Bijlage 1: Programmabegroting 2026
Tekst van het document
4.5 Bedrijfsvoering Bedrijfsvoering is nodig voor het verwezenlijken van de taken van gemeenten. De bedrijfsvoeringparagraaf moet inzicht geven in de stand van zaken en de beleidsvoornemens over de bedrijfsvoering; met het oog op het uitvoeren van de activiteiten binnen de programma’s en met het oog op de continuïteit van de gemeente. 4.6 Verbonden partijen De paragraaf verbonden partijen moet inzicht geven in de relaties van de gemeente in derde rechtspersonen, waarin bestuurlijke invloed wordt uitgeoefend en waarmee financiële belangen gemoeid zijn. Verbonden partijen zijn een manier om een bepaald beleidsvoornemen uit te voeren; het aangaan van verbonden partijen komt altijd voort uit het publiek belang. Gezien de veelheid aan verbonden partijen en hun financiële en bestuurlijke belang is het voor het inzicht van de raad belangrijk dat de relatie tussen verbonden partijen en het publieke belang aan worden gegeven. 4.7 Grondbeleid De hoofdlijnen van het grondbeleid komen in deze paragraaf aan de orde. De paragraaf grondbeleid geeft de visie op het grondbeleid in relatie tot de uitvoering van de doelstellingen zoals opgenomen in de gebiedsontwikkelingen. Via grondbeleid kan een nadere invulling aan het uitvoeren van bepaalde beleidsvoornemens worden gegeven. Gedacht kan worden aan volkshuisvesting.
Gezien het financiële belang van grondbeleid is een overzicht van het grondbeleid noodzakelijk voor de raad. 4.8 Wet open overheid (Woo) De Woo bevat een algemene zorgplicht om documenten in goede, geordende en toegankelijke staat te houden, en bepaalt dat er in de begroting en in de jaarlijkse verantwoording van elke gemeente een paragraaf moet worden opgenomen 4.9 Vluchtelingen In deze (niet verplichte) paragraaf wordt de opgave met betrekking tot opvang en/of huisvesting voor ontheemden uit Oekraïne, asielzoekers en statushouders weergegeven. Door de flinke impact voor gemeenten is ervoor gekozen om dit in een aparte paragraaf weer te geven. 66
4.1 Lokale heffingen 67
Beleid lokale belastingen en heffingen In de Gemeentewet en in enkele bijzondere wetten is geregeld welke lokale heffingen de gemeente aan de inwoners en bedrijven mag opleggen. Maasgouw kent de volgende heffingen, op basis van door de raad vastgestelde verordeningen: OZB (onroerend zaak belasting) De onroerendezaakbelastingen zijn de belangrijkste gemeentelijke belastingen waarvan de opbrengst tot de algemene middelen behoort en dus naar eigen inzicht kan worden besteed. De hoogte van de aanslagen is zowel afhankelijk van de waarde van een object, zoals die elk jaar wordt bepaald op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), als van de vastgestelde tarieven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen tarieven voor eigenaren van woningen, eigenaren van niet-woningen en gebruikers van nietwoningen. Tariefbeleid • De hoogte is mede afhankelijk van ambitieniveau, gewenste ruimte nieuw beleid en het te realiseren uitgangspunt van een structureel sluitende begroting. In Maasgouw is er sprake van een hoge ambitie met betrekking tot het voorzieningenniveau in relatie tot een relatief lage OZB-heffing. Daarom wordt voorgesteld de OZB-opbrengsten voor woningen eigenaar en niet-woningen (eigenaar en gebruiker) te laten stijgen met 25% ten opzichte van de begroting 2025-2028. Op deze manier draagt een hogere OZB-heffing bij aan het hoge ambitieniveau.
Hoewel het tarief stijgt behoudt Maasgouw een relatief lage OZB-heffing in Limburg. • Bij de OZB is de tariefstelling een resultaat van de gewenste OZB-opbrengst en de WOZ-waardeontwikkeling. De WOZ-waardes die als basis gelden voor de aanslagoplegging 2026 (waarde peildatum 1-1-2025) worden in het najaar 2025 beschikbaar gesteld door BsGW, waarna de ozb-tarieven bepaald kunnen worden. In december 2025 stellen we de tarieven vast bij de vaststellen van de belastingverordening 2026. • De areaaluitbreidingen worden op basis van de laatste inzichten verwerkt in de geraamde OZB opbrengst. Afvalstoffenheffing De afvalstoffenheffing is een zogenaamde bestemmingsheffing. De opbrengst vloeit niet naar de algemene middelen, maar dient ter dekking van de kosten van afvalinzameling en –verwerking van huishoudelijke afvalstoffen. Het uitgangspunt is dat deze kosten volledig worden gedekt uit de opbrengst van de afvalstoffenheffing. Ook in 2026 gaan huishoudens naast een vastrechtbedrag, een bedrag betalen voor elke lediging van de restafvalcontainer en voor elke inworp in de ondergrondse restafvalcontainer. Voor het ledigen van de GFTcontainer wordt geen apart tarief in rekening gebracht.
Het vastrecht voor de afvalstoffenheffing is afhankelijk van de volumes van de restafvalcontainers, te weten een vastrecht voor een 240, 140, 80-60-40 liter container en aanlevering via een ondergrondse verzamelcontainer. Hierbij geldt dat hoe groter de containermaat, hoe hoger het variabel tarief is. Tariefbeleid Voor afvalstoffenheffing is het uitgangspunt 100% kostendekkende tariefstelling. De tariefontwikkeling is daarmee grotendeels afhankelijk van de doorbelaste verwerkingskosten en de heffingskosten. De variabele heffing hangt af van de mate van afvalscheiding. De tarieven voor de afvalstoffenheffing 2026 worden in de raadsvergadering van december 2025 vastgesteld. Rioolheffing De kosten voor het beheren en in stand houden van het rioolstelsel worden door middel van de rioolheffing verhaald op de eigenaren en gebruikers van een perceel die op dat stelsel zijn aangesloten. De gemeente heeft naast de zorgplicht voor gemeentelijk afval- en hemelwater ook de zorgplicht voor grondwater. De opbrengst van de rioolheffing, wordt gebruikt om de voorzieningen, die dienen voor de uitvoering van genoemde zorgplicht, te bekostigen. 68
In oktober 2021 is het Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 vastgesteld. Met dit plan zorgen we voor de continuïteit van een goede rioleringszorg, geven we de onderbouwing van de rioolheffing en leggen we de link met klimaatadaptatie. Tariefbeleid Voor rioolheffing is het uitgangspunt 100% kostendekkende tariefstelling. De tarief ontwikkeling is gebaseerd op het GRP (2022-2026) met als uitgangspunt 3% jaarlijkse verhoging plus indexering van 2,7% conform de Meicirculaire. Hondenbelasting De hondenbelasting is volgens de Gemeentewet een algemene belasting, zonder directe relatie met de te maken kosten. De gemeente kan kiezen voor welk beleidsdoel ze de opbrengst van deze belasting aanwendt. De gemeente heft hondenbelasting voor het houden van een hond. Het bedrag van de aanslag is afhankelijk van het aantal honden. Tariefbeleid In lijn met voorgaande jaren wordt het tarief 2026 geïndexeerd met 2,7% conform de Meicirculaire en af te ronden op hele euro’s. (Water-)toeristenbelasting De (water-)toeristenbelasting is een algemeen dekkingsmiddel. De belasting is gebaseerd op de gedachte dat door personen die binnen de gemeentegrenzen verblijven en niet zijn ingeschreven in het BRP, maar wel gebruik maken van de openbare gemeentelijke voorzieningen, een bijdrage leveren aan deze voorzieningen.
