CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: bestemmingsplan inclusief bijlagen

01. Raadsvergadering 16 april 2024, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan ‘Woonwagenstandplaats Priester Kooksweg Ohé en Laak’30.773 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Onderhavig plan De wijze waarop in het voorliggende plan rekening is gehouden met de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming is beschreven in hoofdstuk 4.3 van deze toelichting. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk Rijksbeleid te borgen. Van provincies en gemeenten wordt gevraagd de inhoud van het Barro te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. De hierin aangegeven juridische kaders zijn derhalve concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect (dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie), door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. In hoofdstuk 2 van het Barro (titel 2.1 t/m titel 2.13) zijn de nationale belangen opgenomen. Plangebied Het onderhavige plangebied is gelegen in het waterbergend rivier van de Maas. Dit is opgenomen in artikel 2.4 (Grote rivieren). In artikel 2.4.3 is het navolgende opgenomen: 1. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktelichaam gewaarborgd blijft; b.

geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. 2. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd. 3. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd. Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 8 -

Toelichting

Het onderhavige plan voorziet in de toevoeging van bebouwing, in de vorm van een woonwagen, op een reeds volledig verhard terrein. Derhalve vormt het plan geen belemmering voor de d afvoercapaciteit en/of het waterbergend vermogen van de rivier. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in het Barro. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Op basis van artikel 3.1.6, tweede lid Bro geldt een motiveringsplicht indien een bestemmingsplan voorziet in een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De aanvaardbaarheid van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient in de toelichting van dat plan te worden onderbouwd. Deze onderbouwing dient volgens de zogeheten ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ te worden doorlopen. Deze ‘ladder’ bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Ladder voor duurzame verstedelijking voor onderhavig plan Voorvraag: is sprake van een Nieuwe Stedelijke Ontwikkeling (NSO)? Allereerst dient de voorvraag te worden gesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Volgens de begripsbepalingen in artikel 1.1.1, eerste lid Bro is een NSO als volgt gedefinieerd: ‘… een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt de afgelopen jaren dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien er meer dan elf woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Plangebied Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van een woonwagenstandplaats aan de rand van de kern Ohé en Laak weliswaar een toevoeging behelst van een wooneenheid maar in analogie met de bovenstaande uitspraak niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen.

Met de NOVI biedt het Rijk een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam (circulair) economisch potentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier bovengenoemde NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen: 1) De langere periodes van droogte die Nederland de afgelopen jaren meemaakt, maakt het urgent dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden. De keuzes hiervoor dragen bij aan een klimaatbestendige inrichting in 2050, waarmee Nederland wordt voorbereid op klimaatverandering en zeespiegelstijging. 2) De ambitie voor de langere termijn is het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra wordt naast de Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 9 -

Toelichting

vraag van bedrijven en economische vitaliteit, de aansluiting op het verkeers- en vervoersnetwerk en het elektriciteitsnetwerk rekening gehouden met de aantrekkelijkheid en d kwaliteit van stad en land. 3) Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden en aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied plaats, klimaatbestendig en natuurinclusief. 4) De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van de natuur, het landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Voor de lange termijn wordt gewerkt aan geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap.

Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Plangebied Voor het onderhavige plangebied bevat de NOVI geen relevante uitgangspunten. Wet milieubeheer: m.e.r.-beoordelingsnotitie Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm) dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b., en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16, lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Besluit m.e.r.

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Dlijst moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Onder de drempelwaarden van de D-lijst kan volstaan worden met een zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Onderhavig plan Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2020:729, d.d. 11 maart 2020, een casus waarbij na sloop van een schoolgebouw twaalf rijwoningen worden gebouwd) valt op te maken dat de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In de voornoemde uitspraak is Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 10 -

Toelichting

aangegeven dat de bouw van 12 woningen na sloop van een schoolgebouw, gelet op de beperkte omvang ervan, niet kan worden aangemerkt d als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van de woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Het voorliggende bouwplan, waarbij sprake is van de realisatie van één woonwagenstandplaats, kan worden vergeleken met de situatie die omschreven is in de bovenvermelde casus. Het onderhavige voorziet weliswaar in een toename van de bebouwingsmogelijkheden en een wijziging van het gebruik, maar betreft een kleinschaliger initiatief ten opzichte van de aangegeven casus. Het plan kan derhalve niet worden gekwalificeerd als een stedelijk ontwikkelingsproject en het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie is derhalve niet noodzakelijk.

Anders omgaan met water, waterbeleid in de 21ste eeuw Directe aanleiding voor het kabinetsstandpunt „Anders omgaan met water, waterbeleid in de 21e eeuw‟ (WB21)‟, is de zorg over het toenemend hoogwater in de rivieren, wateroverlast en de versnelde stijging van de zeespiegel. Het kabinet is van mening dat er een aanscherping in het denken over water dient plaats te vinden. Nadrukkelijker zal rekening moeten worden gehouden met de (ruimtelijke) eisen die het water aan de inrichting van Nederland stelt. De Rijksoverheid heeft voor het waterbeleid in de 21e eeuw de volgende drie uitgangspunten opgesteld: - anticiperen in plaats van reageren; - niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van „vasthouden-bergen-afvoeren‟ en: - meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. De watertoets vormt een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. De watertoets wordt sinds 2001 toegepast op plannen die gevolgen voor de waterhuishouding kunnen hebben. Er wordt gekeken naar veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging. De watertoets wordt toegepast door in een vroegtijdig stadium de waterbeheerders te betrekken bij plannen die een invloed kunnen hebben op de waterhuishouding.

