P02364 4 BP BG herziening 2023, Schiemerik 1 20230906
Tekst van het document
4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Hoofdstuk 4
25
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Doorwerking plangebied Zoals in paragraaf 4.1 reeds aangegeven is heeft het binnen het plangebied toegestane bedrijf een eigen, zeer specifieke verkeersgeneratie. Omdat er alleen sprake is van centralisatie (geen groei van werknemers en klanten) zal de verkeersintensiteit niet toenemen.
De verkeersintensiteit zal juist afnemen omdat het aantal verkeersbewegingen tussen de locaties zal afnemen. Voor het bestemmingsplan dient er gekeken te worden naar wat het plan mogelijk maakt en hoe dit zich verhoudt tot de bestaande situatie. Er is sprake van een uitbreiding van het bedrijfsperceel waarbij het aantal verkeersbewegingen kan toenemen. Om te kunnen beoordelen of deze toename van stikstofoxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀) binnen de criteria blijven die gelden voor NIBM (niet in betekende mate bijdragen aan verslechtering luchtkwaliteit) is er een berekening uitgevoerd met de NIBMtool. Er is uitgegaan van 144 aan extra voertuigbewegingen. Deze verkeersgeneratie is berekend met CROW-normen voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (bijvoorbeeld loods, opslag of transportbedrijf, relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers)) in het buitengebied. De verkeersgeneratie bedraagt 4,8 motorvoertuigen per 100 m 2 bvo. Voor 3.000 m2 bvo komt de verkeersgeneratie hiermee op 144 mvt/etmaal. Dit is ingevoerd in de NIBM-tool, met een aandeel vrachtverkeer van 50%. De resultaten zijn weergegeven in tabel 4.1, de ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit.
Tabel 4.1 NIBM-Tool
Hoofdstuk 4
26
Aangetoond moet worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In onderstaande tabel (tabel 4.2) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Meetpunt NO2 μg/m3 712089 20.6 15810635 20.1 15578396 20.9 15578205 22.0 15558823 20.1 Norm 40
PM10 μg/m3 17.6 17.1 16.9 17.1 16.9 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.2 6.1 6.0 6.0 6.0 35
PM2.5 μg/m3 9.7 9.6 9.6 9.6 9.5 25
Jaar 2020 2020 2020 2020 2020
Tabel 4.2: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
4.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
27
kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied De beoogde bedrijfsbestemming zal plaats kunnen bieden voor bedrijven binnen milieucategorie 1 en 2. Daarnaast zal sprake zijn van een specifieke vorm van bedrijf - overig handel, opslag, verhuur en reparatie van grondverzet- en landbouwvoertuigen, dit is gelijk te stellen aan groothandel in machines / de verhuur van machines en werktuigen en volgens de VNG-publicatie valt dit in milieucategorie 3.1. De locatie is gelegen in een omgevingstype gemengd gebied vanwege de matige- tot sterke functiemenging in de omgeving. Daarnaast zijn de relevante geluidgevoelige bestemmingen direct aan de hoofdinfrastructuur gelegen. Bij een milieucategorie tot en met categorie 3.1 bedraagt de maximale richtafstand 30 meter in een gemengd gebied. De dichtstbijzijnde gevoelige functie is de woning aan de Provincialeweg 136. Het bedrijf komt door de uitbreiding dichterbij deze woning te liggen en op een kleinere afstand dan deze 30 meter, waardoor er niet aan de richtafstand wordt voldaan (circa 5 meter). Om deze reden is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.
Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 8, onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. In het akoestisch onderzoek is onderzocht of de maatgevende situatie (uitbreiding van BIG Machinery B.V., milieucategorie 3.1) voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Wanneer wordt aangetoond dat een bedrijf van milieucategorie 3.1 inpasbaar is, dan kan worden aangenomen dat een bedrijf binnen milieucategorie 1 of 2 eveneens inpasbaar is. Uit het onderzoek blijkt dat overschrijdingen worden berekend in het kader van maximale geluidniveaus ter plaatse van de woning aan de Provincialeweg 136. Door middel van een afschermende voorziening (minimaal 2 meter hoog en circa 40 meter lang) tussen het beoogde bedrijfsterrein en de woning aan de Provincialeweg 136 kunnen deze overschrijdingen worden weggenomen. Gesteld kan worden dat, inclusief afschermende voorziening conform afbeelding 5 van deze rapportage, sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving én dat het beoogde bedrijf inpasbaar is in de omgeving. Hiermee is rekening gehouden met het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidniveaus en de indirecte hinder. De benodigde afschermende voorziening is middels een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
Zo is in het bestemmingsplan voldoende geborgd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Provincialeweg 136. Ten opzichte van de overige gevoelige functies in de omgeving wordt wel aan de richtafstanden voldaan. Omliggende bedrijven ondervinden geen hinder door de uitbreiding van het bedrijf. Een bedrijf is minder hindergevoelig dan een woning. Met inachtneming van bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
28
4.5 Geur agrarisch Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied Er wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt, er is dan ook geen sprake van geurbelasting op een gevoelig object.
4.6 Kabels en leidingen Er bevinden zich geen kabels en leidingen in het plangebied waarvoor een specifieke regeling nodig is. Voor dit aspect zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
4.7 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen
Hoofdstuk 4
29
grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Doorwerking plangebied Op de risicokaart hieronder (figuur 4.1) is te zien welke risicobronnen met gevaarlijke stoffen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Het plangebied is omcirkeld.
Figuur 4.1 Uitsnede plangebied risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Ten noordwesten van het plangebied ligt een bovengrondse propaantank met 18.000 liter. Risicoafstand PR 10-6 is 25 meter. Daarnaast is dit een vulpunt tankwagen voor propaan met 60.000 liter. Risicoafstand PR 10-6 is 45 meter. Deze inrichtingen liggen op een afstand van meer dan 500 meter en vormen hiermee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
30
Aan de Provincialeweg, ten noordoosten van het plangebied ligt een tankstation met LPG. Hiervoor geldt een risicoafstand PR 10-6 van 40 meter. En het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico is 150 meter. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 800 meter, het tankstation met LPG vormt hiermee geen belemmering. Binnen de bestemming “Bedrijf” van het plangebied worden geen risicovolle activiteiten, zoals Beviactiviteiten, beoogd. Deze zijn bovendien in de planregels uitgesloten, door ze te benoemen als strijdig gebruik. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 en het spoor Meteren-Den Bosch. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen (A2 en Spoor MeterenDen Bosch) en brandbare stoffen (A2). Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 3 augustus 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden.
De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen.
Hoofdstuk 4
31
Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 en het spoor Meteren-Den Bosch. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.
4.8 Ecologie Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf Big Machinery te Velddriel, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. De rapportage is als bijlage 5 opgenomen bij deze toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 4,9 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
Hoofdstuk 4
32
Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Er is een berekening uitgevoerd voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Als bijlage 10 bij de plantoelichting is de notitie stikstof met de door AERIUS gegenereerde rapportages opgenomen. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO).
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het GNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN ligt ongeveer 950 meter ten zuiden van het plangebied in de vorm van de Hedelse uiterwaarden. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen of tegen de GO. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.
Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden bevinden, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming)
Hoofdstuk 4
33
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming)
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. In tabel 4.3 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten, en wat de eventuele vervolgstappen zijn. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.3 Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
overtreding
gelen
gen
Ja
Te voorkomen
Plangebied buiten broedAlgemeen
seizoen bouwrijp maken of controle vooraf
Broedvogels Jaarrond
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Vervolgonderzoek naar
Bij aanwezigheid is voor de
huismus
sloop een ontheffing nodig
Ja
Mogelijk
Ja
Mogelijk
Mogelijk vervolgonderEnkel indien richting de westzoek naar gebruik van gebouw door vleermuizen zijde wordt uitgebreid
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
beschermd
Verblijfplaatsen Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en
Hoofdstuk 4
34
tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:
Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende
het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; In de uitgevoerde quickscan werd er nog van uit gegaan, dat er mogelijk een uitbreiding aan de westzijde van de bestaande bedrijfsbebouwing zou plaatsvinden. Uitbreiding aan de westzijde van de bestaande bedrijfsbebouwing is niet meer aan de orde, zodat vervolgonderzoek naar vleermuizen hier niet noodzakelijk is. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Er wordt een vervolgonderzoek naar de huismus uitgevoerd tijdens het juiste onderzoeksseizoen.