De belasting wordt verschuldigd voor het houden van verblijf met overnachting tegen vergoeding en wordt geheven van degene die verblijf biedt. Deze is dan op grond van regelgeving bevoegd de belasting te verhalen op de persoon of personen die verblijf houden. Tariefbeleid Het tarief voor de (water-) toeristenbelasting bedraagt vanaf 2026 € 2,50 per overnachting. Forensenbelasting De forensenbelasting dient ertoe om mensen die relatief veel in onze gemeente verblijven, maar geen ingezetene zijn van onze gemeente, mee te laten betalen aan gemeentelijke voorzieningen. De forensenbelasting vertoont veel gelijkenis met de toeristenbelasting. De hoofdregel is dat personen die, zonder dat ze hun hoofdverblijf in de gemeente hebben, meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning tot hun beschikking hebben, forensenbelasting betalen. Tariefbeleid In lijn met voorgaande jaren wordt het tarief 2026 geïndexeerd met 2,7% conform de Meicirculaire en af te ronden op hele euro’s. Leges De gemeente heft leges voor de door haar verstrekte diensten, genoemd in de bij de legesverordening behorende tarieventabel. Gemeenten heffen leges om haar taken te bekostigen. De opbrengsten uit de heffing van leges worden gebruikt om de kwaliteit van de verstrekking te waarborgen en om personeels-, huisvesting- en materiaalkosten te dekken.
De tarieventabel is onderverdeeld in drie titels: • Hoofdstuk 1 Algemene Dienstverlening. Onder andere: burgerlijke stand, reisdocumenten, rijbewijzen, verstrekkingen uit de basisregistratie personen. • Hoofdstuk 2 Dienstverlening Omgevingsvergunning. Onder andere: bouwvergunning, aanlegvergunning en sloopvergunning. • Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn. Onder andere: horeca en organiseren evenementen. 69
Tariefbeleid • Uitgangspunt is een kostendekkendheid van de legestarieven. • Voor legestarieven die niet wettelijk zijn vastgesteld en niet kostendekkend zijn wordt bepaald in hoeverre het realistisch en wenselijk is om deze te verhogen naar kostendekkendheid. • In lijn met voorgaande jaren worden de tarieven 2026, met uitzondering van de wettelijke maximumtarieven en eventuele andere wijzigingen, geïndexeerd met 2,7% conform de Meicirculaire. Bedragen boven € 20 zullen, waar mogelijk, worden afgerond op hele euro’s. Lijkbezorgingsrechten Op basis van deze belastingverordening worden rechten geheven voor het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen en de daarmee samenhangende diensten. Tariefbeleid De totale lijkbezorgingsrechten stijgen met € 50.000 ten opzichte van 2025. De nieuwe tarieven liggen dan meer in lijn met de tarieven van de omliggende gemeenten. Marktgelden Marktgeld is een retributie voor het innemen van een standplaats op een (gewoonlijk periodiek gehouden) markt. Tariefbeleid In lijn met voorgaande jaren wordt het tarief 2026 geïndexeerd met 2,7% conform de Meicirculaire en af te ronden op hele euro’s. Parkeerbelasting Deze belastingen worden geheven voor het parkeren van motorvoertuigen waar dat alleen tegen betaling is toegestaan. De gemeente is vrij om de hoogte van de tarieven te bepalen.
Dat geldt niet voor het tarief wanneer niet of niet tijdig voor het parkeren is betaald. In dat geval ontvangt de houder van het kenteken een naheffingsaanslag (“parkeerbon”) waarvan de maximale hoogte wettelijk is vastgesteld. Voor het jaar 2026 is dat maximum € 82,00. Tariefbeleid Alleen in de kern Thorn worden parkeerbelastingen geheven. Voor het parkeren op beide parkeerplaatsen in Thorn geldt een dagtarief van € 3,00. Wij handhaven dit tarief. Kwijtscheldingsbeleid De gemeente is deels autonoom op het gebied van kwijtschelding gemeentelijke belastingen, dat wil zeggen dat de gemeente zelf binnen het wettelijk kader kan bepalen of kwijtschelding aan haar burgers wordt verleend. Dit komt erop neer dat met name burgers met inkomsten uit een uitkering of AOW (bijstandsnorm en een beperkt vermogen) in aanmerking komen voor kwijtschelding. Daarbij worden de bestaanskosten voor 100% meegenomen. Daardoor resteert een beperkte betalingscapaciteit en komen de inwoners zodoende (eerder) in aanmerking voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Daarnaast hanteert de gemeente een ruimere vermogensgrens zodat een belastingplichtige een iets hoger vermogen mag hebben om toch nog voor kwijtschelding in aanmerking te komen. De gemeente verruimt de vermogensgrens met het wettelijk maximum (2025: maximaal € 2.000). BsGW voert het kwijtscheldingsbeleid uit.
Ze maken hierbij gebruik van het Inlichtingenbureau (IB). Het Inlichtingenbureau toetst de gegevens van de aanvrager die nodig zijn voor eventuele kwijtschelding aan de criteria om voor kwijtschelding in aanmerking te komen
70
Bij de invordering van de volgende belastingen is er sprake van een beperkte kwijtschelding: • Bij de invordering van de afvalstoffenheffing wordt alleen kwijtschelding verleend voor het vastrecht en ledigingen. Het maximum voor ledigingen wordt vastgesteld op basis van de tarieven in de belastingverordeningen eind 2025. • Bij de invordering van de hondenbelasting wordt alleen kwijtschelding verleend voor de eerste hond. • Voor de rioolheffing is alleen kwijtschelding mogelijk van het gebruikersdeel. De kosten van kwijtschelding worden niet doorbelast in de tarieven afvalstoffenheffing en rioolheffing. Voor het belastingjaar 2026 is een bedrag van € 115.000 begroot voor kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Belastingopbrengsten 2026 (bedragen in €) Raming
Bijgestelde raming
Raming
baten 2025
baten 2025
baten 2026
OZB eigenaar woning
3.370.000
3.370.100
4.411.400
OZB eigenaar niet - woning
1.195.500
1.195.500
1.552.200
OZB gebruiker niet - woning
940.800
940.800
1.228.800
Rioolheffing
3.617.700
3.700.900
3.812.900
Afvalstoffenheffing
3.311.500
3.311.500
3.298.500
Hondenbelasting
135.900
135.900
138.700
1.257.800
1.257.800
1.529.500
Forensenbelasting
159.100
159.100
159.100
Bouwleges
411.500
411.500
626.800
Leges overig
334.900
337.300
352.000
Lijkbezorgingsrechten
85.700
85.700
135.700
Marktgelden
8.300
8.300
8.500
Parkeergelden
90.000
110.000
110.000
14.918.700
15.024.400
17.364.100
Belastingsoort
(Water)toeristenbelasting
Totaal
Kostendekkendheid • Kostendekkendheid: het uitgangspunt is dat de gebruiker betaalt. De gemeenteraad is vrij om de hoogte van het tarief vast te stellen met een kostenonderbouwing als basis, waarbij het Rijk een aantal grenzen heeft gesteld, waaronder een maximale kostendekkendheid van 100%. • Extracomptabele berekening: In de tarieven van de heffingen zijn een aantal componenten extracomptabel berekend. Volgens het BBV is dit toegestaan. Het betreft: o een rentepercentage van 3,0%, zoals opgenomen in het GRP, over de boekwaarden van de investeringen Riolering; o overhead: voor de toerekening van de overheadkosten wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorie 1.1 (Salarissen en sociale lasten) van het taakveld gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorie 1.1; o de compensabele btw over de exploitatielasten (inclusief afschrijvingen). Vóór invoer BCF-btw (1 jan 2003) zijn investeringen inclusief btw geactiveerd, 19% over de periode 2003-2012; 21% over 2013 en volgende jaren.
