter afstand; markt of braderie met kleinschalige livemuziek, 80 dB(A) of 90 dB(C) op 10 meter afstand.
De verkeersaantrekkende werking wordt niet nader toegelicht. Bezoekers maken ofwel geen gebruik van een auto ofwel parkeren op de reeds bestaande terreinen aan de randen van het centrum. 3.4.2.3
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
Bij toetsing van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aan de grenswaarden uit de VNGpublicatie moet in geval van elektronisch versterkte muziek een toeslag van 10 dB worden toegepast. In de onderstaande tabel zijn de resultaten weergegeven voor maatgevende woningen. In overeenstemming met het gemeentelijk beleid wordt enkel op 1,5 meter hoogte getoetst. De kolommen met geluidsbelasting in dB(C) dient enkel ter indicatie en wordt niet getoetst.
Pagina 39 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
De grenswaarden uit de VNG-publicatie worden overschreden. Bij toetsing aan de Nadere regels voor A-evenementen hoeft geen toeslag voor muziekgeluid te worden toegepast. De in de tabel gepresenteerde waarden kunnen met 10 dB worden verminderd. Dit leidt tot een hoogste geluidsbelasting van 55 dB(A) in geval van ‘achtergrondmuziek’. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde volgens de Nadere regels voor een evenement type A. In geval van livemuziek bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 71 dB(A) en wordt de betreffende grenswaarde alsnog overschreden. Uit de resultaten wordt geconcludeerd dat door middel van een beperkte restrictie wel kan worden voldaan aan de grenswaarde volgens de Nadere regels. Door het geluidsniveau in geval van livemuziek met 1 dB te reduceren wordt alsnog voldaan aan de grenswaarde. De organisatie wordt gevraagd de bezoekers te informeren over mogelijke gehoorschade en waar mogelijk maatregelen te treffen. In het geval van kleinschalige livemuziek is het gemeten geluidsniveau op de gevel ten opzichte van de in de tabel weergegeven waarde voor livemuziek 10 dB lager vanwege het niet toepassen van de straffactor. Dit resulteert in een geluidsbelasting van circa 70 dB(A), die op grond van jurisprudentie verdedigbaar is. Op grond van artikel 2.21 lid 1b van het Activiteitenbesluit kan deze situatie voor ten hoogste 12 dagen per jaar worden toegestaan.
3.4.2.4
Ruimtelijke afweging
Tijdens een evenement waarbij elektronisch versterkte muziek ten gehore wordt gebracht, worden de grenswaarden uit de VNG-publicatie overschreden. De publicatie wordt echter niet geschikt geacht als afwegingskader voor een incidentele activiteit. Daarom wordt aansluiting gezocht bij de gemeentelijke Nadere regels voor A-evenementen. Aan deze grenswaarden kan wel worden voldaan, mits sprake is van een markt of braderie met achtergrondmuziek. Het aantal dagen met een hoge geluidsproductie vanwege evenementen moet worden beperkt tot ten hoogste 12 per jaar. Alleen dan is sprake van een incidentele situatie die ruimtelijk inpasbaar is. Ter plaatse van Kloosterberg 4a is de geluidsbelasting hoger dan de grenswaarde van 70 dB(A) (zonder toeslag). Bij woningen op grotere afstand kan wel aan deze eis worden voldaan. De begane grond van Kloosterberg 4a is echter niet ingericht als woonverblijf. Daarom kan worden beargumenteerd dat de lichte overschrijding van 1 dB(A) in dit geval acceptabel is.