4.9 Bodem Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd voor het plangebied. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Bij de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van het voormalig agrarisch bedrijf visueel diverse bijzonderheden waargenomen.
Het maaiveld is rondom de opstallen in het verleden ca. 0,5 meter opgehoogd met een puinen/of asfaltgranulaat. Het voorterrein oostelijk nabij de Provincialeweg is verhard met asfalt. Zuidelijk van de stal zijn enkele stukken asbestverdacht plaatmateriaal op het maaiveld aangetroffen. Ter plaatse van het bouwland zijn geen bijzonderheden waargenomen. Agrarisch bouwland Uit de analyseresultaten blijkt dat het oostelijke bovengrondmengmonster licht verhoogd is met kobalt, nikkel en zink. In het westelijke ondergrondmengmonster is een lichte verhoging met kobalt en nikkel
Hoofdstuk 4
35
aangetoond. In de andere boven- en ondergrondmonsters zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en plaatselijk licht verhoogd met xylenen, naftaleen of kwik. Voormalig agrarisch bedrijf De ophooglaag is niet onderzocht. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrondmengmonsters met een visuele baksteen- en puinbijmenging licht verhoogd zijn met molybdeen, nikkel en plaatselijk met cadmium, zink en minerale olie. In het visuele schone bovengrondmengmonster rondom de woning zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. In de ondergrond is plaatselijk een lichte verhoging met kobalt en nikkel of PAK aangetoond. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen aankoop en bestemmingswijziging tot industrieterrein. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.
Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Ter plaatse is geen asbest in bodem onderzoek conform de NEN5707 verricht. Wel heeft een visuele inspectie van het terrein plaatsgevonden. Hierbij zijn op het maaiveld zuidelijk van de stal enkele stukken asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Het uitgevoerde bodemonderzoek doet geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Geadviseerd wordt om eerst de bestaande asbesthoudende dakbedekking conform de geldende regelgeving te saneren alvorens een verkennend asbest in bodem onderzoek uit te voeren. Wanneer de bestaande loods gesloopt gaat worden zal er eerst een asbestinventarisatie met hieropvolgend asbestsanering plaatsvinden. Vervolgens dient er een onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd. Na de sloop van de loods kan ook het oppervlakte onder de loods worden meegenomen in het asbestonderzoek. De asbestinventarisatie en een asbest in de bodem onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunningprocedure. Initiatiefnemer is op de hoogte en heeft hiervoor de benodigde budgetten gereserveerd.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.10 Water Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
Hoofdstuk 4
36
Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het kabinet heeft het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050. Onderdeel van het Nationaal Waterplan zijn: de Deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie), de Beleidsnota Noordzee de verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit het Energieakkoord de Natuurvisie de Internationale Waterambitie de geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma’s om te voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu Het waterbeleid van de provincie Gelderland staat omschreven in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten.
Evenals in de eerste planperiode is het omgevingsbeleid van de provincie het uitgangspunt. Het beleid van de provincie Gelderland is beschreven in het Regionaal waterprogramma 2022-2027. Naast een waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft Waterschap Rivierenland een Watervisie 2050 vastgesteld. Dit plan beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2022-2027) wil bereiken en hoe ze dat willen doen. Dit gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het waterschap over een Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan bij afwijken van de beleidsregels een vergunning noodzakelijk zijn. De waterbeheerders werken hiervoor integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. De gemeente Maasdriel heeft samen met de gemeente Zaltbommel en het Waterschap Rivierenland het water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 opgesteld. Doel van dit plan is het ontwikkelen en vastleggen van een overkoepelend waterbeleid waarin beide gemeenten en het waterschap de ambities rondom riolering en water verwoorden. De maatregelen die hiervoor nodig zijn, staan in het uitvoeringsplan.
