CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

t BP Ammerzoden herziening 2023, Onderwaard 2025-06-05

Gemeenteraad 5 juni 2025, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bijlagen30.166 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden en Soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bkl. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bkl) en herplantplicht (art. 11.129 Bkl) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten 'bebouwingscontour houtkap'. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Ook is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bkl) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan.

Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bkl); omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bkl); omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bkl). Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bkl, schadelijke handelingen Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bkl en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bkl.

62/586

Conform paragraaf 7.3.1. (Natuurnetwerk Nederland) van het Bkl dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen (artikel 7.8 Bkl). Gemeentelijk beleid Boomnorm Voor de gemeente Maasdriel geldt een boomnorm van 0,4 boom per inwoner binnen de bebouwde kom en 1,4 boom per inwoner in het buitengebied. Rekening houdend met een gemiddelde woningbezetting van 2,5 in Maasdriel bij het opstellen van het bestemmingsplan, betekent dat gemiddeld 1 boom per woning. Naarmate het aantal inwoners toeneemt, zullen er ook meer bomen worden geplant. Bij het aanleggen van nieuwbouwwijken zal het aantal bomen op het aantal potentiële inwoners worden afgestemd. Groennorm Voor de gemeente Maasdriel wordt een groennorm vastgesteld waarbij een ondergrens wordt aangehouden van 24,4 m2 per inwoner in de bebouwde kom. Bij nieuwe projecten wordt gestreefd naar verdere vergroening, met ongeveer 30 m2 groen per inwoner.

Onderzoek Soortenbescherming Bij alle ruimtelijke ingrepen en plannen dient voorafgaand inzichtelijk te worden gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de aanwezige flora en fauna. In dit kader heeft een ecologische toetsing plaatsgevonden die is opgenomen in bijlage 6. De belangrijkste conclusies uit de quickscan worden hier samengevat. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt verwezen naar de rapportage. Voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten geldt dat nader onderzoek in het geëigende jaargetijde noodzakelijk is voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor de huismus, steenuil en kerkuil. Tijdens dit onderzoek dient ook onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van essentiële kwetterplekken op de onderzoekslocatie van huismussen. Voor de boerenzwaluw dient een omgevingscheck uit te wijzen of er in de omgeving voldoende alternatieven aanwezig zijn waar deze soort gebruik van kan maken Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, als het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wnb wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden.

Als binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd. Voor vleermuizen geldt dat nader onderzoek over de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen noodzakelijk wordt geacht voor de bebouwing. De panden zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Sloopwerkzaamheden kunnen verstorend zijn voor aanwezige verblijfplaatsen. Geadviseerd wordt

63/586

nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van het plangebied voor de gewone dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De verblijfplaatsen die onderzocht dienen te worden in het nader onderzoek aan de bebouwing zijn kraam-, zomer- en paarverblijfplaats van de bovengenoemde soorten Ook is nader onderzoek naar vaste rust- of voortplantingsplaatsen van de steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn noodzakelijk. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wnb wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen, vanwege een provinciale vrijstelling en/of de aard van de ingreep, niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aantoonbaar werken volgens de zorgplicht kan gebeuren door te handelen met een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Voor de quicksan is de onderzoekslocatie opgedeeld in twee percelen. Perceel 1 is een agrarisch onbebouwd perceel (ongeveer 4 ha).

Perceel 2 is een bebouwd perceel bestaande uit twee woningen, schuur, koeienstal, paardenbak, oprijlaan/parkeerterrein en tuin aan Onderwaard 17 (ongeveer 1 ha). De beschermde soorten maken mogelijk gebruik van perceel 2. De invulling van dit perceel aan Onderwaard 17 is enerzijds het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning en het realiseren van drie extra woningen. De bestaande stallen worden grotendeels gesloopt. Vervolgonderzoek soortenbescherming Uit de quickscan kwam naar voren dat, om de effecten van de ingrepen volledig te kunnen toetsen aan de Wnb er ten aanzien van boerenzwaluw, huismus, steenuil, kerkuil, vleermuizen, kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarter meer informatie benodigd is. De vervolgonderzoeken hebben voornamelijk betrekking op het erf en omliggend groen aan de Onderwaard 17 te Ammerzoden (perceel 2 uit de quickscan). Aanvullend ecologisch onderzoek Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan natuurwaarden die Econsultancy in september 2021 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd. De volledige onderzoek rapportage is als bijlage 7. De belangrijkste conclusies uit de quickscan worden hier samengevat.

