Bijlage 2a Toelichting en planregels bestemmingsplan ‘Voorterrein Nautische boulevard Wessem’;
Tekst van het document
g. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “het groene karakter” worden de regels opgenomen in bijlage IX van de Omgevingsverordening gevolgd.
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
29
Artikel 12.5 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen 1. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio MiddenLimburg. 2. De motivering bij een omgevingsplan bevat: a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste lid; b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Roerdalslenk Uit de kaart ‘Grondwaterbescherming’ volgt dat het plangebied zich begeeft binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk III verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei.
Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Afweging Groenblauwe mantel Onderhavig initiatief omvat binnen het gebied welke is aangemerkt als ‘Groenblauwe mantel’ enkel de realisatie van enkele aanlegsteigers met werkplaatsen. Een dergelijke activiteit past binnen kernkwaliteiten van het gebied dat met name gekenmerkt wordt door bedrijvigheid en jachthaven. Vestigingsmogelijkheden bedrijven Het bestaande parkeerterrein wordt toegevoegd als bedrijventerrein. De onderhavige invulling past binnen de POVI en de toets aan het regionaal beleidskader vindt plaats in paragraaf 3.3. Het initiatief voldoet derhalve aan de voorschriften van artikel 12.5. Roerdalslenk Binnen onderhavig voornemen zijn geen grondboringen dieper dan 80 meter voorzien. De ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II vormt derhalve geen belemmering.
Voor het overige zijn er geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2021 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2021.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg
Structurele en conjuncturele ontwikkelingen in de economie hebben geleid tot wijzigingen in de verhouding tussen de vraag en het aanbod van bedrijventerreinen, winkels en kantoren in Midden-Limburg. De opgaande conjunctuur heeft er ten aanzien van bedrijventerreinen toe geleid dat enkele gemeenten nauwelijks
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
30
uitgeefbare bedrijfsgrond meer hebben, of op afzienbare termijn met een tekort worden geconfronteerd. Binnen het veelzijdige aanbod van werklocaties in Midden-Limburg zijn er grote verschillen tussen locaties qua ligging, omvang, uitstraling, verzorgingsfunctie én toekomstperspectief. Het is de vraag op welke plekken er wel vraagpotentieel bestaat en waar niet. De opgave is het benutten van de economische kansen en waar nodig tevens de balans tussen vraag en aanbod in kwalitatieve en kwantitatieve zin te herstellen. Daarvoor is het nodig om gezamenlijke keuzes en afspraken te maken over de bestaande voorraad, bestaande planologische ruimte, bestaande concrete uitbreidingsplannen en nieuwe ontwikkelingen op werklocaties. Met het oog op het herstellen van de balans in vraag en aanbod legt de Provincie Limburg in het voormalige Provinciaal Omgevingsplan (POL) 2014 een belangrijk accent op dynamisch voorraadbeheer. Aan de regio’s in Limburg is de opdracht gegeven om tot een regionaal beleidskader te komen waarin de toekomst van de werklocaties wordt geschetst. De gemeente Maasgouw heeft samen met de zes andere Midden-Limburgse gemeenten een regionale visie werklocaties opgesteld. Bedrijventerreinen vormen onderdeel van dit beleidskader. De visie geeft invulling aan de basisprincipes, zoals opgenomen in het voormalige POL2014.
Het doel van het regionale beleidskader is om vraag en aanbod van werklocaties in balans te brengen en de bijbehorende afspraken vast te leggen. In het kader van het dynamisch voorraadbeheer worden in Midden-Limburg vier hoofdlijnen uitgezet die moeten leiden tot een passende kwantitatieve en kwalitatieve verhouding tussen vraag en aanbod. Het tegengaan van overaanbod en voorkomen van tekorten zijn daarbij de uitgangspunten. ‘Bestaand vóór nieuw’ als uitgangspunt Voor alle typen ruimtevragers, zowel op bedrijventerreinen, in winkelgebieden als op kantorenlocaties, wordt het principe van ‘bestaand vóór nieuw’ toegepast, waarbij eerst (in samenwerking tussen initiatiefnemer en gemeente) naar ruimte in bestaand vastgoed wordt gezocht om de behoefte op te vangen. Vervolgens wordt restcapaciteit op bestaande werklocaties benut. Saldering Bij het toevoegen van nieuwe voorraad of plancapaciteit is het uitgangspunt dat in ruil hiervoor evenredige reële plancapaciteit wordt geschrapt of programma wordt onttrokken. In het regionaal overleg wordt bepaald of saldering noodzakelijk, haalbaar en wenselijk is. Daarbij zal per casus worden bepaald in hoeverre het bijdraagt aan de oplossingen van een probleem, in hoeverre de toepassing van de salderingsregel proportioneel is en in hoeverre er andere effecten zijn die de effectiviteit en haalbaarheid beïnvloeden.