Dit WRP heeft een voorbeeldfunctie voor meer samenwerking in de waterketen, volgens de afspraak tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). In het vorige WRP heeft een 'nulmeting' plaatsgevonden van de huidige kwaliteit van de riolerings- en waterzorg. In het huidige WRP zijn keuzes gemaakt in verband naar de gewenste kwaliteit en de prioriteit van het (riool)waterbeheer. Het waterplan dient als praktische leidraad bij de uitvoering van water- en ruimtelijke projecten. De planvorming vindt plaats in samenwerking met de belangrijkste 'waterpartner', het waterschap. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim vast. Infiltreren van water in de bodem is in de Bommelerwaard niet aan de orde. Derhalve dient bij toename aan nieuw of af te koppelen verhard oppervlak ruimte voorzien te worden voor waterberging. Bij
Hoofdstuk 4
37
elke ruimtelijke ontwikkeling wordt hier rekening mee gehouden. Ingrepen mogen in principe geen veranderingen aan het watersysteem teweeg brengen. Bij nieuwbouw is minimaal de aanleg van een gescheiden stelsel vereist en dient het hemelwater op eigen terrein verwerkt te worden. Indien dit redelijkerwijs niet van hem gevraagd kan worden, kan de particulier zijn hemelwater aanbieden aan de gemeente. In overleg met het waterschap kan een eenmalige vrijstelling voor het compenseren van water bij een uitbreiding van verhard oppervlak verkregen worden voor een oppervlak van 500 m 2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied. De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig voor te leggen en de mogelijke gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap in beeld te brengen. Afhankelijk van het planvoornemen zijn compenserende maatregelen benodigd. Door de ligging in het rivierengebied wordt meestal uitgegaan van bijkomende waterberging in oppervlaktewater om bijkomende verharding te compenseren. Derhalve dient afhankelijk van de planontwikkeling ruimte voorzien te worden voor hemelwaterberging. Meestal is in het buitengebied voldoende ruimte aanwezig om toename aan verharding te compenseren door bijvoorbeeld het verbreden of aanleggen van watergangen.
Tevens dient rekening gehouden te worden met bestaande knelpunten en de overige waterstromen (zoals afvalwater). Doorwerking plangebied Er is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, de rapportage is opgenomen als bijlage 7 bij deze plantoelichting. Het doel van de rapportage is een beschrijving te geven van de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen herinrichting van het plangebied op de waterhuishouding. Allereerst wordt de huidige waterhuishoudkundige situatie van het plangebied in beeld gebracht. Vervolgens worden de uitgangspunten beschreven welke enerzijds gelden vanuit het beleid en anderzijds zijn opgesteld naar aanleiding van overleg met betrokken partijen. Op basis van deze uitgangspunten en het ontwerp is daarna de benodigde hemelwaterberging en de wijze van afvoer van de waterstromen uitgewerkt. De rapportage wordt afgesloten middels een waterparagraaf waarin de belangrijkste afwegingen en ruimtelijke invloeden zijn samengevat. Grondwater Gezien de hoge grondwaterstand dient hiermee rekening gehouden te worden bij de terreininrichting zodat het risico op grondwateroverlast zoveel mogelijk vermeden wordt. Ter plaatse is geen grondwateroverlast bekend. De bestaande grondwaterstanden blijven gehandhaafd en er wordt geen drainage aangelegd. Derhalve is voor het toekomstig parkeerterrein een minimale hoogte van 3,15 m +NAP geadviseerd.