Uit het plaatsgevonden onderzoek zijn de volgende bevindingen naar voren gekomen: De onderzoek locatie vervult geen beschermde functie voor de steenuil, kerkuil, huismus, boerenzwa-luw, bunzing, wezel, hermelijn, steenmarter, boommarter en diverse vleermuissoorten; De onderzoek locatie vervult een functie als leefgebied voor rode lijstsoorten egel en heggenmus; De onderzoek locatie vervult een functie als leefgebied, nestplaatsen en rustplaatsen voor algemene fauna en standplaatsen voor algemene flora. Wettelijke verplichtingen en vervolgstappen De specifieke zorgplicht voor soortbescherming is ondergebracht onder artikel 11.27 (Bal) van de

64/586

Omgevingswet. De egel en heggenmus zijn soorten behorende tot de Rode Lijst. De specifieke zorgplicht verbied verslechtering van leefgebied van deze soorten. Nadelige effecten dienen voorkomen te worden door maatregelen te treffen zoals het aanbieden van alternatief geschikt leefgebied. Er dient in de nieuwe situatie voldoende leefgebied voor deze soorten aanwezig te zijn. Er wordt een compensatieplan in de planvorming nodig geacht. De algemene zorgplicht is ondergebracht onder 11.54 (Bal) van de Omgevingswet. Initiatiefnemers dienen al het mogelijke te bewerkstelligen om de zorgplicht te implementeren tijdens werkzaamheden. Om deze reden wordt een ecologisch werkprotocol nodig geacht om tijdens de werkzaamheden de algemene zorgplicht voldoende te borgen; Alle van nature in Nederland voorkomende vogels zijn beschermd onder paragraaf 11.37 (Bal) van de Omgevingswet. Tijdens het uitgevoerde nadere ecologische onderzoek zijn actieve nesten van algemene broedvogels waargenomen. Daarnaast is het aannemelijk dat meer algemene vogelnesten aanwezig zijn. Er wordt geadviseerd om de verstorende heiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Daarnaast wordt geadviseerd om ecologische begeleiding uit te voeren tijdens de werkzaamheden in het broedseizoen. Het broedseizoen betreft doorgaans de periode vanaf maart t/m augustus.

Het verstoren van broedende vogels is volgens de Omgevingswet strafbaar, waardoor voorzichtigheid geboden is. Er is geen onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van vliegroutes door vleermuizen. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat de bomenrijen rondom de onderzoek locatie (noordelijke, oostelijke en westelijke zijde) in de planvorming behouden blijven en niet worden gekapt. De bomenrijen mogen fysiek niet dusdanig worden aangetast dat de vliegroute in functie kan komen te vervallen. Daarnaast mogen de bomenrijen ook niet verstoord raken door lichtverstoring. Er mogen geen ruimtes ontstaan tussen de boomkronen van meer dan 15 meter. De bomenrijen mogen tijdens de bouwwerkzaamheden en in de gebruikssituatie niet overmatig belicht worden. Er wordt nadrukkelijk geadviseerd om te werken met vleermuisvriendelijke verlichting. Vleermuisvriendelijke verlichting bestaat uit verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen in amberkleurig licht. De vermoedelijke functie als vliegroute dient te allen tijde behouden te blijven. Adviezen Er wordt geadviseerd om bij de inrichting van de nieuwe situatie rekening te houden met de biodiversiteit door nestkasten in te bouwen, verbindende groenstructuren en verruigde hoekjes te creëren, gebruik te maken van inheemse plantensoorten of bijvoorbeeld een natuurlijke wadi aan te leggen. Zo kan de natuurinclusiviteit van de nieuwbouw worden vergroot.

Over het algemeen trekken inheemse plantensoorten meer insecten aan dan exoten. Dit zal een positieve werking hebben op het voedselaanbod voor vogels, vleermuizen, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Naast de algemene positieve werking op insecten trekken bloemrijke kruiden bestuivers zoals bijen aan, worden de bessen en de zaden gegeten door verschillende diersoorten en dienen deze planten als schuil- of nestlocatie. Door dit soort simpele maatregelen te treffen kan de achteruitgang van de biodiversiteit in Nederland worden tegengegaan en ontstaat daarnaast een groene leefomgeving, wat een positieve bijdrage levert aan het toekomstige wooncomfort van de nieuwbouw. Ook kan het tijdig implementeren van nestkasten en groenstructuren in de planvorming resulteren in het sneller doorlopen van een eventueel benodigde vergunningaanvraag. Voor het opstellen van een op maat gemaakt natuurinclusiviteit plan wordt geadviseerd om een ecoloog in te schakelen. Gemeentelijke boomnorm en groennorm

65/586

Binnen het stedenbouwkundig plan is invulling gegeven aan de gemeentelijke boom- en groennorm. Binnen het plangebied worden, uitgaande van een bezetting van gemiddeld 2,4 personen per woning, ongeveer 103 bomen gerealiseerd en meer dan 7.500 m2 openbaar groen gerealiseerd. Bomen zorgen voor verkoeling door verdamping en door schaduw te bieden. Op die manieren helpen ze tegen hitte. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en ligt op een afstand van ongeveer 6,6 kilometer. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de gebruiksfase en realisatiefase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. Dit onderzoek is beschreven in een memo opgenomen in bijlage 8. De bijbehorende berekeningen zijn opgenomen in bijlage 9 (gebruiksfase) en 10 (aanlegfase). In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat voor zowel de gebruiksfase als de realisatiefase geen sprake is van depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten.