De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg onderkennen het belang van ingrijpen in de bestaande voorraad, en zullen hiertoe aan de hand van concrete initiatieven de haalbaarheid van saldering onderzoeken. Omdat er nog weinig bekend is over de werking van saldering in de praktijk, en het effect hiervan op de haalbaarheid van gewenste initiatieven (voor initiatieven boven de drempelwaarden blijkend uit regionale afstemming), zal vanaf het moment dat dit beleidskader regionaal wordt vastgesteld, gedurende tenminste een jaar saldering door de regiogemeenten worden onderzocht. Voorzienbaarheid De regio erkent dat het afbouwen van niet benutte bestemmingen en bouwtitels op bestaande werklocaties bij zal dragen aan het realiseren van een gezondere en meer marktconforme vraag-aanbodverhouding. Door hiervoor in dit beleidskader en bijbehorende visiekaart uitgangspunten vast te leggen, en door uitwerking
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
31
hiervan door gemeenten in hun structuur- of omgevingsvisies, wordt de basis gelegd voor het planologisch wegnemen van deze bestemmingen. Doordat op deze wijze voor ondernemers c.q. vastgoedeigenaren de consequenties voor hun planologische mogelijkheden voorzienbaar worden gemaakt, kan onder nadere voorwaarden het risico op planschade bij ingrepen sterk worden gereduceerd of zelfs weggenomen, als de betrokkenen geen actie ondernemen n.a.v. dit beleidsvoornemen. Afbouwen solitaire locaties Het aantal bedrijfs-, kantoren- en winkelvestigingen op verspreide locaties is groot in Midden-Limburg. Hoewel de vestigingen vanuit economische prestaties en werkgelegenheid van waarde zijn voor de Midden-Limburgse economie, dragen ze ruimtelijk niet bij aan een goede structuur. Gemeenten maken daarom met het oog op het beschermen en / of versterken van de structuur werk van het afbouwen van verspreid gelegen solitaire locaties, zowel van bestaande bebouwing als onbebouwde percelen. Nieuwe initiatieven voor solitaire vestigingen worden in principe niet meer toegestaan. Initiatieven worden in principe opgevangen op de bestaande werklocaties, binnen leegstand, restcapaciteiten op bestaande werklocaties en harde plannen. Daarnaast maken de regiogemeenten ook werk van het van wegbestemmen van kansarme en niet in gebruik zijnde leegstaande locaties.
Dit kan betrekking hebben op zowel (leegstaande) bebouwing als onbebouwde percelen. Afweging Onderhavig initiatief voorziet in een herstructurering van een bestaand bedrijventerrein en voldoet derhalve aan het uitgangspunt bestaand voor nieuw. Er bestaat voor het initiatief een marktvraag waardoor er enkel sprake is van toevoeging van nautische activiteiten. Daarbij is geen saldering aan de orde. Het initiatief voldoet ook aan de voorzienbaarheid gezien er een bewezen marktvraag voor de ontwikkeling bestaat. Ten slotte is er geen sprake van een solitaire locatie en vormt het perceel onderdeel van de Mauritshaven in Wessem. Het initiatief voldoet hiermee aan het Regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg. 3.3.2
Intergemeentelijke structuurvisie Maasplassen 2030
Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Op grond van artikel 2.1 Wro zijn gemeenten verplicht een structuurvisie op te stellen. Naast de wettelijke verplichting is er behoefte aan een ruimtelijk beleidskader voor de Maasplassen in de vorm van één overall-visie voor het Maasplassengebied, waarin ruimte is om economisch potentieel in het gebied te ontwikkelen alsmede waarden te beschermen en waarbij de taakstelling voor de hoogwaterveiligheid niet uit het oog wordt verloren. Om binnen het Maasplassengebied samenhang te brengen en te behouden, wensen de gemeenten voor de komende jaren plannen en beleid samen te brengen in één kaderstellend document: de intergemeentelijke structuurvisie Maasplassen. De intergemeentelijke structuurvisie (IG-SV) schetst het toekomstbeeld voor de Maasplassen tot 2030. Doelstelling: De intergemeentelijke structuurvisie Maasplassen biedt een gedragen planologisch kader tot 2030 voor de thema’s:
water (hoogwaterveiligheid);
natuur en landschap.
recreatie en toerisme.
watergerelateerde woon- en werkfuncties.
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
32
De ambitie van de intergemeentelijke structuurvisie is het optimaal en duurzaam benutten van het economisch potentieel van de Maasplassen en het in balans brengen van de verschillende functies, zodat de Maasplassen als herkenbaar gebied op de kaart wordt gezet. Het plangebied bevindt zich binnen het gebied rondom Thorn en Wessem. Het gebied Thorn-Wessem beschikt over twee bijzondere cultuurhistorische kernen aan de Maasplassen waardoor dit gebied veel potenties heeft voor toeristisch recreatieve ontwikkelingen. Vooral “het witte stadje” Thorn heeft een grote naamsbekendheid en kan beschouwd worden als één van de grootste publiekstrekkers van het Maasplassengebied. Het landelijk gebied tussen Thorn en Wessem biedt ruimte voor toeristisch-recreatieve ontwikkelingen. Bijzonder aspect in deze zone is de aanwezigheid van industriële bedrijfscomplexen in een gebied waarin (in ieder geval voor de lange termijn) een verdere landschappelijke en toeristisch recreatieve ontwikkeling wordt beoogd. Het streven is om hier op termijn een transformatie te laten plaatsvinden. Het “witte stadje Thorn”, het handelsstadje Wessem en het tussenliggend gebied hebben veel potentie om bijzondere ingrediënten toe te voegen aan het totaalproduct van de Maasplassen. Afweging Het onderhavig initiatief draagt bij aan de ontwikkeling en bevordering van de watersport, die in dit gebied al langer gaande is.