Plangebied De wijze waarop in het onderhavige plan rekening is gehouden met het aspect water is beschreven in paragraaf 4.2 van deze toelichting.

3.2 Provinciaal beleid Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 is de Omgevingsvisie Limburg (POVI) vastgesteld. Om goed in te kunnen spelen op de Limburgse kansen en uitdagingen in de leefomgeving is een visie nodig voor de langere termijn (2030 - 2050), waarin allerlei onderwerpen aan bod komen, zoals wonen, bodem, infrastructuur, energie, economie, landbouw, water, natuur, landschap en cultureel erfgoed, maar ook gezondheid en de gezonde leefomgeving. De provincie zoekt naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin we leven, wonen, werken, leren en vrije tijd besteden. Afwegingen hierbinnen geschiedt op basis van de onderstaande Limburgse principes: - streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving die uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid; - de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers. Er is dus ruimte voor maatwerk. Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 11 -

Toelichting

-

-

meer stad, meer land. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en dorpen. Landelijke gebieden worden als d tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden ontwikkeld. zorgvuldig omgaan met de ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. Ingezet wordt op een sociaal-economische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar de volgende generaties. In lijn met de Omgevingswet gaat de Omgevingsvisie uit van het voorzorgsbeginsel; preventief handelen, milieuaantastingen bij voorrang aan de bron bestrijden en de vervuiler betaalt.

Plangebied De onderhavige projectlocatie is gelegen binnen de zone ‘Landelijke kern’. In de landelijke kernen van Limburg is het behoud en versterken van de leefbaarheid en vitaliteit belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels, en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. Limburgse steden en dorpen moeten ook in de toekomst een aantrekkelijke en leefbare thuisbasis voor de inwoners zijn. De Limburgse steden en dorpen krijgen de komende decennia te maken met grote gecompliceerde vraagstukken en transities. Bij veel vraagstukken in het bebouwd gebied geldt dat de overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen oplossingen moeten vinden. Een belangrijke rol ligt bij de gemeenten. Een toenemend aantal vraagstukken overstijgt echter het lokale niveau en vraagt om gezamenlijk optrekken van gemeenten in regionaal verband. Compacte steden blijven het uitgangspunt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk een plek krijgen binnen het bebouwd gebied. Dit om de diversiteit tussen stad en land, tussen dynamisch en rustig tussen wonen, werken en recreëren als kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden.

Daarbij is er aandacht voor compacte binnensteden, het behoud van basisvoorzieningen en leefbaarheid. Ten aanzien van het thema wonen is aangegeven dat een woningaanbod/planvoorraad gewenst is waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Derhalve voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. Alle woningbouwontwikkelingen worden beschouwd als een provinciaal belang. Op onderstaande uitsnede is de ligging van het plangebied in deze zone aangegeven:

Uitsnede POVI

Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 12 -

Toelichting

De onderhavige ontwikkeling betreft de realisering van een woonwagenstandplaats aan de rand van de kern Ohé en Laak. Deze ontwikkelingdpast binnen het doel om de leefbaarheid van de kern te versterken en geschikte woningen voor (onder meer) de doelgroep woonwagenbewoners. Het plan voldoet daarmee aan de uitgangspunten vanuit de POVI. Omgevingsverordening Limburg 2014 Plangebied Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 is een gebiedsspecifieke waarde opgenomen die als gebiedsaanduiding in het bestemmingsplan wordt meegenomen.

Wonen Bij de vaststelling van het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Het beleid uit paragraaf 2.4.2 geeft voor woningen in Midden-Limburg aan dat er geen nieuwe woningen mogen worden gerealiseerd die niet passen in de regionale woonvisie voor MiddenLimburg. Met de verordening wordt beoogd dat de kwaliteit van de woningvoorraad op peil blijft en aansluit bij de vraag van de huidige en toekomstige woonconsument. De vitaliteit en de kwaliteit van wonen en leven in Midden-Limburg wordt hiermee versterkt. De Verordening moet voorkomen dat de mismatch tussen vraag en aanbod in kwantiteit en kwaliteit verder toeneemt. Dit betekent dat het overaanbod aan woningen niet verder mag toenemen en dat de kwaliteit van nieuwbouwwoningen moet voldoen aan de eisen van de huidige en toekomstige woonconsument. In deze beleidsregels is een koppeling gelegd tussen het bouwen van nieuwe woningen en het saneren van de overtollige woningvoorraad. In de zomer van 2020 is een wijziging van de Omgevingsverordening vastgesteld, waarin is besloten dat bij de toevoeging van nieuwe woningbouwplannen geen directe koppeling meer wordt gelegd met het saneren van overtollige planvoorraad.

In de toelichting van een ruimtelijk plan hoeft hierdoor niet langer een verantwoording opgenomen te worden van de bijdrage die het betreffende plan levert aan het terugbrengen van de planvoorraad van onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Doel van deze wijziging is om kwalitatief goede plannen voor doelgroepen zoals senioren en starters te bevorderen en te versnellen. Dit sluit aan bij de doelstelling van de Limburgse Agenda Wonen. De huidige woningmarktaanpak is in belangrijke mate gericht op verbetering van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast is er ruimte voor nieuwe toevoegingen aan de voorraad. Het opruimen en aanpassen van plannen die niet langer in de actuele behoefte voorzien blijft onverkort een belangrijke opgave. Voor wat betreft de toevoeging van woningen aan de bestaande planvoorraad in relatie tot de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 t/m 2025 wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Het plan voldoet gezien het bovenstaande aan de regels van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Omgevingsverordening 2021 Op 17 december 2021 is de Omgevingsverordening 2021 vastgesteld. Deze treedt pas in werking nadat de Omgevingswet in werking is getreden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in.

Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Onderhavig plan Voor het onderhavige plan kent de Omgevingsverordening 2021 van provincie Limburg geen specifieke uitgangspunten. Wijzigingsverordening Omgevingsverordening 2014 provincie Limburg Op 29 maart 2022 is door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg een wijzigingsverordening vastgesteld waarmee de Omgevingsverordening 2014 van de provincie Limburg op punten wordt aangepast/aangevuld. De aangepaste/aanvullende regels hebben onder Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 13 -

Toelichting

andere betrekking op de thema’s wonen en zonne-energie. De aanpassing van de regels ten aanzien van het thema wonen zijn relevant voor d het voorliggende bestemmingsplan. In artikel 2.4.2 van de wijzigingsverordening zijn instructieregels opgenomen omtrent het thema wonen. Dit artikel luidt als volgt: Artikel 2.4.2 De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen beschrijft dat: a) rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en hoofdstuk 5 (Wonen en leefomgeving) van de provinciale Omgevingsvisie; b) sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c) over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d) het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring; e) realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid van realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Onderhavig plan Onderhavig plan voldoet aan alle bovengenoemde criteria. Op welke wijze wordt voldaan aan criteria a) is beschreven onder het kopje ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ in deze toelichting. Ook wordt voldaan aan criterium b). Op 29 november 2022 is de Woonmonitor 2022 vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. In opdracht van de provincie is onderzoek verricht naar de regionale woningbehoefte in de regio’s Noord-Limburg, MiddenLimburg en Zuid-Limburg. Aanvullend op het woningmarktonderzoek is in 2018 een provincie brede inventarisatie gedaan naar de behoefte aan woonwagenstandplaatsen. Het onderhavige plangebied is gelegen in de regio Midden-Limburg. Uit de Behoeftepeiling woonwagenstandplaatsen provincie Limburg is gebleken dat in de regio Midden-Limburg behoefte bestaat aan ruim 100 woonwagenstandplaatsen. Het onderhavige plan, dat de toevoeging van een woonwagenstandplaats mogelijk maakt, sluit derhalve aan bij de regionale behoefte aan woonwagenstandplaatsen. Aan de criteria c), d) en e) kan eveneens worden voldaan. De gemeente Maasgouw zal ervoor zorgdragen dat het plan wordt opgenomen in regionale Woonmonitor.

De realisatie van de woonwagenstandplaats is beoogd binnen 5 jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan de woonwagenstandplaats niet is gerealiseerd, behoudt de gemeente Maasgouw zich het recht voor om de onbenutte bouwtitel weg te bestemmen, indien uit een actueel en onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek blijkt dat er geen behoefte meer bestaat aan de te bouwen woningen. Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende plan voldoet aan de Wijzigingsverordening van de provincie Limburg. Wijzigingsverordening provincie Limburg (16.12.2022) Op 16 december 2022 is een Wijzigingsverordening vastgesteld met enkele nieuwe onderwerpen. Deze komen achtereenvolgend aan de orde. Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning (art. 2.16.1) In de Wijzigingsverordening is aangegeven dat in de toelichting bij een ruimtelijk plan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in de gemeenten Brunssum, Beekdaelen, Heerlen, Landgraaf, Voerendaal, Kerkrade, Simpelveld, Beek, Sittard-Geleen en Stein mogelijk maakt, wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 14 -

Toelichting

steenkolenwinning. Voor het onderhavige plan in de gemeente Maasgouw is dit artikel niet relevant. d Beschermingsgebied Einstein Telescope (art. 2.18.1) In de Wijzigingsverordening is aangegeven dat een plan betrekking heeft op een gebied binnen het beschermingsgebied ‘Einstein Telescope’ geen activiteiten toelaat die zijn genoemd in artikel 2.18.3. Deze activiteiten betreffen het plaatsen of hebben van een windturbine, het uitvoeren van een ontgronding met uitzondering van een ontgronding die op grond van artikel 6.1.1 van de verordening vergunningvrij is of het plegen van een boring of andere ingreep in de bodem dieper dan 100 meter beneden het maaiveld. Van deze activiteiten is in het onderhavige plan geen sprake. Klimaatadaptatie De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt op het gebied van wateroverlast, overstroming en droogte. In het onderhavige plan wordt een woonwagenstandplaats mogelijk gemaakt op een reeds verhard perceel, waarbij geen verharding wordt toegevoegd.

Het onderhavige plan heeft derhalve geen invloed op de waterhuishouding in het plangebied, waardoor maatregelen en voorzieningen op het gebied van klimaatadaptatie niet aan de orde zijn.

3.3 Regionaal beleid Regiovisie 2008-2028 ‘Het oog van Midden-Limburg’ (Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg) De gemeenten in Midden-Limburg en de provincie Limburg zijn in 2008 van start gegaan met een regionale gebiedsontwikkeling, met als doel om samen met private partijen de gewenste ontwikkelingen in Midden-Limburg vorm te geven. De uitkomst van deze gebiedsontwikkeling is een regiovisie met een aantal onderliggende programmalijnen. De gebiedsvisie van de Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg richt zich op het creëren van Sterke Steden en Vitaal Platteland. Deze visie op de regio is te vertalen tot drie concrete strategische keuzes: Benutten en versterken regionale economie: - ontwikkeling van een uniek toeristisch-recreatief profiel; - de inrichting van regionale bedrijventerreinen; - investeren in hoogwaardige landbouw; - een duurzame wooneconomie in Midden-Limburg. Versterking van de sociale structuur: - versterking van de kracht van de ‘oude wijken’; - leefbaar houden van het platteland; - ontwikkelen van een duurzaam, hoogwaardig en fijnmazig zorgnetwerk. Verbetering van het vestigingsklimaat: - ontwikkeling van natuur en landschap; - investeren in een duurzame landbouw; - ontwikkeling van een fijnmazig toeristisch-recreatief netwerk; - herstructurering van bedrijventerreinen; - ruimte voor hoogwaardige zorgvoorzieningen; - uitzonderlijke woonmilieus.