Er is geen vergunning op grond van de Besluit kwaliteit leefomgeving (afdeling 8.6) vereist (vóór 2024-01-01 de Wet natuurbescherming). De projectlocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Het plangebied ligt in de nabijheid van een gebied, behorend tot het NNN. Het meest nabijgelegen NNN gebied bevindt zich op meer dan 20 meter ten zuiden van het plangebied. In onderstaand figuur 4.7 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven. Ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het NNN dienen in Gelderland onderzocht te worden om de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN te onderzoeken. Gezien de afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het NNN en de aard van de voorgenomen ingreep (ontwikkeling van een woongebied) is in het stedenbouwkundig ontwerp van het plan rekening gehouden met een groene bufferzone van meer dan 20 meter (mitigerende maatregel om effecten te voorkomen of te verzachten). Daardoor ligt de te realiseren woonbebouwing op een afstand van meer dan 25 meter vanaf de begrenzing van het NNN. De bescherming van het NNN kent het begrip externe werking. Vanwege de ligging van de beoogde woningen op meer dan 25 meter, met daartussen een brede groene bufferzone van 20 meter tot het dichtstbijzijnde NNN zal van een negatieve externe werking geen sprake zijn.

De voorgenomen woningbouwontwikkeling zal derhalve geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Wel dient bij de uitvoering van de bouwrijpwerkzaamheden alsmede de daaropvolgende bouw- en aanlegwerkzaamheden rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, zoals die ook in acht genomen dient te worden ten aanzien van de soortenbescherming.

66/586

Figuur 4.7: plangebied en NNN (Rho) Conclusie De ontwikkeling van het woongebied zal geen negatieve effecten hebben op de bescherming van beschermde soorten de Natura 2000-gebieden en het NNN. Wel dient bij de uitvoering van de bouwrijpwerkzaamheden alsmede de daaropvolgende bouw- en aanlegwerkzaamheden rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht volgens het Bal in het kader van de Omgevingswet.

4.7

Archeologie

Toetsingskader vóór de Omgevingswet In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Toetsingskader volgens de Omgevingswet Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke.

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze

67/586

beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd zoals archeologische monumenten. Onderzoek Onderstaande figuur 4.8 betreft de archeologische kansenkaart, waar in rood het plangebied is weergegeven. De kaart toont aan dat het plangebied is gelegen in een gebied met een lage archeologische trefkans.

Figuur 4.8: Archeologische kansenkaart. Rode omkaderding geeft plangebied weer (Synthegra 2012) Naar aanleiding van de woningbouw is archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de uitgevoerde boringen beddingafzettingen van de Maas zijn aangetroffen. Hierbij zijn bij een aantal boringen oeverafzettingen op de beddingafzettingen aangetroffen. In de oeverafzettingen zijn geen archeologische oppervlakten in de vorm van ontkalkte of humeuze horizont aangetroffen. De verwachting is dat in het plangebied geen archeologische resten in situ aanwezig zijn. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot verstoring van archeologische resten in het plangebied. In het bestemmingsplan is op basis van het archeologisch beleid van de gemeente een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Daarin is vastgelegd bij welke grondroeringen (minimale oppervlakte en diepte), voorafgaand archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Conclusie Op grond van de resultaten van het voorronderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Archeologie staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. Er is in het bestemmingsplan een

68/586

dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen.

4.8

Cultuurhistorie

Toetsingskader vóór de Omgevingswet Op nationaal niveau zorgt de Monumentenwet (1988) voor de bescherming van rijksbeschermde gebouwde monumenten. In het plangebied zijn geen rijksbeschermde monumenten aanwezig, direct grenzend aan het plangebied is het Slot Well opgenomen als beschermd monument. Het gedachtegoed van Belvedere (1999) is behoud en ontwikkeling en beoogt bij initiatiefnemers een actieve houding over cultuurhistorische kwaliteiten aan te nemen. Toetsingskader volgens de Omgevingswet Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Onderzoek In bestemmingsplannen dient aandacht te worden besteed aan de cultuurhistorische waarden van een plangebied. In het kader hiervan is voor het plangebied een onderzoek uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden van het gebied. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 11. Op nationaal niveau zorgt de Monumentenwet (1988) voor de bescherming van rijksbeschermde gebouwde monumenten. In het plangebied zijn geen rijksbeschermde monumenten aanwezig, direct grenzend aan het plangebied is het Slot Well opgenomen als beschermd monument. Het gedachtegoed van Belvedere (1999) is behoud en ontwikkeling en beoogt bij initiatiefnemers een actieve houding over cultuurhistorische kwaliteiten aan te nemen. Uit het onderzoek blijkt verder dat in het plangebied een aantal historische geografische structuren en patronen aanwezig zijn. De Onderwaard en de dijk hebben een hoge historische kwaliteit vanwege de zichtbaarheid van de beide structuren. De singel aan de oostzijde heeft een matige historische kwaliteit, omdat slechts een deel van de singel op een historische plek ligt. In het plangebied zijn geen historische gebouwen aanwezig. De beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteiten zijn laag.