Pagina 40 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
In de Beleidsvisie Evenementen Maasgouw is in bijlage 2 opgenomen dat op de locatie Buitenpodium Thorn jaarlijks in totaal 26 evenementen worden voorzien. Voor 12 van deze evenementen met livemuziek is eerder afgewogen deze toe te staan onder artikel 2.21 lid 1b van het Activiteitenbesluit. De overige 14 evenementen (waaronder uitvoeringen in de sfeer van artikel 4.4 van de APV: onversterkte muziek) worden alleen toegestaan tussen 10.00 uur en 23.00 uur als uitwerking van artikel 2.18 lid 1f en lid 5a van het Activiteitenbesluit. Hierbij valt te denken aan een harmonie/fanfare, strijkorkest, zangkoor met piano, et cetera. Op grond hiervan wordt het totaal van 26 evenementen aanvaardbaar geacht. 3.4.2.5
Conclusie
De bestemmingsplanwijziging voorziet in de mogelijkheid tot het houden van markten en braderieën met achtergrondmuziek of kleinschalige livemuziek. De geluidsbelasting als gevolg van deze evenementen overschrijdt de richtwaarden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Als gevolg van evenementen met achtergrondmuziek kan wel worden voldaan aan de in de Nadere regels voor A-evenementen gestelde grenswaarden. De geluidsbelasting als gevolg van evenementen met kleinschalige livemuziek leidt bij 1 woning tot een geluidsbelasting van meer dan 70 dB(A), hetgeen de grenswaarde uit de Nadere regels overschrijdt. Omdat de benedenverdieping van dit pand niet is ingericht als woonverblijf, wordt beargumenteerd dat de overschrijding van 1 dB hier acceptabel is. Het aantal dagen per jaar met een verhoogde geluidsbelasting als gevolg van elektronisch versterkte muziek wordt bij voorkeur beperkt tot ten hoogste 12. Er is in dat geval sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Ook op jaarbasis is de impact van het totaal van 26 evenementen op deze locatie acceptabel. De collectieve dagen zoals genoemd in artikel 4:2 van de APV (bijvoorbeeld carnaval en kermis) vallen buiten de hierboven genoemde maximaal 26 toegestane evenementen. In de planregels wordt het totaal aantal toegestane evenementen dan ook gemaximaliseerd op 38.
Binnen de gemeente Maasgouw is het overal mogelijk om te trouwen of een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Wettelijke huwelijksvoltrekkingen zijn op het buitenpodium in Thorn dan ook mogelijk. In het bestemmingsplan worden wettelijke huwelijksvoltrekkingen op het buitenpodium planologisch geregeld. Uit een inventarisatie van de afgelopen jaren blijkt dat er maximaal 5 wettelijke huwelijksvoltrekkingen per jaar op het buitenpodium in Thorn hebben plaatsgevonden (het gemiddeld aantal huwelijk afgelopen jaren in de hele gemeente Maasgouw bedroeg ca. 100-150 ). Hoewel het aantal wettelijke huwelijken op het buitenpodium beperkt zal zijn, zijn in de regels voorwaarden gesteld aan de maximale aantallen en tijdstippen. In de regels is verder geregeld dat
Pagina 41 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
alleen sprake mag zijn van de wettelijke huwelijksceremonie. Het is niet toegestaan om na de huwelijksceremonie een borrel, feest of soortgelijke activiteit te houden. Het proosten op het huwelijk direct na de huwelijksceremonie is wel toegestaan. Gezien het beperkte aantal huwelijksvoltrekkingen, de beperkte duur van een ceremonie bij een wettelijk huwelijksvoltrekking en het feit dat het buitenpodium ligt in een toeristisch historisch centrum zal de overlast voor de als gevolg van de wettelijke huwelijksvoltrekkingen beperkt zijn. Naast de bestemmingsplanregeling blijft de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) een belangrijk instrument, samen met de vergunningverlening en -toewijzing van evenementen en handhavingsbeleid. leder stelsel heeft zijn eigen toetsingsgronden, In de APV en de Nadere regels evenementen Maasgouw 2020 regels in het kader van de openbare orde en veiligheid opgenomen ten aanzien van eindtijden en het voorkomen van overlast naar de omgeving. Aan deze regels dient, naast de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan ook te worden voldaan. Door de regels in zowel het bestemmingsplan, de APV en de Nadere regels evenementen Maasgouw 2020 wordt de overlast naar de omgeving bij evenementen zoveel mogelijk beperkt.