Er worden namelijk geen andere bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied meer toegestaan met onderhavig initiatief. Hiernaast zal het gebied recreatief worden versterkt door het realiseren van ondergeschikte horeca en detailhandel. Hierdoor wordt het recreatieve karakter binnen het gebied ondersteund en sluit de toekomstige bedrijvigheid aan bij het beoogd gebruik voor dit gebied. Het initiatief is derhalve in lijn met de Intergemeentelijke structuurvisie Maasplassen 2030.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Maasgouw
Maasgouw heeft de afgelopen jaren gewerkt aan haar positie als aantrekkelijke woon- en recreatiegemeente. Op- en aan de Maasplassen vindt veel toerisme en recreatieve bedrijvigheid plaats. De historische kernen en natuurgebieden zijn trekpleisters voor recreanten, zowel uit Maasgouw als daarbuiten. In de dorpen is het goed wonen en werken, in een landschappelijk fraaie omgeving en de natuur dichtbij. In de omgevingsvisie wordt nader de koers voor de toekomst van Maasgouw beschreven voor de gehele fysieke leefomgeving. Op basis van de visiekaart behorende bij het Land van Thorn binnen de Omgevingsvisie Maasgouw ligt het plangebied in het gebied behorende bij uitgangspunt 3; Stimuleer de fysieke (nautische) interactie tussen beide Maasoevers door de (ver)binding tussen de oeverzone, kernen en achterland te versterken. Tevens is de Mauritshaven (De Nautische boulevard) separaat opgenomen binnen de omgevingsvisie (zie paragraaf 4.5.2. Veranderopgaven: De Nautische boulevard en Stip op de horizon, pagina 35 en 36 van de omgevingsvisie).
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
33
Figuur 5: Kaart Land van Thorn omgevingsvisie Maasgouw (plangebied rode pijl)
De Nautische boulevard De gemeente ontwikkelt samen met ondernemers de Mauritshaven in Wessem tot Nautische Boulevard. Doel is om hier naast het aantrekkelijke watersportverblijfsgebied ook de nautische servicesector te bundelen en voor de watersporters een one-stop-shop te creëren voor de regionale markt. In de Mauritshaven zijn nu zowel bedrijven aanwezig die zich richten op de watersportsector als andere bedrijven. De bedoeling is dat er een natuurlijke transformatie plaats vindt naar watersport gerelateerde bedrijvigheid. Hiervoor gelden de eerste twee voorwaarden voor transformatie; 1. Nieuwe ontwikkelingen in waardevol leegstaand vastgoed toestaan door ruime functiemogelijkheden aan te bieden die passen bij de ambities en doelen van het gebied; 2. Indien dat niet mogelijk is, wordt sloop – nieuwbouw toegestaan. De achtergrond voor deze koers voert terug op de visie herstructurering bedrijventerreinen Maasgouw 20132018. In deze visie wordt geconstateerd dat er weinig groeimogelijkheden zijn voor bestaande bedrijven in het algemeen en voor watergebonden bedrijven in het bijzonder. Om de schaarse ruimte aan (natte) bedrijventerreinen optimaal te benutten, wil de gemeente voor de Prins Mauritshaven aansluiten bij de ontwikkeling en bevordering van de watersport, die in dit gebied al langer gaande is.
Ook de provincie ondersteunt dit voornemen, wat onder meer blijkt uit de subsidie die de provincie heeft toegekend voor de transformatie van de Prins Mauritshaven. De gemeente wilde oorspronkelijk via actief grondbeleid verdere sturing geven aan deze ontwikkelingen. Transformatie, en daarmee het schrappen van planologische rechten, is aan de orde als de gemeente zelf actief gronden verwerft of dit op vrijwillige basis plaatsvindt. In de praktijk blijkt dat lastig te realiseren. Dat betekent dat de transformatie nu eveneens op basis van beleidsmatige aansturing moet gaan verlopen, bijvoorbeeld door bij medewerking aan een initiatief functies toevoegen en schrappen in een planologische procedure. Bestaande bedrijven houden hun huidige rechten die ze op basis van het omgevingsplan hebben. Aan nieuwe ontwikkelingen die niet passen binnen het omgevingsplan wordt alleen meegewerkt, als
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
34
deze passen bij de beleidsdoelen zoals in deze omgevingsvisie zijn omschreven. Daarmee wordt stap voor stap uitvoering gegeven aan het realiseren van de ambities en doelen voor de Nautische Boulevard. Afweging Onderhavig initiatief vormt deel uit van de gemeentelijke strategie om enkel nautische activiteiten binnen de Mauritshaven toe te staan en er een Nautische Boulevard te creëren. Er wordt namelijk met onderhavig initiatief een aanpassing aan de toegestane bedrijfsactiviteiten doorgevoerd waardoor enkel nautische activiteiten binnen het plangebied mogelijk zijn. Daarnaast zullen er ondergeschikte horeca-, detailhandel- en kantoorfaciliteiten worden gerealiseerd ten dienste van de nautische bedrijvigheid. Het initiatief voldoet derhalve aan de Omgevingsvisie Maasgouw.