Voor de toekomstige nieuwbouw wordt eenzelfde vloerpeil als bij de bestaande bebouwing geadviseerd, in elk geval minimaal 3,45 m +NAP. Door aan te sluiten op de bestaande peilmaten wordt voldaan aan de minimale aanlegpeilen. De nog op te stellen grondbalans kan een reden zijn om aanpassingen door de te voeren in aanlegpeilen. De definitieve peilmaten dienen op voorhand afgestemd te worden met de gemeente. De nieuwe aanlegpeilen van het maaiveld mogen niet leiden tot wateroverlast voor de aanliggende percelen rondom het plangebied.
Hoofdstuk 4
38
Afvalwater Het gescheiden verzamelde afvalwater van het bestaande bedrijf en de woning is aangesloten op het gemeentelijk drukrioolstelsel. De beoogde uitbreiding van de kantoorruimte heeft een beperkte toename aan afvalwater tot gevolg. Er zal geen aanvullend afvalwater geproduceerd worden vanuit de voorgenomen nieuwbouw (opslagloods). Omdat dit een beperkte hoeveelheid aan afvalwater van voornamelijk huishoudelijke aard betreft, kan de bestaande pompput dit zonder aanpassingen verwerken. Bij wijzigingen aan de rioolaansluiting dient te zijner tijd een aanvraag gedaan te worden bij de gemeente Maasdriel. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zelf is behoudens een kort stuk B-watergang oostelijk geen oppervlaktewater aanwezig. Westelijk bevindt zich een B-watergang. Bij de planontwikkeling wordt oostelijk nabij de inrit een gedeelte van de bestaande Bwatergang gedempt. Dit oppervlak van ca. 52 m2 wordt 1 op 1 gecompenseerd binnen hetzelfde peilgebied door het graven van bijkomend water in een bestaande Bwatergang westelijk van de planontwikkeling. Middels ruilverkaveling en rekening houdend met machinaal onderhoud kan op dit perceel ca. 225 m 2 nieuw water gegraven worden. Bij het graven van nieuw water dient voldaan te worden aan de voorwaarden in beleidsregel 5.14 (bodemhoogte minimaal 1,65 m +NAP). Optioneel kan het te dempen oppervlak van ca.
52 m 2 ook direct aangrenzend aan de demping gecompenseerd worden door verbreding van de bestaande B-watergang. Hiervoor is ruimte aanwezig maar deze grond is niet in eigendom. Door de demping te compenseren, neemt het bestaand wateroppervlak in het peilgebied niet af. Hemelwater Bij de herontwikkeling wordt net zoals bestaand een gescheiden stelsel aangelegd. De bestaande bedrijfsverharding blijft behouden (hemelwater gescheiden naar B-watergang). De toekomstige bestemming Industrie mag voor maximaal 80% bebouwd worden. Gezien de gewenste invulling van het perceel voor stalling van machines met een hoge puntbelasting zal het buitenterrein zoveel mogelijk verhard worden. Het hemelwater van de nieuwbouw is als schoon te beschouwen en kan rechtstreeks afgevoerd worden. Door aan de milieuhygiënische voorwaarden te voldoen bij de overige oppervlakken / het buitenterrein zal door de aanvoer van het hemelwater de kwaliteit van het ontvangend oppervlaktewater niet verslechteren. De bestaande bedrijfsverharding blijft behouden (hemelwater naar B-watergang). Het hemelwater zal binnen het nieuwe bedrijfsperceel overwegend oppervlakkig afgevoerd worden richting de aan te leggen waterbergingsvoorziening. Dit wordt mogelijk gemaakt door een verhang van 3-5 ‰ en/of V-profielen in het straatwerk.
Waar dit te zijner tijd bij de uitwerking niet toepasbaar blijkt, kan een ondergrondse HWA-leiding aangelegd worden. Ter plaatse van de uitstroomvoorziening in het oppervlaktewater, dient taludbekleding tegen uitspoeling aangelegd te worden.
Hoofdstuk 4
39
Op basis van inrichtingsschets (figuur 2.1) is de benodigde hemelwaterhoeveelheid bepaald. Een overzicht van de huidig en toekomstige oppervlakken is in onderstaande tabel samengevat.