Hierdoor, mede gezien de ligging van de planlocatie midden in het centrum een toeristische kern kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
3.5.
Water
3.5.1
Wettelijk kader
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening moet voor alle ruimtelijke plannen een “watertoets” worden uitgevoerd. Dit is vastgelegd in artikel 3.1.6, eerste lid, onder b., van het Besluit ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces dat als doel heeft om waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te nemen. Dit proces is verplicht bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De werkzaamheid ervan is afhankelijk van een proactieve opstelling van initiatiefnemers en waterbeheerders in de initiatiefase van een ruimtelijk plan. Voorafgaand aan de besluitvorming dient gemotiveerd te worden aangegeven op welke manier rekening is gehouden met het advies van de waterbeheerder. De initiatiefnemer verantwoordt zodoende de ruimtelijke keuzes ten aanzien van het aspect water. 3.5.2
Verkennend onderzoek
Omdat in dit bestemmingsplan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die het waterbeheer beïnvloeden, hoeft er geen ruimtelijke afweging ten opzichte van de waterhuishoudkundige doelstellingen plaats te vinden. In de volgende paragraaf wordt wel
Pagina 42 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
ingegaan op grondwaterbescherming, waarmee in de regels van dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden.
3.6.
Grondwaterbescherming
3.6.1
Wettelijk kader
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) zijn voor het provinciaal grondgebied milieubeschermingsgebieden aangewezen waaronder die voor de bescherming van grondwater en de waterwinning (zie paragraaf 2.4.2.3 van deze toelichting). 3.6.2
Verkennend onderzoek
Volgens de OvL2014 ligt het plandeelgebied van het Abdijcomplex binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. De in deze zone aanwezige afschermende (klei)lagen bieden geologische bescherming van de diepe grondwatervoorraden. Boringen dieper dan 80 meter beneden maaiveld (o.a. ten behoeve van het slaan van waterputten) zijn binnen deze zone, ter bescherming van de strategische grondwatervoorraad, in principe alleen toegestaan tot aan het Bovenste Brunssumklei en met een ontheffing op grond van de Omgevingsverordening. In bepaalde gevallen kan met een melding worden volstaan. Op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan is ter bescherming van de boringsvrije zone de gebiedsaanduiding “milieuzone – roerdalslenk 3” opgenomen.
3.7.
Archeologie
3.7.1
Wettelijk kader
Volgens het Verdrag van Valletta van 1992 moeten de archeologische waarden in de grond zoveel mogelijk op de locatie zelf worden bewaard. Verder is in het verdrag overeengekomen dat in een zo vroeg mogelijk stadium van ruimtelijke ordening al rekening wordt gehouden met die waarden. Het verdrag is met de Wet archeologische monumentenzorg in de Nederlandse wetgeving van kracht geworden en het daarin bepaalde vormt nu een onderdeel van de Monumentenwet 1988. Volgens artikel 38a van die wet moet bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen. In het
Pagina 43 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
bestemmingsplan moet worden aangegeven welke gevolgen worden verbonden aan de aanwezigheid van archeologische waarden of verwachtingen. Voor de, onder andere, archeologische werkzaamheden is sinds 1 juli 2016 de Erfgoedwet van kracht. De hiervoor vermelde bepalingen van de Monumentenwet 1988, echter, blijven volgens het overgangsrecht van de Erfgoedwet van kracht tot de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen voor bouw- en aanlegactiviteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze planregels kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. 3.7.2
Verkennend onderzoek
De Archeologische waardenkaart van de gemeente geeft de archeologische verwachting weer voor de binnen de gemeente gelegen gronden.
Figuur 10 – Beleidskaart bij de archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Maasgouw: indicatieve ligging plangebied rood omcirkeld
Het plangebied maakt deel uit van een zogenaamd AMK-gebied. Dit is een door het Rijk en de provincie aangewezen gebied met hoge archeologische waarden. Deze hoge waarden kunnen worden verklaard door een in de geschiedenis verder teruggaande bewoningsgeschiedenis.