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
35
4.
Omgevingsaspecten
Bij de voorgenomen functiewijziging dient rekening te worden gehouden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op het plangebied zelf en met invloeden vanuit het plangebied op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid, geur en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Tevens wordt ingegaan op de eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht van het plan. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie, cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1
Milieuaspecten
4.1.1
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Conclusie Momenteel is er reeds bedrijvigheid in het plangebied aanwezig. Er vindt met onderhavig planvoornemen derhalve geen verschuiving plaats naar een gevoeliger gebruik. Er blijft immers sprake van bedrijventerrein met enkel een beperking in de toekomstige bedrijfsvestigingsmogelijkheden (enkel toestaan van nautisch gerelateerde bedrijvigheid en het toestaan van ondergeschikte horeca, kantooractiviteiten en detailhandel). Voor het gebied Nautische Boulevard is door BKK 7 reeds een vooronderzoek volgens de NEN 5725 uitgevoerd. Dit vooronderzoek is integraal opgenomen in het bodemonderzoek dat is uitgevoerd door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV8.
Het onderzoek is toegevoegd aan de bijlagen. Hieronder wordt volstaan met een korte samenvatting. Uit het onderzoek met kenmerk 210498.BKK d.d. 2 september 2021 blijkt voor het plangebied het volgende:
Binnen perceel C477 bevindt zich een Car Wash. Deze locatie dient als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van minerale olie en/of aromaten.
De noordoosthoek van de locatie grenst aan de Maasdijk 1 waar sprake is van een bekend geval met een (rest)verontreniging van minerale olie en aromaten in grond en grondwater.
Het overige deel van de onderzoekslocatie (openbaar groen, asfalt en klinkers) kan als onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging worden beschouwd. Onduidelijk is of een puin of puinhoudende funderingslaag (= asbestverdacht) aanwezig is.
Asfalt Uit de PAK-marker beoordelingen en de PAK analyses blijkt het asfalt ter plaatse van de parkeerplaats als niet teerhoudend beschouwd kan worden.
7 8
BKK bodemadvies, Vooronderzoek Nautische Boulevard – Maasdijk 2 te Wessem, rapportnummer: 210498.BKK, d.d. 2 september 2021 Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, Bodemonderzoek i.v.m. herinrichting Nautische Boulevard – Maasdijk te Wessem, rapportnummer: 140.23.0443/R1, d.d. 23 november 2023
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
36
Deellocatie A: Car Wash perceel C477 In de zandlaag tot ca. 0,2 m-mv welke aanwezig is direct onder de klinkerverharding zijn geen verhoogde gehalten aangetoond (MM01). In de onderliggende bodemlaag tot 0,5 mmv met plaatselijk sterke bijmengingen aan baksteen en beton zijn licht verhoogde gehalten met lood, zink, PAK, PCB en/of minerale olie aangetoond (MM02 en MM03). In een onderliggende zandlaag van 1,0-2,0 m-mv zijn geen verhoogde gehalten aangetoond (MM04). In een onderliggende kleilaag zijn een matig verhoogd gehalte met zink en licht verhoogde gehalten met cadmium, kobalt, kwik, lood en nikkel aangetoond (MM05). Bij afwezigheid van een bekende bron is dit te relateren aan diffuse bodemverontreiniging. Bij eerder onderzoek in de directe omgeving zijn deze waarden ook aangetroffen. Ter plaatse van de OBAS zijn in de laag van 2,3-2,5 m-mv (0,5 m minus onderzijde OBAS) geen verhoogde gehalten met minerale olie en aromaten aangetoond. Ook in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Op basis van een indicatieve toetsing aan de eisen voor hergebruik uit het Besluit Bodemkwaliteit komt de boven- en/of ondergrond in aanmerking voor hergebruik als grond met de klasse altijd toepasbaar of industrie. Deellocatie B: overig deel locatie perceel C587 ged. Ter plaatse van de boringen B02, B10, B11 en B12 is onder de klinkerbestrating of asfaltverharding (alleen t.p.v.