Deze strategische keuzes hebben geleid tot vier krachtige programmalijnen. Dit zijn: de Maasplassen, de ontwikkelingsas N280 Weert-Roermond, wonen en landbouw, natuur en recreatie. Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 15 -

Toelichting

Plangebied Voor het voorliggende bestemmingsplan vormt d het thema ‘wonen’ het belangrijkste thema. Wonen Het is de ambitie van de samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg om een duurzaam en wervend palet aan woonmilieus tot stand te brengen en in stand te houden. Gestuurd wordt daarbij op een migratiesaldo van tenminste 0. Deze samenwerking leidt tot draagvlak onder de burgers en is nodig om de noodzakelijke investeringen, en het voorkomen van desinvesteringen in voorzieningen en woningen, tot stand te brengen. Dit betekent dat gemeenten de huidige woonkwaliteiten (verder) verbeteren en investeren in aantrekkelijke voorzieningen die toekomstbestendig zijn. Deze voorzieningen zullen nadrukkelijk worden afgestemd op de woningbehoefte. Inzet van de programmalijn Wonen is om in Midden-Limburg op het niveau van de woningmarkt te komen tot een gezamenlijk arrangement van gemeenten, provincie, woningcorporaties, maatschappelijke instellingen en marktpartijen met de hierboven geschetste ambitie als uitgangspunt. De gebiedsontwikkeling kan in dit geheel een impuls en versnelling betekenen door op korte termijn in te zetten op de (verdere) uitwerking en uitvoering van een aantal opgaven en knelpunten, die van belang zijn om de geschetste ambitie te kunnen invullen.

Deze opgaven en knelpunten concentreren zich op wonen en voorzieningen, de inzet van maatschappelijk kapitaal en gezonde marktverhoudingen: een regionaal belang. Het regionale woonbeleid is thans verwoord in de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025’. Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 Op 7 juli 2022 is de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 t/m 2025 vastgesteld. in deze structuurvisie ligt de nadruk op het tegemoet komen aan een groeiende woningbehoefte, met kwalitatief het juiste aanbod. Dat betekent dat er ambitie is voor en ruimte wordt gegeven aan nieuwe plannen die passen bij de kwalitatieve vraag, met aandacht voor aanpassing van plannen die niet (meer) passen bij de actuele behoefte. De Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 t/m 2021 bevatte al de hoofdlijn om enerzijds de planvoorraad in beperkte mate terug te dringen en anderzijds mee te werken aan plannen kwalitatief behoefte aan bestaat. Planvoorraad stapsgewijs in overeenstemming met de behoefte De planvoorraad is idealiter zowel kwalitatief als kwantitatief in overeenstemming met de behoefte en biedt daarnaast voldoende ruimte om flexibel in te spelen op actuele ontwikkelingen. De regio erkent en accepteert dat een deel van de huidige planvoorraad wellicht nooit tot realisatie zal komen, ondanks bestaande titels en/of onderliggende overeenkomsten.

Het proces voor het schrappen van dergelijke ‘harde’ plannen vergt veel tijd, inzet en capaciteit en soms ook financiële middelen. De komende periode heeft bouwen prioriteit boven schrappen. Woonwagenstandplaatsen Het Rijk heeft op basis van rapporten van het College van de Rechten van de Mens en de Nationale Ombudsman in 2018 een beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid opgesteld. De kern van dit beleidskader is dat gemeenten de behoefte aan standplaatsen in beeld brengen en het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast stellen als onderdeel van het woonbeleid. Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven aan het woonwagenleven van woonwagenbewoners. De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen. Een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn kans op een standplaats. Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren. Conform bovenstaand beleidskader van het Rijk en de afspraak uit de Structuurvisie Wonen 2018 is aanvullend op het woningmarktonderzoek uit 2018 een provincie brede inventarisatie gedaan naar de behoefte aan woonwagenstandplaatsen.

Uit het onderzoek blijkt dat in de regio MiddenLimburg tot 2030 een aanvullende behoefte van ruim 100 woonwagenstandplaatsen bestaat. De uitkomsten van de inventarisatie hebben eenzelfde status als de uitkomsten van het Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 16 -

Toelichting

woningmarktonderzoek en geven een indicatie van de behoefte. De opgave voor de eventuele uitbreiding van standplaatsen wordt lokaald bezien in relatie tot de totale opgave in de sociale huursector en de druk op de sociale huursector met de daarbij behorende wachttijden. Gemeenten zijn ieder verantwoordelijk voor de nadere uitwerking van de opgave die uit de inventarisatie is gebleken. Maasgouw De structuurvisie bevat per gemeente een specifieke uitwerking van de ontwikkeling van het aantal inwoners en huishoudens en een prognose voor de toekomst. Het aantal inwoners in Maasgouw bedraagt op 1-1-2021 10.723, dit is een stijging van 266 vanaf 1-1-2018. De werkelijke groei van het aantal huishoudens overtreft de verwachte groei op basis van eerdere prognoses. Uit de prognose van Etil 2021 blijkt wel dat het bereiken van de top van het aantal huishoudens gehandhaafd blijft op 2026. Tot dat moment vertoont de groei van het aantal huishoudens een licht stijgende lijn, met een toename van 168 ten opzichte van 1-1-2021. Regionaal groeit het aantal huishoudens nog met circa 5.400 tot 2034. Lokale uitwerking De woningbouwproductie in Maasgouw is in 2019 en 2020 met respectievelijk 141 en 106 nieuwe woningen hoog uitgevallen. De komende jaren wordt de ingezette koers om te bouwen naar behoefte gecontinueerd o.a.