Pagina 44 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
Archeologisch onderzoek is noodzakelijk indien er grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een diepte van meer dan 30 cm en een oppervlakte van meer dan 100 m2. Dergelijke werkzaamheden zullen in het plangebied niet plaatsvinden; de bestaande situatie blijft immers gehandhaafd, de bestemming wordt slechts omgezet. Een nader archeologisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Volledigheidshalve is in de regels van dit bestemmingsplan op genoemde gronden met middelhoge verwachtingswaarde de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” gelegd.
3.8.
Luchtkwaliteit
3.8.1
Wettelijk kader
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen, kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Sinds 15 november 2007 zijn de huidige luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer van kracht. Deze eisen zien op de kwaliteit van de lucht, die wij inademen en daarmee op het voorkomen van verslechtering van die lucht als gevolg van diverse luchtverontreinigende stoffen zoals fijn stof en stikstofdioxide (NO2). Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. Het principe daarbij is dat de lucht niet boven een bepaalde grenswaarde mag verslechteren ten gevolge van die plannen, tenzij die verslechtering elders in de nabijheid - of in het plangebied - wordt gecompenseerd (de projectsaldering). De wet kent een minimumdrempel voor gevallen die niet in betekende mate bijdragen aan concentratie in de buitenlucht van bijvoorbeeld fijn stof. In de daartoe opgestelde Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) wordt een aantal soorten projecten genoemd, die nauwelijks van invloed zijn op de luchtkwaliteit.
Volgens artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moet in een bestemmingsplan dat geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, eveneens gemotiveerd worden dat met dat bestemmingsplan de grenswaarden voor luchtkwaliteit in acht zijn genomen.
Pagina 45 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.8.2
Verkennend onderzoek
Het bestemmingsplan maakt, ook met het afwijken van de planregels en het stellen van nadere eisen, geen activiteiten mogelijk die de luchtkwaliteit zouden kunnen verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Een verkennend onderzoek naar de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. De luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het woningbouwplan, zoals is vastgelegd in artikel 5.16, lid 1, onder c., van de Wet milieubeheer.
3.9.
Geluidskwaliteit
3.9.1
Wettelijk kader
Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld ter wille van het woon- en leefklimaat. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van toelaatbare geluidhinder ten opzichte van geluidsgevoelige objecten. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met de zogeheten geluidszonering. 3.9.2
Verkennend onderzoek
Met de functiewijziging wijzigt de geluidskwaliteit van het plangebied ten opzichte van de omliggende gronden. Omdat met dit bestemmingsplan voldaan wordt aan de milieuzonering (zie paragraaf 3.2 van deze toelichting) behoeft echter geen akoestisch onderzoek plaats te vinden. De geluidskwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de ruimtelijke ordening die met dit bestemmingsplan is geboden.
Pagina 46 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.10. Bodemkwaliteit 3.10.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit te onderzoeken. De Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de bouwverordening stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. 3.10.2
Verkennend onderzoek
Het bestemmingsplan maakt, ook met het afwijken van de planregels en het stellen van nadere eisen, geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk of ingrepen in de bodem noodzakelijk. Slechts de bestemming ondergaat een transitie. Een verkennend onderzoek naar de bodemkwaliteit kan achterwege blijven. De bodemkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de ruimtelijke ordening die met dit bestemmingsplan is geboden.
3.11. Externe veiligheid 3.11.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, LPG en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico’s van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes van belang. Door de gemeente Maasgouw is geen routering vastgesteld. Het routeren is alleen noodzakelijk als de basisregels uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen niet leiden tot voldoende bescherming. Om de externe veiligheidsaspecten binnen de plangebieden in kaart te brengen, is een verkennend bureauonderzoek verricht.