71
Leges (bedragen in €) 1. Algemene dienstverlening 1.1 Burgerlijke stand 1.2 Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart 1.3 Rijbewijzen Verstrekkingen in het kader van de basisregistratie 1.4 persoonsgegevens 1.7 Overige publiekszaken 1.9 Bijzondere wetten Totaal (bedragen in €) Dienstverlening en besluiten in het kader van de 2. Omgevingswet 2.2 Voorfase 2.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en 2.4 werelderfgoed 2.5 Milieubelastende activiteiten 2.6 Lozingsactiviteiten 2.7 Aanlegactiviteiten 2.8 Overige activiteiten 2.9 Maatwerkvoorschriften 2.10 Gelijkwaardigheid 2.11 Overige tarieven 2.12 Modaliteiten 2.13 Vermindering 2.14 Teruggaaf Totaal Totale kostendekkendheid hoofdstuk 1 en 2 (bedragen in €) Dienstverlening vallend onder de Dienstenrichtlijn 3. en niet vallend onder hoofdstuk 2 3.1 Horeca 3.2 Seksbedrijven 3.5 Standplaatsen 3.7 Campings en recreatieparken, huisvesting arbeidsmigranten en exploiteren kamerverhuurbedrijf 3.8 Algemene plaatselijke verordening Maasgouw Totaal
Lasten 127.894 181.428 107.926
Baten 59.075 172.595 77.005
Dekking 46% 95% 71%
17.549
14.300
81%
6.449 53.592 494.838
1.600 9.575 334.150
25% 18% 68%
Lasten
Baten
Dekking
202.366 487.302
42.916 484.657
21% 99%
32.585 28.761 1.664 29.489 31.146 7.488 5.275 75.826 64.466 0 11.648 978.017
19.023 17.586 1.016 14.726 7.409 4.554 3.216 14.637 24.980 0 0 634.720
61% 61% 50% 24% 61% 61% 19% 39% 0% 0% 65%
2.379.649
1.286.489
54%
Lasten
Baten
Dekking
7.640 2.487 138
3.965 1.015 110
52% 41% 80%
276
270
98%
1.796 12.337
1.600 6.960
89% 56%
58%
Kruissubsidiëring Voor elk van de belastingverordeningen waarbij sprake is van kostenverhaal moet inzichtelijk worden gemaakt, dat de totale geraamde baten van de verordening niet uitgaan boven de totale lasten van de verordening. Deze opbrengstnorm ziet op de verordening in haar totaliteit. Hierdoor is zogenoemde kruissubsidiëring mogelijk: een verwacht overschot bij de ene activiteit wordt gebruikt voor de dekking van een verwacht tekort bij een andere activiteit. Het is dus niet nodig om de kostendekkendheid per activiteit te bepalen. Binnen hoofdstuk 1 is kruissubsidiëring toegestaan. Zo mag bijvoorbeeld het tarief voor huwelijksvoltrekkingen meer dan kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van een niet kostendekkend tarief voor paspoorten. Ook binnen hoofdstuk 2 is kruissubsidiëring toegestaan en ook tussen hoofdstuk 1 en 2. Niet kostendekkende tarieven voor de diensten die vallen onder hoofdstuk 1 mogen dus 72
gecompenseerd worden door meer dan kostendekkende tarieven voor de omgevingsvergunning uit hoofdstuk 2. Op grond van de Europese Dienstenrichtlijn is binnen hoofdstuk 3 kruissubsidiëring niet toegestaan. Afvalstoffenheffing (bedragen in €) Lasten 0.9
BTW/BCF
7.3
Afval
Bedrag 330.700 2.618.700
Personeelslasten
168.800
Overhead
180.300
Totaal Lasten
3.298.500
Opbrengsten
Bedrag
1.1
Afvalstoffenheffing
Totaal Baten Kostendekkendheidspercentage
3.298.500 3.298.500 100%
Rioolheffing (bedragen in €) Lasten
Bedrag
0.9 BTW/ BCF
586.700
7.2 Riolering
3.446.300
Reserves en voorzieningen
-1.188.300
Personeelslasten
468.200
Overhead
500.000
Totaal Lasten
3.812.900
Baten
Bedrag
1.1 Rioolheffing
3.812.900
Totaal baten* Kostendekkendheidspercentage *exclusief indexering (inflatiecorrectie) (Raad 16 december 2025)
3.812.900 100%
Lijkbezorgingsrechten (bedragen in €) Totaaloverzicht begraafrechten
Bedrag
Totaal lasten
199.197
Totaal baten
135.654
Kostendekkendheidspercentage
68%
73
Woonlasten De gemeentelijke woonlasten worden als volgt gedefinieerd: het gemiddelde bedrag dat een huishouden in een woning met gemiddelde waarde in een gemeente betaalt aan OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing. Aangezien de tarieven voor de verschillende onderdelen nog niet duidelijk zijn, wordt er nu een indicatie gegeven van de verwachte ontwikkeling van de lastendruk. Voor de woonlasten 2025 wordt het belastingplaatje in het raadsvoorstel bij de belastingverordeningen 2025 aangehouden. Voor de woonlasten 2026 wordt bij de onroerendezaakbelasting (eigenaar) een gemiddelde WOZ-waarde voor een woning in Maasgouw van € 338.633 aangehouden (bron: Rapport Belastingoverzicht 2025 van Provincie Limburg) en een belastingverhoging van 25% conform Kadernota 2026, gemeente Maasgouw. Voor de rioolheffing is uitgegaan van een jaarlijkse stijging van 3% conform huidig GRP 2022-2026 en de stijging van indexering van 2,7% voor 2026 (bron: Meicirculaire 2025). De afvalstoffenheffing is afhankelijk van diverse onderdelen die nu nog niet duidelijk zijn. De verwachting is echter wel dat deze niet of niet substantieel zal stijgen. Voor het totale beeld is daarom in onderstaande tabel het bedrag van 2025 gehanteerd. Het gemiddelde tarief afvalstoffenheffing is in 2025 gebaseerd op een 140 liter container restafval.
Het feitelijke beeld van de gemiddelde woonlastenontwikkeling wordt geschetst in de raadsvergadering 16 december 2025 bij de vaststelling van de tarieven. (bedragen in €) Gemiddelde woonlasten eigenaar-bewoner
2025
2026
Onroerendezaakbelastingen eigenaar
281
349
Afvalstoffenheffing
303
303
Rioolheffing
295
312
Totaal
879
964
Gemiddelde woonlasten huurder
2025
2026
Afvalstoffenheffing
303
303
Rioolheffing
155
164
Totaal
458
467
(bedragen in €)
74
4.2 Weerstandsvermogen & risicobeheersing 75
Inleiding In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing stellen we vast of de financiële positie van Maasgouw robuust genoeg is om onvoorziene tegenvallers op te vangen. Om dat te bepalen zijn twee componenten belangrijk: 1. De risico’s die we als gemeente lopen. Een aantal risico’s zijn afgedekt door verzekeringen af te sluiten en door samen te werken met andere partijen (risicodeling). De risico’s die niet te verzekeren zijn of verbonden zijn aan de maatschappelijke doelen die we als Maasgouw willen realiseren, moeten we in kaart brengen, proberen te verkleinen en goed bewaken. 2. De ‘weerstandscapaciteit’ (buffer) die er is om de resterende risico’s op te vangen. De weerstandscapaciteit zijn de middelen en mogelijkheden die de gemeente heeft om deze niet begrote risico’s te ondervangen. Deze twee begrippen geven in essentie het begrip ‘risicomanagement’ weer. Een aantal risico’s dekken we af met beheersmaatregelen. Voor de overblijvende risico’s geven we inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is om de financiële en niet-financiële gevolgen van risico’s op te vangen. Ook geven we inzicht in de financiële buffer die we daarvoor nodig en beschikbaar hebben. De paragraaf is als volgt opgebouwd: Eerst gaan we in op het bestaand beleid rondom weerstandsvermogen. Daarna wordt de weerstandscapaciteit alsmede de risico’s geïnventariseerd.
Op basis hiervan wordt de weerstandsratio bepaald. Als laatste wordt de financiële positie van de gemeente weergegeven aan de hand van de financiële kengetallen.
Beleid
De in februari 2025 vastgestelde nota Risicomanagement & Weerstandsvermogen 2025 (verder nota R&W) geeft de gehanteerde normen als leidraad voor deze paragraaf. In de nota R&W zijn onder andere kaders gesteld met betrekking tot: • Te onderkennen risico’s (alleen negatieve, financieel kwantificeerbare risico’s onderkennen); • Rapportage van risico’s in de P&C-documenten (alleen risico’s met een score >10 o.b.v. kans x impact). Daarbij richten we ons niet alleen op de risicosignalering van de interne organisatie, maar ook van de risico’s bij onze verbonden partijen; • Berekening van de incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Daarbij wordt de incidentele weerstandscapaciteit berekend exclusief stille reserves. De structurele weerstandscapaciteit wordt met name bepaald door de onbenutte belastingcapaciteit en de begrotingsruimte; • Het onderscheiden van een incidentele en een structurele weerstandsratio. Er is sprake van een ingebouwde signaleringsfunctie indien de ratio lager is dan 2. Er wordt een ondergrens van 1 gehanteerd.
Een inventarisatie van de weerstandscapaciteit
Het is relevant om onderscheid te maken tussen incidenteel weerstandsvermogen dat beschikbaar is (om incidentele tegenvallers op te vangen) en weerstandsvermogen met een structureel karakter. Uit de tabellen is te herleiden uit welke componenten dat de incidentele en structurele weerstandscapaciteit zijn opgebouwd.