Tabel 4.4 Overzicht verharding bestaand en toekomstige situatie
Voor de verhardingstoename dient voor een bui van T=10+10% ca. 575 m 3 waterretentie aangelegd te worden (ca. 1.916 m2 oppervlaktewater). Een bui van T=100+10% of waterhoeveelheid van ca. 876 m3 mag geen overlast veroorzaken op het eigen of de belendende percelen. Gezien de huidige maaiveldhoogte is een ophoging van het perceel noodzakelijk geacht om te voldoen aan de benodigde ontwateringsdiepte. Nadere gegevens over benodigde laagdikte, puntbelasting, aslasten en gronddaling dient bij toepassing te zijner tijd door de constructeur nader bepaald te worden. Ter onderbouwing kan dan tevens een funderingsonderzoek benodigd zijn. De bestaande watergangen rondom het plangebied blijven grotendeels behouden. Bij de ontwikkeling wordt oostelijk nabij de inrit een gedeelte van de bestaande B-watergang gedempt. Dit oppervlak van ca. 52 m2 dient 1 op 1 gecompenseerd te worden binnen hetzelfde peilgebied. Bij de aankoop van de grond vond noordelijk een grondruil plaats. Dit ruiloppervlak van 410,2 m2 bevindt zich nabij een bestaande B-watergang (zelfde peilgebied) en kan deels gebruikt worden voor de benodigde compensatie en/of waterretentie. Bij het graven van nieuw water dient voldaan te worden aan de voorwaarden in beleidsregel 5.14 (bodemhoogte minimaal 1,65 m +NAP). Ter plaatse van de geruilde grond kan zonder varend onderhoud ca. 225 m 2 water gegraven worden.
Ter plaatse zijn diverse verwerkingsmogelijkheden toepasbaar. Gezien het voorgenomen gebruik als opslagterrein met hoge puntbelasting door de machines gaat de voorkeur uit naar een bovengrondse hemelwaterverwerking direct nabij het te verharden terrein. Onderstaand is een opzet gemaakt voor de hemelwaterverwerking voor de voorgenomen planontwikkeling. De beoogde maatregelen met het bestaand en te dempen oppervlaktewater zijn in figuur 4.2 visueel weergegeven.
Hoofdstuk 4
40
Figuur 4.2 Maatregelen hemelwaterberging
Westelijk van het plangebied is een vrijwaringszone aanwezig voor een mogelijke uitbreiding van de A2 ter plaatse van het reserveringsgebied. Voor dit onverhard oppervlak van ca. 3.200 m2 zijn nog geen concrete plannen bekend. Dit terreindeel is in eigendom en bestemd als agrarisch gebied en kan derhalve ingezet worden voor de aanleg van een bovengrondse hemelwaterverwerking. In deze zone kan bovengronds water verwerkt worden middels twee opties: de inpassing van nieuw oppervlaktewater. Voor een bui van T=10+10% is een minimaal wateroppervlak van ca. 1916,67 m 2 noodzakelijk. Rekening houdend met de mogelijkheden aan bijkomend oppervlaktewater bij het ruiloppervlak is nog minimaal 1.743 m 2 op zomerpeil benodigd (=1916,67-225+52m2). De toegestane peilstijging bedraagt 30 cm. Ter plaatse kan dit niet in 1 watergang plaatsvinden tenzij deze varend onderhouden wordt i.v.m. de maximaal toegestane bovenbreedte voor machinaal onderhoud. Een mogelijkheid betreft de inpassing van twee B-watergangen nabij de perceelsgrenzen met een lengte van ca. 260 meter x 6 meter waterbreedte op zomerpeil. Voor een goede doorstroming staan deze watergangen in open verbinding met het bestaand oppervlaktewater. de aanleg van een technische hemelwatervoorziening (wateropvang met stuw en uitstroomvoorziening naar het bestaande oppervlaktewater). Deze dient dan een waterberging van ca.