met behulp van de ‘Lokale Uitvoeringsstrategie Wonen Maasgouw 2.0’ zoals die op 9 februari 2021 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. In deze lokale uitwerking staan de mogelijkheden beschreven om – onder voorwaarden – extra woningen aan de reeds bestaande plancapaciteit toe te voegen. Zo wordt enkel medewerking verleend aan nieuwe plannen die voorzien in woningen waaraan in kwalitatieve zin op grond van resultaten van het Woningmarktonderzoek Midden-Limburg 2018 een tekort bestaat én in relatie tot de plannen die reeds zijn opgenomen in de huidige plancapaciteit. Op deze wijze is er voldoende aandacht voor instandhouding van toekomstbestendige kernen, de huisvesting van specifieke doelgroepen en de vergroting van het aantal betaalbare woningen. Deze uitgangspunten zorgen voor de volgende speerpunten van beleid: 1. Regulier woonbeleid: voortzetting van de realisatie van woningbouwplannen zoals die zijn opgenomen in het Lokaal Woningbouwprogramma Maasgouw en passend zijn bij de lokale woningbehoefte zoals die o.a. op basis van de resultaten van het Woningmarktonderzoek Midden-Limburg is vastgesteld. 2. Toevoeging extra woningen: het realiseren van aanvullende woningbouw bovenop de op basis van de huishoudensprognose benodigde aantallen.

Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de huidige situatie op de (landelijke) woningmarkt zoals die zich ook lokaal in Maasgouw manifesteren. Bovendien wordt hiermee ingezet op het stimuleren van transformatiemogelijkheden van diverse functies naar wonen. 3. Woningbouwmogelijkheden in alle kernen: naast de mogelijkheden tot individuele bouw en kleinschalige projecten in alle kernen wordt ook in samenwerking met woningcorporaties het aandeel (sociale) huurwoningen vergroot. 4. Alternatieve woonconcepten: het faciliteren van woonvormen die minder gangbaar op de lokale woningmarkt worden aangeboden. Dit o.a. in samenwerking met burgers, woningcorporaties, zorgaanbieders en marktpartijen. Onderhavig plan Met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan wordt de toevoeging van een woonwagenstandplaats mogelijk gemaakt. Uit de cijfers van de Structuurvisie Wonen MiddenLimburg 2022 t/m 2025 en de aanvullende behoeftepeiling voor woonwagenstandplaatsen is op te maken dat er duidelijk behoefte bestaat aan woonwagenstandplaatsen. Het plan voldoet aan de kaders van het regionale woonbeleid.

Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 17 -

Toelichting

3.4 Gemeentelijk beleid d Omgevingsvisie Maasgouw 2030 In de Omgevingsvisie Maasgouw is ten behoeve van het ontwikkelen van praktisch en werkbaar ruimtelijk beleid een onderscheid gemaakt in basisprincipes en een gebiedsindeling. De basisprincipes zijn de aspecten die bij ruimtelijke ontwikkelingen in Maasgouw altijd gerespecteerd dienen te worden. Het betreft dan de omgevingskwaliteit, duurzaamheid, gezondheid en behoud en versterking van de ‘parels van Maasgouw’ (de historische kernen, de natuurgebieden, het Eiland in de Maas en de Linnerweert). De gebiedsindeling maakt een onderscheid in de deelgebieden Kernen, Buitengebied, Maasplassen en de Veranderopgave. De kern Ohé en Laak is gelegen binnen deelgebied ‘Kernen’. Kernen Stedelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, bedrijvigheid en voorzieningen, vinden plaats binnen bestaand bebouwd gebied. Uitbreiding van kernen is niet nodig en daardoor niet meer aan de orde. Er is binnen bestaande bebouwd gebied voldoende ruimte voor stedelijke ontwikkelingen, waarbij we wel voldoende ruimte moeten bieden voor groen en water. Voor de centrumgebieden is concentratie van voorzieningen (winkels, sociaal- maatschappelijke voorzieningen, horeca) uitgangspunt. Dit geldt voornamelijk voor centrum gebonden functies zoals supermarkten, dienstverlening, horeca en dergelijke.

Een uitzondering op dit concentratiebeginsel kan gemaakt worden voor monumentale panden als hiermee het behoud van het monumentale pand kan worden verzekerd. Ten aanzien van het aspect ‘Wonen’ is aangegeven dat de woningbouwopgave plaatsvindt binnen bestaand bebouwd gebied en aan dient te sluiten bij de regionale woonvisie en de toekomstverkenning. Hieruit blijkt dat de behoefte aan nieuwe woningen beperkt is, omdat het aantal huishoudens in Maasgouw na 2025 zal afnemen. Wel is er onderscheid te maken in doelgroepen. Door de vergrijzing is er een grotere behoefte aan woningen voor ouderen, die langer thuis blijven wonen. Belangrijke ambitie van de gemeente is dat de woningbouwopgave speelt voor elke kern en dat aangesloten wordt bij de behoeften van alle relevante doelgroepen. De koers wordt verlegd van kwantiteit naar kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Daarvoor wordt de woningbouwopgave geïntegreerd met genoemde basisprincipes; woningbouwontwikkelingen in de toekomst zijn duurzaam (levensloopbestendig), stimuleren een gezonde leefstijl en verbeteren de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Ook wordt gezocht naar koppelkansen, zoals woningbouw in cultureel erfgoed en het transformeren van lelijke plekken naar een kwalitatief goede leefomgeving. Plangebied Het onderhavige plan voorziet in het realiseren woonwagenstandplaats.