Pagina 47 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.11.2
Verkennend onderzoek
3.11.2.1 Externe veiligheid inrichtingen In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle activiteiten (inrichtingen) aanwezig die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen of het Besluit risico’s zware ongevallen zodat in dit bestemmingsplan niet aan deze besluiten hoeft te worden getoetst. 3.11.2.2 Externe veiligheid buisleidingen Ten noorden van het plangebied, parallel aan de autosnelweg A2, liggen twee gasleidingen en een PRB-leiding. Vanwege de ligging op ruime afstand van het plangebied (ongeveer 1,5 kilometer) behoeft in dit bestemmingsplan niet te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen. 3.11.2.3 Transport gevaarlijke stoffen over de weg Op ruim 1,7 kilometer afstand van het plangebied ligt de autosnelweg A2 en op ongeveer 1,5 kilometer afstand ligt de provinciale weg N 273. Op grond van genoemde Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Basisnet weg zijn deze wegen aangewezen als wegverkeersverbindingen waarop vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden (basisnetroute). Vanwege de ligging op ruime afstand van het plangebied behoeft in dit bestemmingsplan niet te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes. 3.11.2.4 Transport gevaarlijke stoffen over het water Op ruim 3 kilometer afstand van het plangebied ligt het Julianakanaal.
Op grond van genoemde Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Basisnet water is het Julianakanaal aangewezen als waterweg waarop vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden (basisnetroute). Vanwege de ligging op ruime afstand van het plangebied behoeft in dit bestemmingsplan niet te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes.
3.12. EM-velden hoogspanningsleidingen 3.12.1
Wettelijk kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de gemeente op grond van artikel 3.1.6, eerste lid onder d., verplicht onderzoek te verrichten, zoals naar de aanwezigheid van elektromagnetische (EM) velden die schadelijk kunnen zijn voor langdurig verblijf van de mens binnen die velden. De
Pagina 48 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
toenmalig minister van VROM (thans: I&W) heeft op 3 oktober 2005 de gemeenten bij circulaire geadviseerd over de besluitvorming over bestemmingsplannen in de buurt van hoogspanningsleidingen en van tracés van zulke leidingen in de buurt van woningen. De minister heeft op 4 november 2008 dit advies in een circulaire verduidelijkt. De Rijksoverheid adviseert gemeenten om zo weinig mogelijk nieuwe situaties te creëren waarbij kinderen langdurig in de nabijheid van hoogspanningslijnen verblijven. Degelijke situaties worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen. Het betreft woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. De term “in de nabijheid van” wordt ingevuld aan de hand van de sterkte van de magnetische velden rond de hoogspanningslijnen. De Netkaart van het RIVM geeft duidelijkheid over de zonebreedtes (indicatieve zone) per leiding. Voor de aanwezige verbindingen is dat 110 meter aan weerszijde (de zogenaamde Tesla-zone). 3.12.2
Verkennend onderzoek
In of nabij het plangebied liggen geen hoogspanningsverbindingen die invloed op de ruimtelijke ordening kunnen hebben (zie figuur 11).
Figuur 11 – Uitsnede Netkaart (bron: RIVM): indicatieve ligging plangebied rood omcirkeld
3.13. Flora en Fauna 3.13.1
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden, waarmee onder meer de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet zijn vervangen. Op basis van deze nieuwe wet moet het bestemmingsplan een uiteenzetting bevatten over de gevolgen van dat Pagina 49 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
bestemmingsplan voor natuurgebieden (met inbegrip van stikstofdepositie) en voor beschermde dier- en plantsoorten. Voor de programmatische aanpak van de stikstofproblematiek in Natura 2000-gebieden was tot 29 mei 2019 het Programma Aanpak Stikstof van kracht. Op genoemde datum heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat dit programma niet meer mag worden gebruikt als basis voor toestemming van activiteiten. Dit oordeel was gebaseerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018 (prejudiciële beslissing) over de toepassing van de Habitatrichtlijn. Voor de voorbereiding van bestemmingsplannen mag derhalve het programma ook niet meer worden gebruikt. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt een bestemmingsplan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vastgesteld indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Met een passende beoordeling is bedoeld een beoordeling van de gevolgen van het bestemmingsplan voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 3.13.2
Verkennend onderzoek
Op 15 juli 2020 heeft Econsultancy een quick scan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan flora en fauna heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. Er wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting.
