CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

t BP Ammerzoden herziening 2023, Onderwaard 2025-06-05

Gemeenteraad 5 juni 2025, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bijlagen30.166 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op verkeer en parkeren wordt in paragraaf 4.3 nader ingegaan. Voor voetgangers en fietsers zijn naast de hoofdontsluiting meer ontsluitingen mogelijk. Daardoor is het voor voetgangers en fietsers mogelijk om via diverse wegen door de kern Ammerzoden bij de voorzieningen in het centrum te komen. Nieuwe wandelpaden maken verbinding met de bestaande wandelpaden rondom het plangebied (Vinkenpad, Spreeuwenpad, Lijsterpad). Via Kleinzand wordt de nieuwe wijk verbonden met Ammerzoden (alleen fiets-/voetgangers, geen autoverkeer). Deze ontsluiting fungeert als calamiteitenontsluiting. Rondom 'Onderwaard' liggen diverse paden, die met name gebruikt worden voor recreatief wandelen. Via het voetpad 'het Singeltje' kunnen het slotje en de kern Well worden bereikt. Stedenbouwkundige uitgangspunten Voor de ontwikkeling Onderwaard is een stedenbouwkundig plan en een beeldkwaliteitplan opgesteld uitgaande van een aantal uitgangspunten, zoals weergegeven in figuur 3.4. Het stedenbouwkunding plan en beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage Bijlagen bij toelichting bij dit plan. De focus ligt op een prettige woonwijk die gekenmerkt wordt door een groene omgeving en waarbij er aandacht is voor duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Binnen de woonwijk worden meerdere woonclusters gerealiseerd te midden van de bestaande groene buitenrand en de nieuwe groene binnengebieden.

Het uitgangspunt is dat de woningen op deze wooneilanden telkens georiënteerd zijn op deze groene plekken, zodat het groen vanuit de woningen te beleven is. De nieuwe groene binnengebieden sluiten aan op de groene buitenranden en vormen plekken voor ontmoeting en spelen. De woningen zijn veelal grondgebonden met maximaal twee bouwlagen en een kap. Op enkele plekken in het plangebied worden ook appartementengebouwen gerealiseerd met ongeveer 10 tot 15 appartementen per

36/586

gebouw. Ook deze gebouwen kunnen vormgegeven worden met twee bouwlagen met een kap. Verdeeld over de grondgebonden woningen en de appartementen zijn er veel verschillende woningtypen in het plangebied aanwezig, zoals sociale huurwoningen voor één- of tweepersoonshuishoudens, gezinnen en senioren, een wooncluster voor een CPO-initiatief met een gezamenlijke groene binnenruimte waarlangs ook bijzondere typologieën, zoals rug-aan-rugwoningen gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast zijn er rijwoningen en appartementen in het betaalbare segment en twee-onder-één-kap-woningen, vrijstaande woningen/kavels en appartementen in de vrije sector. De meeste woningen die langs de rand liggen krijgen één of meerdere parkeerplaatsen op het eigen terrein. De bewoners van de andere woningen kunnen op korte afstand de auto parkeren, bijvoorbeeld in een parkeercluster dat grenst aan de achtertuin. Met deze parkeeroplossing houden we de groene plekken tussen de wooneilanden zoveel mogelijk vrij van geparkeerde auto's in het straatbeeld.

Figuur 3.4: Uitgangspunten voor ontwikkeling Onderwaard Deze stedenbouwkundige uitgangspunten vormen de basis voor het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan voor Onderwaard. Om te illustreren en te inspireren hoe deze stedenbouwkundige uitgangspunten kunnen worden door vertaald in een ruimtelijk ontwerp, is een proefverkaveling opgesteld, zoals opgenomen in figuur 3.5.

37/586

Figuur 3.5: Proefverkaveling

3.4

Conclusie

De gemeente Maasdriel wil het gebied 'Onderwaard' omvormen tot een woningbouwlocatie. Hiervoor is op basis van actuele uitgangspunten een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het uitgangspunt is te komen tot een afwisselende, groene wijk. Deze wordt kwalitatief ingepast in de bestaande situatie.

38/586

Hoofdstuk 4 4.1

Milieuonderzoek

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het voorliggende hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor het bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de uitgevoerde onderzoeken. De volledige onderzoeken zijn opgenomen in de Bijlagen bij toelichting.

4.2

Vormvrije mer-beoordeling

Sinds september 2006 kent de Nederlandse m.e.r.-regelgeving de verplichting om bij een aantal ruimtelijke plannen en besluiten een m.e.r.- procedure te volgen. Dit is geregeld in de Wet milieubeheer met het hier aangekoppelde Besluit m.e.r.. Het doel van de m.e.r. is dat bij de besluitvorming het milieu een volwaardige plaats krijgt op basis van goede informatie. Toetsingskader vóór de Omgevingswet (vóór 2024-01-01) In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-mer-plichtig, project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije mer-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en mer-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije mer-beoordeling.

Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een mer-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije mer-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een mer-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije mer-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van

39/586

maximaal 103 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije mer-beoordeling' noodzakelijk is. Toetsingskader volgens de Omgevingswet (na 2024-01-01) In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (hierna: Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.

Nr.

J11

Kolom 1 Projecten

Kolom2 Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow)

Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Niet van toepassing

Kolom 3 Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow) Aanleg, wijziging of uitbreiding

Kolom 4 Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van het Ob Het omgevingsplan

Uit de kolommen 2 en 3 van bijlage V Ob volgt per project in welke gevallen direct een mer-plicht geldt of een project-mer-beoordelingsplicht. Voor een plan mag een plan-mer-beoordeling uitgevoerd worden als het plan: kaders stelt over mer-beoordelingsplichtige projecten in bijlage V Omgevingsbesluit of een Passende beoordeling nodig is (binnen de natuurwetgeving), én over een klein gebied op gemeentelijk niveau gaat of een kleine wijziging van een plan omvat. (vormvrije) mer-beoordelingsplicht In een mer-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een plan of project aanzienlijke milieueffecten heeft. Aanzienlijke milieueffecten kunnen ook optreden ónder de wettelijke normen (bijvoorbeeld over geluid of geur), of als er voor een thema helemaal geen wettelijke normen zijn (denk aan landschap, lokale/regionale biodiversiteit of de bouwfase van een project). De achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Bij een mer-beoordeling kan het bevoegd gezag wel meewegen of een project aan de wettelijke normen voldoet. Een conclusie over de mer-beoordeling betreft een integrale conclusie van alle milieueffecten samen. Bij die beoordeling mogen maatregelen worden meegenomen die aanzienlijke milieugevolgen verminderen of wegnemen.