boring B02) een laag menggranulaat aanwezig. Uit een indicatieve toetsing van de organische parameters (PAK, PCB en minerale olie) aan de eisen voor een NV Bouwstof blijkt dat deze voldoen. Over het eventuele uitlooggedrag van de zware metalen kan niets worden gezegd. In de overige bovengrond tot 0,5 m-mv zijn geen of enkel licht verhoogde gehalten met diverse zware metalen en/of PAK aangetoond. In een onderliggende kleilaag zijn een matig verhoogd gehalte met zink en licht verhoogde gehalten met cadmium, kobalt, kwik, lood en nikkel aangetoond (MM15). Na separate analyses van deelmonsters op zink blijken deze ten hoogste matig verontreinigd te zijn. Bij afwezigheid van een bekende bron is dit te relateren aan diffuse bodemverontreiniging. Bij eerder onderzoek in de directe omgeving, maar ook bij deellocatie A zijn deze waarden aangetroffen. In de overige ondergrond zijn enkel licht verhoogde gehalten met zware metalen aangetoond (MM14). Deellocatie C: noordoosthoek verontreiniging Maasdijk 1 perceel C587 ged. Rond het grondwaterniveau zijn in de bodemlaag van 3,0-3,2 m-mv geen verhoogde gehalten met minerale olie en aromaten aangetoond. Ook in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.
Dit betekent dat de onderzoekslocatie voor de paramaters minerale olie en aromaten niet negatief beïnvloed lijkt te zijn door de nog aanwezige (historische) grond- en grondwaterverontreiniging op de locatie Maasdijk 1 (Schreurs Wessem BV). Voorlopige veiligheidsklassen volgens CROW 400 Op basis van de resultaten zoals beschreven in voorliggend onderzoek is binnen de onderzoekslocatie bij graafwerkzaamheden geen sprake van een voorlopige veiligheidsklasse. Wel dient de basishygiëne in acht te worden genomen. Asbest Uit de asbestanalyses van de fijne fractie van de meest verdachte bodemlagen (ASB01,ASB02 en ASB04) blijkt dat restconcentratienorm van 100 mg/kg.ds en de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg.ds) in de actuele contactzone niet wordt overschreden.
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
37
Conclusie De resultaten van het bodemonderzoek vormen geen directe beperking of belemmering ten aanzien van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en herinrichtingswerkzaamheden binnen het plangebied. 4.1.2 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b) Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c) Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. d) Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit.
Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO 2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO 2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen.
Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Grenswaarden Wlk
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
38
De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de voorgenomen activiteit. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) lag de concentratie PM2,5 in 2022 ter plaatse tussen de 6 en 8 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 14 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Daarmee voldoet het plangebied aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.
Kortom, de voorgenomen ontwikkeling is passend in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. 4.1.3
Geluidhinder
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder stelt uitsluitend eisen ten aanzien van de geluidsbelasting (wegverkeer in dit geval) indien de ontwikkeling valt onder de definitie (beperkt) gevoelig object. Een bedrijfsgebouw inclusief horeca en detailhandel wordt niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing en onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Industrieterrein Het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein. De Wet geluidhinder is niet van toepassing. 4.1.4
Milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 9. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige
9
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
39
functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
Toetsing De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Bedrijven in de nabijheid van het plangebied worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkelingen. Er worden namelijk geen nieuwe milieugevoelige functies gerealiseerd in het plangebied. Daarnaast wordt in dit bestemmingsplan geen bedrijf mogelijk gemaakt in een hogere milieucategorie dan reeds is toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan. De lijst aan toegestane bedrijfsactiviteiten zal namelijk reiken tot een milieucategorie 3.2. Op basis van de regels van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ is dit reeds toegestaan. Voor activiteiten van milieucategorie 3.2 wordt een richtafstand van 200 meter geadviseerd. Omdat het plangebied echter is gelegen op een bedrijventerrein, mag de omgeving van het plangebied worden aangemerkt als een gemengd gebied. Hierdoor mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd naar 100 meter. De meest dichtbij gelegen woningen liggen op circa 100 meter afstand van het bedrijventerrein, aan de Kerkstraat 3. Hiermee wordt voldaan aan deze richtafstand. Er is aanvullend een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd aan de bijlagen.
Hieronder wordt volstaan met een korte samenvatting. Binnen de bestemming Bedrijventerrein is maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan en daarmee maatgevend voor de verwachte bedrijvigheid. Activiteiten op water zijn namelijk grotendeels afhankelijk van welke activiteiten op land plaatsvinden. Voor de bestemming ‘Water – Riviergebonden’ wordt de volgende regel opgenomen: ‘Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - werkstrook', een werkstrook, waarbij het bepaalde in artikel 3 in acht dient te worden genomen en waarbij tevens geldt dat de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten onlosmakelijk verbonden dient te zijn met de vestiging c.q. uitoefening van bedrijven als toegelaten op de aangrenzende bestemming 'Bedrijventerrein’. Binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van water - werkstrook’ is daarmee, in lijn met de planologisch maximaal mogelijke situatie van de het bedrijventerrein, milieucategorie 3.2 mogelijk. Binnen de kaders van het akoestisch onderzoek is milieucategorie 3.2 toegekend aan de gehele bestemming ‘Water – Riviergebonden’, omdat binnen de regels van het bestemmingsplan geen afbakening plaatsvindt van de verwachte bedrijvigheid buiten de specifieke
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
40
aanduiding, in zoverre dat dit niet is terug te koppelen aan een specifieke milieucategorie. Hiermee is het onderzoek derhalve worstcase ingestoken, waarbij voor het hele terrein wordt uitgaan van de maximaal toegestane milieucategorie. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, het maximale geluidsniveau en de indirecte hinder De hoogst berekende resultaten van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, het maximale geluidsniveau en de indirecte hinder zijn in de tabel opgenomen. Hierbij is geen toeslag toegepast voor eventuele bijzondere geluiden. De volledige resultaten zijn in bijlage 2 van het akoestisch onderzoek opgenomen.