Pagina 50 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
3.13.2.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, maar in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Grensmaas, bevindt zich op circa 1,5 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 12).
Figuur 12 – Ligging onderzoeks-locatie (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000 (geel gekleurd)
De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied Grensmaas. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Uit het onderzoek zal moeten blijken welke van de onderstaande situaties aan de orde zijn: -
-
Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechterings- en verstoringstoets. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist.
3.13.2.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie grenst echter wel aan een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie op een afstand van ongeveer 10 meter. Het betreft de Itterbeek welke is aangewezen als Bronsgroene landschapszone. In de onderstaande figuur is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven (bron: provincie Limburg).
Pagina 51 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
Figuur 13 – Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Limburg)
3.13.2.3 Toetsing aan soortenbescherming Jaarrond beschermde broedvogels (huismus en gierzwaluw) De nesten van huismus en gierzwaluw zijn het gehele jaar beschermd. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Aangezien er op de onderzoekslocatie geschikte nestlocatie voor huismus en gierzwaluw zijn aangetroffen, kan (indien toekomstige plannen voorzien in werkzaamheden aan het dak) dit leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Bij de herontwikkeling van de bebouwing vinden echter alleen inpandig werkzaamheden plaats. Verstoring van eventueel aanwezige nestlocaties van de huismus en gierzwaluw is hierdoor uitgesloten. Overtreding van de wet natuurbescherming is niet aan de orde. De hierboven genoemde vogelsoorten zijn allen gebonden aan gebouwen met name in drukke stadscentra. Uit akoestisch onderzoek naar evenementenlawaai (zie paragraaf 3.3) blijkt dat door het gehanteerde evenementenbeleid van kleinschalige livemuziek een geluidsbelasting van circa 70 dB(A) op de gevel te verwachten is. Deze geluidsbelasting komt overeen met een langsrijdende auto op 15 meter afstand en heeft dus geen negatief effect op mogelijke nestlocaties van gierzwaluwen en huismussen.
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor
Pagina 52 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Vleermuizen De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Indien toekomstige plannen voorzien in werkzaamheden aan het dak, zou dit in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Bij de herontwikkeling van de bebouwing vinden echter alleen inpandig werkzaamheden plaats, waarbij niet wordt gewerkt aan het dak of de spouwmuren. Verstoring van eventueel aanwezige verblijfslocaties van vleermuizen is hierdoor uitgesloten. De vleermuizen die zich eventueel op de onderzoekslocatie zouden kunnen bevinden zijn allen gebonden aan gebouwen in zowel drukke stadscentra als op het platteland. Uit akoestisch onderzoek naar evenementenlawaai (zie paragraaf 3.3) blijkt dat door het gehanteerde evenementenbeleid van kleinschalige livemuziek een geluidsbelasting van circa 70 dB(A) op de gevel te verwachten is.
Deze geluidsbelasting komt overeen met een langsrijdende auto op 15 meter afstand en heeft dus geen negatief effect op mogelijke verblijfplaatsen van gebouwen bewonende vleermuizen. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de (incidenteel) te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Voor de te verwachten soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling van de Wet Natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de algemene zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom bij voorkeur buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden.
Daarnaast dienen aanwezige dieren de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen of dienen deze zorgvuldig te worden verplaats naar een geschikte locatie buiten het bereik van de werkzaamheden.