Zoals beschreven onder ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025’ bestaat er in de regio een aanvullende behoefte aan woonwagenstandplaatsen. Het voorliggende plan past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Maasgouw. Plan van aanpak Woonwagen- en standplaatsenbeleid gemeente Maasgouw Op 5 oktober 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met het Plan van aanpak Woonwagen- en standplaatsenbeleid gemeente Maasgouw. De doelstelling van de gemeente Maasgouw ten aanzien van woonwagens en standplaatsen is het uitbreiden van het aantal woonwagenstandplaatsen in de gemeente Maasgouw om gefaseerd te voldoen aan de aanvullende behoefte én te voldoen aan een redelijke wachttijd voor belangstellenden die een woonwagenstandplaats willen hebben. Deze doelstelling zal worden behaald door het doorlopen van activiteiten op een drietal hoofdvlakken: 1. Ontwikkelen van nieuw volkshuisvestelijk beleid voor de doelgroep; 2. Afspraken met woningcorporaties; Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 18 -

Toelichting

3. De kwantitatieve opgave: hoeveel standplaatsen zijn er nu en waar moeten we naartoe? d In 2018 in opdracht van de provincie Limburg in bijna alle Limburgse gemeenten een onderzoek uitgevoerd naar de aanvullende behoefte aan woonwagenstandplaatsen. De gemeente Maasgouw heeft naar aanleiding van dit provinciale onderzoek een verdiepend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek geeft inzicht waar op lokaal niveau behoefte bestaat aan aanvullende woonwagenstandplaatsen. In totaal blijkt er uit het gemeentelijk behoefteonderzoek een aanvullende behoefte van 32-33 standplaatsen. Op lokaal niveau blijkt tevens behoefte aan één nieuwe woonwagenstandplaats aan de Priester Kooksweg te Ohé en Laak. Het onderhavige plan geeft invulling aan de conclusies van het gemeentelijk behoefteonderzoek en het Plan van aanpak Woonwagen- en standplaatsenbeleid van de gemeente Maasgouw.

Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 19 -

Toelichting

4 Randvoorwaarden

d

4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Plangebied Ter voorbereiding van het onderhavige plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn in het navolgende weergegeven. Milieutechnisch Adviesbureau Heel B.V., Verkennend bodem- en asbestonderzoek Priester Kooksweg (ong). te Ohé en Laak, projectnummer 140230320/R2, d.d. 26.09.2023 (separate bijlage 1). Naar aanleiding van het verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen aan de Priester Kooksweg (ong.) te Ohé en Laak wordt het volgende geconcludeerd: -

-

Aanleiding voor het onderzoek vormen de voorgenomen bestemmingsplanherziening en (graaf)werkzaamheden ter plaatse van de onderzoekslocatie met een oppervlakte van circa 400 m²; In de opgeboorde/opgegraven grond zijn plaatselijk bijmengingen aan baksteen, beton, glas en/of stol waargenomen; In de opgeboorde/opgegraven grond zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.

Verkennend bodemonderzoek In de verdachte bodemlaag (0,0 – 0,5 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond (MM1 t/m MM3). De licht verhoogde gehalten aan zware metalen zijn mogelijk te relateren aan diffuse bodemverontreiniging. Uit een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit blijkt dat de verdachte bodemlaag (bovengrond) bij hergebruik voldoet aan de klasse wonen of industrie. In de bovengrond voldoen de gehalten aan PFAS bij de toepassing op of in landbodem (met uitzondering van een grondwaterbeschermingsgebied) aan de klasse landbouw/natuur. In de onverdachte ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond (MM4). De licht verhoogde gehalten aan zware metalen zijn mogelijk te relateren aan diffuse bodemverontreiniging. Uit een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit blijkt dat de ondergrond bij hergebruik altijd toepasbaar is. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte met 1,1,1-trichloorethaan aangetoond (PB bestaand). Aangezien ter plaatse van de onderzoekslocatie geen aanwijsbare bron aanwezig is, is het licht verhoogd gehalte met 1,1,1-trichloorethaan in het grondwater hoogstwaarschijnlijk te relateren aan diffuse bodemverontreiniging. Asbestonderzoek In de grove fractie (>20 mm) zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

Uit de analyses van het mengmonster (ASB2) blijkt dat in de fijne fractie de restconcentratienorm van 100 mg/kg ds en de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) niet wordt overschreden. Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 20 -

Toelichting

Conclusie De resultaten van het onderhavige onderzoek vormen geen bezwaar ten aanzien van de d voorgenomen bestemmingsplanherziening van de onderzoekslocatie. Indien bij graafwerkzaamheden grond vrijkomt, wordt geadviseerd deze ter plaatse te herverwerken. Voor eventuele afvoer dient, om de mogelijkheden van hergebruik/afvoer definitief vast te stellen, een onderzoek conform de AP04 richtlijnen (BBK) te worden uitgevoerd. In geval van afvoer van grond wordt geadviseerd zo spoedig mogelijk een onderzoek conform de voornoemde richtlijn te laten uitvoeren hetgeen bij aanvang van de grondwerkzaamheden kosten en tijd zal besparen. Op basis van de bovenstaande onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd er geen ernstige bodemverontreiniging is aangetroffen. Daarnaast is in het fundatiemateriaal mogelijk een asbestverontreiniging aangetroffen. Bij handelingen in het fundatiemateriaal is men gehouden aan het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit asbestwegen. Vanwege de gesloten verharding op de fundatie ter plaatse is contact niet mogelijk en bestaat er geen acuut risico. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisering van het bouwplan. 4.1.2 Geluid Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen.