De aanwezige boerderij is naoorlogs en heeft geen bijzondere kenmerkende cultuurhistorische kwaliteiten. Op ongeveer 300 meter afstand van het plangebied ligt

69/586

het Slot van Well. Dit heeft een hoge historische kwaliteit voor het gebied, hoewel het vanuit het plangebied niet direct waarneembaar is. Het zicht wordt belemmerd door een cluster woningen, een carwash en de aanwezige stallen. Het zicht op de andere onderdelen van de buitenplaats is wel waardevol. Met name het zicht op de historische tuin- en parkaanleg. Het kasteel verkeert in een goede staat en heeft een hoge historische kwaliteit. Bouwstenen voor het stedenbouwkundig plan Binnen het onderzoek naar cultuurhistorische waarden zijn zogeheten bouwstenen voor het stedenbouwkundig plan geformuleerd. Deze bouwstenen vormen aanbevelingen voor het stedenbouwkundig plan. Deze aanbevelingen luiden als volgt: Zorg voor een rustige invulling van het plangebied, een regelmatige verkaveling past hierbij. Sluit aan bij de korrelgrootte van Ammerzoden, en zorg voor een passende invulling om het dorp ‘af’ te maken ten zuiden van Hoge Heiligenweg. Sluit aan bij de bouwhoogtes van Ammerzoden. Probeer ook het kleurgebruik aan te passen bij de Ammerzodense kleuren. Op deze manier wordt het plan bij Ammerzoden gevoegd en wordt het geen los fragment van Ammerzoden. Daarnaast blijft de kenmerkendheid van het kasteel Well en het wiel overeind. Kortom de nieuwbouw dient ondergeschikt te zijn aan het complex kasteel Well, hiermee is terughoudendheid op zijn plaats.

Deze aanbeveling vormen bouwstenen voor het stedenbouwkundig plan en zijn zodoende ook meegenomen in het stedenbouwkundige plan en het beeldkwaliteitsplan. Conclusie Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Cultuurhistorie staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden

70/586

gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden als de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek Ten oosten van het plangebied ligt een woonwijk. Ten noorden van het plangebied ligt een bedrijventerrein en ten westen agrarische gronden. De bedrijven en de mogelijke milieuhinder aan deze zijden worden hieronder behandeld. Daarbij is gebruik gemaakt van de milieuzoneringskaart die is opgesteld door de Omgevingsdienst Rivierenland.

Figuur 4.9: Milieuzoneringskaart (Omgevingsdienst Rivierenland) Ten noorden van het plangebied Ten noorden van het plangebied ligt een bedrijventerrein. Planologisch zijn hier binnen het bouwvlak van het bedrijventerrein bedrijven tot milieucategorie 3.2 mogelijk. Voor milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 100 meter ten opzichte van een 'rustige woonwijk'. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden als de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Langs de Bernseweg zijn bedrijfswoningen aanwezig waar de bedrijven in de huidige situatie al rekening mee moeten houden. Echter voor een rustige woonwijk gelden strengere normen dan voor bedrijfswoningen van derden. Hieronder worden de relevante bedrijven op het bedrijventerrein nader beschouwd. Bernseweg 22a Het dichtstbijzijnde bedrijf is een touringcarbedrijf. Dit valt onder een touringcarbedrijf met milieucategorie 3.2.

71/586

Het maatgevende aspect is geluid met een richtafstand van 100 meter. Voor de overige aspecten geldt een maximale richtafstand van 10 meter waar het plangebied buiten valt. Op kortere afstand liggen bedrijfswoningen van derden waar in de huidige situatie rekening mee gehouden moet worden. Echter tussen het plangebied en het touringcarbedrijf zijn geen bedrijfswoningen aanwezig en voor een rustige woonwijk gelden strengere normen dan voor bedrijfswoningen van derden. Verhuizing touringcarbedrijf Het touringcarbedrijf is voornemens om haar bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de Bernseweg 22a te beëindigen en te verhuizen naar een locatie buiten het plangebied. Deze verplaatsing betekent dat het bedrijf op grote afstand komt te liggen van het plangebied waarbij er ruim voldoende wordt voldaan aan richtafstanden. De her invulling van het perceel is momenteel niet bekend. Echter geldt binnen het vigerende bestemmingsplan (Ammerzoden, 2012) van het bedrijventerrein dat hier (nieuwe) bedrijfsactiviteiten van maximaal milieucategorie 2 zijn toegestaan. Bij milieucategorie 2 is sprake van een richtafstand van 30 meter voor rustige woonwijk. Het plangebied voldoet aan deze richtafstand. Onderwaard 11 Naast Kras bevindt op de Onderwaard 11 Ahlmann Nederland BV. Dit is een groothandel in machines voor de bouwnijverheid en heeft een milieucategorie 3.2.

Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Het plangebied bevindt op een afstand van ongeveer 75 meter. Het plangebied valt voor een deel binnen de richtafstand. Echter tussen het bedrijfsperceel en het plangebied liggen op korte afstand van het bedrijf bedrijfswoningen van derden. Het bedrijf moet in de huidige situatie al rekening houden met deze bedrijfswoningen. Gezien de afstand van het plangebied in verhouding tot de bedrijfswoningen kan ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu worden gegarandeerd en wordt dit bedrijf niet beperkt in haar bedrijfsvoering. Bernseweg 24a Ter plaatse van de Bernseweg 24a ligt het bedrijf Bakelaar Bedrijfswagens en Buscampers BV. Dit is een bedrijf in handel in en reparatie van personenauto's en lichte bedrijfsauto's (geen import van nieuwe) met milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter waar het plangebied buiten valt. Ten westen van het plangebied Ten westen van het plangebied liggen agrarische bedrijven. Voor het plangebied zijn twee agrarische bedrijven relevant. Dit zijn de glastuinbouw aan de Bernseweg 1 en de agrarische activiteiten aan de Onderwaard 17. Voor deze twee bedrijven wordt hieronder per bedrijf de situatie beschreven. Verder zijn ten westen geen bedrijven die mogelijk invloed hebben op het woon- en leefmilieu van het plangebied.

Bernseweg 1 Ter plaatse van de Bernseweg 1 is planologisch glastuinbouw mogelijk. In de bestaande situatie vindt hier teelt van sierbloemen plaats. Voor glastuinbouw geldt op basis van de VNG-brochure een richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. Het plangebied valt daar gedeeltelijk binnen. Het maatgevende aspect is geluid. Als binnen de richtafstand een geluidsgevoelige functie komt moet hiervoor aanvullend onderzoek uitgevoerd worden om een goed woon- en leefmilieu te kunnen garanderen. Onderwaard 17

72/586

Ter plaatse van de Onderwaard 17 geldt een bestemming niet-grondgebonden veehouderij. Voor veehouderijen geldt een richtafstand afhankelijk welke dieren gehouden worden. Het ging bij dit bedrijf om het houden van melkgeiten. Die bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. In de huidige situatie worden op dit adres paarden en koeien gehouden. Deze agrarische activiteiten worden beëindigd en de milieuvergunning wordt ingetrokken. Daarmee vormen deze activiteiten geen belemmering meer. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde woningbouw sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.10 Externe veiligheid Toetsingskader vóór de Omgevingswet Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, als hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Toetsingskader volgens de Omgevingswet Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden.

Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

73/586

Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën 'gebouwen en locaties' staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico's. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bkl; het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bkl; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bkl. Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructies voor de volgende risicobronnen: opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Groepsrisico en aandachtsgebieden Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. Onderzoek en conclusie Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen met een externe werking en vindt er in de omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water, spoor, weg of door buisleidingen.

Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van risicobronnen. De beoogde ontwikkeling maakt geen risicovolle objecten

74/586

mogelijk. Daarmee is de externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.11 Wegverkeerslawaai Toetsingskader vóór de Omgevingswet De regels (grenswaarden) met betrekking tot de (maximaal) toelaatbare hoeveelheid geluid afkomstig van een industrieterrein, weg of spoorweg, zijn opgenomen in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Voor wegverkeerslawaai is hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing. De Wgh is alleen van toepassing binnen een volgens deze wet geldende geluidszone. De grenswaarden (voorkeursgrenswaarde en ten hoogste toelaatbare waarde) uit de Wgh zijn van toepassing op de geluidsbelasting op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (o.a. woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen in het water, scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen). Wegverkeerslawaai De regels en normen die gelden voor wegverkeerslawaai zijn opgenomen in hoofdstuk VI “Zones langs wegen” van de Wgh. De regels en normen uit de Wgh gelden binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. De breedte van de zone van een weg is geregeld in afdeling 1 “Omvang geluidzones” van genoemd hoofdstuk. Toetsingskader volgens de Omgevingswet Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid.

De regels in het Bkl over geluid gaan onder andere over het beheersen van geluid door wegen en spoorwegen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit worden geluidsregels toegevoegd aan de Ow en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Tabel: standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw voor (spoor)wegen Geluidbronsoorten Standaardwaarde Gemeentewegen 53 Lden Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen 55 Lden Afdeling 3.5 (artikel 3.18 lid 1) van het Bkl voorziet in het toetsingskader/instructieregels over de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft.

75/586

Onderzoek Binnen de onderzoeksomgeving bevindt zich de Bernseweg direct ten noorden van het plangebied, de Onderwaard direct ten westen en de Horenkamp met een aftakking naar de Wellsedam ten zuiden van het plangebied. Deze wegen hebben momenteel allen een geluidzone op grond van de Wgh. Het plan ligt niet binnen de zone van een spoorlijn of industrieterrein. In voorliggende situatie is daarmee alleen toetsing aan wegverkeerslawaai van toepassing; door kraaij Akoestisch Adviesbureau is een onderzoek voor wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 13. In dit onderzoek is worst-case gerekend. Onderstaand betreft een samenvatting van de belangrijkste conclusies en aanbeveling. Bernseweg Vanwege de Bernseweg is de berekende geluidbelasting op de randen van beide bouwvlakken voor wonen binnen het plangebied ten hoogste 52 dB (incl. 5 dB aftrek volgens artikel 110g Wgh). Daarmee wordt niet overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Horenkamp en Wellsedam Vanwege de Horenkamp en Wellsedam is de berekende geluidbelasting op de randen van beide bouwvlakken voor wonen binnen het plangebied ten hoogste 51 dB (incl. 5 dB aftrek volgens artikel 110g Wgh). Uit een deelberekening van beide wegen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Horenkamp ten hoogste 50 dB bedraagt en vanwege de Wellsedam ten hoogste 41 dB.

Daarmee wordt alleen vanwege de Horenkamp niet overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Omdat de voorkeursgrenswaarde op een deel van het bouwvlak wordt overschreden, is blootstelling aan de Bernseweg en de Horenkamp relevant voor het plangebied en is aanvullend onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere waarde vanwege deze weg in het geval maatregelen niet doeltreffend zijn of stuiten op overwegende bezwaren. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor woningen in stedelijk gebied wordt niet overschreden. Met een gecumuleerde geluidbelasting van 48–57 dB treedt er na cumulatie geen wezenlijke verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat op ten opzichte van de enkele kritisch gelegen geluidbronnen en dient het akoestisch woon- en leefklimaat als ‘goed’ tot ‘matig’ te worden beoordeeld. Het woon- en leefklimaat is het meest kritisch aan de noord- en zuidrand van het woongebied en wordt beter naarmate de woningen centraler in het plan liggen. Maatregelen Omdat de geluidbelasting vanwege de Bernseweg en de Horenkamp niet overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar geluidreducerende maatregelen. Binnen het onderzoek worden bronmaatregelen, maatregelen in de overdrachtssfeer en maatregelen bij de ontvanger bezien.

Het onderzoek concludeert dat een hogere waarde verleent dient te worden. Deze bedraagt ten hoogste 52 dB vanwege de Bernseweg en ten hoogste 51 dB vanwege de Horenkamp. In aanvulling hierop zijn (extra) maatregelen bij de nieuwbouw benodigd om te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Het hogere grenswaarden besluit (ontwerp) is tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan door de gemeente ter visie gelegd.

76/586

Conclusie Het onderzoek concludeert dat alle onderzochte maatregelen om de geluidbelasting te reduceren niet doelmatig genoeg zijn of stuiten op overwegende bezwaren, zal een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Maasdriel. Deze bedraagt ten hoogste 52 dB vanwege de Bernseweg en ten hoogste 51 dB vanwege de Horenkamp. Daarbij is er sprake van een akoestisch woon- en leefklimaat dat als ‘goed’ tot ‘matig’ wordt beoordeeld. Momenteel is het stedenbouwkundig ontwerp niet bruikbaar om de vereiste geluidwering per woning te kunnen bepalen. Daarom wordt geadviseerd om dit te doen als te zijner tijd de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw wordt aangevraagd. Op die manier kan de benodigde karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie per woning worden afgestemd, om zodoende ook in de woningen een goed akoestisch woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen.

4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader vóór de Omgevingswet In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.6 weergegeven. Tabel 4.6. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen als de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2

77/586

µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Toetsingskader volgens de Omgevingswet Als een wijziging omgevingsplan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaard activiteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Meierijstad heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst. Onderzoek en conclusie De ontwikkeling in het plangebied is met de realisatie van maximaal 103 woningen dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het plan valt ruimschoots binnen de categorie woningbouw die volgens het Besluit nibm niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022 (https://www.cimlk.nl/kaart). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Bernseweg. Uit de kaart blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

78/586

4.13 Spuitzones Onderzoek en conclusie Ter plaatse van de naastgelegen agrarische gronden kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij ruimtelijke plannen in de omgeving van agrarische gronden dienen deze mogelijke gezondheidsrisico’s te worden afgewogen. Er gelden geen wettelijke normen of afstandseisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van woningen. Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig of omgekeerd bij realisatie van bijvoorbeeld een boomgaard. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Op 19 oktober 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan met betrekking tot de in het uitgevoerde spuitzone onderzoek gehanteerde rekenmethode EFSA. Deze methode is volgens de RvS niet aan te merken als een algemeen aanvaardbaar model om in het kader van ruimtelijke ordening voor spuitzones de afstand te bepalen. Er moet dus terug gevallen worden op de spuitvrijezone van 50 meter zoals die op basis van eerdere rechtspraak is vastgesteld.

Recent is door de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State op 23 november 2023 een uitspraak gedaan, waar in onderhavig geval rekening kan worden gehouden (ECLI:NL:RVS:2023:4331). In deze uitspraak bepaalde de Afdeling dat vanwege het gegeven dat op een naburig perceel al een woning aanwezig is, de agrariër bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen al rekening moet houden met het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woonbestemming. Aan de hand daarvan concludeert de afdeling ook dat ter zake van woningen, die op een iets grotere afstand liggen, niet zonder meer aannemelijk is dat er geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de agrariër niet beperkt wordt in zijn gebruiksmogelijkheden. Ook zal de agrariër moeten voldoen aan de regelgeving over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, zowel ten aanzien van toegelaten middelen, als ten aanzien van de aanmaak, het gebruik en de opslag. Er zijn op het gebied van spuitvrijezones diverse ontwikkelingen die in de toekomst tot een kleinere te hanteren afstand tussen fruitboomgaarden en boomkwekerijen en gevoelige bestemmingen kunnen leiden. Enerzijds wordt het toepassen van biologische beschermingsmiddelen steeds meer verplicht, anderzijds blijft er onderzoek plaatsvinden naar mogelijkheden tot driftreductie.

Daarnaast kan natuurlijk in de loop van de bestemmingsplan periode (10 jaar) de bestemming van de relevante percelen wijzigen. In het kader van goede ruimtelijke ordening is gekeken hoe de woningen zich verhouden tot deze agrarische gronden. Hierbij is getoetst met een richtafstand van 50 meter tussen de woningen en agrarische gronden. De minimale afstand voor de beoogde woningen en de agrarische gronden ten westen is ongeveer 25 meter, zie onderstaand figuur 4.10.

79/586

Figuur 4.10: Plangebied en afstand dichtstbijzijnde agrarische gronden. De twee locaties zijn gescheiden door groene bomenlanen en een weg (cyclomedia, 2023) Bij de beoordeling van de mogelijke gevolgen voor de beoogde woningbouwontwikkeling dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden op de naastgelegen percelen. In het ter plaatse vigerende bestemmingsplan is het volgende als 'strijdig gebruik' aangemerkt: "het gebruik van agrarische gronden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt met een zij- en opwaartse spuittechniek binnen een afstand van 50 meter tot gevoelige functies, zoals (bedrijfs)woningen, uitgezonderd voor zover: a. het bestaande fruitteelt en boomgaarden en de vervanging daarvan betreft; b. aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen".

80/586

Figuur 4.11 spuitzones behorende bij agrarische percelen met boomteelt Op een aantal percelen ten westen van de Onderwaard vindt boomteelt plaats. Hoewel boomteelt niet specifiek wordt genoemd onder lid 1, dient ervan uitgegaan te worden dat bestaande boomteelt ook onder lid 1 valt. In de plantoelichting bij de reparatieherziening is namelijk het volgende opgenomen: "De vaste afstandsgrens van 50 meter, die de Afdeling in haar jurisprudentie als 'niet onredelijk' beschouwd, is in de praktijk met name van belang voor fruitboomgaarden, boomkwekerijen en boomgaarden omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten ten behoeve van onkruidbescherming, maar ook zij- en opwaarts worden gespoten ten behoeve van de bestrijding van schimmels en plaagdieren. In geval van een zij- en opwaartse spuittechniek, leidt dit tot de meeste drift omdat het gewasbeschermingsmiddel door de hoogte via de lucht wordt verspreid. Daarom wordt de zij- en opwaartse spuittechniek maatgevend geacht voor mogelijke

81/586

gezondheidsrisico's."

Figuur 4.12: situering bestaande woningen t.o.v. agrarische gronden met boomteelt In onderhavige situatie ligt het agrarisch perceel met boomteelt tegen het perceel met bestemming 'Wonen' (perceel sectie M nummer 347 - Onderwaard 3). Zie afbeelding 4.12. De afstand tussen het agrarische perceel en het woonperceel bedraagt 0 meter en de afstand tussen het agrarische perceel en het toekomstig woongebied tenminste 25 meter, waarbij ten oosten van de ontsluitingsweg Onderwaard ook een zone van 10 meter breed als groenzone bestemd is en blijft, waar eventueel haagbeplanting kan worden aangebracht ter afvang van verwaaide spuitvloeistof tijdens de toediening van gewasbestrijdingsmiddelen op het tegenover liggende agrarische perceel. Voor de situatie Onderwaard 17 (voormalig agrarisch perceel met nieuwe woonfunctie) gesitueerd ten opzichte van agrarische percelen met boomteelt dient wel rekening gehouden te worden met de spuitzone. Zie afbeelding 4.13.

82/586

Figuur 4.13: situering Onderwaard 17 t.o.v. agrarische gronden met boomteelt In de planregels is rekening gehouden met de spuitzone (zie artikel 13.3 - aanduiding 'milieuzone-spuitzone'. Om het mogelijk te maken dat op den duur gevoelige functies gerealiseerd kunnen worden binnen de spuitvrijezone, indien de ontwikkelingen als eerder genoemd daartoe aanleiding geven, is in het bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen binnen de 'milieuzone-spuitzone'. De binnen deze zone geplande woningen kunnen dan onder voorwaarden, met een omgevingsvergunning, worden toegestaan.

4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid staat bij de woningbouwontwikkeling van de Onderwaard hoog in het vaandel. Dit komt tot uiting in vier verschillende aspecten: 1. duurzaam stedenbouwkundig ontwerp; 2. duurzaam wijksysteem; 3. duurzame woningbouw; 4. duurzame omgeving. Duurzaam stedenbouwkundig ontwerp Met een duurzaam stedenbouwkundig ontwerp is gekeken naar een ontwerp dat zowel een hoogwaardige stedenbouwkundige kwaliteit kan bieden, en ook kan voorzien in een flexibele invulling zodat op termijn kan worden ingespeeld op veranderingen in de markt. Duurzaam wijksysteem Bij duurzame wijksystemen worden installaties bedoeld ten behoeve van de duurzaamheid die voor de hele wijk

83/586

worden gerealiseerd. Hierbij moet worden gedacht aan warmte-koudeopslag of een oplaadpunt voor elektrische auto's. Hierbij zal bij de planuitvoering worden gekeken in welke mate deze voorzieningen voor de wijk gerealiseerd kunnen worden. Voor de aanleg van WKO-systemen gelden volgens de Keur van het waterschap beleidsregels en is daarmee vergunningsplichtig. Belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat de WKO-systemen zo ver als mogelijk van de waterkering moeten worden gerealiseerd. Duurzame woningbouw Met duurzame woningbouw worden voorzieningen bedoeld die betrekking hebben op de individuele woning. Het gaat hierbij onder andere om de eisen uit het bouwbesluit en aanvullende voorzieningen, zoals zonnepanelen. Duurzame omgeving In de ontwikkeling wordt de omgeving duurzaam ingericht door rekening te houden met groen, biodiversiteit en klimaatadaptatie. In de openbare ruimte wordt tenminste 50% beplant met stedelijke groen. Het streven is om 30 m² aan groen per inwoner te realiseren. De biodiversiteit wordt gestimuleerd door diversificatie in aanplanting en door te werken met natuurlijk ecologisch beheer. Een groene omgeving draagt bij aan de klimaat apdaptatie van de omgeving. Het stedenbouwkundig plan biedt voldoende mogelijkheid om tenminste 50% schaduw te realiseren ter plaatse van verblijfsplekken en wandelen fietsroutes.

De fiets- en wandelroutes worden begeleid door bomen en centraal in het plan is een openbare ruimte die ingericht wordt als speelplek in combinatie met een wadi en poel. In de openbare ruimte wordt veel rekening gehouden met water. Centraal in het plangebied is ruimte voor een wadi, in combinatie met een poel aan de oostzijde ervan. In de centrale parkzone ontstaat een aantrekkelijk verblijfsgebied met lichte hoogteverschillen; een afwisseling tussen diepe en ondiepe delen in het water en variatie in steilheid van het talud. De poel is dieper dan de wadi en hier zal frequenter water in staan dan in de wadi. De wadi staat een groot deel van het jaar droog. Alleen bij langdurige neerslag of bij piekbuien komt de wadi vol te staan met water.

4.15 Conclusie Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de woningbouwontwikkeling past binnen de gestelde kaders uit de wet- en regelgeving. De ontwikkeling voldoet hiermee aan een goede ruimtelijke ordening. De ontwikkeling leidt niet tot onevenredige nadelige effecten op de omgeving.

84/586

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Inleiding Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. De wijze waarop deze regeling juridisch kan worden vormgegeven, wordt bepaald door de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening, het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze per 1 oktober 2012 in werking is getreden. Daarnaast wordt, aanvullend op de landelijke standaarden, gebruik gemaakt van de bestemmingsplan- systematiek binnen de gemeente Roermond. Planvorm De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. In dit geval is gekozen voor een globaal en flexibel bestemmingsplan om op wijzigende omstandigheden en/of nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen inspelen. Uitgangspunt is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid voor de burger wordt geschaad. Het voorliggende bestemmingsplan is ontwikkelingsgericht en biedt een directe bouwtitel voor de beoogde ontwikkeling van de nieuwe woningen. In het bestemmingsplan zijn de principes uit het stedenbouwkundig plan geborgd. In dit hoofdstuk wordt de doorvertaling van de plantoelichting naar planregels met de verbeelding verwoord.

Niet juridisch deel van het bestemmingsplan - toelichting Een bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting, waar de opzet van het plan wordt beschreven, zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten vermeld en is een onderbouwing opgenomen van de gemaakte beleidskeuzen over het bestemmingsplan. Ook wordt er verslag gedaan van de resultaten van het over het plan gevoerde inspraak en overleg. De toelichting betreft een niet-juridisch bindend deel uit van het bestemmingsplan. Het juridisch deel van het bestemmingsplan - verbeelding en planregels Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen: een verbeelding: een digitaal GML-bestand met een specifiek nummer, die samenhang met de planregels dient te worden gelezen; planregels: deze regels zijn in de SVBP2012 zoveel mogelijk gestandaardiseerd (o.a. volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en slotbepaling). Verbeelding De informatie die is vastgelegd in het plan moet in elektronische vorm volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Dit wordt de digitale verbeelding genoemd. De digitale verbeelding is de verbeelding van het

85/586

bestemmingsplan in een interactieve raadpleegomgeving, waarin alle relevante bestemmingsplaninformatie wordt getoond: de combinatie van (plan)kaart en regels met de toelichting. Op de verbeelding zijn, met bijbehorende verklaringen, de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en de regels. De verbeelding is opgebouwd volgens de landelijke richtlijn SVBP2012 en is getekend op schaal 1:1000.

Afbeelding 5.1: analoge verbeelding behorende bij het bestemmingsplan

86/586

Afbeelding 5.1: analoge verbeelding met onderlegger verkavelingsplan Op de verbeelding zijn onder meer de (dubbel)bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven en ook relevante gebieds- en functieaanduidingen met bijbehorende verklaring, het zogenaamde renvooi. De verklaring legt de verbinding tussen de bestemmingen die op de kaart zijn aangegeven en de regels. Planregels De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de bestemmingsplansystematiek van de gemeente. De plansystematiek wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De inrichting van de planregels is deels voorgeschreven door de SVBP2012. De groepering van de planregels, de naamgeving van een aantal planregels en zelfs de inrichting van bestemmingen is deels bepaald door de ministeriële regeling. Een aantal planregels is zelfs geheel voorgeschreven: het overgangsrecht, de anti-dubbeltelregel en de slotregel. De regels zijn standaard ingedeeld in vier hoofdstukken. De regels bevatten de regeling over het gebruik van de gronden, die in het plan zijn begrepen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15604707/1