Die maatregelen worden dan in het te nemen besluit voorgeschreven. Of er aanzienlijke milieueffecten zijn hangt af van:

40/586

1. De kenmerken van het project: Wat houdt het project in? Wat is de omvang? Wat stoot het uit? Zijn er andere milieubelastende projecten in de omgeving (cumulatie)? 2. De plaats van het project: Ligt het project in of vlakbij een beschermd gebied? Zijn er bijzondere diersoorten? Zijn er gevoelige bestemmingen? Gelden er voor het gebied milieudoelen, bijvoorbeeld voor klimaat? 3. De kenmerken van mogelijke effecten: Wat zijn de mogelijke effecten? Is het effect onomkeerbaar? Is het waarschijnlijk dat het effect optreedt? Hoe vaak treden de effecten op? Op basis van de beoordeling van de verschillende haalbaarheidsaspecten van de ontwikkeling, kan een conclusie worden getrokken over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Een plan-mer-beoordeling doorloopt 3 stappen: 1. Het bevoegd gezag beoordeelt bij de voorbereiding van het plan of aanzienlijke milieueffecten optreden. Het bevoegd gezag raadpleegt hiervoor andere bestuursorganen en wettelijke adviseurs. 2. Er is geen mer-beoordelingsbesluit nodig. Het bevoegd gezag motiveert in het plan of programma of er een milieueffectrapport nodig is. 3. Het bevoegd gezag stelt een milieueffectrapport op als dat nodig is. De vormvrije mer-beoordeling is opgenomen in bijlage 1.

4.3

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan, dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt berekend volgens de 'Nota Parkeernormen 2020 Gemeente Maasdriel' op basis van de kencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbinnen wordt voor de te hanteren kencijfers volgens het gemeentelijke parkeernormenbeleid uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'niet stedelijk', terwijl voor de gehele gemeente uit wordt gegaan van het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Maasdriel per kencijfer het maximum van de bandbreedte gehanteerd. Ook voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 381. Verkeersstructuur

41/586

Figuur 4.1: Ligging plangebied Gemotoriseerd verkeer De beoogde ontwikkeling wordt ontsloten op de Onderwaard. In de bestaande situatie is de Onderwaard gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/u. De Onderwaard kruist ten noorden van het plangebied met de Bernseweg, een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 km/u. De Bernseweg leidt in oostelijke richting naar het centrum van Ammerzoden, terwijl de weg in westelijke richting buiten de bebouwde kom kruist met de Weigraaf (N832) en leidt vervolgens verder in westelijke richting naar Wijk en Aalburg. De Weigraaf (N832) is ingericht als een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/u en leidt in noordelijke richting via de kern Kerkwijk naar de N322, tussen Nieuwendijk en knooppunt Ewijk. Langzaam verkeer Langs de Onderwaard is aan de oostzijde van de weg een onverhard voetpad aanwezig, zodat voetgangers de rijbaan niet delen met het gemotoriseerd verkeer. Voor fietsers zijn op de Onderwaard geen aparte voorzieningen aanwezig, volgens de ontwerprichtlijnen voor een erftoegangsweg type II buiten de bebouwde kom (CROW, HWO 2013). Op de Bernseweg zijn aan weerszijden van de weg vrij liggende fietspaden aanwezig.

Voor voetgangers is ter hoogte van het plangebied op de Bernseweg een onverhard voetpad aanwezig dat verder loopt aan de oostzijde van het plangebied en een verbinding vormt met de naastgelegen buurt. Binnen het plangebied worden voor voetgangers meerdere aansluitingen aangelegd op de voetpaden rondom het plangebied. Verder in oostelijke richting zijn op de Bernseweg geen aparte voorzieningen aanwezig voor

42/586

voetgangers, waardoor zij gebruik moeten maken van het fietspad. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf het plangebied is gelegen op ongeveer 550 meter loopafstand aan de Schokkerstraat. Bij deze bushalte halteert de buslijn 166, tussen Well en Den Bosch, met een frequentie van 30 minuten. Verkeersintensiteiten Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten op de Onderwaard in de autonome situatie zijn verkeerstellingen uitgevoerd in de periode van 6 t/m 21 september 2023. Deze tellingen betreffen het wegvak tussen de Bernseweg en het Singeltje. De verkeersintensiteit op de Bernseweg is bepaald op basis van telgegevens van de provincie Gelderland uit 2021. Voor de Onderwaard ten noorden van de Bernseweg zijn geen verkeersgegevens vanuit tellingen aanwezig. Voor dit wegvak wordt daarom uitgegaan van de gegevens vanuit het gemeentelijke verkeersmodel voor het prognosejaar 2035. Bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de situatie 10 jaar na realisatie van het plan maatgevend. Voor de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan van het realisatiejaar 2024 en het toekomstjaar 2034. Voor het doorrekenen van de autonome groei tot aan het realisatiejaar en het toekomstjaar wordt in overeenstemming met de gemeente op basis van het gemeentelijke verkeersmodel een groeifactor van 0,8% per jaar aangehouden.