876 of 827 m3 (incl. restant nieuw B-water buiten plangebied) te kunnen verwerken. Hierbij wordt op een kleiner oppervlak een hogere waterberging ingepast door de toepassing van een stuw met leegloopvoorziening. Zonder maaiveldaanpassing is een oppervlak van ca. 1.250-1.180 m2 met een waterbergende schijf van 70 cm boven de verwachte GHG benodigd. Dit kan aangelegd worden op het agrarisch perceel. Vanuit deze voorziening is een vertraagde leegloop van 1,5l/s/ha (ca. 1,7 l/s voor het aangesloten oppervlak) benodigd naar de nabijgelegen A-watergang.
Hoofdstuk 4
41
Bij open water is er meer wateroppervlak/ruimte benodigd dan bij de technische voorziening. Middels een van deze twee opties wordt de geheel benodigde retentie eenvoudig, robuust en bovengronds verwerkt direct nabij de verhardingstoename. Ter plaatse zijn andere opties / types en ook ondergrondse voorziening(en) toepasbaar, net als bijkomend oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied maar bovenstaande mogelijkheid heeft de voorkeur. De toekomstige waterberging krijgt een B-status en zal onderhouden worden door de eigenaar van het perceel. Rondom wordt een beschermingszone van 1 meter geprojecteerd. Er vinden geen wijzigingen plaats in het primaire oppervlaktewater behoudens de aanleg van een open verbinding of uitstroomvoorziening. Bij de inpassing is rekening gehouden met de bestaande 5 meter brede beschermingszone. Het terrein dient zo aangelegd te worden dat hemelwater van de bebouwing wegstroomt en bij voorkeur naar een laagte op eigen terrein stroomt waar deze geen overlast veroorzaakt. Het hemelwater zal binnen het plangebied overwegend oppervlakkig afgevoerd worden richting een aan te leggen bovengrondse waterberging westelijk. De aanvoer wordt zoveel als mogelijk gemaakt door een verhang en V-profielen in het straatwerk (3,3 m+NAP naar 3,15 m+NAP).
Waar dit plaatselijk niet toepasbaar blijkt, kan een ondergrondse HWA-leiding aangelegd worden richting de hemelwatervoorziening. De toekomstige voorziening ligt in het laagste terreindeel waar het maaiveld op ca. 2,8-2,9 m +NAP ligt. Middels een op te stellen peilenplan bij de verdere planuitwerking zullen de stromingsrichtingen concreter gemaakt worden. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels voorliggend plan geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden (zoals onder andere het omgevingsloket). Voor de wijzigingen in en nabij het oppervlaktewater en de verhardingstoename met de leegloopvoorziening dient te zijner tijd een watervergunning aangevraagd te worden.
4.11 Archeologie Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2024 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Archeologiebeleid gemeente Maasdriel Op 18 april 2013 heeft de gemeente Maasdriel haar archeologiebeleid vastgesteld. Het beleid omvat een gedetailleerde archeologische verwachtingskaart, een cultuurhistorische inventarisatiekaart en een archeologische beleidskaart. De beleidskaart maakt onderscheid in beleidszones. De archeologische verwachtingswaarden zijn verwerkt in dubbelbestemmingen in het vigerende bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4
42
Binnen het plangebied geldt in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ en ‘Waarde – Archeologie 6’. De voor 'Waarde - Archeologie 5' en ‘Waarde – Archeologie 6’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer er bouwwerken worden gebouwd met een oppervlakte groter dan 1.000 m 2 (voor de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5) dan wel 5.000 m 2 (voor de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 6) en dieper dan 30 centimeter. Doorwerking plangebied Er is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten vermeld. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt vanaf het maaiveld. Hierin kunnen resten worden aangetroffen vanaf de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Er is een verkennend booronderzoek uitgevoerd van 9 boringen. De bodem bestaat van boven naar beneden uit komklei op oeverwalafzettingen van de meandergordel van Velddriel. Er zijn geen aanwijzingen voor een cultuurlaag aangetroffen.
In boring 9 is vanaf een diepte van 1,6 m beneden maaiveld (1,06 m +NAP) zeer fijn matig siltig zand aanwezig. Deze zandlaag is anders van samenstelling dan de andere aangetroffen zandlagen en lijkt op pleistoceen dekzand. Mogelijk is een dekzandkop of pleistoceen zandduin aanwezig. In de top van het zand is geen bodemvorming aangetroffen. De flanken van dekzandkoppen waren tijdens het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum geschikt voor bewoning. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande herinrichting indien in het gebied rond boring 9 (zie figuur 4.2) geen werkzaamheden dieper dan 1,3 m beneden maaiveld worden uitgevoerd. Wanneer dat wel het geval is, dient door middel van een karterend booronderzoek de mogelijke dekzandkop in kaart gebracht te worden. Rondom boring 9 aan de noordkant in het midden van het perceel zijn er geen grondwerkzaamheden dieper dan 1,3 m beneden maaiveld gepland. Zoals de inrichtingsschets in figuur 2.1 toont is rondom boring 9 alleen verharding en een elzensingel gepland. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt niet gerealiseerd in de nabijheid van boring 9. Namens de gemeente Maasdriel is regioarcheoloog Rivierenland akkoord met de resultaten en conclusies van het archeologisch onderzoek.
Het besluit is genomen het selectieadvies in zijn geheel over te nemen en het plangebied verder vrij te stellen van nader onderzoek indien er geen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 1,3 m -mv (1,36 m +NAP) ter hoogte van boring 9. Bij graafwerkzaamheden dieper dan 1,3 m - mv dient een karterend booronderzoek rond boring 9 uitgevoerd te worden. De dubbelbestemming kan blijven gehandhaafd. Voor vrijgegeven ontwikkelingen blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst (art. 5.10 Erfgoedwet) te allen tijde van kracht.
Hoofdstuk 4
43
Figuur 4.2 Resultaten van het booronderzoek met aanduiding boringen (bron achtergrondkaart: PDOK).
Conclusie Met inachtneming van bovenstaand vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ worden in het bestemmingsplan overgenomen.
4.12 Cultuurhistorie Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Gelderland sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Hoofdstuk 4
44
Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden zijn in de rijks- en gemeentelijke monumentenlijst vastgelegd. De rijksmonumenten zijn reeds beschermd op basis van de Monumentenwet. Voor de overige gemeentelijke monumenten op basis van de gemeentelijke monumentenverordening en cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden is in het plan een regeling opgenomen. Bij eventuele sloop van monumenten dient een gemeentelijke monumentenvergunning te worden aangevraagd. Doorwerking plangebied Op de cultuurhistorische waardenkaart van Gelderland zijn voor het plangebied De cultuurhistorische kwaliteiten verweven in het landschap. In en rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden van belang. Het plangebied wordt middels een landschappelijke inpassing in de omgeving ingepast. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een kwaliteitsverbetering van het landschap. In en rondom het plangebied zijn er geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten of andere waardevolle panden of elementen aanwezig. Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.13 M.e.r.-plicht Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Doorwerking plangebied De uitbreiding van het bedrijf is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht.
Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. De aanmeldingsnotitie is opgenomen als bijlage 11. De conclusie is dat voor de verdere planvorming ten behoeve het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2023, Schiemerik 1’ geen milieueffectrapportage wordt vereist.
Hoofdstuk 4
45
5.
JURIDISCHE TOELICHTING 5.1 Algemeen Het onderhavige bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2023, Schiemerik 1’ bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling (regels en verbeelding), die bindend is voor overheid en burgers. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Als plangrens is gekozen voor een zo goed mogelijke en logische aansluiting op de grenzen van de naastgelegen bestemmingsplannen. Dit betekent dat er ook gronden binnen het plangebied liggen, die (nog) eigendom zijn van anderen dan de ontwikkelaar, zoals de gemeente en het waterschap.
5.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en het vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Hoofdstuk 5
46