De beoordeling van het aspect geluid vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder maar daarnaast ook in de Wet ruimtelijke ordening wanneer het gaat om de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid kent voor een aantal bestemmingen in combinatie met een aantal typen geluidbronnen een wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Voor andere geluidbronnen bestaan geen wettelijke kaders. Andere geluidbronnen kunnen wel noodzaken tot een aanvullende beoordeling van het aspect geluid in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Plangebied Ten behoeve van de beoogde planontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek wordt de ruimtelijke inpasbaarheid van het plan beoordeeld. Hierbij worden met name de gevolgen van de nieuw te realiseren woonwagenstandplaats voor de rechten van de tennisbanen en anderzijds voor het woon- en leefklimaat van de woonwagenstandplaats beschouwd. De resultaten van het onderzoek zijn in het navolgende beschreven. Kragten, Akoestisch onderzoek industrie, Woonwagenstandplaats Priester Kooksweg te Ohé en Laak, rapportnummer 20230130-MAG112-RAP-IL 1.0, d.d. 20.11.2023 (separate bijlage 2).

Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. De toetsing van de rekenresultaten heeft plaatsgevonden aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij de gebiedsgerichte richtafstanden en -waarden uit de publicatie: “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). Het berekend langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 52,5 dB(A) in zowel de dag- als avondperiode (58 dB(A) etmaalwaarde) bij maximaal planologische invulling. Het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 45,1 dB(A) in de dag- en 46,8 dB(A) in de avondperiode (52 dB(A) etmaalwaarde) in de representatieve bedrijfssituatie. De richtwaarde uit stap 2 (50 dB(A)) wordt eveneens overschreden. In de representatieve bedrijfssituatie wordt wel de grenswaarde uit stap 3 (55 dB(A)) gerespecteerd. Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 21 -

Toelichting

d

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) maximaal planologische invulling (links) en representatieve bedrijfssituatie (rechts)

Het berekende maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 75,1 dB(A) in zowel de dag- als avondperiode. De richtwaarde uit stap 2 (70 dB(A) in de dag- en 65 dB(A) in de avondperiode) uit de VNG-publicatie wordt overschreden. Bij de toets aan stap 3 worden enkel pieken ten gevolge van het aan- en afrijden van voertuigen uitgesloten. Dat is hier niet aan de orde. De richtwaarde uit stap 3 wordt eveneens niet gerespecteerd. Een toets aan de normstelling van het Activiteitenbesluit milieubeheer is niet aan de orde omdat maximale geluidniveaus (LAmax) vanwege het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan, zijn uitgesloten van toetsing. Om het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau te verlagen dient een scherm te worden gerealiseerd op de oostelijke erfgrens. Het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 40,0 dB(A) in zowel de dag- als avondperiode (45 dB(A) etmaalwaarde) bij maximaal planologische invulling. Het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 34,3 dB(A) in de dag- en 35,3 dB(A) in de avondperiode (40 dB(A) etmaalwaarde) in de representatieve bedrijfssituatie. Het berekende maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 62,9 dB(A) in zowel de dag- als avondperiode.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) maximaal planologische invulling (links) en representatieve bedrijfssituatie (rechts) met scherm 2,5 meter hoog

Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 22 -

Toelichting

De richtwaarde uit stap 2 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau uit de VNG-publicatie wordt na d toepassen van een scherm met hoogte 2,5 meter gerespecteerd in zowel de maximaal planologische invulling als in de representatieve bedrijfssituatie. De standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt eveneens gerespecteerd. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat door het plaatsen van een geluidscherm met een hoogte van 2,5 meter op de oostelijke erfgrens dat het plan ruimtelijk inpasbaar wordt geacht. 4.1.3 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting.

Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10¯6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Wet- en regelgeving Transport van gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater geldt de Wet basisnet. Deze bestaat uit drie onderdelen: spoor, weg en water. Het doel van het Basisnet is een duurzaam evenwicht tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, het gebruik van de ruimte langs het Basisnet en een maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau in de nabijheid van het Basisnet. Daarnaast is de Regeling basisnet van kracht, waarin risicoplafonds voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten nu voldoen aan het Besluit externe veiligheid transport (Bevt). Tevens zijn bouwkundige voorschriften ingevoerd voor nieuwbouw in zogeheten PlasbrandAandachtsgebieden (PAG).

Externe veiligheid buisleidingen Ten aanzien van buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). In dit besluit met bijbehorende regeling worden in lijn met het Bevi normen gesteld aan het PR en het GR voor buisleidingen. Externe veiligheid risicovolle bedrijven/inrichtingen Bij de beoordeling van de risico's voor de externe veiligheid worden de normen voor het PR en GR gehanteerd, zoals vastgelegd in het Besluit externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). Bij de besluitvorming dient het bevoegd gezag een verandering van het GR te verantwoorden. Het gebied waarbinnen de verantwoordingsplicht van toepassing is voor categoriale inrichtingen is wettelijk vastgelegd in het Revi. In de nabijheid van het onderhavige plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die op het gebied van externe veiligheid een risico vormen. Dit aspect blijft bij het vervolg van deze paragraaf derhalve buiten beschouwing.

Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 23 -

Toelichting

Plangebied-persoonsgebonden risico (PR) Transport gevaarlijke stoffen d In het plangebied en omgeving zijn geen transportroutes van gevaarlijke stoffen gelegen die invloed kunnen hebben op het plangebied. De meest nabijgelegen transportroutes waarop transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn de Maas (op 1.570 meter) en de A2 (op circa 1.750 meter). Het plangebied is daarmee gelegen buiten het invloedsgebied van het Julianakanaal (1.070 meter). Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen met een risico op het gebied van externe veiligheid. De meest nabijgelegen leiding is op ruim 1,7 kilometer van het plangebied gesitueerd. Dit aspect vormt geen belemmering voor het plan. Risicovolle inrichtingen Uit de Atlas voor de Leefomgeving (oktober 2023) volgt dat binnen of in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Resumerend kan worden aangegeven dat bij het voorliggende plan geen sprake is van risico’s op het gebied van externe veiligheid. 4.1.4 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) is titel 2 Luchtkwaliteitseisen opgenomen (ook ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd). Gelijktijdig gelden de volgende besluiten en regelingen: Besluit gevoelige bestemmingen, Besluit ‘Niet in betekenende mate’ en Regeling ‘Niet in betekenende mate’.

Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. Huidige jaargemiddelde concentraties: NSL-Monitoringstool Uit de monitoringstool van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, Atlas voor de Leefomgeving) volgt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied (veel) lager liggen dan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld (voor beide 40 µg/m³). De NO2-concentratie bedraagt 15-20 µg/m³ in het plangebied en de PM10-concentratie bedraagt tevens 15-20 µg/m³ (cijfers 28 september 2023). Deze concentraties liggen (ver) beneden de grenswaarden. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor wat betreft de actuele luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. Besluit gevoelige bestemmingen Conform artikel 5.16a van de ‘Wet luchtkwaliteit’ kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur nog nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarde(n) projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt.

Dit Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde ‘gevoelige bestemmingen’. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. Omdat geen van deze functies wordt gerealiseerd met behulp van dit bestemmingsplan is dit besluit derhalve niet van toepassing. Niet in betekenende mate (NIBM) In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 24 -

Toelichting

bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerdd worden. Concreet houdt dit in dat bijvoorbeeld ontwikkelingen kleiner dan of gelijk aan 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Plangebied In het plangebied wordt een woonwagenstandplaats mogelijk gemaakt. Omdat dit aantal past binnen de bandbreedte van het Besluit NIBM (1.500 resp. 3.000 woningen) kan worden vastgesteld dat dit plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.2 Waterparagraaf De watertoets is een procesinstrument dat als doel heeft te komen tot een betere inbreng van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De kern bestaat uit een set van procedureafspraken, vormvereisten en inhoudelijke aandachtspunten en wordt toegepast binnen de bestaande procedures en regelgeving. Voor initiatiefnemers van ruimtelijke plannen en besluiten, met name gemeenten en waterschappen, is het van belang om te weten dat de provincie toeziet of in ruimtelijke plannen en besluiten aan de watertoets gevolg wordt en is gegeven. De watertoets is van toepassing op bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen (grotere projecten). De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dient in principe de watertoets uit te voeren en de uitkomsten daarvan aan te geven in een waterparagraaf. De waterhuishoudkundige aspecten omvatten onder meer veiligheid voor water, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging. Beleidsregels grote rivieren De Beleidsregels grote rivieren bieden een kader voor de beslissing omtrent de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig opzicht bezien die nodig is voor het verkrijgen van een vergunning op grond van de Waterwet/Waterbesluit. In de Beleidsregels is aangegeven welke uitgangspunten en randvoorwaarden gelden voor gebieden in het waterbergend rivierbed.

In het onderhavige plan is een dubbelbestemming opgenomen, waarin beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het bouwen en gebruik in dit gebied. Voor wat betreft de oppervlaktewaterlichamen zijn conform het Waterbesluit gebieden aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Uit het kaartmateriaal behorende bij bijlage IV van het Waterbesluit blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van het waterstaatswerk (conform art. 6.16 Waterbesluit). Derhalve is een aanvraag watervergunning voor het realiseren van de woonwagenstandplaats niet noodzakelijk. Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027, dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal Waterprogramma 2016-2021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de provincie Limburg de komende periode met haar partners wil bereiken op het gebied van water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit.

Plangebied Voor het onderhavige plangebied kent dit beleid geen specifieke uitgangspunten.

Bestemmingsplan woonwagenstandplaats Ohé en Laak Gemeente Maasgouw

- pagina 25 -

Toelichting

Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 De gemeente Maasgouw valt in de zin van d wateraangelegenheden binnen de Keur van het Waterschap Limburg. Op 8 december 2021 heeft het Waterschap Limburg het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Hierin zijn de Limburgse wateropgaven voor de toekomst bepaald. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor het beheer van het regionale oppervlaktewater in Limburg. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met het Waterbeheerprogramma geeft het waterschap richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De verplichting om elke zes jaar een nieuw waterbeheerprogramma vast te stellen is vastgelegd in de (nog niet in werking getreden) Omgevingswet. Het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma geeft onder andere kaders voor het strategisch grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor de oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen (Kader Richtlijn Water) en de overige wateren. Het Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 geeft hier de regionale invulling aan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=8cafb529-5e89-4eb3-b08e-e8c2684f573d