Pagina 53 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. 3.13.2.4 Conclusie De aanwezigheid van geschikte habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in de onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Pagina 54 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen goed mogelijk is. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. De onderzoekslocatie is gelegen nabij gebieden van het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000gebied. Geadviseerd wordt om middels een “oriënterende fase”-onderzoek de effecten van de voorgenomen ingreep op het Natura2000-gebied nader te onderzoeken. Met betrekking tot de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt geadviseerd om een ‘nee, tenzij toets’ uit te voeren.
3.14. Stikstofdepositie 3.14.1
Wettelijk kader
De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer gehanteerd worden als toestemming voor activiteiten die zorgen voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In beginsel mag ten gevolge van de uitspraak geen sprake meer zijn van een significante toename.
Pagina 55 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
Het beoogde plan mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000gebieden. Met het programma Aerius Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. Wanneer het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient een vergunning te worden aangevraagd en is nader aanvullend onderzoek noodzakelijk. De vergunning kan alleen worden verleend indien de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet worden aangetast. Dit kan onder andere worden aangetoond met een verschilberekening tussen de referentiesituatie en de toekomstige situatie (interne saldering). Wanneer blijkt dat het projecteffect van het beoogde plan kleiner dan of gelijk is aan de referentiesituatie, dan kan de ontheffingsvergunning verleend worden. Voor de in België gelegen Natura 2000-gebieden geldt een afwijkend toetsingskader. Op basis van jurisprudentie (ABRS, 16 april 2014) worden voor activiteiten op Nederlands grondgebied de toetsingskaders van België gehanteerd.
Voor Vlaanderen geldt een drempelwaarde van 5% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied binnen een Natura 2000-gebied. De kritische de-positiewaarde is het laagst voor ‘zeer zwakgebufferde vennen’, namelijk 429 mol/ha/jaar. Hieruit kan geconcludeerd worden dat pas bij een stikstofdepositie van meer dan 21,45 mol/ha/jaar een overschrijding van de drempelwaarde kan optreden. Een aantoonbaar schadelijk gevolg kan worden uitgesloten bij een stikstofdepositie lager dan of gelijk aan de drempelwaarde. Een toestemming voor een plan is dan niet vereist. Bij een overschrijding van de drempelwaarde zal overleg moeten plaatsvinden tussen de provincie Limburg en het desbetreffend Vlaams bevoegd gezag. Bij mogelijke significante gevolgen is op grond van de Habitatrichtlijn een passende beoordeling noodzakelijk. 3.14.2
Verkennend onderzoek
Op 17 juli 2020 heeft Econsultancy een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek stikstofdepositie heeft als doel te achterhalen of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden vanwege een significante toename in stikstofdepositie. Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De Belgische Natura 2000-gebieden ‘Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof’ en ‘Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek’ liggen op circa 400 meter afstand het meest nabij het plan. Op circa 1,5 km afstand ligt tevens het Natura 2000-gebied ‘Grensmaas’.
Pagina 56 Bestemmingsplan “Abdijcomplex Thorn”
239-maasg-ACT-o
BESTEMMINGSPLAN
Middels het programma Aerius Calculator zijn voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van het buitenpodium en de horecavoorzieningen berekeningen uitgevoerd. Voor de aanlegfase is gekeken naar de inzet van mobiele werktuigen en verkeersbewegingen. Voor de gebruiksfase is gekeken naar verkeersgeneratie, de inzet van mobiele werktuigen voor op- en afbouw ten behoeve van het buitenpodium en het gebruik van met fossiele brandstoffen gestookte apparatuur, zoals verwarmingsketels en fornuizen. Omdat niet altijd exacte gegevens van werktuigen en apparatuur beschikbaar is, zijn waar nodig aannames gedaan die uitgaan van een worst case scenario. Aan de hand van de resultaten van deze berekeningen is beoordeeld of er significante gevolgen te verwachten zijn voor de Natura 2000-gebieden. Hieruit volgt dat het projecteffect op de Nederlandse Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is. Voor de berekening ten behoeve van de Belgische Natura 2000-gebieden dienen rekenpunten op de grenzen van deze gebieden te worden geplaatst.