76
(bedragen in €) Onderdelen Weerstandscapaciteit Algemene reserve Vrij aanwendbare deel
Incidenteel/ Structureel Incidenteel
Bestemmingsreserve vrij aanwendbare deel
Incidenteel
Begrotingsruimte
Structureel
Onvoorziene uitgaven
Structureel
Onbenutte belastingcapaciteit
Structureel
Omschrijving Dit zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken. Het betreft de Algemene reserve per 1 januari 2026. Dit betreft het vrij aanwendbare deel van de reserve ontwikkelingsbedrijf. O.b.v. de geraamde toevoegingen en onttrekkingen bedraagt deze per saldo € 1.000.000 (zie paragraaf 4.7) Dit is de ruimte die ombuigingen op de korte (en lange) termijn mogelijk maakt. In de huidige meerjarenbegroting 2026-2029 is dit het structurele begrotingssaldo van de jaarschijf 2026. De begroting is meerjarig structureel sluitend door het uitgevoerde heroverwegingsproces (zie hoofdstuk 1.2). Deze post creëren we om middelen te hebben om nieuwe beleidsinitiatieven (incidenteel of structureel) te bekostigen of om onvoorzienbare, onontkoombare, onuitstelbare tegenvallers op te vangen. Voor incidentele uitgaven is € 25.000 beschikbaar. Dit zijn inkomsten die nog niet gemaximeerd of kostendekkend zijn. De tarieven voor de afvalstoffenheffing en rioolheffing zijn al kostendekkend. Dit betreft alleen de onroerende zaakbelastingen.
Totaal weerstandscapaciteit
24.554.000 1.000.000
727.000
25.000
1.288.000
27.594.000
Inventarisatie risico’s
Een risico is een onzekere gebeurtenis met oorzaken, een kans van optreden en gevolgen voor doelstellingen. Hierbij worden de risico’s gekwantificeerd door de kans te vermenigvuldigen met de financiële gevolgen. Deze uitkomst vertaalt zich in de volgende risicomatrix: Risico in € Kans
1
2
3
4
5
x< €25.000
€ 25.000 <x> €100.000
€ 100.000 <x> €500.000
€ 500.000 <x> €1.000.000
x> € 1.000.000
5
Zeer groot
80–99 %
5
10
15
20
25
4
Groot
60-80 %
4
8
12
16
20
3
50/50
40–60 %
3
6
9
12
15
2
Klein
20–40 %
2
4
6
8
10
1
Zeer klein
1–20 %
1
2
3
4
5
Aan de risicomatrix is een rapportagestructuur gekoppeld, waarbij het principe is gehanteerd dat risico’s met een score van 10 en hoger via de Planning & Control-cyclus (P&C-cyclus) aan de raad worden gerapporteerd via een toelichting. Voor de risico’s met een lagere score wordt volstaan met benoeming van het risico en het bedrag.
77
Risico’s (bedragen in €) Omschrijving
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.
13. 14. 15.
16.
17. 18. 19. 20.
Informatiebeveiliging Risico's van de prijsregelgeving Jeugd en Wmo voor Gemeenten Stagneren van toereikende jeugdhulp Woonwagenstandplaatsen Verbonden partijen Beheersing werkzaamheden verbonden partijen Krapte op de arbeidsmarkt Besparingsopgave Hervormingsagenda Jeugd Netwerkcongestie Stikstof Spuitzones Risico’s projecten als gevolg van onvoorziene en kostprijsverhogende omstandigheden Rentestijging Open eind regelingen sociaal domein Uitkering uit het gemeentefonds: de impact van de herijking gemeentefonds alsmede onduidelijkheid beleid van de overheid Risico’s grondexploitatieopzetten inzake tegenvallende verkopen, stijging kosten bouw- en woonrijp maken, inschatting plankosten Obligatieportefeuille Fiscale risico’s Juridische risico’s Aansprakelijks risico’s Totaal risico’s
Incidenteel (I)/ Structureel (S) I S
Kansklasse
Risicoklasse
Risicoscore
Kans x Fin. impact
4 4
4 4
16 16
350.000 630.000
S I I S
4 3 4 4
4 5 3 3
16 15 12 12
350.000 PM 208.600 210.000
S S
4 4
3 3
12 12
PM 240.000
S S S I
4 4 4 3
3 3 3 3
12 12 12 9
PM PM PM PM
S S S
2 2 2
3 3 3
6 6 6
42.000 PM PM
S
2
3
6
PM
I S S S
1 PM PM PM
3 PM PM PM
3 PM PM PM
20.000 PM PM PM 2.050.600
De hiervoor vermelde risico’s worden hieronder toegelicht: 1. Informatiebeveiliging Wet- en regelgeving rondom Informatiebeveiliging en Privacy (IBP) zoals AI-Act, WPG, AVG, NIS2/Cbw en BIO[1] verhoogt het aantoonbaar in control zijn (accountability) en vertrouwen in de gemeente t.a.v. verwerking van (persoons)-gegevens. Hoewel vanuit bestuur en management er een besef is van de IBP bedreigende risico’s, is dit besef er nog niet bij iedere werknemer. In 2025 is meer inzicht verzameld over de in kritieke processen, informatiesystemen en verwerking van persoonsgegevens op teamniveau met de bijbehorende risicoanalyses (BIO GAP) zijn derhalve zeer wenselijk. Hieruit zullen voldoende maatregelen genomen worden o.b.v. een weloverwogen risicoafweging. Risico’s worden geïnventariseerd om deze vervolgens te kunnen managen. Dit is een continu proces welke middels een PDCA- cyclus geborgd dient te worden binnen de organisatie. De herziende versie van de BIO en aankomende Cbw wetgeving vormen de basis waar maatregelen aan moeten voldoen. De directe 78
impact van een datalek, hack en/of boete vanuit de AP en daaruit voortvloeiende gevolgschade kan grote gevolgen hebben voor de continuïteit van de bedrijfsvoering en vertrouwelijkheid van informatie waarbij grote groepen mensen geraakt kunnen worden. Daarbij speelt de mate van verwijtbaarheid en getroffen beheersmaatregelen een belangrijke rol. Risicoklasse
4 (A)
€ 500.000
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
16 (A*B)
€ 350.000
2. Risico's van de prijsregelgeving Jeugd en Wmo voor Gemeenten Gemeenten zijn verantwoordelijk voor inkoop van zorg onder de Wmo en Jeugdwet. Sinds juli 2023 geldt de AMvB Reële Prijs Wmo, en sinds juli 2024 de AMvB Reële Prijzen Jeugdwet. Beide regelingen verplichten gemeenten om reële tarieven te hanteren, gebaseerd op specifieke kostprijselementen (personeelskosten, overheadkosten, cliëntgebonden kosten, indexatiekosten). Risico's voor gemeenten: • Stijgende lasten: in 2024 zijn eerste tekenen zichtbaar dat tarieven voor Wmo- en jeugdzorgproducten zijn gestegen door inwerkingtreding van de AMvB's. Dit leidt tot hogere lasten voor gemeenten, los van afgesproken indexaties. • Hogere tarieven bij nieuwe overeenkomsten: bij nieuwe overeenkomsten of aanbestedingen zullen de tarieven waarschijnlijk hoger uitvallen vanwege verplichte toepassing van reële tarieven. • Juridische gevolgen: gemeenten moeten hun tarieven goed onderbouwen. Onzorgvuldigheid kan leiden tot juridische procedures. • Druk van zorgaanbieders: zorgaanbieders kunnen hogere tarieven eisen o.b.v. de AMvB's, wat extra financiële druk op gemeenten legt. Risicoklasse
4 (A)
€ 900.000
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
16 (A*B)
€ 630.000
3. Stagneren van toereikende jeugdhulp Om uiteenlopende oorzaken komen er steeds meer situaties voor dat aanbieders financieel in de problemen (dreigen te) komen. Hierdoor staat toereikende jeugdhulp (jeugdhulpplicht) onder druk. Het risico bestaat dat de gemeenten als verantwoordelijke samen met de instanties binnen het landschap moet ingrijpen. Dit met het oog op continuïteit van zorg zodat jeugdigen en hun ouders/wettelijke vertegenwoordigers passende jeugdhulp krijgen. Deze problematiek binnen het jeugdzorglandschap brengt een financieel risico mee. Hoewel het financiële risico lastig is in te schatten, wordt dit o.b.v. recente gebeurtenissen ingeschat op € 500.000 met kansklasse 4 (70%). Risicoklasse
4 (A)
€ 500.000
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
16 (A*B)
€ 350.000
79
4. Woonwagenstandplaatsen De raad heeft op 5-10-2021 het Plan van aanpak Woonwagen- en standplaatsenbeleid vastgesteld. Hierin is de ambitie geformuleerd om te zorgen voor voldoende woonwagenstandplaatsen. In totaal gaat het in dit plan over 33 nieuwe standplaatsen. In de begroting 2024 is € 1 miljoen gereserveerd voor realisatie van 10 woonwagenstandplaatsen op bestaande locaties in diverse kernen. Voor de overige 23 standplaatsen zijn de verdiepende raadsvoorstellen om het investeringskrediet beschikbaar te stellen nog niet voorbereid. Onderdeel van deze raadsvoorstellen wordt eveneens het bijstellen dan wel opnemen van de risicoreservering. In de raad van september komt een verdere uitwerking van de plannen. Nu is de (financiële) impact nog niet inzichtelijk waardoor er nu nog geen doorkijk kan worden gegeven om de bovenstaande tabel aan te passen. Risicoklasse
5 (A)
PM
Kansklasse
3 (B)
50%
Kans * Financiële impact
15 (A*B)
PM