Tabel Berekeningsresultaten dB(A) Uit tabel wordt geconcludeerd dat, met uitzondering voor de bedrijfswoning gelegen aan de Maasdijk 1a, kan worden voldaan aan de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie. Derhalve kunnen vanuit akoestisch oogpunt belemmeringen worden uitgesloten. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Volgens de regels van het bestemmingsplan ‘Land van Thorn’ is het plangebied in de huidige situatie deels ingevuld met de bestemming ‘bedrijventerrein’ en de bestemming ‘verkeer’ met de specifieke functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Ter plaatse van het bedrijventerrein is maximaal milieucategorie 4.1 toegestaan. Voor een parkeerterrein geldt milieucategorie 2 (SBI-2008 code 5221). Met eenzelfde methodiek voor het bepalen van het bronvermogen ten gevolge van de planologische maximale invulling van het plangebied, is het bronvermogen van de planologische maximale invulling in de huidige situatie bepaald. Omdat voor een parkeerterrein wel een specifieke invulling gegeven kan worden aan de te verwachten activiteiten (verkeersbewegingen), is het maximale geluidsniveau gebaseerd op maximaal optredende geluidsbelastingen bij het gebruik van een vrachtwagen. In onderstaande tabel zijn de bronvermogens weergegeven per deelgebied.
Tabel bronvermogen huidige situatie etmaalwaarde [dB(A)]
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
41
Op basis van het verkeerskundig wordt tevens geconcludeerd dat sprake zal zijn van een afname in geluidsbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking. Dit komt doordat in de toekomst een afname wordt verwacht in het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. De indirecte hinder wordt dan ook niet verder in beschouwing genomen.
Tabel Berekeningsresultaten verschilberekening huidige en toekomstige situatie [dB(A)] Geconcludeerd wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling, bij een planologische maximale invulling van het terrein voor zowel de toekomstige als huidige situatie, sprake is van een afname in geluidsbelasting. Tevens wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de Maasdijk 1a daarmee ook niet onevenredig aangetast. Derhalve zal geen sprake zijn van eventuele relevante cumulatie, zodat er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Uit de berekeningsresultaten wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Naast dat met een planologische maximale invulling van het plangebied voor planologische legale woonbestemmingen kan worden voldaan aan de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie, vindt ook een afname plaats van de geluidsbelasting ten opzichte van de planologische maximale invulling van de huidige situatie. Derhalve is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.1.5
Externe veiligheid
Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
42
Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.
Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 10. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.
Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.
10
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
43
Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (groene pijl) Onderzoek Ten behoeve van het nieuwe bestemmingsplan is een onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid.11 Het rapport is als bijlage toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan. Volledigheidshalve worden de relevante risicobronnen hierna nog kort toegelicht. Risicovolle inrichtingen Op circa 11 meter van het plangebied ligt een LPG-tankstation, waar geen LPG meer verkocht wordt. Omdat het LPG-tankstation nog wel een vergunning heeft, moet er nog wel uitgegaan worden van de verkoop van LPG. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State betreffende de vernietiging van de verruimde afstanden van de plaatsgebonden risicocontouren als gevolg van twee risico reducerende maatregelen (hitte werende coating en de verbeterde losslang) zijn deze afstanden bij een doorzet op maximaal 1.000 m3/jaar nu voor het vulpunt 46 meter en voor de opslagtank 17 meter. Het plangebied valt niet binnen deze plaatsgebonden risicocontouren. Het plangebied valt wel voor een klein gedeelte binnen de plaatsgebonden risicocontour van de afleverzuil. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedragen voor het explosieaandachtsgebied 290 meter en voor het brandaandachtsgebied 235 meter. Deze invloedsgebieden zijn nog niet opgenomen in de huidige regelgeving.
In de huidige regelgeving bedragen deze invloedsgebieden respectievelijk 160 meter en 60 meter. Het plangebied valt binnen de invloedsgebieden. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een brandbaar gas.
