CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit Evaluatie project huisvesting arbeidsmigranten 8 juli 2021

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente Maasdriel31.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikelworden niet gerekend:

a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet

3.

4. 5.

meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 150 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Op de ontheffing is paragraa'Í 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op 3 achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk ven¡vaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voozien door de Wet milieubeheer Artikel 5:6 Parkeren van kampeermiddelen, trailerc, aanhangwagens en vaartuigen

1. Het is verboden een kampeermiddel, trailer, aanhangwagen of vaartuig dat voor recreatie of

2. 3. 4.

anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voozien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6

2. 3. 4. 5. 6.

meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uiÞichtbelemmerende voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter

2.

of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen (gereserveerd)

Artikel 5:11 Aantasting groenvoozieningen door voertuigen

1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Artikel 5:12a (Slaap)verblijf op of aan de weg in voertuigen

1. Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg

2.

een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden.

Afdel ín g 2. C o I I ectere n

Artikel 5:13 lnzameling van geld of goederen

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van

3. 4.

goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideêel doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet voor collecten die gehouden worden door verenigingen of stichtingen, indien: a. de collecte plaatsvindt in de vrije perioden van het landelijke collecteplan opgesteld door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving; b. een financiële verantwoording van de inzameling binnen twee weken na de gevoerde actie overlegd wordt; c. de collectanten zich kunnen identifìceren met een geldig identiteitsbewijs; d. de collectanten tenminste de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt; e. de collectanten kunnen aantonen voor welke instantie zij collecteren; de collecte gehouden wordt met gesloten bussen en derhalve niet door middel van lijstcollecten. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

f.

5.

Afdeling 3. Venten

Artikel 5: I 4 Begripsbepaling

1. ln deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te

2.

koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikelS:17.

Artikel 5:f 5 Ventverbod

1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen en maandag Vm zaterdag tussen 00.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 uur en 24.00 uur. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 4. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting (Vervallen)

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5: I 7 Begripsbepaling

1. ln deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare

2.

en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel2:24.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien als gevolg 4.

van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te ven¡vachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk vezorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Op de vergunning is paragraaf 4.1 .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:l 9 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht (gereserveerd)

Afdel i ng 5. S nuffel markte n

Artikel 5:22 Begripsbepaling

1. ln deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek

2.

toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

1. Het is verboden een snuffelmakt te organiseren:

a. indien degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan;

b. indien de burgemeester de snuffelmarkt heeft verboden in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.

2. De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder a uiterlijk vier weken

3.

4.

voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van: a. naam en adres van de organisator; b. adres van het gebouw waar de snuffelmarkt wordt gehouden; c. het soort van goederen en diensten datwordt aangeboden en verhandeld; d. het aantal standplaatsen; en e. het te ven¡¡achten aantal bezoekers. De snuffelmarkt kan worden gehouden indien de burgemeester niet binnen twee weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen twee weken na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

Afdelíng 6. Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het

2. 3.

4.

college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen ofte hebben. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voozien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommu nicatieverorden in g.

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

L

2.

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voozien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale

vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

1. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot

2. 3.

het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situatíes waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaanaregenverordening of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van

2.

openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwe ge nve ro rd e n i n g.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7. Crossterreínen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:31 A Begripsbepalingen ln deze afdeling wordt verstaan onder:

a. motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 990; b. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de 1

Wegenverkeerswet 1 994.

Artikel 5:32 Crossterreinen

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij

3.

regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de bescherming van flora en fauna; d. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor

2.

3.

4.

5. 6.

recreatief gebruik beschikbare terreinen te r'rjden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverlenin gsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b.

binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als'toestel'. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 8. Verbod vuurte stoken Artikel 5:34 Verbod afualstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1. Het is verboden in de openlucht afualstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van

3.

4. 5.

toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afualstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen mits: a. wordt voldaan aan de voorschriften zoals beschreven in het beleid 'Resthout beheerst verbranden' van Regio Rivierenland; of b. bij het organiseren van een vreugdevuur geen gevaar kan ontstaan voor personen en de omgeving. De ontheffing wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

6. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voozien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 9. Verstrooiing van as Artikel 5:35 Begripsbepaling ln deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een

permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

1. lncidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen;

2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op vezoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van 4.

bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:37 Hinder of overlast lncidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

HOOFDSTUK 6. STRAF., OVERGANGS. EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6:1 Strafbepaling

L

2.

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften of beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. ln afwijking van het eerste is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bijof krachtens de artikelen2'.11, eerste lid en 4:17, eerste lid.

Artikel 6:2 Toezichthouders

1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast politieambtenaren en gemeentelijke opsporingsambtenaren. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 lntrekking oude verordening De Algemene Plaatselijke Verordening 2020 wordt ingetrokken

Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6.6 lnwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking daarvan

Artikel 6:7 Giteertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Maasdriel 2021

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van I juli2021

De raad voomoemd

de griffier

H.P. van Ommeren

de voonitter H. van Kooten

F,--..F¡.

'ætÉø@Ð

Gewiizisd Beleid h uisvesti ng arbeidsmigranten 2019

L

lnhoud 1. lnleiding

3

2. Arbeidsmigranten in Maasdriel

.4

8 5.2. Huisvesting op het terre¡n van de agrarische werkgever 5.2. 1. Tijdelij ke h uisvesti ngsvoorzien i nge n

huisvestingsvoorzieningen......... 5.3 Kleinschalige huisvesting in de woonomgeving .............. 5.3.1. Huisvesting in woningen in woonwijken............... 5.2.2. Permanente

5.3.2. Huisvesting in woningen in het buitengebied 5.4. Geconcentreerde (verkamerde) huisvestingsvoorzieningen................

9 10 ........10 ...................12 .....................12 13

t4 15

7. Communicatie

16

8. Overgangsfase

16

9. Handhaving

16 16

9.2 Handhaving APV

Bijlage 1 - Overzicht schema verschillende huisvestingsvormen

2

L7

19

1. lnleiding Arbeidsmigranten z'rjn van groot economisch belang met name voor agrariërs en (delen van) het bedrijfslevenl. De gemeente Maasdriel streeft daarom naar goede huisvesting van arbeidsmigranten en wil, mede uit dat oogpunt, streng optreden tegen illegale en ondeugdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Daarnaast heeft dit beleid als doel om ongewenste concentratie van huisvesting van arbeidsmigranten in een straat of wijk te voorkomen, conform het Bestuursakkoord. Het beleid 'Huisvesting arbeidsmigranten gemeente Maasdriel 2019' betreft een actualisatie van het in 2014 vastgestelde beleidsplan. Met de vaststell¡ng van dit beleid vervalt al het overige gemeentelijk beleid voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Uitzonderingen zijn de afwijkingsbevoegdheden in artikel 3.6.5 en artikel 4.6.3 van het (Reparatie) lnpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard (2OL7l. Dit inpassingsplan is door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. De afwijkingsbevoegdheden voorzien in het toestaan van huisvesting van maximaal 20 arbeidsmigranten in (agrarische) bedrijfsbebouwing of bedrijfswoningen. Deze mogelijkheid ziet de gemeente bij het opstellen van het beleid als een uitgangss¡tuatie. Deze artikelen worden niet aangepast.

Met dit geactualiseerde en aangescherpte beleid wil de gemeente Maasdriel permanent inzicht krijgen en houden in de aantallen, omstandigheden en locaties waar arbeidsmigranten in de gemeente z¡jn gehuisvest. Verkamering is in de gemeente Maasdriel gelet op het bestemmingsplan "Parapluherziening verkamering woningen 2020" niet toegestaan. Met dit beleid bieden we als gemeente de ruimtelijke en juridische kaders waarin de verschillende vormen van huisvesting van als legaal en passend kan worden aangemerkt. De huisvesting vindt plaats door het verkameren van huisvestingsvoorzieningen2 of het bieden van logiesverblijf. Tevens stellen deze kaders de gemeente ¡n staat te handhaven bij huisvesting die niet in lijn ligt met de

voorgestelde beleidsrichting. Aan de wettelijke taak die op de gemeente rust voor inschrijvingen in de Basisregistratie Personen (BRP) en het bijhouden van een nachtregister voor shortstay-arbeidsmigranten, kunnen we een concretere invulling geven. Het beleid heeft zijn grondslag in artikel 2.72,\id 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel2:82,lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Maasdriel 2020. Het beleid 'Huisvesting arbeidsmigraRten gemeente MaasdrielzOLg' is in januari 2020 geëvalueerd, nadat dit in de prakti¡k werd toegepast. Deze evaluatie heeft geleid tot enkele aanpassingen van het beleid. Deze evaluatie van april 2021 leidt ook tot minimale aanpassing van het beleid, waarbij met name de aanpassing is gelegen in

het benoemen van de wijze waarop huisvestingsvoorzieningen legaal kunnen worden verkamerd.

1

Uit: 'Samen werken aan een krachtig Maasdriel; Bestuursakkoord gemeente Maasdriel 2Ot8-2O22,9 mei 2018'. 2 huisvestingsvoorziening: gebouw von een gebouw, dat bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij

een of deel bedrijfsmatig wos, wordt verhuurd oan twee of meer personen die niet in het verband von een huishouden met elkaar sqmenleven.

3

2. Arbeidsmigranten in Maasdriel Op basis van het onderzoek dat in 2017 uitgevoerd is door Legitiem in opdracht van de gemeente hebben we

ruim 1500 arbeidsmigranten in de gemeente Maasdriel in beeld en ruim 200 adressen waar deze arbeidsmigranten verblijven. Deze cijfers moeten we met de nodige voorzichtigheid interpreteren. Ploøt 7: Adressen van de

I grootste huisvesters d.d. zomer 2078

L!gGndã

Sodffie

[ææ*rs Ðücfrùe¡18@li¡g 2017 I'jry '_-1

ï

E

-I I I

a

-

,n**þ,

t¡ttsotltl ættgilaM Mffiq Ùdûn

s

I&A 23a¡92O1?

Bthgê:

OrderysÞ: Arbeidsl6ÉnlâMsD Bestr¡lds@.

De aanwezigheid van arbeidsmigranten in de gemeente Maasdriel is blijvend. Nederlandse werkgevers hebben deze arbeidsmigranten nodig voor werkzaamheden waarvoor Nederlandse capaciteit ontbreekt. Omdat er al een

grote populatie arbeidsmigranten uit bijvoorbeeld Polen aanwezig is, kiezen nieuwe arbeidsmigranten ervoor juist daarom naar de Bommelerwaard te komen. Een globale inventarisatie van de Regio Rivierenland van 30 november 2018 gaat er vanuit dat in deze regio nu ongeveer 15.000 arbeidsmigranten wonen (van wie circa tO% in de gemeente Maasdriel). Het aantal arbeidsmigranten in de regio kan, vanwege de groeiende economie en de extra bedrijven die zich in de regio vestigen, de komende jaren groeien tot 25.000. De arbeidsmigranten die in Maasdriel wonen, werken onder andere bij agrarische bedrijven, bij schoon-

maakbedrijven, in de logistiek op diverse bedrijventerreinen en bij bedrijven buiten de gemeente Maasdriel. Door de Europese wetgev¡ng voor vrij verkeer van personen is het voor arbeidsmigranten gemakkelijker geworden zich hier te vestigen. Hierdoor is de huisvestingsbehoefte toegenomen en daarmee de druk op de lokale huizenmarkt; met name bij starterswoningen. ln de praktijk wonen arbeidsmigranten, regelmatig met grote aantallen, in woningen in woonwijken. Ook wonen arbeidsmigranten bij bedrijven (vaak gaat het hier om tuinbouwbedrijven) in het buitengebied, bijvoorbeeld in (voormalige) bedrijfswoningen of bedrijfsgebouwen. Soms wonen arbeidsmigranten ook in units of stacaravans die hiervoor zijn neergezet of op campings in de gemeente. Goede woonomstandigheden zijn in veel gevallen 4

n¡et gewaarborgd. Ook is de woonsituat¡e soms dusdanig dat het overlast veroorzaakt voor de omgeving

(bijvoorbeeld sociale overlast, druk op het parkeersegment en brandveiligheid). D¡t beleid richt z¡ch op de huisvesting van shortstay- en midstay-arbeidsmigranten die op grond van een EU-

paspoort of tewerkstellingsvergunning legaal werkzaam zijn in de Bommelerwaard. ln het beleid wordt geen onderscheid gemaakt tussen shortstay en midstay. Er is geen vast omlijnde definitie voor de begrippen shortstay en midstay. De gemeente beschouwt shortstay-arbeidsmigranten als personen die korter dan 4 maanden hier gevestigd zijn. Als midstay-arbe¡dsm¡granten beschouwt de gemeente de personen die 4 maanden tot 3 jaar hier zijn gevestigd, maar zich niet permanent willen vestigen. De koppeling aan de termijn van 4 maanden heeft te maken met de inschrijfplicht ¡n het BRP (b¡j een verblijf van 4 maanden of langer verplicht).

Verkamering is in de gemeente Maasdriel gelet op het bestemmingsplan "Parapluherziening verkamering woningen 2020" niet toegestaan. Dit beleid biedt de kaders waarbij verkamering in afwijking van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning wel kan worden toegestaan. Ook geeft het beleid invulling aan overige randvoorwaarden die gelden in relatie tot bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening {APV). Het beleid kent een bredere werking dan alleen voor arbeidsmigranten. Het beleid richt zich dan ook niet op deze groep alleen. Toch wordt voor deze groep wel een definitie opgenomen. ln deze context definieert de

gemeente een arbeidsmigrant als volgt: Iemand die migreert met het doel om in Nederlond te gaon werken en niet langer dan 4 jaar te wonen.

5

3. Vraagstelling De gemeente wil dat iedere inwoner van de gemeente gedegen en verantwoord wordt gehuisvest. Dat geldt zodoende ook voor (tijdel¡jke) arbeidsmigranten. Tegelijkertijd wil de gemeente ook dat de omgeving zo min

mogelijk hinder ondervindt van het (tijdel¡jk) huisvesten van arbeidsmigranten, de woningvoorraad voor starters beschermen en belastingen voor arbeidsmigranten kunnen innen, omdat zij immers ook gebruik maken van de lokale voorzieningen. De centrale vraag die bepalend is voor het beleidskader is dan ook: "Hoe zorgen wij ervoor dat bij het fociliteren van het huisvesten vdn de arbeidsmigranten zowel de leefbaarheid

voor onze inwoners als de leefbaarheid voor de orbeidsmigronten gewaarborgd wordt en blijft en orbeidsmigranten, net ols olle andere gebruikers, meebetalen aan lokole voorzíeningen?"

Voor het opstellen van dit beleidskader hebben we afstemming gezocht met de Regio Rivierenland, de gemeente Zaltbommel en Tiel en andere omliggende gemeenten. Daarnaast zijn er vele bestuurlijke gesprekken gevoerd met onder meer huisvesters en uitzendbureaus en hebben we tussen juli en september 2018 drie werkateliers georganiseerd in de gemeente Maasdriel waar we diverse belanghebbenden hebben uitgenodigd om ervaringen te delen en suggesties mee te geven aan de gemeente. Er was een werkatelier met huisvesters en werkgevers, een atelier met inwoners die in hun nabije omgeving arbeidsmigranten hebben wonen en een werkatelier met arbeidsmigranten zell.Zo heeft de gemeente Maasdriel meer inzicht verkregen in de kenmerken en belangen van de diverse groepen. Daarnaast hebben we een inventarisatie van huisvesting arbeidsmigranten uitgevoerd3. Doel van dit project was om inzicht te krijgen in het aantal arbeidsmigranten en de locaties waar zij verblijven, opdat we in beleid en instrumenten ervoor kunnen zorgen dat we ook permanent hierop zicht houden en samen met ODR, Veiligheidsregio / brandweer kunnen handhaven.

3

6

lnventarisatie-onderzoek door Legitiem

4. Algemene uitgangspunten De raad stelt de volgende kaders waaraan het beleid voor verkamering van huisvestingsvoorzieningen in Maasdriel moet voldoen. Er is sprake van kamerverhuur indien er sprake is van een woonvorm met een

woonruimte die geen eigen toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij keuken, toilet, badkamer en douche als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt. De algemene kaders voor de huisvestingsvoorzieningen zijn als volgt; L. De verkamering van huisvestingsvoorzieningen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van werkgevers en arbeidsmigranten zelf. De verantwoordelijkheid van de gemeente is het bieden van een helder kader waarbinnen de huisvesting mag plaatsvinden, waarbij we ons vooral richten op verkamering aan personen die werkzaam zijn in de Bommelerwaard. Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor toezicht en handhaving en een goede communicatie naar alle partijen.

2. Om situaties van overlast te voorkomen die kunnen leiden tot onveiligheidsgevoelens van omwonenden is het wenselijk de huisvestingsvoorzieningen te spreiden over de kernen en wijken.

3. Een aanvaardbare kwaliteit van het woon- en leefklimaat (zoals geluid, geur, externe veiligheid etc.) voor de omgeving van huisvestingsvoorziening, moet worden gewaarborgd. Daarnaast mogen geen belemmeringen ontstaa n voor omligge nde (agra rische) bed rijven. 4. Een aanvaardbare kwaliteit van het woon- en leefklimaat (zoals geluid, geur, externe veiligheid etc.) in de huisvestingsvoorziening moet worden gewaarborgd a. 5. Bewoners van de huisvestingsvoorziening dienen net als ieder ander verblijfsbelast¡ng te betalen (bij een verblijf korter dan 4 maanden) of zich in te schrijven in het BRP. 6. Het beleid moet jur¡d¡sch houdbaar en handhaafbaar zijn. 7. lndien een vergunning wordt aangevraagd voor buitenplanse afwijking wordt altijd een pla nschadeovereenkomst aa ngegaan.

Dit in 2020 vastgestelde beleid leidt tot gewijzigde voorwaarden ten opzichte van het beleid uit 2014 en uit 2019. De verblijfsbieders die al huisvesten vallen in de overgangsfase. De verkamering van huisvestingsvoorzieningen kan plaatsvinden op de volgende manieren:

o. Huisvesting op het terre¡n van de agrarische werkgever. Huisvesting op het eigen terrein kan plaatsvinden in de vorm van een tijdelijke huisvesting of in een huisvestingsvorm die permanent op het

terrein aanwezig is.

b. Kleinschalige huisvesting in de bestoande woonomgeving. D¡t kan plaatsvinden in reguliere c.

eengezinswoningen in de woonwijken van de kernen. Ook kan het gaan om huisvesting in de bestaande woningen die in het buitengebied liggen. Het gaat hier om een beperkt aantal personen. Geconcentreerde huisvesting. Het gaat hier om grootschalige huisvesting (meer dan 4 personen)

geconcentreerd op één locatie. Het beleid is zodanig ingericht dat de nadruk ligt bij de huisvesting op het terre¡n van de werkgever. De mogelijkheden worden hiervoor in het beleid verruimd. Daarnaast blijft het mogelijk om woningen te

verkameren. De mogelijkheden worden in (dorps)kernen en wijken beperkt ten opzichte van het huidige beleid. ln hele specifieke gevallen kan de gemeente geconcentreerde huisvesting mogelijk maken. Met deze combinatie van mogelijkheden verwachten wij voldoende beleidsruimte te bieden om huisvesting van L.500 personen mogelijk te maken.

4 De ruimtelijke kwaliteit wordt

beoordeeld door de gemeente Maasdriel in samenwerking met de Omgevingsdienst Rivierenland. Hierbij vindt onder meer een beleidsmatige beoordeling plaats en worden de stedenbouwkundige kwaliteiten en de milieu-hygiënische situatie beoordeeld. De leefbaarheidstoets wordt nader uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma. Alleen bij een positief resultaat hiervan kan 'rerkamering van een huisvestingsvoorzienitrg aan de orde zijn. 7

5. Locatiegebonden beleidsuitgangspunten 5.1-. Algemeen

1. Het aantal personen die verblijven in verkamerde huisvestingsvoorzieningen per kern mag maximaal 10% bedragen van het totaal aantal inwoners van de desbetreffende kern (inclusief eventuele

bedrijventerreinen en het bijbehorende buitengebied)5. B¡j de behandeling van verzoeken voor een omgevingsvergunning geldt een "wie het eerst komt wie het eerst maalt" principe. Dus op volgorde van binnenkomst van ontvankelijke / volledige aanvragen wordt na toets¡ng aan de in de beleidsregel opgenomen criteria plus de verplichte overige wet- en regelgeving (zoals het Bouwbesluit) beoordeeld of vergunningverlening mogelijk is. Dit kan ertoe leiden, dat sommige later ingekomen aanvragen niet vergund kunnen worden, omdat er strijd ontstaat met de toets¡ngscr¡teria en/of reeds eerder verleende vergunningen. Bij bestaande situaties kan dit ertoe leiden dat daardoor handhavend opgetreden zal worden. Aanvragen die via Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend, worden automatisch voorzien van een datum en tijdstip van binnenkomst. Aanvragen die op andere wijze worden ingediend, worden bij

binnenkomst voorzien van een datum en tijdstip van ontvangst. Via de mail ontvangen documenten krijgen een datum en tijdstip van de e-mail. lndien blijkt dat er voor locaties overgangsrechtelijke mogelijkheden bestaan zonder dat het tot een vergunningaanvraag komt, dan kan dat in de praktijk inhouden dat de gestelde 10% reeds/sneller wordt overschreden. D¡t betekent dat bekende overgangsrechtelijke/rechtstreeks passende situaties worden meegeteld in de gestelde tÙo/o. Anderz'rjds geldt dan ook dat als verleende vergunningen aangevuld met overgangsrechtelijke situaties de LO% volmaken, er geen nieuwe vergunningen worden verleend. Berekening: Om te komen tot een juiste bepaling van het percentage geldt de volgende stelregel. lndien de berekening van 7O% van het aantal woningen in een kern uitkomt op een getal achter de komma, dan geldt bij 0,1tot en met 0,5 afronding naar beneden en bij 0,6 tot en met 0,9 afronding naar boven. Voor deze berekening is gekozen om de belasting op de directe omgeving zo beperkt mogelijk te laten z¡jn. 2. De kwaliteit van de huisvesting zelf dient overeen te komen met de inrichtings- en maatvoeringseisen uit het keurmerk Sticht¡ng Normering Flexwonen (SNF) of een vergelijkbaar certificaats. De huisvester dient zelf voor een cert¡ficaat te zorgenT; 3. Het verplicht aanwijzen van een beheerder van de huisvest¡ngslocat¡e.

Dit geldt voor alle locaties (ook in reguliere woningen). De verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij de aanvrager van het initiatief. De contact- en verblijfsgegevens van de beheerder dienen bij de gemeente Maasdriel, de Omgevingsdienst Rivierenland en hulpdiensten bekend te zijn8. De beheerder is voor instanties en omwonenden het eerste aanspreekpunt b¡j vragen en/of overlast. Een beheerder moet binnen een half uur na een meldíng op de locatie aanwezig kunnen zijn; 4. Het verplicht registreren van de personen die op een huisvestingslocatie verblijven in een gemeentelijk nachtregistef. Deze verplichting ligt bij de verblijfsbieder. Onder deze verplicht¡ng geldt ook het actueel houden van het nachtregisterto. Op basis van de APV stelt de gemeente het registeren en bijhouden van het digitale nachtregister verplicht;

s

Deze 10% is gebaseerd op globale inventarisatie van de Regio Rivierenland (d.d.3O nov. 2018) dat het aantal arbeidsmigranten in de regio kan groeien tot 25.000 in de regio (aantal inwoners in dit gebied is ongeveer 250.000). 6 Bijvoorbeeld het Agrarisch Keurmerk Flexwonen. De meest recente versie is van januari 2019 en is terug te vinden op www.werkgeversliin.nl/flexwonen. 7 De actuele versie van het keurmerk is versie 7.2 en dateert van 1 september 2017, deze is terug te vinden op www.normeringflexwonen.nl. De SNF-eisen en vigerende wet- en regelgeving dienen als minimumeisen. I Dit houdt de gemeente bij in het bestand Huisvestingslocaties verkamering. e Op basis van de APV, artikel 2.37, mag de gemeente het registreren en bijhouden van het nachtregister verplicht stellen 10 Dit wordt het digitale register www.disitaalnachtresister.maasdriel.nl.

I

5. De eigenaar van de huisvestingslocatie w¡jst bewoners op de verplichting om zich in het BRP (Basisregistratie Personen) in te schrijven bij een beoogd verblijf van langer dan 4 maanden in een half jaar (dit hoeft niet aaneengesloten te zijn); 6. Voor elke locatie dient een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening verleend te zijn. D¡t ¡s een goed instrument om veilige, kwalitatief goede verkamering van huisvestingsvoorzieningen te stimuleren en overlast te voorkomenll. De exploitatievergunning is persoonsgebonden.

7. De huisvesting van gezinnen met kinderen en/of minderjarige personen is n¡et toegestaan. Dergelijke verkamering van huisvestingsvoorzieningen is naar aard en inrichting niet geschikt voor gezinnen met kinderen.

5.2. Huisvest¡ng op het terrein van de agrarische werkgever Het verkameren van huisvestingsvoorzieningen op het terre¡n van de werkgever (een tuinder, fruitteler, paddenstoelkweker of een andere agrariër) wordt onderverdeeld in tijdel'rjke huisvesting en permanente huisvesting. Het gaat dan om bedrijfswoningen, woningen op agrarische percelen en overige bed rijfsbebouwing.

1.. De huisvestingsbehoefte wordt door de initiatiefnemer onderbouwd. De gemeente kan hiervan gemotiveerd afwijken. Het kan zijn dat de uitgangspunten door de jaren heen wijzigen. Daarom is in dit beleid opgenomen om een onderbouwing van de arbeidsbehoefte altijd extern te laten beoordelen. Ter indicatie naar belanghebbenden en vanwege de toegevoegde waarde bij de toetsing van verzoeken, is tabel 112 opgenomen.; 2. ln de huisvestingsvoorzieningen mogen uitsluitend werknemers worden gehuisvest die bij het agrarisch bedrijf werkzaam zijn. Het kan hierbij ook gaan om de huisvesting van werknemers die op een andere vest¡gingslocatie van het bedrijf werkzaam z'rjn. De andere locatie dient wel binnen de Bommelerwaard te liggen. De economische binding d¡ent aangetoond te worden met een arbeidsovereenkomst waaruit blijkt dat de migrant werkzaam is voor de rechtspersoon die toeziet op de bedrijfsvoering van het bedrijf; 3. Een werkgever mag niet verplichten dat zijn werknemers gebruik maken van de eventuele huisvesting die de werkgever (op zijn terrein) beschikbaar heeft; 4. Er is voldoende buitenruimte voor de werknemers beschikbaar. Deze buitenruimte mag niet ook voor andere functies (zoals parkeren, opslag t.b.v. het bedrijf etc.) gebruikt worden. De minimumomvang van de buitenruimte bedraagt 4 m2 per persoonl3;

5. Bij beeindiging van de arbeidsrelatie mag de werknemer maximaal 4 weken op zijn (tijdel¡jke) woonadres verblijven zodat de werknemer voldoende gelegenheid heeft om een vervangende woonruimte te vinden; 6. Er is voldoende parkeergelegenheid op het terre¡n van de werkgever beschikbaar is. De richtl¡jn hierbij is minimaal0,S parkeerplaats per persoon;

11

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is niet toereikend om eventuele problematiek rondom het verkameren van huisvestingsvoorzieningen aan te pakken. De APV is bij uitstek de verordening waarin regelgeving rondom veiligheid, openbare orde, overlast e.d. wordt opgenomen. Dit zijn namelijk geen weigerings- of intrekkingsgronden in het kader van de Wabo. 12 De gegevens zijn afkomstig van ZLTO Afdeling Maasdriel (2014) en geactualiseerd op basis van informatie van LTO Glaskracht Nederland uit 2018 13 Dezevoorwaarde is ontleend aan het Bouwbesluit. Afd.4.6, art.4.35 onder lid 1en lid. De buitenruimte is rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar of via de gemeenschappelijke ruimten. Om te waarborgen dat er voldoende buitenruimte is voor gehuisveste personen, is dit vertaald in een minimumeis van 4 m2 per persoon. De minimale individuele buitenruimte mag geconcentreerd worden in een gemeenschappelijke buitenruimte. Het gaat immers om niet-zelfstandige

woonruimten. 9

7. De huisvestingsvoorziening dient vr'rj toegankelijk te zijn vanaf de openbare weg (bijvoorbeeld zonder hek voorzien van sloten en/of codes). Dit is onder meer van belang voor de bereikbaarheid van

hulpdiensten. Tabel 7 : Richtlijn bepalen orbeidsbehoefte tuinbouwbedríjven

Bedrijfstype Glastuinbouw

Teelt Algemeen Fruit- en groenteteelt Aardbeien (geldt ook bij teeltvorm met behulp van teeltondersteunende a

a

. a

voorzieningen) Framboos/braam/bes (geldt ook bij teeltvorm met behulp van teeltondersteunende voorzieningen)

10.000 m2

10.000 m2

Aantal werknemers 9 (eemiddeld) 6,5 (eemiddeld) 15 (eemiddeld)20

(piekarbeid)

5 (gemiddeld)25

(piekarbeid)

Paprika

10.000 m2

5

Tomeet Komkommer

10.000 m2 10.000 m2 10.000 m2 10.000 m2 1.000 m2

7,6

Bloemen

o Rozen

Paddenstoelen

Omvang L0.000 m2 10.000 m2

Champignons

5,3 1L (eemiddeld) L5,5 7,2

5. 2. 1. Tijd el ij ke h u isvesti ngsvoo rzien i n gen

Het gaat hier om verzoeken voor het realiseren van t'rjdelijke huisvesting bij agrarische werkgevers, bijvoorbeeld in de vorm van units met het oog op het oogst- of plukseizoen.

1,. De huisvestingsvoorzieningen worden uitsluitend gebruikt voor de huisvesting van werknemers die bij het bedrijf ter plaatse werkzaam zijn;

2. De huisvestingsvoorzieningen moeten een tijdelijk karakter hebben, oftewel bestaan uit chalets, units, containerwoningen of andere vormen met een inherent t¡jdel¡jk karakter;

3. De huisvestingsvoorzieningen worden zoveel mogelijk geplaatst binnen of aansluitend aan het (agrarisch) bouwvlak of het aanduidingsvlak voor tuinbouw of teelt (m.b.t. het lnpass¡ngsplan Tuinbouw

Bommelerwaard);

4. De huisvestingsvoorzieningen zijn zodanig in de omgeving ingepast dat de omgeving geen onevenredige hinder ondervindt van de bebouwing en dat de bebouwing geen afbreuk doet aan de landschappel'rjke kwaliteiten van het gebied. Planologie Het verlenen van medewerking aan tijdelijke huisvestingsvoorzieningen vindt plaats via een omgevingsvergunning waarin wordt geregeld dat de tijdelijke huisvestingsvoorzieningen maximaal 4 maanden per jaar, binnen een vastgestelde aanééngesloten periode, geplaatst mogen worden. Daarna moet de voorzieníng verwijderd worden. Ook de verplichte exploitatievergunning op grond van de APV wordt slechts voor de duur van maximaal 4 maanden per jaar verleend.

5.2.2. Permanente huisvestingsvoorzieningenra Veel agrarische bedrijven, het gaat hierbij vaak om teelt- en tuinbouwbedrijven, hebben gedurende het hele jaar (tijdelijke) werknemers nodig. De huisvestingsopgave en de druk op de dorpen ¡s dermate groot, dat deze

1a

Permanente huisvestíngsvoorzíeníng heeft betrekking op het gebouw en niet op het gebruik van het gebouw. Een afzonderlijke regeling voor permanente huisvestingsvoorzieningen voor bedrijven die meerdere piekseizoenen hebben, wordt niet opgenomen. De nood¿aak is hiervoor vervallen. Het beleid maakt het immers mogelijk om jaarrond 10

mogelijkheid in het beleid is opgenomen. Ook gaat het in deze situatie om een huisvestingsvoorziening die het hele jaar door aanwezig is, maar alleen is bewoond tijdens piekseizoenen. Dat is dikwijls het geval bij agrarische bedrijven in de champignonteelt en of het zacht- en kleinfruit (zoals aardbeien en frambozen). Het is voor dergelijke bedrijven ondoenlijk om enkele keren per jaar units te verwijderen en weer op te bouwen.

1. De permanente huisvestingsvoorzieningen worden uitsluitend gebruikt voor de huisvesting van werknemers die binnen dat bedrijf ter plaatse werkzaam zijn. Het kan hierbij ook gaan om de huisvesting van werknemers die op een andere vestigingslocatie van het bedrijf werkzaam zijn. De andere locatie dient wel binnen de Bommelerwaard te liggen; 2. Werknemers mogen gehuisvest worden ín de bij het bedrijf horende bedrijfswoning of in een bedrijfsgebouw. Dat kan door middel van hergebruik van een bestaand bedrijfsgebouw of eventueel door nieuwbouw; 3. lndien de agrariër op het eigen perceel wil huisvesten, dient hij/zij aan te tonen dat de eventuele woningen in de kernen waar hij/zij bij het bedrijf werkzame personen huisvest of laat huisvesten (doordat de werkgever woningen heeft gekocht of huurt), ter beschikking komen voor de reguliere woningmarkt. De gemeente maakt hiervoor een prestat¡eafspraak met de betreffende agrariërls; 4. De permanente huisvestingsvoorzieningen worden geplaatst binnen het (agrarisch) bouwvlak of zoveel mogelijk binnen of aansluitend aan het aanduidingsvlak voor tuinbouw of teelt (van toepassing bij het lnpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard); 5.

De permanente huisvestingsvoorzieningen zijn zodanig in de omgeving ingepast dat de omgeving geen onevenredige hinder ondervindt van de bebouwing en dat de bebouwing geen afbreuk doet aan de landschappelijke kwaliteiten van het gebied; 6. Er mogen in beginsel maximaal 20 personen per bedrijf het hele jaar worden gehuisvest als de initiatiefnemer aantoont dat zij werkzaam zijn op het bijbehorende agrarische bedrijf. De gemeente kan hiervan gemotiveerd afwijken en een hoger aantal personen voor jaarrond huisvesting toestaan. Hiervoor gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. De arbeidsbehoefte dient door het bedrijf te worden onderbouwd. De gemeente laat de behoefte door een externe deskundige op kosten van de aanvrager beoordelen; b. Hierbij ís het voorwaardelijk dat de huisvestingslocatie geen belemmering is voor de Herstructu reringsopgave Tuin bouw Bommelen¡¡aa rd. 7. Hoewel de gemeente geen generiek maximum aantal te huisvesten personen stelt, kan het aantal te huisvesten personen wel worden beperkt. Redenen kunnen onder meer zijn; het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, de kwaliteit van de huisvesting, ruimtelijke- en stedenbouwkundige voorwaarden (ruimte op het perceel, aansluiten van bebouwing bij omgeving) en landschappelijke inpassing).

8. Een permanente huisvestingsvoorziening inclusief bijbehorende voorzieningen zoals parkeergelegenheid mag alleen worden gerealiseerd als hiervoor fysiek voldoende ruimte is. Een agrariër dient hiermee dus in zijn terreininrichting rekening te houden;

9. De goot- en bouwhoogte van de bedrijfsbebouwing dient aan te sluiten bij de bebouwing in de omgeving;

10. De verschijningsvorm van de bedrijfsbebouwing dient aan te sluiten bij de bebouwing in de omgeving. De bebouwing die permanent blijft staan, krijgt een permanent karakter (geen barakken, chalets of units);

11. De verschijningsvorm vraagt om een stedenbouwkundige beoordeling. Een welstandstoets heeft hierbij een belangrijke rol;

12. De minimale afstand van de bedrijfsbebouwing (zoals de kas)tot de huisvestingslocatie dient 10 meterls te zijn. Voor functies die meer milieuhinder veroorzaken, kan een grotere afstand gelden;

arbeidsmigranten te kunnen huisvesten. Daarbij was een dergelijke regeling voor de tuinder weinig flexibel en voor de overheid lastig handhaafbaar. 15 Deze construct¡e staat ook bekend als de'bed-voor-bed-regeling 16 Gebaseerd op de richtlijn I "Bedrijven en milieuzonering Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke orden ingsprakt¡jk". L7

L3. Als de locatie binnen een intensiveringsgebied ligt, dient de huisvestingsvoorziening te voldoen aan de Ontwerprichtlijnen. Deze zijn opgenomen in de regels van het (Reparatie) lnpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard; 14. De huisvestingsvoorziening dient landschappelijk te worden ingepast. De gemeente verzoekt, afhankelijk van de locatie, om een landschapsplan. De wijze waarop landschappelijke inpassing plaatsvindt, is

maatwerk. Planologie

o Het huisvesten van maximaal 20 personen in (voormalige) bedrijfsgebouwen of de bedrijfswoning op het terrein bij het agrarisch bedrijf is in het (reparatie) inpassingsplan "Tuinbouw Bommelerwaard' mogelijk via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid;

o ln het overige buitengebied is het huisvesten van maximaal 20 personen in (voormalige) ¡

¡

bedrijfsgebouwen of de bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf mogelijk door middel van een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingspla n; Het huisvesten van een hoger aantal personen (meer dan 20), al dan niet in combinatie met bouwactiviteiten hiervoor, vindt plaats door middel van een projectomgevingsvergunninglT, een herziening van het bestemmingsplan, een herziening van het inpassingsplanls of via een maatwerkafweging; Het in te zetten instrument is afhankelijk van onder meer de arbeidsbehoefte van het bedrijf, de gewenste termijn van de huisvesting, de omvang van de huisvesting en de locatie. De keuze voor het in te zetten instrument ligt bij het bevoegd gezag.

5.3 Kleinschalige huisvesting in de woonomgeving Het kleinschalig huisvesten door verkamering kan plaatsvinden in reguliere eengezinswoningen in woonwijken in de kernen, in (burger)woningen, (agrarische) bedrijfswoningen of voormalige agrarische bedrijfswoningen in het buitengebied. De bedrijfswoning mag voor de huisvesting niet omgevormd worden naar een burgerwoning, omdat dit naburige agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmert. Het gaat hierbij nadrukkelijk om huisvesting in al bestaande (bedrijfs)woningen, niet om de nieuwbouw van woningen voor een hu isvestingsvoorzien ing. ln deze paragraaf gaat het om het huisvesten van personen die gezamenlijk geen huishouden vormen. Onder een huishouden wordt verstaan een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerenle of willen voeren, waarbij sprake is van continuite¡t in de samenstelling en van een onderlinge verbondenheid van de bewoners. Bij de huisvesting door verkamering is hiervan geen sprake. 5.3.1-. Huisvesting in woningen in woonwijken2o

Voor het huisvesten door verkamering in een reguliere woning in de kern is een exploitatievergunning vereist en gelden de volgende voorwaarden: 1. Het huisvesten is alleen toegestaan in een bestaande woning en alleen wanneer het bestemmingsplan

'wonen'toestaaU

2. Maximaal 5/ovan de woningen in een woonstraat2l mag worden verkamerd en er mag geen sprake zijn van meer dan 2 woningen naast elkaar die gebruikt worden voor verkamering van de woning22. Bij de behandeling van verzoeken voor een omgevingsvergunning geldt een "wie het eerst komt wie het eerst 17 18

Een projectvergunning als bedoeld in artikel 2.L2 lid 1 sub a onder 3 Wabo. Het bevoegd gezag bij een herziening van het inpassingsplan zijn Provinciale Staten van Gelderland.

1e

Deze definitie van huishouden ontlenen we aan de definitie uit de bestemmingsplannen.

20

De grenzen van het bestemmingsplan worden hierbij aangehouden. Op detailniveau is maatwerk mogelijk.

21

Met 'straat' wordt letterlijk de straat met dezelfde straatnaam bedoeld onafhankelijk van de lengte of het tracé van de

stra at. 22

Als het aantal woningen in een straat lager is dan 20, wordt niet aan deze voorwaarde voldaan. ln dat geval is het

verkatneren van een woning niet mogelijk. Het doel van het beleid is het bereiken van voldoende spreiding over een kern Bij een relatief kleine woonstraat wordt dat niet bereikt. 12

3. 4. 5. 6.

rnaalt" principe. Dus op volgorde van binnenkomst van ontvankelijke / volledige aanvragen wordt na toets¡ng aan de in de beleidsregel opgenomen criteria plus de verplichte overige wet- en regelgeving (zoals het Bouwbesluit)beoordeeld of vergunningverlening mogelijk is. Dit kan ertoe leiden, dat sommige later ingekomen aanvragen niet vergund kunnen worden, omdat er strijd ontstaat met de toets¡ngscriteria en/of reeds eerder verleende vergunningen. Bij bestaande situaties kan dit ertoe leiden dat daardoor handhavend opgetreden zal worden. Aanvragen die via Omgevingsloket Online (OLO)worden ingediend, worden automatisch voorzien van een datum en tijdst¡p van binnenkomst. Aanvragen die op andere wijze worden ingediend, worden bij binnenkomst voorzien van een datum en tijdstip van ontvangst. V¡a de mail ontvangen documenten krijgen een datum en t¡jdstip van de e-mail. lndien bl'rjkt dat er voor locaties overgangsrechteli¡ke mogelijkheden bestaan zonder dat het tot een vergunningaanvraag komt, dan kan dat ¡n de prakt¡jk inhouden dat de gestelde 5% reeds/sneller wordt overschreden. D¡t betekent dat bekende overgangsrechtelijke/rechtstreeks passende situaties worden meegeteld in de gestelde 5%. Anderzijds geldt dan ook dat als verleende vergunningen aangevuld met overgangsrechtelijke situaties de 5% volmaken, er geen nieuwe vergunningen worden verleend.

Berekening: Om te komen tot een juiste bepaling van het percentage geldt de volgende stelregel. lndien de berekeningvan5% van het aantal woningen in een straat uitkomt op een getal achter de komma, dan geldt bij 0,1tot en met 0,5 afronding naar beneden en bij 0,6 tot en met 0,9 afronding naar boven. Voor deze berekening is gekozen om de belasting op de directe omgeving zo beperkt mogelijk te laten zijn; ln een woning mogen n¡et meer dan 4 personen worden gehuisvest. Dit geldt voor alle woningtypen (zowel rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen, vrijstaande of gestapelde woningen) in een kern; De bad- en/of woonkamer, de keuken evenals de garage of andere bijbehorende bouwwerken mogen niet tot slaapkamer worden omgevormd. Eventuele kantoorruimte aan huis mag wel worden omgevormd tot een slaapgelegenheid; lndien personen in een bedr'rjfswoning in de kern worden gehuisvest, gelden dezelfde voorwaarden als huisvesting in reguliere woningen. Aanvullend geldt dat deze personen ter plaatse werkzaam dienen te zijn op het bijbehorende bedrijf; Wat betreft parkeren geldt een richtlijn van minimaal0,S parkeerplaats die per persoon op eigen terre¡n beschikbaar zijn. Het college kan hier gemotiveerd van afwijken. Voor de verplichting tot parkeren op eigen terrein, mag ook gebruik worden gemaakt van het aantoonbare aantal parkeerplaatsen op eigen terrein.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10399462/1