5. Verbonden partijen In de paragraaf verbonden partijen worden de potentiële risico’s van de gemeenschappelijke regelingen afgezet tegen het weerstandsvermogen. Bij SC MER, Veiligheidsregio Noord- en Midden Limburg, MGR en de Westrom is het weerstandsvermogen ontoereikend voor respectievelijk € 100.000, € 33.000 € 65.000 en € 100.000 (aandeel Maasgouw). Risicoklasse
3 (A)
€ 298.000
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
12 (A*B)
€ 208.600
6. Beheersing werkzaamheden verbonden partijen Het komt steeds vaker voor dat onze verbonden partijen naast de gebruikelijke P&C cyclus budget vragen voor de uitvoering van taken. In het bijzonder komt dat bij SC MER voor. Dit ligt deels aan de taken die al bij SC MER zijn belegd, maar ook aan de vraag die wij als gemeente stellen in de vorm van bijzondere (aanvullende) activiteiten dan wel projecten. De vraag is vaak zo specifiek en urgent dat de gebruikelijke P&C cyclus niet kan worden aangehouden. Idealiter zou hiervoor een structurele stelpost binnen de begroting geraamd moeten worden. Echter de exacte omvang van zo’n stelpost is moeilijk te duiden. Om deze reden is het goed om de komende jaren te monitoren of een stelpost nodig is en wat de omvang hiervan zou moeten zijn. Deze monitoring loopt gelijk op met een herijking van de P&C-cyclus in MERverband waarbij wordt gestreefd naar een meer genormaliseerde en voorspelbare begroting. Risicoklasse
3 (A)
€300.000
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
12 (A*B)
€ 210.000
80
7. Krapte op de arbeidsmarkt De krapte op de arbeidsmarkt kan ertoe leiden dat vacatures kwantitatief en/of kwalitatief niet worden ingevuld en daarmee de beoogde resultaten niet of later gerealiseerd worden. Risicoklasse
3 (A)
PM
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
12 (A*B)
PM
8. Besparingsopgave Hervormingsagenda Jeugd In januari 2025 heeft de Deskundigencommissie van Art (Commissie van Wijzen) haar evaluatierapport en advies aan de minister aangeboden. De conclusie er is flinke bijsturing noodzakelijk, ook financieel. Het risico dat de besparingsopgave niet wordt gehaald is daarmee aanwezig. Het risico wordt ingeschat op maximaal € 478.000. De kans dat dit risico zich voordoet wordt ingeschat op 70%. Risicoklasse
3 (A)
PM
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
12 (A*B)
PM
9. Netwerkcongestie Economische groei, woningbouw en digitalisering van de maatschappij leiden tot een aanzienlijke groei van de vraag naar elektriciteit. Daarnaast is er sprake van een sterke groei van de opwekking van duurzame energie door middel van bijvoorbeeld zonnepanelen en windmolens. Door deze ontwikkelingen staat de capaciteit van het elektriciteitsnet in Nederland onder druk. Bij netcongestie kan de netbeheerder de vraag naar en het aanbod van transport van elektriciteit niet (volledig) verzorgen, doordat de capaciteit van het elektriciteitsnet ontoereikend is. Een groot deel van Nederland heeft inmiddels met netcongestie te maken. Diverse partijen in de vastgoedsector, van de projectontwikkelaar tot de eindgebruiker, lopen het risico geconfronteerd te worden met een situatie waarin niet kan worden voldaan aan hun vraag naar transport van elektriciteit. Het gevolg hiervan is onder meer dat vastgoedprojecten vertraging oplopen, omdat panden niet op korte termijn aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnet. Deze vertraging kan mogelijk ook leiden tot hogere lasten (onder meer doordat aannemers een hogere risico-opslag calculeren). Enexis verdubbelt de komende jaren het aantal transformatorhuisjes in de gemeenten. Enexis heeft daarom de gemeenten verzocht rekening te houden met de potentiële verkoop van snippergroen aan Enexis.
Deze ‘ruimte’ hebben ze nodig in de (nabije) toekomst voor transformatiehuisjes (trafo’s). Risicoklasse
3 (A)
PM
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
12 (A*B)
PM
10. Stikstof Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de ‘Bouwvrijstelling Stikstof’ niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Daarom mag deze bouwvrijstelling niet gebruikt worden bij bouwprojecten. Met de bouwvrijstelling had het kabinet aangegeven dat de stikstofuitstoot, die bij de bouw vrijkomt, tijdelijk is en daarom losgekoppeld moet worden van de gebruiksfase. De Raad van State vindt dit niet juist, omdat het niet is uit te sluiten dat de natuur hierdoor schade oploopt. Hoewel de bouwvrijstelling daarmee van tafel is, betekent dat niet dat er nu een algehele bouwstop geldt. Net als in de situatie vóórdat de bouwvrijstelling werd ingevoerd, moet per project onderzoek worden gedaan naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof (zowel in 81
de bouw- alsook de gebruiksfase). Dit betekent voor projecten, die nog een planologische procedure moeten doorlopen, een verzwaring in het aantonen van de uitvoerbaarheid voor wat betreft het aspect stikstofuitstoot. Mogelijke oplossingen zijn daarbij het maken van een ‘Passende Beoordeling’ en ‘Ecologische Onderbouwing’ (met mogelijk aanvullende maatregelen) of de bouw van een project spreiden over een langere realisatieperiode. Het project ‘Linne Zuidoost’ is een voorbeeld van een project, waarin ontwikkelaar en gemeente een oplossing hebben gevonden voor de stikstofproblematiek door het temporiseren van de plannen. Risicoklasse
3 (A)
PM
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
12 (A*B)
PM
11. Spuitzones Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit is de reden dat er afstand gehouden moet worden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van akkerbouw. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift (verwaaien van gewasbeschermingsmiddelen) over het algemeen een afstand van 50 meter als aanvaardbaar aangehouden. In de praktijk betekent dit meestal het aanhouden van een spuitvrije zone van 50 meter rondom de bestemming wonen. De gebruiksmogelijkheden van de agrarische percelen nemen daardoor af met als gevolg dat de economische waarde afneemt. Deze afname moet worden gecompenseerd door het project. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat het (financiële) risico te groot wordt om over te gaan tot ontwikkeling naar wonen. Risicoklasse
3 (A)
PM
Kansklasse
4 (B)
70%
Kans * Financiële impact
12 (A*B)
PM
Weerstandsratio Op basis van zowel de benodigde als de beschikbare weerstandscapaciteit kan men het weerstandsvermogen berekenen: beschikbare weerstandscapaciteit / benodigde weerstandscapaciteit. Hierbij wordt het onderscheid doorgetrokken tussen het incidentele weerstandsvermogen en het structurele weerstandsvermogen: (bedragen x € 1.000) Beschikbare weerstandscapaciteit
Structureel 2.040
Incidenteel 25.554
Totaal 27.594
Benodigde weerstandscapaciteit
1.472
579
2.061
Ratio weerstandsvermogen
13,4
82
In de Nota R&W worden kwalificaties aangeduid voor de hoogte van de weerstandsratio. Ratio weerstandsvermogen A B C D E F
Kwalificatie ≥ 2,0 ≥ 1,4 en < 2,0 ≥ 1,0 en < 1,4 ≥ 0,8 en < 1,0 ≥ 0,5 en < 0,8 < 0,5
Toelichting Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende
Conclusie Op basis van bovenstaande weergave kan de conclusie getrokken worden dat onze weerstandscapaciteit uitstekend is. Hierbij dient aangemerkt te worden dat een aantal genoemde risico’s nog niet financieel vertaald zijn. Voor de incidentele risico’s is ruim voldoende weerstandscapaciteit aanwezig. Voor de structurele risico’s is de beschikbare weerstandscapaciteit nagenoeg gelijk aan de geïdentificeerde risico’s. Het blijven volgen van de ontwikkelingen met structurele impact is noodzakelijk. Hierbij kan gedacht worden aan het volgen van de ontwikkelingen op het gebied van algemene uitkering, nieuwe opgaven, ingeboekte besparingen en indexering. Voor projecten dient voorafgaand een adequate risico inschatting gemaakt te worden. Financiële kengetallen In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de volgende financiële kengetallen: • Netto schuldquote (gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen) • Solvabiliteitsratio • Grondexploitatie • Structurele exploitatieruimte • Belastingcapaciteit Deze kengetallen vergroten het inzicht van de raad in de financiële positie van Maasgouw. Daarnaast bieden deze kengetallen de mogelijkheid om onze gemeente te vergelijken met andere gemeenten of het landelijk gemiddelde.