11
Econsultancy, Rapport onderzoek externe veiligheid Maasdijk, Wessem, rapportnummer 22143.004, d.d. 26 juli 2023
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
44
Op grond van artikel 13 Besluit externe veiligheid inrichtingen dient het groepsrisico verantwoord te worden en dient advies gevraagd te worden aan het bestuur van de Veiligheidsregio. Het bestemmingsplan is aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord overlegd ter beoordeling. De beoordeling is als bijlage bijgevoegd. Econsultancy heeft een kwantitatieve risicoberekening uitgevoerd voor een standaard situatie LPG tankstation met het erkende hulpmiddel LPG-rekentool. Uitgaande van een bevoorrading door een LPG tankwagen zonder hittewerende bekleding (dit dient nu ook toegepast te worden n.a.v. de uitspraak van de RvS) wordt de oriëntatiewaarde zowel in de huidige als toekomstige situatie overschreden. Risicovol transport over wegen, spoorwegen en/of vaarwegen Op een afstand van circa 850 meter van het plangebied ligt de A2 waar transport met gevaarlijke stoffen over plaats vindt. Dit weggedeelte ter plaatse van het plangebied (afrit 41 (Grathem)-afrit 44 (Sint Joost) heeft geen PR 10-6 contour. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën: LF1, LF2, LT1, LT2,GF1,GF2, GF3, GT3 en GT4. Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze weg worden vervoerd heeft deze weg een invloedgebied van 4.000 meter aan weerszijden. Het plangebied ligt binnen het invloedgebied van deze weg. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een toxische plas en een toxische wolk.
Nu het plangebied gelegen is binnen het invloedgebied van de A2 dient er invulling gegeven te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen voor de scenario’s van het vrijkomen van vrijkomen van een toxische plas, toxische wolk, brandbare plas en een brandbaar gas. Op een afstand van circa 577 meter van het plangebied ligt de Maas (Maascorridor) waar transport met gevaarlijke stoffen over plaats vindt. De Maas heeft geen PR 10-6 contour. Over de Maas worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën: LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3. Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze weg worden vervoerd heeft deze weg een invloedgebied van 1.070 meter aan weerszijden. Het plangebied ligt binnen het invloedgebied van de Maas. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een toxische plas en een toxische wolk. Nu het plangebied gelegen is binnen het invloedgebied van de Maas dient er invulling gegeven te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen voor de scenario’s van het vrijkomen van vrijkomen van een toxische plas, toxische wolk, brandbare plas en een brandbaar gas.
Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van de Maascorridor of de A2. Een kwantitatieve risicoanalyse is niet noodzakelijk. Het plan ligt ook niet binnen een plasbrandaandachtsgebied (PAG) en/of een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Het plangebied bevindt zich wel binnen het invloedsgebied van een aantal stofcategorieën. Er dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden vanwege de Maascorridor en de A2. Risicovol transport buisleiding De grootste inventarisatieafstand voor een hogedruk aardgastransportleiding is 580 meter. Omdat er binnen een straal van 580 meter van het plangebied geen hogedruk aardgastransportleidingen liggen, zijn er geen belemmeringen. Het plangebied ligt tevens op voldoende afstand van de Pijpleiding Rotterdam – Beek (PRB- leiding). Hoogwaterveiligheid Hoogwater is een risico voor het plangebied en dan met name met betrekking tot de permanente boten. Voor steigers, drijvende bouwwerken, constructies of boten moet een vergunning aangevraagd worden bij
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
45
Rijkswaterstaat. Voor drijvende bouwwerken, constructies of boten zal eerst een watervergunning aangevraagd moeten worden bij Rijkswaterstaat voordat zijn binnen het plangebied toegestaan zijn. Wanneer een gebouw wordt gerealiseerd binnen het profiel van vrije ruimte van de waterkering zal een watervergunning aangevraagd moeten worden. Radars De radars van de omliggende havens worden niet beperkt door de nieuwe bebouwing, omdat de omliggende bebouwing nu al veel hoger is. Het bestemmingsplan is aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord overlegd ter beoordeling. De beoordeling is als bijlage bijgevoegd. Beperkte verantwoording groepsrisico Maascorridor en Rijksweg A2 Zelfredzaamheid Met betrekking tot de rijksweg A2 moet in geval van een calamiteit rekening gehouden worden met de stofcategorieën LT2 en GT4. Voor de Maascorridor geldt dat rekening moet worden gehouden met de stofcategorieën LT1 en GT3. Aanwezigen zullen via het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) zoals NLAlert worden gealarmeerd. In geval van een giftige wolk is het advies om ramen en deuren te sluiten en inpandig te schuilen. De gebouwen moeten worden uitgerust met ventilatievoorzieningen die eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Preventie, beheersing en bestrijding Hulpdiensten kunnen het plangebied bereiken via de Kloosterlaan en Waage Naak naar de Maasdijk.
Primair aandachtspunt is het verlenen hulp aan slachtoffers. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om:
op tijd ter plaatse te zijn;
voldoende opstelplaatsen te hebben;
voldoende blusmiddelen te hebben.
Verantwoording groepsrisico LPG-tankstation Bronmaatregelen De losplaats van de tankwagen is gelegen op een parkeervak grenzend aan de doorgaande weg over het bedrijventerrein. Omdat het parkeervak niet is afgeschermd van de weg, is een aanrijding mogelijk. Het volume van de tankauto en het falen hiervan is echter maatgevend. Het plangebied is afgeschermd van de tank en het vulpunt door tussenliggende bedrijfshallen, die de eerste schokgolf zullen dempen. Door de opstelplaats te verplaatsen en/of beter te beschermen tegen aanrijdingen, kan het risico worden verkleind. Zo lang de inrichting functioneert voldoet aan de vergunning, is er geen aanleiding om bronmaatregelen te treffen of af te dwingen. Zelfredzaamheid in het plangebied De gemiddelde aanwezige in het plangebied wordt verondersteld te beschikken over een goede zelfredzaamheid. Het vluchten kan in de oostelijke richting via de Waage Naak en de Maasboulevard. Bij nadere invulling van het plan zullen zo veel mogelijk maatregelen worden overwogen om het risico op slachtoffers te verkleinen. De volgende maatregelen leveren het meeste rendement:
Gebouwen met de grootste personendichtheid worden bij voorkeur zo ver mogelijk aan de zuidzijde van het plan gerealiseerd.
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
46
In- en uitgangen evenals nooddeuren van de gebouwen dienen zoveel mogelijk van de risicobron af te worden geplaatst.
De noordgevel van een gebouw wordt versterkt uitgevoerd om een schokgolf op te kunnen vangen, waarbij zo min mogelijk of gelamineerd glasoppervlak wordt toegepast.
In het plangebied is op de plaatsen met de meeste aanwezigen een vluchtplan aanwezig.
In een gebouw is te allen tijde een BHV-er aanwezig.
Ten minste een keer per jaar wordt een rampscenario geoefend.
Bestrijding van calamiteiten Hulpdiensten ter bestrijding van calamiteiten bij het tankstation zullen komen aanrijden vanuit de kazerne in de kern Wessem. De opkomsttijd is minder dan 10 minuten. Voor een goede bereikbaarheid van de hulpdiensten moeten de wegen naar het plangebied en binnen het plangebied voldoende breed worden uitgevoerd. In geval van calamiteiten bij het tankstation, zal de inzet van hulpdiensten primair gericht zijn op het bestrijden van brand en het voorkomen van een BLEVE. Om de escalatie van brand naar BLEVE te voorkomen, is voldoende bluswatercapaciteit beschikbaar, ook voor het bestrijden van secundaire branden. Omdat sprake is van een bestaand LPG-tankstation moet worden verondersteld dat de voorzieningen voldoen aan de geldende eisen. Alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico De bebouwingsgebieden 1 en 2 worden op een zo groot mogelijke afstand van het LPG-tankstation gesitueerd. Een verplaatsing buiten het invloedsgebied van het LPG-tankstation is niet mogelijk. In tegenstelling tot gebieden waar woonfuncties of bijeenkomstfuncties met grote personendichtheden kunnen zijn, is hier sprake van lichte bedrijvigheid met een beperkt aantal aanwezigen per hectare. Andere ontwikkelingen waardoor het groepsrisico lager zou kunnen zijn, is niet mogelijk of nauwelijks realiseerbaar.
Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er kortom geen belemmeringen voor beoogde beperking van de bedrijfsactiviteiten. 4.1.6
Geur
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Conclusie Bedrijfsgebouwen met daaraan ondergeschikte horeca, kantoor en detailhandel betreffen geurgevoelige objecten. Op circa 900 meter afstand is een varkensbedrijf gevestigd en op circa 1 km een rundveebedrijf. De richtafstand voor een varkensbedrijf omvat 200 meter en voor het rundveebedrijf 100 meter. Het plangebied
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
47
bevindt zich derhalve op voldoende afstand en geur vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 4.1.7
Milieueffectrapportage
Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Geconcludeerd is dat er, rekening houdende met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiele effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Met dit bestemmingsplan wordt een uitbreiding van circa 9.000 vierkante meter bvo beoogd. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Conclusie De uitbreiding van een bedrijventerrein komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.
In onderdeel D is aangegeven dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer, of een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen (categorie D11.2). Het voorliggende initiatief betreft slechts de realisatie van twee bedrijfskavels met ondergeschikt horeca, detailhandel en kantoorfuncties op een bestaand bedrijventerrein met een totale omvang van maximaal 17.800
Bestemmingsplan Voorterrein Nautische Boulevard, Wessem
48
m2. Gezien het feit dat het plangebied reeds een bedrijventerreinbestemming heeft en het slechts een ontwikkeling van beperkte omvang betreft waarbij er geen sprake is van significante milieueffecten en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied kan worden beargumenteerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Het college van Ben W heeft op 6 november 2023 besloten in haar vergadering om geen milieueffectrapportage te laten opstellen.
4.2
Archeologie
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de toekomstige Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Op het plangebied rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Voor de met 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. De regels omtrent archeologie in het bestemmingsplan ‘Land van Thorn’ worden in de toekomst vervangen door het paraplubestemmingsplan ‘Parapluplan Archeologie Maasgouw’ welke het gehele grondgebied van de gemeente Maasgouw beslaat.
Dit bestemmingsplan is thans nog als ontwerp in procedure gebracht. Binnen het plangebied ligt ingevolge dit ontwerpbestemmingsplan geen archeologische waarde en het betreft dus een gebied zonder archeologische verwachting. Met onderhavig initiatief zijn overigens geen bodemingrepen beoogd. Er behoeft dan ook geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Conclusie Vanuit het aspect archeologie bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen monumenten of overige cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid.