Raadsbesluit Evaluatie project huisvesting arbeidsmigranten 8 juli 2021
Tekst van het document
Artikel 2:51 Nee¡zetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
1. of 2. daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. (Vervallen).
Artikel 2:53 Bespieden van personen (Vervallen).
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Gereserveerd).
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (Gereserveerd).
Artikel 2:56 Alarminstallaties (Gereserveerd).
Artikel 2:57 Loslopende honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten
2. 3.
lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; of c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd, of d. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod in het eerste lid aanhef en onder b niet geldt. De verboden in het eerste lid aanhef en onder a, b en c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht een opruimmiddel bij zich te hebben om de uitwerpselen van die hond onmiddellijk te kunnen venivijderen. 3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4. Het eerste lid is niet van toepassing voor de door het college aangewezen hondentoiletten en hondenuitlaatstroken.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1. lndien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het
2. 3.
4.
de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,5 meter. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voozien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelük is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voozien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a gevaarlijke honden op eigen terrein
L
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft
2.
opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
c. het terrein voozien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het tenein kan komen.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar
2. 3.
het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet t'rjdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren Vervallen.
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel2:63 Duiven (Vervallen)
Artikel 2:64 Bijen (Vervallen)
Artikel2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 12. Bepalingen ter bestríjdíng van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling ln deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die
2.
hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voon¡¡aarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3
Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig bestissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artiket 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelen persoon is verplicht:
a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bijzijn onderneming behorende vestiging;
2. van een verandering van de ondera, sub 1, bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van zijn onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed is gekregen.
Artikel 2:69 Verureemding van door opkoop verkregen goederen (Gereserveerd)
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32).
Afdeling 13. Vuutwerk Artikel 2:71 Begripsbepaling ln deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuunryerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in
het Besluit van22januari 2002, houdende nieuwe regels met betrãfting tot consumenten- en professioneel vuun¡verk (Vuurwerkbesluit).
Artikel 2:72Te¡ beschikking stellen van consumentenvuunverk tijdens de verkoopdagen.
1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuunfferk ter
2.
beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaanarisseting
1. Het is verboden consumentenvuun¡¡erk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuun¡verk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroozaken. 3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73A Garbid schieten
1. Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een (melk)bus op explosieve wijze verbranden van
2. 3.
acethyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gas(mengsels) met vergelijkbare eigenschappen. Het is verboden in de open lucht met carbid te schieten. Het verbod in het tweede lid geldt niet indien het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur en alleen plaatsvindt op een van de volgende buiten de bebouwde kom gelegen locaties: in Hedel bijde Soepkom (recreatiegebied't Gelre's End) en in Rossum op het trapveldje (grasveld aan de Maasdijk) mits: a. hiervan tenminste 7 dagen voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college;
-
b. de melding tevens is voozien van een kaart waarop precies is ingetekend waar het afschieten plaatsvindt en de schootrichting is aangegeven;
c. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is 18 jaar of ouder is; d. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is niet onder invloed van alcohol of drugs is; e. gebruik wordt gemaakt van (melk) bussen of vergelijkbare voorwerpen met een maximale inhoud van 50 liter die worden afgesloten met een zacht materiaal (plastic voetbal of plastic zak); het zogenaamde vrijschootsveld tenminste 75 meter bedraagt en binnen deze ruimte geen openbare paden, wegen en -wateren en spoorwegen zijn gelegen; g. het carbid schieten alleen in tegengestelde richting van de dichtst bijgelegen woonbebouwing wordt gehouden; h. de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt op ten minste 75 meter van de woonbebouwing, 300 meter van medische en zorginstellingen en 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden; de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt wordt afgesloten met linten of ander vergelijkbaar materiaal zodat andere groepen niet in de nabijheid van de melkbussen en niet in de schietrichting kunnen komen staan; er geen handelingen worden verricht of nagelaten, waarvan degene die het carbid schieten verricht, weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaar, schade en/of hinder kan optreden voor mens, dier en milieu; k.
schriftelijke toestemming is verkregen van de eigenaar of eigenaren van het perceel of de percelen waarop het carbid schieten plaatsvindt en dat deze op eerste vordering onmiddellijk ter inzage wordt afgegeven; alle door bevoegde ambtenaren van de politie, brandweer en gemeente te geven aanwijzingen strikt en onverwijld worden opgevolgd. Het college kan nadere regels vaststellen ter bescherming van de openbare orde, volksgezondheid en veiligheid. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
f.
i.
j.
l.
4. 5.
Afdeling I 4. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisícogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en geôiedso n2eggi ng
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel2:1,2:10,2:11,2:15,2:16,2:19, 2:26,2:31,2:47,2:48,2:49,2:50,2:73,2:73A, of 5:34 van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1
.
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen:
a. Parkeerterreinen; b. Parkeergarages. Artikel 2:78 GebiedsonEeggingen
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
2.
overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leeftlimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 7 dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als h'rj dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene.noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
I
3. 4.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel l5ld Gemeentewet
1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik
2.
geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroozaakt. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Afdelíng 1 6. Huísvestingsvoorzieningen Artikel 2:80 Begripsbepaling ln deze afdeling wordt verstaan onder:
a. huisvestingsvoorziening: een gebouw of deel van een gebouw, dat bedrijfsmatig of in een b. c. d.
omvang alsof zij bedrijfsmatig was, wordt verhuurd aan twee of meer personen die niet in het verband van een huishouden met elkaar samenleven; exploitant de natuurlijke persoon of personen, dan wel rechtspersoon of rechtspersonen die een huisvestin gsvoorziening exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een huisvestingsvoorziening; beheer: alle activiteiten van de exploitanUbeheerder die gericht zijn op, dan wel verband houden met de bescherming van de belangen als bedoeld in artikel 2.83, tweede lid.
Artikel 2:80A Vergunning
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een huisvestingvoorziening te exploiteren. 2. ln de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens en contactgegevens van de exploitant en van de beheerder; b. het adres van de huisvestingvoorziening;
c. het aantal personen dat in de huisvestingvoorziening verblijf wordt verschaft;
d. de periode waarin in de inrichting aan de personen verblijf wordt verschaft; e. de totale woonoppervlakte die in de huisvestingvoorziening voor verblijf beschikbaar is;
f. het aantal beschikbare parkeerplaatsen. 3. Aanvragen mogen schriftelijk of elektronisch worden ingediend, zoals het college dit beschikbaar heeft gesteld. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:81 Gedragseisen exploitant en beheerder De exploitant en de beheerder:
a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van het college; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 2:82 Nadere regels
1. Het college stelt nadere regels vast inzake wat wordt verstaan onder het in artikel 2:81 onder b gestelde inzake 'niet in enig opzicht van slecht levensgedrag' zijn; én 2. Met het oog op de in artikel 2:83, eerste en tweede lid genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels stellen.
Artikel 2:83 Weigeringsgronden
1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:804 wordt geweigerd indien:
a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:804, tweede lid en artikel 2:81 gestelde eisen;
b. de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend(e) bestemmingsplan of beheersverordening.
c. niet voldaan wordt aan de voorwaarden dan wel uitgangspunten uit het gemeentelijke huisvestingsbeleid arbeidsmigranten en daarop gebaseerde regels.
2. ln afrrvijking van artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.804 worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersveiligheid;
f. de gezondheid of zedelijkheid.
Artikel 2:84 Wijziging beheerder 1. Een vergunninghouder vezoekt het college om een persoon als beheerder laten bij te schrijven, te wijzigen dan wel te venrijderen.
2. Dit verzoek geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3. Het college weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon als bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens art. 2:81 gestelde eisen. 4. Verzoeken mogen schriftelijk of elektronisch worden ingediend, zoals het college dit beschikbaar heeft gesteld.
Artikel 2:85 Afbakeningsbepalingen Deze afdeling is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voozien door de Huisvestingswet, het Bouwbesluit dan wel de Bouwverordening.
HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
Afdeling 1. Begripsbepalingen Artikel 3:1 Begripsbepalingen ln dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
c. seksinricht¡ng: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een
d. e. f. g. h. i.
omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een (raam)prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend ; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken; exploitant de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een
seksinrichting, met uiÞondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werÞaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan ln dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3:3 Nadere regels Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.
Afdeling 2. Seksinrichtíngen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3:4 Seksinrichtingen
1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het aantal te verlenen vergunningen. 3. ln de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en
c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; d. een plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte; en indien van toepassing,
f. het aantal prostituees die werkzaam zullen zijn in de seksinrichting.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
1. De exploitant en de beheerder:
a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafuordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
- deartikelen 137ctoten met 1379,140,237f,240b,2421oten met249,250a (oud),252,
3.
4.
5.
300 tot en met 303, 416, 417,417bis,426,429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen I en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel I of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1 994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14,27 en 30b van de Wet op de Kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen venruijt treft.
-
Artikel 3:6 Sluitingstijden
1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe
2. 3. 4.
te laten of te laten verblijven: a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur; b. op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur. Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Arti kel 3 :7 Tijdelijke afwijki ng sluitingstijden ; (tijdelijke) s I uiti n g Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen; b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
1.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVlll (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXll (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door minderjarigen of door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
Artikel 3 :9 Straatprostitutie
1. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te
2. 3. 4. 5.
bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te lokken: a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door politieambtenaren het bevelworden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevelworden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de t'rjden bedoeld in het eerste lid. De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
Artikel 3:10 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkelte exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
Artikel 3:ll Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen,
2.
opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikelT, eerste lid, van de Grondwet.
Afdeling 3. Beslístermijn ; weigeringsgronden
Artikel 3:12 Beslistermijn
1. ln afw'tjking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de
2.
aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Artikel 3: I 3 Weigeringsgronden
1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:
a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of
c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of
2.
zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. d. de aanvrager niet door het overleggen van een geschiktheidsverklaring kan aantonen dat het bedoelde pand voldoet aan de ex artikel 3:3 gestelde nadere regels; e. het maximale aantal te verlenen vergunningen reeds is bereikt; Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; c. de veiligheid van personen of goederen; d. de verkeersvrijheid of -veiligheid; e. de gezondheid of zedelijkheid; of de arbeidsomstandigheden van de prostituee;
f.
3. De vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, kan worden geweigerd in het geval en onder de voon¡vaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur.
Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie
1. De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 3:15 Wijziging beheer
1. lndien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
3. ln afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Afdel i n g 5. Ove rg ang s be pal i ng
Artikel 3: I 6 Overgangsbepaling (Vervallen)
HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET M¡LIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting Artikel 4:l Begripsbepalingen ln deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Besluit hetActiviteitenbesluitmilieubeheer; b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet g. h.
geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
A rti kel 4:2 Aanwr¡zi n g collectieve festiviteite
n
1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17,2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van
2. 3. 4. 5. 6. 7.
deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. De voonrvaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. ln een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor een of meer woonkernen of wijken van de gemeente. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 10 dB(A) / 23 dB(C), boven de geluidswaarden van de dagperiode als aangegeven in tabel 4:5. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek. Toeslagen voor de aard van het geluid en een bedrijfsduurcorrectie blijven achterwege.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 0'1.00 uur te worden beêindigd.
Artikel 4:3 Kennisgeving i ncidentele festiviteiten
1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
2. 3. 4. 5. 6.
waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17,2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier vermeld staat. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op vezoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkeruvijs niet te voorzien was, terstond toestaat. De geluidniveaus, veroorzaakt door de inrichting, mogen niet meer dan 10 dB(A) of 23 dB(C), hoger zijn dan aangegeven in tabel 4:5.
7. De geluidswaarde als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek. Toeslagen voor de aard van het geluid en een bedrijfsduurcorrectie blijven achterwege. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17 ,2.1 9 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid dienen ramen en deuren gesloten te blijven, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
L
Artikel 4:3a Melding extra incidentele festiviteiten
1. lncidentele festiviteiten boven het maximum als genoemd in artikel 4:3 eerste en tweede lid zijn
2. 3. 4.
mogelijk tot maximaal 12 festiviteiten per jaar na schriftelijke acceptatie van een melding door het college. Het college stelt een formulier vast voor het indienen van de melding. De melding moet minimaal tien werkdagen voor aanvang van de geplande festiviteit zijn ingediend. De voon¡¡aarden als genoemd in artikel 4:3, zesde tot en met tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten (Vervallen)
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit, binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 7.00-19.00
19.00-23.00
23.00-7.00
uur
uur
uur
LAT.LT op de gevelvan gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAT.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevelvan gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 B(A)
2. Voor de duur van drie uur per dag en maximaal vier dagen in de week is onversterkte muziek, 3. 4.
vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. lndien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel 4:3.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een
2. 3. 4. 5.
zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroozaakt. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Het verbod is niet van toepassing indien privaatrechtelijk al voorschriften ten aanzien van het voorkomen van geluidhinder worden overeengekomen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarvoor de burgemeester op grond van artikel 2:25 een vergunning heeft verleend of waarin wordt voozien door het Bouwbesluit, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:64 Het in werking hebben van knalapparaten ter veriaging van schadelijk gevogelte
1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit knalapparaten ter verjaging van schadelijk gevogelte in werking te hebben dan wel te gebruiken. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet indien:
a. het knalapparaat in werking is, dan wel gebruikt wordt tussen 07.00 uur en 21.00 uur en; b. de afstand tot een woning van derde meer bedraagt dan 250 meter en; c. het bronvermogen op 20 meter afstand niet meer bedraagt dan 120 dB(A) en; d. binnen een afstand van 150 meter geen ander knalapparaat in werking is of gebruikt wordt en; e. de afstand tot de openbare weg meer bedraagt dan 50 meter of de verkeersdeelnemers op een deugdelijke wijze worden gewaarschuwd voor het inwerking zijnde apparaat en;
f. het aantal knallen in relatie tot de afstand tot geluidgevoelige objecten niet meer bedraagt dan 1 knalper 10 minuten;
g. de loop van een knalapparaat van geluidgevoelige gebouwen en terreinen afgericht staat; h. cumulatie met knalapparaten op andere percelen niet leidt tot ontoelaatbare hinder;
i. het knalapparaat elke dag 50 meter verplaatst wordt; j. een knalapparaat slechts gedurende een maximaal aaneengesloten periode van 4 weken op hetzelfde perceel staat opgesteld of in bedrijf is.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op situatie waarin wordt voozien door of krachtens de Provinciale Milieuverordening (stittegebied).
Artikel 4:68 Het in werking hebben of het gebruiken van overige etektronische middeten ter verjaging van schadelijk gevogelte, anders dan bedoeld in artikel 4:64
1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit overige middelen ter verjaging van schadelijk gevogelte in werking te hebben dan wel te gebruiken. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet indien:
a. de verjagingsmiddelen in werking zijn of gebruikt worden tussen 07.00 uur en 21.00 uur en; b. de afstand tot geluidgevoelige gebouwen en terreinen meer bedraagt dan 25 meter en;
c. het verjagingsmiddel niet gericht is op geluidgevoelige gebouwen en terreinen. Afdeling 2. Afualstoffen, bodem-, weg- en milieuverontreiníging
Artikel 4:7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voonn¡erp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel 4:10 Venrvijzing naar AVRI
1. Het is anderen dan de inzameldienst Afualverwijdering Rivierenland (AVRI) verboden
2.
huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen voor zover dit in deze afdeling of door de Regio Rivierenland niet anders is bepaald. De AVRI heeft in haar Afualstoffenverordening Regio Rivierenland regels vastgesteld om de inzameling van huishoudelijke afualstoffen ordentelijk te laten verlopen.
Artikel 4: I 1 Voorkomen van diffuse milieuverontreini gi ng
1. Het is verboden buiten een daarvoor door het dagelijks bestuur bestemde plaats en buiten een
2. 3.
4.
inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afualstof, stof of voonverp op of in de bodem te brengen, te storten, te verbranden, te verwerken, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Het verbod is niet van toepassing: a. op het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of andere categorieën van afualstoffen dan huishoudelijke afualstoffen; b. op het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafual; c. voor zover de (afual)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afualstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg; d. op het verbranden van kerstbomen, voor zover dit plaatsvindt tijdens en in het kader van een evenement, waarvoor door de burgemeester van de betrokken gemeente vergunning is verleend. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit Bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.
Artikel4:12 Achterlaten van andere afualstoffen dan straatafual Het is verboden om andere afualstoffen dan straatafual achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.
Artikel 4:l 3 Achterlaten van straatafual Het is verboden om straatafual in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.
Artikef 4:14Zwertafual bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden 1
.
2.
Het is verboden afualstoffen, andere stoffen of voonverpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de openbare weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed. lndien bij het laden, lossen of vervoeren van afualstoffen dan wel bij de andere werkzaamheden bedoeld in het eerste lid van dit artikel, stotfen of voonarerpen de openbare weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen: a. direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; b. direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; c. indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, dagelijks direct na beêindiging van de werkzaamheden, maar uiterlijk om 20.00 uur.
Artikel 4:15 Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of dergelijke of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze en/of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen.
Afdeling 3. Hetbewaren van houtopstanden
Artikel 4: I 6 Begripsbepalingen
1. ln deze afdeling wordt verstaan onder:
a. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter (gelijk aan 31,4 centimeter stamomtrek) op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. ln geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; b. houtwal: lange aaneengesloten stroken of percelen van stru¡ken en bomen; c. een houtopstand: een houtwal of een of meer bomen; d. beoordelingssysteem: objectieve criteria voor de bepaling van de waarde van een boomelement zoals opgenomen in het kapbeleid waardevolle bomen; e. waardevollebomenl'rjst: bescherming van individuele bomen of boomgroepen die vanwege de boomsoort, groeivorm, standplaats al cultuurhistorische waarde belangrijk zijn voor de kwaliteit van de gemeente. Deze bomen hebben een score van 40 punten of hoger volgens het beoordelingssysteem van de waardevollebomenlijst. boomstructuurplan: boomstructuurplan gemeente Maasdriel augustus 2009; g. boomstructuur: gewenste boomstructuur (hoofd-, neven- en overige structuren) volgens het boomstructuurplan; h.
rekenmodel boomwaarde: rekenmodel voor het bepalen van de monetaire waarde van bomen op basis van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NWB); boomeffect-analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen voor houtopstanden bij voorgenomen bouw-, aanleg-, of herinrichtingsprojecten, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting; nader ondezoek: ondezoek op stabiliteit en breukvastheid van de boom; k. WA-systematiek: methodiek voor het visueel beoordelen van de stabiliteit en breukvastheid van bomen op basis van de door Prof. Dr. Claus Mattheck ontwikkelde Visual Tree Assessment (VTA); onafhankelijk boomspecialist de boomspecialist die het diploma European Tree Worker of European Tree Technician heeft behaald. ln deze afdeling wordt onder vellen verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, het voor de eerste keer knotten of kandelaberen, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Onder vellen wordt niet verstaan het knotten of kandelaberen van wilgen en platanen.
f.
i.
j.
l.
2. 3.
Artikel 4:17 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen: a. die is opgenomen in de lijst van waardevolle bomen; b. die onderdeel uitmaakt van de boomstructuur volgens het boomstructuurplan; c. waarvoor bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
2.
3.
voorbereidingsbesluit een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor bomen die voldoen aan minstens één van de in het eerste lid genoemde onderdelen wordt in beginsel geen omgevingsvergunning verleend, tenzij: a. er sprake is van grote gevaazetting of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid beoordeeld door een onafhankelijk boomspecialist volgens de WA-systematiek en eventueel nader onderzoek; b. de boom moet worden geveld op grond van de Plantenziektenwet; c. het gaat om het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel voor de instandhouding van de boom, bij daarvoor geschikte bomen. Het college kan toestemming geven om bomen te vellen in die gevallen waar sprake is van zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen 5. 6.
van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanw'rjzingen moet worden herplant. Tevens wordt daarbij bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 4:1 8 Herplant-/instandhoudingsplicht
1. lndien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze is tenietgedaan, zal het
2.
3. 4.
college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die op een andere manier tot het treffen van voozieningen bevoegd is, een geldelijke boete opleggen ter hoogte van de vervangingswaarde volgens rekenmodel boomwaarde. Daarnaast kan het college de verplichting opleggen te herbeplanten, overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn. lndien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die op een andere manier tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwìjzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
lndien in de nabijheid van de in artikel4:13lid 'l aangegeven houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die de leefbaarheid van de houtopstand nadelig kunnen beTnvloeden is de uitvoerder verplicht van de werkzaamheden een BEA (Boom Effect Analyse) op te stellen voorafgaand aan de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:19 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
1. ln het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast
2. 3.
dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, kan het college plaatsen aanwijzen die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg zijn gelegen, waar het verboden is de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:23, vaartuigen of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening.
Artikel 4:20 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (Vervallen)
Artikel 4:21 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door
2.
middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit.
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4:22 Begripsbepaling ln deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:23 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of
2. 3. 4. 5.
geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of b. de bescherming van een dorpsgezicht. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:24 Aanwijzing kampeerplaatsen Vervallen.
HOOFDSTUK 5. ANDERE VOORWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
Afdeling 7. Parkeerexcessen Artikel 5:l Begripsbepalingen ln deze afdeling wordt verstaan onder:
a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en b.
verkeerstekens (RW 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RW 1 990).
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.