Beoordeling kengetallen Uit de beschrijving van de verschillende kengetallen (zie hierna) blijkt dat een afzonderlijk kengetal nog weinig zegt over hoe de financiële positie moet worden beoordeeld. De kengetallen zullen altijd in samenhang moeten worden bezien, omdat ze alleen gezamenlijk en in hun onderlinge verhouding een goed beeld kunnen geven van de financiële positie van een gemeente. Voor de beoordeling van de financiële positie is het belangrijk dat zowel naar de balans als naar de exploitatie wordt gekeken. In de kengetallen ‘structurele exploitatieruimte’ en ‘belastingcapaciteit’ komt tot uitdrukking of de gemeente over voldoende structurele baten beschikt, en welke mogelijkheid er is om de structurele baten op korte termijn te vergroten. De kengetallen ‘netto schuldquote’ en ‘netto schuldquote gecorrigeerd’ voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio en grondexploitatie hebben betrekking op de balans. Het opnemen van deze kengetallen in de begroting en het jaarverslag is wettelijk voorgeschreven. Volgens de ‘Regeling vaststelling wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in begroting en jaarverslag provincies en gemeenten’ van 15 juli 2025 berekend en presenteert de gemeente de financiële kengetallen. De signaleringswaarden per kengetallen komen voort uit het Gemeentelijk Toezichtskamer (GTK).
83
BBV kengetallen signaleringswaarden
Categorie A ‘Minst risicovol’ <90% <90% >50% <20% >0% <95%
Netto Schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd Solvabiliteitsratio Grondexploitatie Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit
Categorie B ‘Neutraal’ 90-130% 90-130% 20-50% 20-35% 0% 95-105%
Categorie C ‘Meest risicovol’ >130% >130% <20% >35% <0% >105%
Op Findo (Financiering Decentrale Overheden) van de Rijksoverheid zijn de financiële kengetallen van alle Nederlandse gemeenten opgenomen. Deze kengetallen zijn gebaseerd op de begrotingscijfers 2025 zoals die door het Ministerie van BZK zijn verzameld. Toepassing van de berekeningen betreffende de financiële kengetallen leidt tot de volgende uitkomsten inclusief categorisering uit het Gemeentelijk Toezichtkamer (GTK) voor de gemeente Maasgouw: Financiële kengetallen Netto schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd Solvabiliteitsratio Grondexploitatie Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit
Realisatie 2024 53,2% 45,3%
Findo 2025 72,8% 63,9%
2026 70,9% 62,7%
Begroting 2027 74,9% 66,7%
2025 68,8% 60,5%
2028 76,2% 68,1%
2029 53,2% 45,3%
44,2% 0,6% 5,5%
40,7% 5,5% 2,2%
42,8% 1,7% 2,3%
41,5% -0,1% 0,9%
40,4% 0,0% 0,4%
40,9% 0,0% 0,1%
44,2% 0,0% 0,5%
90,7%
101,2%
89,7%
91,7%
92,9%
94,3%
95,5%
Onderstaand volgt een nadere uitwerking en toelichting per kengetal. Netto Schuldquote (gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen) Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft zodoende een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. In Maasgouw loopt de schuldquote op begrotingsbasis in de komende jaren op. Dit is te verklaren door een geplande toename in investeringen (zie hoofdstuk 6.1) en de bijbehorende financiering. Solvabiliteitsratio Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid van de gemeente. De mate van weerbaarheid geeft in combinatie met de andere kengetallen een indicatie over de financiële positie van een gemeente. De solvabiliteitsratio drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen (eigen en vreemd vermogen). Het eigen vermogen bestaat uit de algemene reserve, bestemmingsreserves en het resultaat. De solvabiliteitsratio stabiliseert meerjarig op ca. 41% op begrotingsbasis en is daarmee iets hoger t.o.v. het gemiddelde van Nederlandse gemeenten.
Kengetal Grondexploitatie De grondexploitatie kan een forse impact kan hebben op de financiële positie van een gemeente. Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (boekwaarde van de grondexploitatie) is ten opzichte van de totale baten exclusief mutaties reserves. De gemeente Maasgouw steekt hierbij gunstig af ten opzichte van een gemiddeld percentage. Het risico voor Maasgouw is dus nihil. 84
Structurele exploitatieruimte Voor de beoordeling van het structurele en reële evenwicht van de begroting wordt onderscheid gemaakt tussen de structurele en incidentele lasten. Bij incidentele baten en lasten gaat het om eenmalige zaken die zich gedurende maximaal drie jaar voordoen. De relevantie van dit kengetal voor de beoordeling van de financiële positie schuilt erin dat het van belang is om te weten welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. De meerjarenbegroting 2026-2029 is voor alle jaren sluitend waarbij de structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Jaarlijks is er sprake van een overschot. Belastingcapaciteit De OZB is de belangrijkste eigen belastinginkomsten van een gemeente. De ruimte die een gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Onder de woonlasten worden verstaan de OZB, de rioolheffing en afvalstoffenheffing voor een woning met gemiddelde WOZwaarde in de gemeente. De reden dat tevens wordt gekeken naar de riool- en afvalstoffenheffing is dat deze heffing maximaal kostendekkend mag zijn. In het geval dat de heffing lager dan kostendekkend wordt vastgesteld is er sprake van belastingcapaciteit die niet wordt benut.
Door de verhoging van de onroerende zaakbelasting wordt de onbenutte belastingcapaciteit kleiner. Ondanks de verhoging is de woonlastendruk in de gemeente Maasgouw nog steeds lager dan het landelijk gemiddelde. Conclusie Voor de jaren 2026 tot en met 2029 is sprake van een gelijkblijvende ontwikkeling van de kengetallen ten opzichte van de eerdere periodes. Verder dient opgemerkt te worden dat deze prognoses omgeven zijn met onzekerheden. Hierbij valt te denken aan de ontwikkeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds, de openeinde regelingen in het sociaal domein alsmede de ontwikkelingen van de nationale en internationale economie. Als wij de kengetallen vergelijken met het gemeentelijk toezichtkader is er geen sprake van signaleringswaarde ‘meest risicovol’. De scores zijn ‘neutraal’ of ‘minst risicovol’. Verder geldt dat de kengetallen in lijn of positiever zijn dan de landelijke benchmark.
85
4.3 Onderhoud kapitaalgoederen 86
Inleiding In deze paragraaf lichten we de belangrijkste investeringen in het beheer van de openbare ruimte van de gemeente toe, gebaseerd op de volgende beheerplannen: • Beleidskaders Wegen en Groen 2023-2026 (20 december 2022); • GRP 2022-2026 (5 oktober 2021); • Beleidsplan onderhoud Civieltechnische Kunstwerken 2025-2029 (17 december 2024); • Beleidsplan onderhoud Nautische Voorzieningen 2025-2029 (17 december 2024); • Beleidsplan Openbare Verlichting 2024-2028 (19 december 2023); • Beleidsplan Onderhoud gemeentelijke gebouwen 2026-2030 (30 september 2025). Geconstateerd kan worden (dit geldt voor alle beheerprogramma’s) dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud. Beleidsplannen ‘Onderhoud gemeentelijke gebouwen’ en ‘Onderhoud civiele kunstwerken’ Op 30 september 2025 is het nieuwe beleidsplan Onderhoud gemeentelijke gebouwen 2026-2030 vastgesteld. Op 17 december 2024 zijn de beleidsplannen Onderhoud civiele kunstwerken en Onderhoud nautische voorzieningen 2025-2029 vastgesteld. De kosten van groot onderhoud gemeentelijke gebouwen en bruggen zijn opgenomen in de betreffende onderhoudsplannen en worden gefinancierd uit diverse voorzieningen. Kwaliteitsniveau onderhoud gebouwen In de vastgoedwereld wordt gebruik gemaakt van een zespunt-schaalverdeling volgens conditiemeting Stichting Bouw Research (SBR), voor het bepalen van het onderhoudsniveau van een gebouw: 1.
Zeer goed: incidenteel beginnen gebreken; 2. Goede conditie: incidenteel beginnende veroudering; 3. Redelijke conditie: plaatselijk zichtbare veroudering functievervulling van bouwdelen niet in gevaar; 4. Matige conditie: functievervulling incidenteel in gevaar; 5. Slechte conditie: de veroudering is onomkeerbaar; 6. Zeer slechte conditie: niet meer te classificeren onder conditie 5. Voor de meeste operationele objecten van de gemeente is onderhoudsniveau 2 of 3 van toepassing. Bij niveau 3 mag enige veroudering worden geaccepteerd, dit mag echter nooit het gebruik beperken. Op dit moment wordt het onderhoud aan de gemeentelijke gebouwen uitgevoerd naar minimaal niveau 3, basiskwaliteit; sober en doelmatig. (bedragen in €) Voorziening groot onderhoud gemeentelijke (school) gebouwen Stand beschikbare voorziening
Werkelijk 1-1-2025
1.486.500
Raming 1-1-2026
1.419.000
Raming 1-1-2027
234.700
Raming 1-1-2028
555.600
Raming 1-1-2029
285.300
Raming 1-1-2030
412.200
Energiekosten De tarieven voor 2026 zijn bekend. In 2026 wordt het verduurzamen van gebouwen voortgezet zoals dat in het nieuwe beheerplan onderhoud gebouwen staat (vastgesteld raadsvergadering 30 september 2025). In de begroting van 2026 is al rekening gehouden met een structureel voordeel van energiekosten van € 50.000. Wanneer er afwijkingen zijn, zullen we hier in een programmarapportage op terugkomen.
87
Kwaliteitsniveau onderhoud civiele kunstwerken De meetmethode leidt tot een getal dat de kwaliteit per bouwdeel aangeeft; de ‘conditiescore’. De scores zoals deze tijdens de inspecties toebedeeld zijn, zijn navolgend weergegeven:
Voorop staat dat de constructieve en de gebruiksveiligheid van de kunstwerken niet in het geding mogen zijn of komen. Periodiek beoordelen van de toestand is dus een noodzakelijke voorwaarde om op tijd te kunnen anticiperen. Zowel voor wat betreft de uitvoering als de daarvoor benodigde financiële middelen. Onze kunstwerken worden onderhouden op onderhoudsniveau 3, redelijke conditie (plaatselijk enige veroudering). Maar voor de meeste objecten is onderhoudsniveau 2 (goede conditie) en 3 van toepassing. (bedragen in €) Voorziening groot onderhoud civiele kunstwerken en nautische voorzieningen Stand beschikbare voorziening
Werkelijk 1-1-2025
182.500
Raming 1-1-2026
240.300
Raming 1-1-2027
154.900
Raming 1-1-2028
166.800
Raming 1-1-2029
Raming 1-1-2030
157.300
-
Beleidskaders Wegen en Groen De beheerplannen Wegen en Groen 2023-2026 hebben een looptijd tot en met 2026. Begin 2026 zal er gestart worden met de voorbereiding van de nieuwe beheerplannen Wegen en Groen die eind 2026 ter besluitvorming aan de raad zullen worden voorgelegd. Hiervoor wordt een actualisatie uitgevoerd van het areaal wegen en groen naar aanleiding van projecten, omvorming, gebiedsontwikkeling en overname van andere beheerders. Naar aanleiding van deze actualisatie worden de onderhoudsbudgetten conform nieuw beheerplan bijgesteld in de begroting 2027. Kwaliteitsniveau onderhoud wegen We hebben voor 2023-2026 gekozen voor het ambitieniveau B, conform de CROW-richtlijn. De insteek voor de nieuwe beleidsperiode vanaf 2027 is om dit ambitieniveau te handhaven. Kwaliteitsniveau onderhoud groen De dorpskern, begraafplaatsen, sportvelden, toeristische hotspots en rotondes worden beheerd op CROW beeldkwaliteitsniveau A. Woonwijken worden beheerd op CROW beeldkwaliteitsniveau B. Bedrijventerreinen en buitengebieden worden beheerd op CROW beeldkwaliteitsniveau B. Ongeacht bovenstaande gebiedsindeling vindt zwerfafvalbeheersing, het onderhoud van bomen en herstellen van beschadigde plaatsen plaats op CROW beeldkwaliteitsniveau. De insteek voor de nieuwe beleidsperiode vanaf 2027 is om deze beeldkwaliteitsniveaus te handhaven.
88
GRP 2022-2026 en Waterketenplan 2022-2026 In het Waterketenplan zijn de gezamenlijke ambities voor de toekomst van de waterketen en de route om de ambities te bereiken beschreven. Het plan beschrijft een aantal concrete projecten en aandachtsgebieden voor de planperiode: het actieprogramma. Ten slotte legt het plan vast hoe de samenwerking vorm wordt gegeven. Het Waterketenplan is in 2020 vernieuwd en in het voorjaar 2021 vastgesteld door Waterpanel Noord. In 2020 is een nieuw BRP (basisrioleringsplan Maasgouw /hydraulische doorrekening) gemaakt. Het BRP heet tegenwoordig SSW (Systeemoverzicht Stedelijk Water). Voor deze naamsverandering is gekozen omdat met de nieuwe rekenmodellen ook afstromend water over maaiveld in beeld wordt gebracht en tevens de interactie met oppervlaktewater wordt berekend. Aansluitend hierop zijn de uitkomsten van het SSW in het nieuwe GRP. In het waterketenplan is nadrukkelijk gekeken naar de effecten van klimaatverandering. Niet alleen het effect van hevigere buien, maar ook hittestress, droogte en overstromingsgevaar komt aan bod. Door middel van twee brede sessies, de zogenaamde risicodialoog, die we met dorpsraden, belangengroepen, woningbouwverenigingen, ondernemers en beleidsmedewerkers hebben gevoerd, zijn de resultaten van de klimaatatlas vertaald naar bedreigingen en kansen.
Ook hebben we het Maasgouws Burgerpanel benaderd en hun middels een vragenlijst de bedreigingen en kansen van klimaatverandering in beeld laten brengen. Vanuit deze bedreigingen en kansen en onze klimaatstrategie is een lokale uitvoeringsagenda klimaatadaptatie opgesteld inclusief kostenraming. De lokale uitvoeringsagenda klimaatadaptatie is in oktober 2021 vastgesteld. Begin 2026 zal er gestart worden met de voorbereiding van een nieuwe uitvoeringsagenda klimaatadaptatie die eind 2026 (gezamenlijk met het GRP) ter besluitvorming wordt aangeboden. Parallel aan het opstellen van het Waterketenplan zijn voor alle gemeenten individuele gemeentelijke rioleringsplannen opgesteld. Alle gezamenlijke keuzes, beelden en projecten zijn vastgelegd in het Waterketenplan, de lokale uitwerking daarvan staat in het betreffende lokale GRP. Verder beschrijft het plan welke voorzieningen de gemeente bezit, hoe deze functioneren, hoe het beheer wordt uitgevoerd en welke kosten hieraan zijn verbonden. Het GRP geeft inhoud aan de gemeentelijke watertaken voor afvalwater, hemelwater en grondwater. De investeringen uit het GRP zijn opgenomen in het JIP/MIP. Het GRP 2022-2026 is in oktober 2021 vastgesteld. Begin 2026 zal er gestart worden met de voorbereiding van een nieuw GRP dat eind 2026 ter besluitvorming wordt aangeboden.