In tabel 4.11 zijn de verkeersintensiteiten voor de relevante wegen weergegeven voor een gemiddelde werkdag. Tabel 4.1: Intensiteiten relevante wegen in de autonome situatie Wegvak Jaartal Richting Verkeersintensiteit gegevens werkdag realisatiejaar (2024) (mvt/etmaal) Onderwaard, tussen 2023 Noord 262 Bernseweg en het Singeltje 2023 Zuid 223 2023 Totaal 485 Onderwaard, tussen 2035 Noord 615 Bernseweg en Hogesteeg 2035 Zuid 592 2035 Totaal 1206 Bernseweg, tussen 2021 Oost 1.536 Weigraaf en Onderwaard 2021 West 1.608 2021 Totaal 3.144 Bernseweg, tussen 2021 Oost 1.956 Onderwaard en Hogesteeg 2021 West 1.946 2021 Totaal 3.902

Verkeersintensiteit werkdag toekomstjaar (2024) (mvt/etmaal) 284 241 525 666 641 1307 1.664 1.741 3.405 2.118 2.107 4.226

Verkeer In de bestaande situatie is binnen het plangebied een agrarisch bedrijf gevestigd. Dit bedrijf is in de huidige

43/586

situatie echter slechts beperkt actief. Daarnaast wordt als onderdeel van de beoogde ontwikkeling de bijbehorende bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Voor het hanteren van een worstcase benadering wordt geen saldering toegepast van de bestaande functies binnen het plangebied. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend, terwijl voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling de gemiddelde werkdagintensiteiten maatgevend zijn. volgens CROW-publicatie 381 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In tabel 4.2 is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekent. Tabel 4.2: De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling Functie Aantal Kencijfer Huur huis, sociale huur Koop huis, tussen/hoek Koop huis, twee-onder-één-kap Koop huis, vrijstaand Vrijstaande kavels Voormalige bedrijfswoning Totaal

35 woningen

6 per woning

Weekdag (mvt/etmaal) 210

35 woningen

7,8 per woning

273

303

20 woningen

8,2 per woning

164

182

10 woningen 3 woningen 1 woning

8,6 per woning 8,6 per woning 8,6 per woning

86 25,8 8,6

95,5 28,6 9,5

767,4

851,7

104

Werkdag (mvt/etmaal) 233,1

De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeerstoename van 767,4 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdagintensiteiten zal de beoogde ontwikkeling leiden tot een verkeerstoename van 851,7 mvt/etmaal. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het drukste uur 10% van de etmaal intensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het maatgevende uur zorgt de beoogde ontwikkeling dan ook voor een verkeersgeneratie van (851,7 x 0,1 =) 85 mvt/uur. Verkeerstoedeling Met behulp van de navigatietool van Google Maps is de toedeling van het gegenereerde verkeer bepaald. Het gegenereerde verkeer wordt volledig over de Onderwaard in noordelijke richting afgewikkeld naar het kruispunt Onderwaard – Bernseweg. Op deze kruising zal 60% (51 mvt/uur) over de Bernseweg in westelijke richting worden afgewikkeld naar het kruispunt Weigraaf – Bernseweg. De resterende 40% (34 mvt/uur) zal over de Bernseweg in oostelijke richting worden afgewikkeld tot aan het kruispunt Ammerzodenseweg – Baronieweg – Uithovensestraat - Grutakker.

Vanaf dit kruispunt zal 30% (26 mvt/uur) in oostelijke richting worden afgewikkeld naar de Oude Rijksweg, terwijl de resterende 10% (9 mvt/uur) over de Baronieweg in noordelijke richting zal worden ontsloten. Vanaf het kruispunt Weigraaf – Bernseweg zal 35% (30 mvt/uur) worden ontsloten over de Weigraaf in noordelijke richting, terwijl de resterende 25% (21 mvt/uur) verder over de Bernseweg worden ontsloten in westelijke richting. In figuur 4.2 is de beoogde verkeersafwikkeling weergegeven.

44/586

Figuur 4.2: De verkeerstoedeling van het gegenereerde verkeer Verkeersafwikkeling Om te beoordelen of de toename als gevolg van de beoogde ontwikkeling leidt tot problemen in de verkeersdoorstroming dient de verkeersafwikkeling op het omliggende wegennet te worden beoordeeld. Hierbij is de verkeersdoorstroming bij kruispunten maatgevend. De reden hiervoor is dat kruispunten de grootste invloed hebben op de doorstroming van een weg doordat op kruispunten meerdere verkeersstromen elkaar kruisen. Voor de beoogde ontwikkeling is het maatgevende kruispunt de kruising tussen de Onderwaard en de Bernseweg (zie figuur 4.3).

45/586

Figuur 4.3: Overzicht kruispunt Onderwaard - Bernseweg (bron: Cyclomedia) Uitgangspunten Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling voor het kruispunt Onderwaard - Bernseweg zijn indicatieve kruispuntberekeningen uitgevoerd met behulp van de softwareapplicatie Capacito. Bij het uitvoeren van de kruispuntberekeningen is in eerste instantie als uitgangspunt aangehouden dat de bestaande inrichting van het kruispunt behouden blijft. De verkeersdoorstroming van het kruispunt is beoordeeld in 4 scenario's: 1. Realisatiejaar (2024) exclusief planbijdrage; 2. Toekomstjaar (2034) exclusief planbijdrage; 3. Toekomstjaar (2034) inclusief planbijdrage gedurende de ochtendspits; 4. Toekomstjaar (2034) inclusief planbijdrage gedurende de avondspits. Per scenario zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Bij het uitvoeren van kruispuntberekeningen wordt gebruik gemaakt van het personenauto equivalent (pae) per uur in plaats van het aantal motorvoertuigbewegingen per uur. Voor het omrekenen van mvt/uur naar pae/uur is een standaard omrekenfactor van 1,08 toegepast.

46/586

Voor woonfuncties wordt op basis van CROW-publicatie 381 aangehouden dat gedurende de ochtendspits 20% van het gegenereerde verkeer naar het plangebied toe rijdt en 80% van het plangebied af. Voor de avondspits wordt aangehouden dat 80% van het gegenereerde verkeer naar het plangebied toe rijdt en 20% van het plangebied af. Toetsingskader Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling op voorrangskruispunten is de gemiddelde wachttijd per richting maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt aangehouden dat de maatgevende wachttijd niet hoger mag zijn dan 20 seconde. Een langere wachttijd indiceert problemen in de verkeersdoorstroming van het kruispunt. In de onderstaande tabel is het toetsingskader voor de gemiddelde wachttijd toegelicht. Tabel 4.3: Grenswaarden wachttijd Grootte van de wachttijd >20 seconden 20 seconden 15 seconden <15 seconden 0 seconden

Beoordeling Lange wachttijd Matige wachttijd Kleine wachttijd Bijna geen wachttijd Geen wachttijd

Analyseresultaten kruispuntberekeningen In bijlage 2 zijn de invoergegevens voor de kruispuntberekeningen per scenario weergegeven. In tabel 4.4 is een overzicht opgesteld van de resultaten per scenario. Tabel 4.4: Resultaat kruispuntberekening Onderwaard - Bernseweg Scenario Maatgevende wachttijd Maatgevende tak Wachttijd (s) 1: Realisatiejaar (2034) autonoom Alle takken 0 2: Toekomstjaar (2034) autonoom Alle takken 0 3: Toekomstjaar (2034) incl. plan Onderwaard Noord, Onderwaard <15 sec ochtendspits Zuid 4: Toekomstjaar (2034) incl. plan Onderwaard Noord <15 sec avondspits In de autonome situatie bedraagt de wachttijd op alle takken van het kruispunt 0 seconden, zowel in het realisatiejaar als in het toekomstjaar. In de toekomstige situatie stijgt de maatgevende wachttijd zowel gedurende de ochtend- als avondspits naar minder dan 15 seconden. Hiermee blijft de maatgevende wachttijd op het kruispunt ruim onder de maximaal acceptabele grenswaarde van 20 seconden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet leidt tot knelpunten in de verkeersdoorstroming van het omliggende wegennet. Verkeersveiligheid Naast het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling dient ook de invloed van het plangebied op de verkeersveiligheid van de omliggende wegen te worden beoordeeld. De hoogste

47/586

verkeerstoename vindt plaats op de Onderwaard, waar de beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 852 mvt/etmaal. Op basis van de verkeerstellingen bedraagt de verkeersintensiteit op de Onderwaard in het toekomstjaar (2034) 525 mvt/etmaal zonder de beoogde ontwikkeling. In de bestaande situatie is de Onderwaard ter hoogte van het plangebied aangewezen als een erftoegangsweg-type 2 buiten de bebouwde kom. Alhoewel de Onderwaard is ingericht als een erftoegangsweg geldt in de bestaande situatie een maximale snelheid van 80 km/u. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt de komgrens op de Onderwaard verplaatst tot aan het kruispunt met de Horenkamp, waarbij de weg wordt heringericht als een erftoegangsweg-type 2 binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/u. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW-type 2 BIBEKO aangehouden dat een verkeersomvang van maximaal 4.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Na toevoeging van de planbijdrage stijgt de verkeersintensiteit op de Onderwaard naar (525 + 852 =) 1.377 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Hieruit volgt dat de Onderwaard ruim voldoende capaciteit heeft voor het probleemloos opvangen van de beoogde verkeerstoename.

Naast het verlagen van de maximumsnelheid worden aanvullende maatregelen toegepast voor het borgen van de verkeersveiligheid van de Onderwaard. Welke maatregelen dit zijn wordt in een apart inrichtingsplan voor de Onderwaard verder uitgewerkt. Naast de Onderwaard dient voor het beoordelen van de verkeersveiligheid ook de inrichting van het kruispunt Onderwaard – Bernseweg in acht te worden genomen. Uit de beoordeling van de verkeersafwikkeling blijkt dat de beoogde verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersdoorstroming van het kruispunt. Desondanks leidt de huidige inrichting van het kruispunt tot knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid. Zo zijn op de Bernseweg geen middengeleiders aanwezig. Het gebrek aan middengeleiders zorgt ervoor dat overstekende voertuigen dit in een keer moeten doen, doordat er geen opstelruimte beschikbaar is op het midden van het kruispunt. Ook ligt het fietspad slechts 2 meter van de hoofdrijbaan af, wat niet voldoende opstelruimte biedt voor een afslaand voertuig. Doordat het gemotoriseerde verkeer voorrang moet verlenen aan het fietsverkeer kan dit ertoe leiden dat een afslaand voertuig het kruispunt blokkeert als er een fietser oversteekt. Daarnaast zijn er op de Bernseweg geen snelheidsremmende maatregelen aanwezig rondom het kruispunt voor het verkleinen van de snelheidsverschillen op de kruisingsvlakken.

Tenslotte zijn op de Bernseweg geen oversteekvoorzieningen aanwezig voor fietsers ondanks dat het fietsverkeer wordt ontsloten via éénrichtingsfietspaden aan weerszijden van de Bernseweg. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt een apart inrichtingsplan voor het kruispunt Onderwaard – Bernseweg waarin de maatregelen voor het borgen van de verkeersveiligheid op het kruispunt zijn uitgewerkt. Ontsluiting plangebied Zoals eerder benoemd zal het plangebied worden ontsloten via één of meerdere aansluitingen op de Onderwaard. Echter is de precieze ligging van de aansluiting(en) in het huidige stadium van de ontwikkeling nog niet vastgesteld. Volgens het Handboek wegontwerp 2013 geldt voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom een minimumafstand tussen kruispunten van 50 meter. Door het hanteren van de minimumafstand tot aan het kruispunt Onderwaard – Bernseweg wordt voorkomen dat weggebruikers die de Onderwaard oprijden onverwachts worden geconfronteerd met verkeer vanuit een zijweg. Daarnaast biedt de afstand van 50 meter voldoende opstelruimte voor het kruispunt Onderwaard – Bernseweg om te voorkomen dat een wachtrij op dit kruispunt ertoe zal leiden dat de aansluiting van het plangebied wordt geblokkeerd.

48/586

Parkeren Volgens het gemeentelijke parkeernormenbeleid wordt voor alle woningen ongeacht het type een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning gehanteerd, waarvan 0,3 voor bezoekers. De beoogde ontwikkeling bestaat uit 103 nieuwe woningen (100 nieuwe woningen en de omzetting van de bedrijfswoning naar 3 woningen) en één bestaande woning, wat resulteert in een parkeerbehoefte van (104 x 2,3 =) 239 parkeerplaatsen, waarvan 31 voor bezoekers. Binnen het plangebied zullen voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd om de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling volledig binnen de plangrenzen op te vangen. Conclusie De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeerstoename van 852 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Uit de kruispuntberekeningen voor het kruispunt Onderwaard – Bernseweg blijkt dat de beoogde verkeerstoename geen negatief effect heeft op de verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Voor het borgen van de verkeersveiligheid zijn maatregelen vereist aan de inrichting van de Onderwaard en het kruispunt Onderwaard – Bernseweg. Welke maatregelen dit zijn wordt uitgewerkt in een apart inrichtingsplan waarmee de verkeersveiligheid op het omliggende wegennet na toevoeging van de beoogde ontwikkeling wordt geborgd. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt in totaal 239 parkeerplaatsen.

Binnen het plangebied zullen voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd om aan de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling te voldoen. Het aspect verkeer en parkeren leidt daarmee niet tot knelpunten voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Bodem

Toetsingskader vóór de Omgevingswet Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moest in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan onderzoek worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging moet worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de beoogde nieuwe functie. Toetsingskader volgens de Omgevingswet Uit de Ow volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Ow is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een

49/586

omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een recent bodemonderzoek worden aangeleverd, in het algemeen niet ouder dan 5 jaar. Onderzoek In het kader van het landelijke project 'Verkennend onderzoek voormalige stortplaatsen' (VOS) is de locatie onderzocht door de provincie Gelderland. In 2011 is in het kader van de woningbouw een onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit ter plaatse (Nader bodemonderzoek voormalige stortplaats Onderwaard in Ammerzoden, Envita Nijmegen B.V., d.d. 14 april 2011, kenmerk: 200507-10/R02). Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse het volume stortmateriaal ongeveer 3.200 m3 bedraagt. Een voormalige stortplaats wordt door de provincie gezien als een geval van ernstige bodemverontreiniging en hiervoor geldt dat bij wijziging van gebruik naar woningbouw de grond ter plaatse moeten worden gesaneerd. In het kader van de herontwikkeling is daarom een saneringsnotitie opgesteld (kenmerk: N009-4815348MNU-evp-V01, zie bijlage 3). In deze saneringsnotitie zijn twee scenario's voor sanering beschreven. In het kader van de herontwikkeling zal één van beide scenario's worden gekozen.

50/586

Figuur 4.4: Contouren voormalige stortplaats (bron: Tauw, 2012) Saneringsscenario's Optie 1 betreft een volledige sanering. Dit betreft de meest toekomstbestendige aanpak. Immers, de verontreiniging wordt dan vervangen door schone grond. Echter is hiervoor tijdens de saneringswerkzaamheden wel bemaling nodig om droog te kunnen werken. Dit levert zettingen op, ook buiten het plangebied. Daarnaast zal ook het peil in de peilvakken lastiger te handhaven zijn, omdat de put een aanzuigende werking krijgt. Hiervoor dient een geotechnische oplossing te komen en moet er worden aangetoond of dit hydrologisch geen schadelijke effecten heeft. Optie 2 betreft een gedeeltelijke sanering met een leeflaag. De grondwaterstromingen gaan hoofdzakelijk richting de Maas. Bij hoogwater zal die stromingsrichting de andere kant op gaan. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat verontreinigd water richting de polders en naar boven komt stromen. Voor beide opties geldt, dat goede uitvoeringseisen opgesteld moeten worden. Daarbij geldt dat voor beide opties ook contact moet worden opgenomen met Waterschap Rivierenland in verband met de effecten van de bodemsanering en bronbemalingen. Werkzaamheden moeten in ieder geval buiten het hoogwaterseizoen. Verder is een nulopname en een uitmeting van de kering na de sanering en bij oplevering van de woonwijk gewenst.

Als verzakkingen zijn opgetreden aan de dijk moet er gekeken worden hoe die hersteld kunnen worden. Voor bemalingen moet er hydrologische onderzoeken worden uitgevoerd om aan te geven wat het effect is op de waterstanden in de peilgebieden. Het gaat om een groot gebied dus er zullen grote debieten worden opgepompt. Bij de toekomstige besluitvorming en uitwerking van de beoogde saneringswerkzaamheden is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de waterkering ten zuiden van het gebied (zie waterparagraaf). Hierbij moet rekening worden gehouden met de grondverbetering en voorbelasting die beoogd is voor de woningen.

51/586

De woningen ten zuiden, binnen de beschermingszones van de waterkering, kunnen niet zonder meer gerealiseerd worden in het kader van de bodem verstorende werkzaamheden en het functioneren van de waterkering. Zodra de beoogde werkzaamheden in een later stadium concreter zijn uitgewerkt dient in samenwerking met het waterschap de sanering nauwkeurig te worden beschouwd. Hierbij kunnen eventuele benodigde vergunning worden aangevraagd. Milieuhygiënisch vooronderzoek Econsultancy heeft voor het plangebied een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of er aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 en/of NEN 5707, door middel van een archiefonderzoek, een interview met de eigenaar/gebruiker en een terreininspectie. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Onderstaand betreft een samenvatting van de conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek. Bekend is dat op een gedeelte van de onderzoekslocatie een stortplaats aanwezig is. De contouren zijn in de richting van de bebouwing van Onderwaard 17 niet voldoende afgeperkt. Mogelijk bevindt zich onder de bebouwing nog stortmateriaal. Ter plaatse van een aantal schuren op de onderzoekslocatie is volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland sprake van dakbedekking bestaande uit asbest(verdachte) golfplaten.

Uit de terreininspectie blijkt eveneens dat de daken van asbestverdachte golfplaten zijn voorzien. Ter plaatse van de opslag van koolwaterstoffen en bestrijdingsmiddelen kunnen lekkages hebben plaatsgevonden die bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. De exacte locatie van deze tanks is tot op heden onbekend. Deze locatie moeten naar aanleiding van aanvullend onderzoek nog worden bepaald. Door gebruik als boerenerf, en ook de mogelijke ligging op een (deel van) een stortplaats, maakt de onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Ter plaatse van de akkers zijn geen redenen om aan te nemen dat er sprake is van bodemverontreiniging. Het milieuhygiënisch vooronderzoek geeft aanleiding tot vervolgonderzoek(en). Deze worden uitgevoerd. Hierbij worden de hieronder opgenomen deelgebieden nader onderzocht. De resultaten uit dit onderzoek worden voor vaststelling in dit bestemmingsplan verwerkt. Tabel 4.5: Deellocaties voor vervolgonderzoek bodem en onderzoeksstrategieën

52/586

Milieuhygiënisch vervolgonderzoek Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoek locatie en de direct hieraan grenzende percelen en/of terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoek locatie (±7.385 m²) is gelegen aan de Onderwaard 17 en 17a te Ammerzoden, kadastraal bekend gemeente Ammerzoden, sectie M, nummers 1609, 1911 en 1912 (geheel) en 1610 (gedeeltelijk). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er op het erf van Onderwaard 17-17a geen sterke verontreinigingen voorkomen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik (het oprichten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 5. Conclusie Het doorlopen van de stortplaats tot onder het erf van Onderwaard 17-17a lijkt in beperkte mate bevestigd. In een paar boringen (A05, A06 en D10) wordt nog huisvuil aangetroffen, terwijl in een aantal boringen tussen de perceelsgrens en boring D10 geen huisvuil aanwezig is (boringen/gaten D08, D13, D14 en peilbuis D07). Wel zijn een aantal boringen aan de perceelsgrens gestaakt op harde lagen. Dit betreft de boringen A01, A02, A08 en A09. Het is niet bekend wat de aard van deze laag is (stortmateriaal of mogelijk oude verharding).

Bij sanering van de stortplaats wordt geadviseerd ook eventueel aangetroffen stortmateriaal onder het erf te verwijderen. Waarschijnlijk zal de stort niet verder doorlopen dan de bebouwing en bevindt zich dus een betrekkelijk kleine hoeveelheid stortmateriaal zich binnen het erf. Volgens het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel geldt de Interventiewaarde bodemkwaliteit (en een omvang van >25 m3) als toetsingswaarde om vast te stellen of sprake is van een toelaatbare bodemkwaliteit voor het oprichten van bodemgevoelige bouwwerken op een bodemgevoelige locatie. Deze eis wordt niet overschreden. Er zijn derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt zijn de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” en/of het Omgevingsplan van de

53/586

gemeente van toepassing. Verschillende soorten en kwaliteitsklasses grond dienen zoveel als mogelijk gescheiden ontgraven, opgeslagen en afgevoerd te worden. Grond die elders wordt toegepast dient voorzien te zijn van een milieuverklaring bodemkwaliteit. Niet gesprongen explosieven Voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden is als eerste stap een bureau onderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Econsultancy werkt hiervoor samen met BeoBOM. Daarvoor wordt informatie bij de gemeente opgevraagd, dit wordt beoordeeld op compleetheid ten opzichte van de huidige wettelijke norm, zoals vastgelegd in het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten, en de resultaten worden verwerkt in een briefrapportage welke specifiek gericht is op het huidige project Nieuwbouw De Onderwaard te Ammerzoden. Door gericht onderzoek en specifiek te nemen maatregelen, als oorlogsresten (NGE) worden aangetroffen, is de uitvoerbaarheid van de planontwikkeling gewaarborgd.

4.5

Water

In het kader van het bestemmingsplan dient er voorafgaand aan de ruimtelijke procedure overleg plaats te vinden met de waterbeheerder. In dat kader is een watertoets opgesteld. In deze watertoets wordt de bestaande situatie beschreven en worden de gevolgen van de ontwikkeling voor de waterhuishouding uiteengezet. In 2012 is een verkennende watertoets uitgevoerd door Tauw (kenmerk: N011-4815348BJK-ege-V01). De watertoets is aangepast en aangevuld op basis van het huidige beleid van het waterschap en de gemeente. Dit is verwerkt in onderstaande waterparagraaf. Waterbeheer en watertoets In een vroeg stadium van de planvorming moet overleg worden gevoerd met de waterbeheerder. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Rivierenland, die verantwoordelijk is voor het waterkwantiteitsen waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen over de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).

Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van de gemeente en het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NWP) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet

54/586

De Omgevingswet Provinciaal: Regionaal Waterprogramma Gelderland Omgevingsverordening Gelderland Omgevingswet Volgens de Omgevingswet dient er getoetst te worden aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is waterschap Rivierenland. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor deze bopa geldt: Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Aanvullende instructieregels Voor een aantal specifieke rijks belangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels.

Deze zijn: Bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; Behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl; Waterschap Met het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. De langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Deze visie is in het WBP uitgewerkt met oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn; een planperiode van zes jaar. Voor dit WBP is dat 2022-2027. De maatregelen realiseert het waterschap vervolgens in projecten en in het reguliere beheer en onderhoud. Voor de kortere termijn bepaalt ook het akkoord, dat het bestuur heeft gesloten na de waterschapsverkiezingen van 2019, de koers van het waterschap. Hiermee trekt het Waterschap Rivierenland de lijn door van het vorige waterbeheerplan. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met veranderingen en benutten zij de kansen die zich voordoen in de regio. Om inhoudelijke ambities te bereiken ligt het accent onder meer op: gebiedsgericht werken; waterbewustzijn; innovatie.

55/586

Het waterbeheerprogramma is het centrale beleidsdocument van het waterschap. Het programma biedt houvast voor bestuurders en ambtenaren. De doelen en maatregelen in het waterbeheerprogramma zijn opgesteld samen met provincies, gemeenten en andere partijen. Het waterschap houdt rekening met provinciale functies en werkt mee aan het realiseren van provinciale doelen. In de Beleidsregels van het waterschap is een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). Gemeente Waterschap Rivierenland heeft samen met de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel een waterplan voor de stads- en dorpskernen in de Bommelerwaard opgesteld. In het water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 is onder andere het gemeentelijk water- en rioleringsplan van de gemeente Maasdriel opgenomen. Belangrijke maatregelen in het waterplan zijn: het aanleggen van meer open water, zodat regenwater beter opgevangen kan worden; aanleg flauw aflopende oevers (zogenaamde natuurvriendelijke oevers).

Deze bieden goede kansen voor planten en dieren en kunnen bovendien meer water bergen; verbeteren en vergroten van duikers (grote buizen onder de weg die de ene sloot met de andere verbinden), zodat het water goed afgevoerd kan worden; het beter doorspoelen van sloten. Stilstaand water is namelijk niet goed voor een gezond leefmilieu in de sloot; afkoppelen van regenwater; gemeente koppelt relatief schone weg- en dakoppervlakken af van de riolering om riool overstorten op het oppervlaktewatersysteem te beperken. Zo wordt voorkomen dat bij een flinke regenbui met regen vermengd rioolwater de straat op stroomt. Hemelwaterbeleid gemeente Maasdriel Onderdeel van het water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 is het hemelwaterbeleid van de gemeente Maasdriel. Dit beleid geeft de kaders voor hemelwatervoorzieningen, zowel op openbaar als particulier terrein. De strategie om (nog) duurzamer om te gaan met hemelwater is: scheiden van schone en vuile waterstromen; beperken van hoeveelheid ingezameld hemelwater op het gemengde stelsel; verbieden van het afvoeren van hemelwater op drukriolering; beperken van de risico's tijdens extreme neerslag. Binnen het beleid worden eisen gesteld aan nieuw verhard oppervlak zodat hemelwater wordt geïnfiltreerd of vertraagd afgevoerd. Ook wordt er gestreefd naar een maximale verharding van 70% van het totale perceeloppervlak.

Huidige situatie Het plangebied bestaat in de bestaande situatie uit agrarische gronden en is nagenoeg volledig onverhard. Op dit moment hebben de gronden een agrarisch gebruik (akker en weiland). Het plangebied heeft een kleiige ondergrond (waar sprake is van kwel). Het watersysteem staat onder invloed van de waterstanden van de Maas.

56/586

Bij hoge rivierwaterstanden neemt de druk op het grondwater in de uiterwaarden toe en treedt binnendijks (meer) kwel op. Het grondwaterpeil bevindt zich lokaal op ongeveer 1,0–1,4 meter beneden maaiveld. Verder loopt door het midden van het plangebied (van west naar oost) een rioolwaterpersleiding van het waterschap. Waterkwantiteit In onderstaande figuur zijn de wateren rond het plangebied weergegeven. Ten oosten van het plangebied ligt een a-watergang met een beschermingszone (4 meter). De beschermingszone dient vrijgehouden te worden voor onderhoud van de watergang. Ten noorden van het plangebied ligt een c-watergang. Hiervoor geldt geen beschermingszone. Voor het wijzigen, aanleggen of dempen van een watergang dient een watervergunning aangevraagd te worden. Een toename aan verharding leidt tot het versneld afvoeren van hemelwater en dient gecompenseerd te worden zodat het versneld afgevoerde water opgevangen kan worden en niet leidt tot overlast.

Figuur 4.5: Uitsnede legger wateren ter plaatse van het plangebied (bron: Waterschap Rivierenland) Waterveiligheid Ten zuiden van het plangebied ligt een primaire waterkering. De primaire waterkering kent een kernzone (waterstaatswerk), beschermingszone en buitenbeschermingszone. Voor de dijk en de beschermingszones gelden restricties voor bebouwing en andere activiteiten. De regels zijn vastgelegd in de Keur van waterschap Rivierenland. De regels hebben betrekking op het behoud van de stabiliteit van het huidige dijklichaam en het behoud van ruimte voor eventuele toekomstige dijkversterking. In de legger is ook een bouwgrens opgenomen waarbinnen een bouwverbod geldt. Bebouwing binnen de bouwgrens die mogelijk zijn door middel van een bestemmingsplan zijn weergegeven als leggervlak.

57/586

Figuur 4.6: Uitsnede legger waterkeringen ter plaatse van het plangebied (bron: Waterschap Rivierenland) Waterkwaliteit Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen Kaderrichtlijn Water (KRW) waterlichamen aanwezig. Dit zijn wateren die bepaalde kwaliteitseisen en monitoring behoeven. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een woonwijk met 100 woningen. Ook worden drie woningen gerealiseerd op het perceel Onderwaard 17. Het plangebied heeft een kleiige ondergrond waar sprake is van kwel. Het watersysteem staat onder invloed van de waterstanden van de Maas. Bij hoge rivierwaterstanden neemt de druk op het grondwater in de uiterwaarden toe en treedt binnendijks (meer) kwel op. Het grondwaterpeil bevindt zich lokaal op ongeveer 1,0–1,4 meter beneden maaiveld. Na inrichting kan een hoge grondwaterstand grondwateroverlast veroorzaken. Voor woningbouw en infrastructuur zal daarom een minimale ontwateringsdiepte van 0,70 meter dienen te worden aangehouden. Op basis van de beschikbare bodemgegevens en gemeten grondwaterstanden lijkt dit geen probleem te zijn. Waterkwantiteit Een toename aan verharding leidt tot het versneld afvoeren van hemelwater en dient gecompenseerd te worden zodat het versneld afgevoerde water opgevangen kan worden en niet leidt tot overlast.

De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename aan verharding en hiervoor geldt een watercompensatieplicht. In het stedenbouwkundig plan zal invulling worden gegeven aan de benodigde watercompensatie.

58/586

In het huidig stedenbouwkundig ontwerp is een totaal oppervlak van ongeveer 12.837 m2 uitgeefbare grond waarop de verschillende woningen worden gebouwd (o.a. rijwoningen, twee-onder-één-kap woningen, vrijstaande woningen, appartementen). In het bestemmingsplan wordt geborgd dat maximaal 70% van dit oppervlak verhard zal worden en dat minstens 50% (of meer) van de parkeervakken uitgevoerd wordt met halfverharding. Dit komt uit op een toename van ongeveer 9678,9 m2 aan verhard oppervlak. De toename van verharding vanuit rijbanen, voetpaden en parkeren komt uit op ongeveer 9.658 m2. De totale toename aan verhard oppervlak binnen het plangebied komt uit op ongeveer 19336,9 m2. Bij het bepalen van de watercompensatie opgave is gebruik gemaakt van de vuistregel van 436 m3 waterberging per hectare verharding voor compensatie in open water. Dit komt uit op een opgave van 843 m3 (19336,9/10.000) * 436). Bij de uitwerking wordt verder rekening gehouden met een peilfluctuatie van 0,3 meter, waardoor de volledige watercompensatie eis uitkomt op 2810,3 m2 (843/0,3). Binnen het plangebied wordt 2.810 m2 of meer aan (open) water gerealiseerd, daarmee wordt voldaan aan de watercompensatie eis. Vanuit het waterschap wordt een wadi gezien als een technische voorziening en hiervoor geldt 664 m3 per hectare. Dit komt uit een opgaven van 1.394,4 m3 (19336,9/10.000*664= 1.283,9 m3).

De 2.810 m2 aan water wordt aangesloten op het huidige watersysteem zodat er geen stilstaand water wordt gecreëerd. Binnen het stedenbouwkundige plan is 2.126 m2 aan oppervlaktewater opgenomen en 1.090 m2 voor wadi's. Het totaal aan wateroppervlak binnen het plangebied bedraagt 3.216 m2. De gemeente Maasdriel heeft in het hemelwaterbeleid eisen opgenomen voor nieuw verhard oppervlak. Voor de beoogde ontwikkeling geldt de eis dat het vertraagd afgevoerd wordt naar een hemelwatervoorziening of zelf gecreëerde waterberging binnen het plangebied. In de uitwerking van de inrichting van het terrein wordt rekening gehouden met het geldende beleid van het waterschap en de gemeente Maasdriel. Waterveiligheid Ten zuiden van het plangebied ligt een primaire waterkering. De primaire waterkering kent een kernzone (waterstaatswerk), beschermingszone en buitenbeschermingszone. Voor het bouwen binnen deze zone zal een vergunning op basis van de 'Keur' aangevraagd worden. Met de watervergunning wordt geborgd dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid van de waterkering. In het bestemmingsplan heeft de waterkering een beschermende regeling gekregen.

Voor verschillende activiteiten die binnen dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt dient een vergunning op basis van de 'Keur' aangevraagd te worden, zoals: graafwerkzaamheden voor grondsanering, bouwwerkzaamheden en als de waterpartij binnen de beschermingszone ligt de realisatie van de waterpartij (hierbij is een opbarstberekening nodig). In de verbeelding voor dit bestemmingsplan zijn ook de twee beschermingszones opgenomen met de gebiedsaanduidingen vrijwaringszone - dijk 1 en vrijwaringszone - dijk 2. De zones liggen op het zuidelijke gedeelte van het plangebied. De beoogde bebouwing overschrijdt de uiterste bouwgrens uit de legger niet. De

59/586

beoogde ontwikkeling voorziet in het aanleggen van maximaal één ontsluiting richting de waterkering. Vanuit het waterschap ligt de wens deze ontsluiting niet parallel te laten lopen aan de waterkering. Voor de aanleg van deze ontsluiting dient uitgevoerd te worden aan de hand van de regels van de Keur. Waterkwaliteit Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Het afgekoppelde hemelwater van terreinverhardingen wordt bij voorkeur geïnfiltreerd in de bodem. Als blijkt dat dit niet mogelijk is zal het water worden geloosd en geborgen in de zaksloten langs de rand van het plangebied. Rioolwaterpersleiding Halverwege het plangebied ligt een rioolwaterpersleiding van het waterschap. Op of rondom de gronden, waar een rioolwatertransportleiding ligt, mag in principe niet worden gebouwd. Bestrating ter plaatse van de leiding en beschermingszone is mogelijk met voorwaarde dat de persleiding diep genoeg ligt waarbij de leiding veilig blijft liggen. Bij onderhoud of een calamiteit kan het zijn dat de straat opengebroken zal worden. Deze beschermingszone heeft een breedte van 4 meter. De leiding met de bijbehorende beschermingszone is als dubbelbestemming 'Leiding - Riool' planologisch beschermd in dit bestemmingsplan.

In de praktijk blijkt dat de exacte ligging van de leiding kan afwijken van de geprojecteerde leiding (zoals bij een KLIC-melding). Voor activiteiten binnen de beschermingszone dient afstemming plaats te vinden met het waterschap. Hierbij wordt opgemerkt dat het zeer waarschijnlijk is dat de rioolwaterpersleiding ten gevolge van de beoogde ontwikkeling verplaatst zal worden binnen het plangebied. Om dit te faciliteren is hiervoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in dit bestemmingsplan. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap mag worden gebouwd, gegraven, geplant of opgeslagen. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de toename aan verharding, de realisatie van de watercompensatie en activiteiten binnen de beschermingszone van de waterkering is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Wel dient rekening te worden gehouden met de beschermingszones van de omliggende primaire waterkering, watergangen en rioolwaterpersleiding en dient een vergunning op basis van de Keur voor de toename aan verharding aangevraagd te worden.

4.6

60/586

Ecologie

Toetsingskader vóór de Omgevingswet Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of op grond van deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) en, Natura 2000-gebieden. De Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken, en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het NNN worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Gelderland uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Toetsingskader volgens de Omgevingswet Onder artikel 5.1, lid 1 Ow is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een natura 2000-activiteit te verrichten. Ook is onder artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.

In het Bkl staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bkl). In

61/586

dit hoofdstuk zijn ook de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Als er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). Natura 2000-gebieden Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een natura 2000-activiteit. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Bkl). Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Ow en artikel 7.6, lid 1 van het Bkl. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15604707/1