Kwaliteitsniveau Riolering Als gemeente zijn we verantwoordelijk voor een goede invulling van onze gemeentelijke Watertaken, zoals in de Wet milieubeheer is aangegeven. Daarnaast volgt uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 3.17) dat de gemeente er zorg voor draagt dat een openbaar vuilwaterriool zo wordt ontworpen, gebouwd en onderhouden dat: a) het zoveel mogelijk berekend is op de eigenschappen, samenstelling en hoeveelheid van het afvalwater; b) lekkage zoveel mogelijk wordt voorkomen; c) het aantal overstortingen zo beperkt is als voor een doelmatig beheer van afvalwater mogelijk is. We zorgen ervoor dat de riolering aan bovenstaande zaken voldoet.
89
(bedragen in €) Exploitatie riolering
Totaal lasten excl. btw BTW Opbrengsten rioolheffing Mutatie voorziening Totaal
Realisatie 2024
Raming 2025 ná wijziging
Raming 2026
Raming 2027
Raming 2028
Raming 2029
3.724.600 523.900
4.415.400 544.300
4.414.500 586.700
4.456.900 588.200
4.568.000 599.200
4.699.100 614.200
-3.435.900 -812.600 -
-3.700.900 -1.258.800 -
-3.812.900 -1.188.300 -
-3.929.900 -1.115.200 -
-4.049.900 -1.117.300 -
-4.161.900 -1.151.400 -
Reconstructies wegen/ riolering (algemeen) In 2026 gaan de volgende reconstructieprojecten in voorbereiding en uitvoering: • Voorbereiding oud Maasbracht (fase 4) • Voorbereiding Molenweg/van Horneplein Wessem • Uitvoering rioolbuffer St. Antoniusstraat Panheel • Reconstructie Wal/Casino Thorn Afhankelijk van het aanbestedingsresultaat wordt er gekeken of het krediet voldoende is. Voor alle reconstructies is gerekend met het (verwachte) prijspeil 2026. Voor uitvoering van de noodzakelijke maatregelen is vanuit het GRP jaarlijks een budget voor relining beschikbaar. Voor het verlengen van de subsidieregeling afkoppelen particulieren ramen wij € 30.000 per jaar. Meerjaren Investerings Plan (MIP) Reconstructieplannen komen voort uit het Meerjarig Investerings Plan (MIP). Aan de hand van jaarlijkse visuele inspecties en datagegevens uit het GRP worden prioriteiten jaarlijks vertaald in een investeringsplan. Deze gegevens en het eerder vastgestelde MIP zijn de basis voor de begroting 2026. De volgende reconstructieprojecten/ voorbereidingskredieten zijn voor 2026 gepland. Voorbereiding oud Maasbracht (fase 4) De onder- en bovenbouw zal hier vervangen worden. In deze straten gaan we een riool aanbrengen om het regenwater af te koppelen. Deze maatregel is een onderdeel van de verbetermaatregelen die zijn opgenomen in het GRP.
Voorbereiding Molenweg/van Horneplein Wessem De onder- en bovenbouw zal hier vervangen worden. In deze straten gaan we een riool aanbrengen om het regenwater af te koppelen. Deze maatregel is een onderdeel van de verbetermaatregelen die zijn opgenomen in het GRP. Uitvoering rioolbuffer St. Antoniusstraat Panheel Voor het terugdringen van de overstortfrequenties zal er een open rioolbuffer aan de St. Antoniusstraat worden aangelegd. Reconstructie Wal/Casino Thorn De onder- en bovenbouw zal hier vervangen worden. In deze straten gaan we een riool aanbrengen om het regenwater af te koppelen. Deze maatregel is een onderdeel van de verbetermaatregelen die zijn opgenomen in het GRP.
90
Beleidskader Openbare Verlichting Met ingang van januari 2024 is het nieuw beleidsplan Openbare Verlichting van kracht voor de periode 2024–2028. In dit plan zijn tevens de kosten voor het beheren en onderhouden van de openbare verlichting opgenomen gedurende deze periode. Kapitaallasten lichtmasten Doordat het areaal van lichtmasten langzaam veroudert zijn de komende beleidsperiode een relatief groot aantal masten aan vervanging toe. Daarnaast zullen jaarlijks een aantal lichtmasten vervangen moeten worden als gevolg van afkeur na stabiliteitsmetingen. Daarom is in de beleidsperiode 2024-2028 een jaarlijkse investering van € 150.900 indexering opgenomen om de afgeschreven lichtmasten te vervangen. Kwaliteitsniveau onderhoud Openbare Verlichting Voor de Openbare Verlichting is aansluiting gezocht bij de systematiek ‘Kwaliteitscatalogus 2013 CROW’ die we algemeen toepassen in onze Openbare Ruimte. De kwaliteitscatalogus 2013 van de CROW is een standaard handboek waarmee de gewenste beeldkwaliteit per gebied wordt gekozen. Per onderdeel kunnen vijf kwaliteitsniveaus, variërend van zeer hoog (A+) tot zeer laag (D) worden gekozen. Algemeen geldt dat met betrekking tot de definitie van ‘schoon, heel en veilig’ voor beeldkwaliteit B is gekozen. Vervangen tractie wijkteam Het tractieplan is geactualiseerd. Voor het jaar 2026 wordt een Volkswagen Transporter vervangen voor € 75.000.
De huidige New Holland tractor wordt vervangen door een laadschop van € 85.000. Voor de vervanging van de Iseki zitmaaier is € 30.000 begroot. De twee benzine quads voor de onkruidbestrijding worden ingeruild voor twee elektrische modellen waarvoor € 75.000 is begroot. Tot slot wordt de verouderde zoutoplosser vervangen waarvoor € 40.000 is opgenomen. Bluswatervoorzieningen De beschikbaarheid en bereikbaarheid van voldoende bluswater is een wettelijke verantwoordelijkheid van gemeenten. Voor 2026 zijn de laatste kernen aan de beurt die we gaan onderzoeken en uitvoeren. Bij de overige kernen hebben we gemerkt dat het budget te hoog is, daarom wordt dit voor het laatste jaar verlaagd met € 35.000. Vervangen beregeningssysteem RKVV Stevensweert Het huidige beregeningssysteem voor het voetbalveld van RKVV Stevensweert is sterk verouderd en erg arbeidsintensief. Gezien de veroudering en het teruglopende aantal vrijwilligers wordt de huidige buizenberegening vervangen voor een beregeningssysteem door middel van een haspel. Daarnaast wordt de sterk verouderde waterpomp vervangen. Voor deze vervanging is € 21.500 opgenomen. Voor een totaaloverzicht van de investeringsprogramma's JIP 2026 en MIP 2027-2029 wordt verwezen naar bijlage hoofdstuk 6.1.
91
4.4 Financiering 92
Financiering:
De financieringsparagraaf geeft op basis van het BBV inzicht in: • de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille; • de rentelasten en het renteresultaat; • de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend; • de financieringsbehoefte; • de ontwikkeling van het EMU-saldo. Beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille Het Treasurystatuut bevat de “beleidsmatige infrastructuur” van de treasuryfunctie vastgelegd in de vorm van uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten. Op 2 juni 2020 is het geactualiseerde Treasurystatuut vastgesteld door de raad van de gemeente Maasgouw. Onderstaand wordt toegelicht op welke wijze de gemeente Maasgouw het risicobeheer van de financieringsportefeuille beheerst. Renterisicobeheer Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente. Zoals vermeld in het Treasurystatuut wordt het renterisico onder meer beheerst door het tussentijds monitoren van de renterisiconorm en de kasgeldlimiet. Renterisiconorm Een belangrijk uitgangspunt van de Wet financiering decentrale overheden (Fido) is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld.