Bijlage 1 Omgevingsplan
Tekst van het document
standaardactiviteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Bkl);
•
specifieke activiteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.3 Bkl);
•
activiteiten op industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp);
•
'activiteiten in de openbare buitenruimte' en evenementen ((paragraaf 5.1.4.2.1 en artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) Bkl).
Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel betrekking op het initiatief, omdat er geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen milieuhinderlijke functies
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
27
aanwezig die een belemmering vormen voor deze ontwikkeling. Het plangebied ligt wel in een geluidsaandachtsgebied van een weg of spoorweg. Daarom moet voor het initiatief een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Onderzoek Er is door K+ een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het initiatief op de fysieke leefomgeving. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage van onderhavige ruimtelijke motivering. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de Kon. Wilhelminastraat, President John F. Kennedystraat, Peperstraat, Veldweg, Pr. Margrietstraat en Kleinveld. Uit het akoestisch onderzoek van deze gemeentewegen blijkt dat: •
De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 56 dB.
•
De gemeente Maasdriel dient aan de hand van voorliggend onderzoek een afweging te maken om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan.
•
In de voorliggende situatie kan als uitgangspunt worden aangedragen dat de woningen bestaande industrie bebouwing vervangen.
•
Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting zou daarmee misschien teruggebracht kunnen worden tot de standaardwaarde of lager. De kosten voor deze maatregel voor de Kon. Wilhelminastraat worden geraamd op €45.000,- (2.150 m * 6m * €50,-) en is daarmee niet financieel doelmatig, de overschrijding vindt alleen plaats op de voorgevel van de tweekapper gelegen direct aan de Kon. Wilhelminastraat. Bovendien stuit deze maatregel op overwegende bezwaren van technische aard. In het kader van beheer en onderhoud is het ook niet wenselijk dergelijke kleine stukken wegdek te voorzien van een andere wegdekverharding.
•
Het verder naar achteren verplaatsen van de tweekapper om de geluidbelasting verder te reduceren leidt er niet toe dat wordt voldaan aan de standaardwaarde. Zou de afstand tot de weg bijvoorbeeld worden verdubbeld, van 10 naar 20 meter, dan zal de geluidbelasting op de voorgevel met circa 3 dB afnemen, een verschil wat nauwelijks hoorbaar is. Uit stedenbouwkundig oogpunt is het verder van de weg plaatsen niet wenselijk en ook niet mogelijk.
•
Het plaatsen van een scherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm is in de praktijk niet uitvoerbaar gezien de inritten van de woningen dan niet te bereiken zijn. Een scherm langs een oprit realiseren brengt de verkeersveiligheid in gevaar, het uitzicht op de weg wordt namelijk belemmerd, ook met een glazen scherm.
Daarnaast is de gecumuleerde geluidsbelasting onderzocht. Deze bedraagt (maximaal) 56 dB. dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort gemeentewegen. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Conform het Bbl worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB. Te treffen maatregelen en conclusie
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
28
Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels waarmee juridisch is geborgd dat ingebruikname van de gronden als ‘Wonen’ slechts is toegestaan indien kan worden voldaan aan de minimale geluidseisen en realisering van de vereiste (minimale) geluidwering. Vanuit het oogpunt van geluid zijn er in dat geval geen belemmeringen. Vanuit het aspect Geluid door activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Indirecte hinder (verkeersaantrekkende werking) Er is aanvullend is akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van indirecte hinder als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het plan. In dit onderzoek is de toename van verkeersbewegingen door de realisatie van de woningen beschouwd en is de resulterende geluidbelasting op bestaande woningen in de omgeving berekend, waaronder de woningen aan de Peperstraat, President John F. Kennedystraat en de Koningin Wilhelminastraat. Uit het onderzoek blijkt dat de maximale toename van de geluidbelasting op de gevels van bestaande woningen 1,3 dB bedraagt. Deze toename blijft onder de in artikel 5.78af van het Bbl gehanteerde drempelwaarde van 1,5 dB. Daarmee is sprake van een aanvaardbare situatie en zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.
Vanuit het aspect indirecte hinder is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat en vormt dit aspect geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4.3
Trillingen (§ 5.1.4.4 Bkl)
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel/geen betrekking op het initiatief, omdat het plan voorziet in de toevoeging van 10 nieuwe trillinggevoelige gebouwen, namelijk woningen. Onderzoek De beoogde planlocatie is centraal gelegen in Hedel. Het meest nabijgelegen spoor is gelegen op ruim 700 meter afstand ten oosten van het plangebied. Ook zijn er in de nabijheid geen trillingveroorzakende activiteiten aanwezig. Logischerwijs zorgt dit niet voor belemmeringen voor het initiatief.
Te treffen maatregelen en conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf omdat de beoogde planlocatie op ruime afstand is gelegen van het meest nabijgelegen spoor. Ook zijn er in de nabijheid een trillingveroorzakende activiteiten aanwezig. Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.4.4
Slagschaduw van windturbines (§ 5.1.4.4a)
Als een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer op een locatie wordt toegelaten of een slagschaduw gevoelig gebouw waarop slagschaduw wordt veroorzaakt door een dergelijke windturbine, gelden er
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
29
voor het aspect slagschaduw instructieregels. Deze instructieregels gelden alleen ter bescherming van slagschaduw gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Er geldt een tijdelijke uitzondering voor windparken (art. 5.89aa Bkl). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel geen betrekking op het initiatief omdat er geen windturbine nabij is gelegen. Onderzoek De planlocatie is centraal gelegen in het bestaand stedelijk gebied van Hedel. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen windturbines aanwezig. Logischerwijs kan er dan ook worden gesteld dat er ook geen sprake is van slagschaduw ter plaatse van de beoogde nieuwbouwwoningen. Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf omdat er in de directe omgeving geen windturbines en derhalve geen slagschaduw aanwezig zijn. Vanuit het aspect slagschaduw van windturbines is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.4.5
Bodemkwaliteit (§ 5.1.4.5)
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Een omgevingsplan bepaalt daarom dat bepaalde maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel betrekking op het initiatief, omdat het initiatief voorziet in de realisatie van 10 nieuwe bodemgevoelige gebouwen, namelijk woningen. Onderzoek Er is door Verhoeven milieutechniek bv in 2022 een historisch, verkennend en afperkend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in de bijlage. Door Milieupartner is een verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd op basis van het door Verhoeven milieutechniek bv uitgevoerde, historisch, verkennend en afperkend bodemonderzoek. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. De volgende werkzaamheden zijn uitgevoerd: •
Aanvullen/actualiseren historisch onderzoek;
•
Druppelzone zuidzijde loods op asbest, inclusief SEM-analyses + PCB;
•
Reeds onderzochte druppelzones op PCB;
•
Verkennend asbestonderzoek onder bebouwing (na sloop);
•
Nader asbestonderzoek AB101 (diepte 0,5 tot 1,0 m-mv).
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
30
Het doel van het verkennend asbestonderzoek is na te gaan of de verdenking op verontreiniging met asbest van de bodem terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Het doel van het nader asbestonderzoek is het vaststellen van de aard en omvang van de vermoedelijke bodemverontreiniging met asbest, ter plaatse van het gedeelte waar sloop van een schuur heeft plaatsgevonden (kadastraal perceel B 5023) (in de bovenlaag) en een bepaling van het gehalte aan asbest op basis van een visuele inspectie van het maaiveld en de uitgegraven grond in combinatie met een steekproefsgewijze monsterneming. Resultaten verkennend en nader asbestonderzoek Milieupartner Verkennend asbestonderzoek druppelzones Ter plaatse van de gaten AB3 en AB4 (mm ASB1) is zintuiglijk geen asbest waargenomen en analytisch is een totaal gewogen asbestgehalte van 8 mg/kg d.s.) aangetoond. Hiermee blijft het gehalte ruimschoots onder de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) en de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.). In de zintuiglijk als schoon beoordeelde bovengrond ter plaatse van de druppelzones (mm PCB1 t/m mm PCB3) zijn geen verhoogde gehaltes aan PCB (som 7) aangetoond. De bovengrond voldoet hiermee aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur.
Nader asbestonderzoek Ter plaatse van sleuf SL01 is zintuiglijk in de grondlaag van 0,4 tot 0,7 m-mv 1 stukje asbestverdacht materiaal aangetroffen (grove fractie). In de fijne fractie is analytisch geen asbest (<2 mg/kg d.s.) aangetoond. Het berekende, totaal gewogen gehalte aan asbest is 88 mg/kg d.s. en blijft derhalve de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.. Conclusie Op basis van de resultaten van het verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd door Milieupartner in combinatie met de resultaten van de voorgaande onderzoeken blijkt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen grondtransactie, bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling in verband met de aangetroffen ernstige asbestverontreiniging. De eindsituatie ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank is, in voorgaande onderzoeken, reeds in voldoende mate onderzocht. Voor de onderzochte NEN/OCB parameters in de grond en/of in het grondwater zijn middels het verkennend en aanvullend bodemonderzoek geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding geven tot vervolgonderzoek of sanering. Op basis van de resultaten van het nader asbestonderzoek door Milieupartner is aangetoond dat geen sprake is van een interventiewaarde overschrijding ter plaatse van sleuf SL01.
Opgemerkt wordt dat, in verband met de te smalle ruimte tussen het pand en het buurperceel, geen nader asbestonderzoek is uitgevoerd aan de zijkant van de loods ter plaatse van de bij het bodemonderzoek van Verhoeven aangetoonde sterke asbestverontreiniging. Teneinde te bepalen of ter plaatse een asbestverontreiniging boven de interventiewaarde aanwezig is, wordt na sloop van de loods het restant van het nader asbestonderzoek uit te voeren ter hoogte van de gaten B13, B14, AB101 en AB102 (2 sleuven). Daarnaast dient na de sloop een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de huidige loods. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf. Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
31
Bij eventuele afvoer van grond dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. 4.1.4.6 4.1.4.7
Geur (§ 5.1.4.6)
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (art. 5.95 en 5.96 Bkl). Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan een of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (art. 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet vastgelegd worden in het omgevingsplan. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen. Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op: •
Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2);
•
Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3);
•
Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4).
Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat er geen geur-veroorzakende acitivteiten in de buurt zijn gelegen. Onderzoek In de directe omgeving liggen geen agrarische bedrijven in de vorm van veehouderijen. Het initiatief ligt volgens het gemeentelijk geurbeleid niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf. Het plangebied is gelegen binnen een zone waar een goed leefklimaat heerst. Ook zijn er in de nabijheid geen andere (nietagrarische) mogelijk geurveroorzakende activiteiten aanwezig. Conclusie Vanuit het aspect geur(hinder) van (agrarische) bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen voor dit initiatief. Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf. Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.5
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (§ 5.1.5 Bkl)
4.1.5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5.4 Bkl)
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met (art. 5.129g): a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
32
Bovenstaande geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Tot stedelijk gebied wordt niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. Al een behoefteonderzoek (laddertoets) is gedaan. Planspecifiek Op basis van artikel 5.129g lid 1 van het Bkl is doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking verplicht voor iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. In artikel 5.129g Bkl is geen ondergrens vastgelegd wanneer er sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij woningbouw een plan vanaf 12 woningen een nieuw stedelijke ontwikkeling is. Voor alle andere stedelijke functies wordt een toevoeging van 500 m2 BVO aangehouden als ondergrens. De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel/geen betrekking op het initiatief, omdat het initiatief slechts voorziet in de toevoeging van 10 nieuwe woningen. Conclusie Vanuit het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.5.2
Cultureel erfgoed en werelderfgoed (§ 5.1.5.5 Bkl)
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
33
Planspecifiek
Figuur 11 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Maasdriel
Archeologie De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Maasdriel (2013) deels in een zone Waarde - archeologie 3 en deels in een zone Waarde - archeologie 6, zie figuur 11. Voor de Waarde - archeologie 3 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 cm -mv. Voor de Waarde - archeologie 6 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 cm -mv. De hoogste zone is leidend. De onderzoekslocatie is momenteel grotendeels bebouwd. In het archeologisch bureauonderzoek zal derhalve mede aandacht worden besteed aan het in kaart brengen van zowel de huidige als de toekomstige verstoring (funderingsdiepten huidige en toekomstige bebouwing). Conform de richtlijnen van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR; Handboek Archeologie Regio Rivierenland 2018) dienen naast extra onderzoeksvragen en een verplicht op te stellen Plan van Aanpak (PvA) tevens direct een karterend booronderzoek te worden uitgevoerd bij locaties kleiner dan 0,5 hectare.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
34
Cultuurhistorie In de directe nabijheid van het plangebied zijn waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig, namelijk de woning aan de Koningin Wilhelminastraat 47. Onderzoek Er zal na sloop van de bebouwing een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor het huidige omgevingsplan zal de zone ‘Waarde – archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 6’ worden overgenomen op de verbeelding en in de planregels. Voor het onderdeel cultuurhistorie is er geen ontsiering noch beschadiging van het naastgelegen cultuurhistorisch waardevol aangemerkte pand te verwachten. Met de sloop van de bedrijfsbebouwing en de realisatie van het nieuw woningbouwplan wordt de omgeving op positieve wijze opgewaardeerd. Zorgvuldigheidshalve is er een extra beoordelingsregel voor alle vergunningplichtige activiteiten waarin staat dat er rekening dient te worden gehouden met het monument, zodanig dat het monument niet beschadigd of ontsiert mag raken door de vergunningplichtige activiteit of eventuele gevolgen hiervan. Hierbij is opgenomen dat de gemeente advies vraagt aan de adviescommissie fysieke leefomgeving ter beoordeling hiervan. Tevens geldt hierbij een algemene zorgplicht ter voorkomen van het beschadigen of ontsieren van het monument. Dit is een vangnet voor alle niet-vergunningplichtige activiteiten. Er is hierbij een contour van 20 meter vanaf de gevel van het monument aangehouden.
Ook is er bij de woningen aan de Koningin Wilhelminastraat bewust een setback opgenomen, om zichtlijnen te kunnen waarborgen. Conclusie Vanuit het aspect cultureel erfgoed en werelderfgoed is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.6
Behoud van ruimte voor toekomstige functies (§ 5.1.6 Bkl)
Op grond van de instructieregels van het Bkl mogen de activiteiten die met een omgevingsplan worden toegestaan, geen belemmering vormen voor de bestemming die daaraan is gegeven binnen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat de beoogde projectlocatie niet is gelegen binnen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang. Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf. Vanuit het aspect behoud van ruimte voor toekomstige functies is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.7
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (§ 5.1.7)
Het Rijk geeft in deze paragraaf instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
35
Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Het plan heeft geen betrekking op hetgeen benoemd onder §5.1.7.2. landsverdediging en nationale veiligheid, §5.1.7.3 elektriciteitsvoorziening, §5.1.7.4. Rijksvaarwegen, §5.1.7.5. Communicatie-, navigatie- en randapparatuur voor de burgerluchtvaart of §5.1.7.6. Landelijke fiets en wandelroutes. Conclusie Het initiatief heeft geen betrekking aan de instructieregels uit deze paragraaf. Vanuit het aspect behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.8
Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare ruimte (§ 5.1.8)
Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Met het nieuwe plan worden er 10 woningen mogelijk gemaakt welke op privéterrein worden gerealiseerd. Ten behoeve van de parkeervoorzieningen voor de levensloopbestendige- en rijwoningen aan de Peperstraat zal er een gezamenlijke parkeerstrook worden gerealiseerd ten behoeve van deze woningen. Deze zullen dan ook geen onderdeel gaan uitmaken van de openbare ruimte. Conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf omdat geen openbare ruimte wordt ontwikkeld. Vanuit het aspect bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.2
Instructieregels Provincie Gelderland
In de Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor aangewezen gebieden, thema’s en activiteiten waaraan het Omgevingsplan Maasdriel moet voldoen. Planspecifiek Ter plaatse van het plangebied gelden conform de verbeelding van de Omgevingsverordening Gelderland verschillende gebiedsaanwijzingen, te weten ‘Gelderse streek Bommelerwaard’, ‘glastuinbouwbedrijf buiten een glastuin-bouwontwikkelingsgebied’, ‘Peilbesluitgebied’ en ‘werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland’. Artikel 5.36 Gelderse streek Bommelerwaard Onder hoofdstuk 5, afdeling 5.3, artikel 5.36 van de Omgevingsverordening wordt gesteld dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Bommelerwaard wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
36
ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Bommelerwaard. Het accent ligt hierbij op het buitengebied. De provincie verwacht dat de gemeenten zelf de kwaliteiten van hun steden en dorpen beschrijven en daarmee rekening houden. Voor een nadere toelichting van de koppeling tussen het plan en de kwaliteiten van de kern Hedel wordt verwezen naar par. 3.4.4. van onderhavige motivering waar de kernvisie Hedel reeds is behandeld. Het planvoornemen past binnen artikel 5.36. Artikel 5.78 Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied Onder hoofdstuk 5, afdeling 5.7, paragraaf 5.7.4 en artikel 5.78 van de Omgevingsverordening wordt gesteld dat een omgevingsplan eenmalig (gerekend vanaf 29 juni 2005) een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal vijf hectare kan toelaten van een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied, onder voorwaarden dat de onder dit artikel beschreven punten worden aangetoond. Met onderhavig planvoornemen worden geen uitbreidingen van of nieuwe glastuinbouwbedrijven mogelijk gemaakt. Het planvoornemen past binnen artikel 5.78. Artikel 6.10 Peilbesluitgebied Het waterschapsbestuur stelt voor de oppervlaktewaterlichamen aangewezen in het peilbesluitgebied een of meer peilbesluiten vast.
Een peilbesluit bevat in aanvulling op artikel 2.41, derde lid, van de wet een kaart met een aanduiding van de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft. De toelichting op het peilbesluit bevat in ieder geval een beschrijving en motivering van de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken, de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie en de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen. Daarnaast wordt gesteld dat een peilbesluit tenminste eens in de tien jaar wordt herzien. Ook kan op verzoek van het waterschapsbestuur kan de termijn waarbinnen een peilbesluit wordt herzien eenmaal met ten hoogste vijf jaar worden verlengd. Binnen het voorgenomen plangebied is er geen oppervlaktewaterlichaam aanwezig waardoor het artikel verder niet van toepassing is. Het planvoornemen past binnen artikel 6.10. Artikel 2.1 Werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland Het plangebied valt binnen de faunabeheereenheid van Gelderland. Het werkgebied van Faunabeheereenheid Gelderland omvat het hele grondgebied van de provincie Gelderland, met uitzondering van Kroondomein Het Loo. De faunabeheereenheid heeft tot taak: het coördineren van de uitvoering van het faunabeheerplan; en het adviseren van Gedeputeerde Staten over faunabeleid.
Ten behoeven van het plan is een ecologisch onderzoek naar flora en fauna uitgevoerd. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies van dit onderzoek opgenomen. Hieruit is gebleken dat verschillende vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Deze vervolgonderzoeken worden momenteel uitgevoerd. PM conclusies vervolgonderzoek. Waar nodig zal in de toekomst advies worden ingewonnen en worden samengewerkt met de faunabeheereenheid Gelderland. Het planvoornemen past binnen artikel 2.1. Conclusie Het initiatief past binnen de regels van de Omgevingsverordening.
4.3
Gezondheid
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente naast de instructieregels in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid bij het stellen van regels.12 en tweede voorbeeld waarbij normstelling geen toereikend instrument is, treedt op bij invloeden op de gezondheid die (nog) niet te normeren zijn. Het gaat daarbij om zaken als hinder, beleving, ziekteverwekkers uit veeteelt en elektromagnetische straling. De gemeente heeft op grond van artikel 2, tweede
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
37
lid, onder c, van de Wet publieke gezondheid onder meer de taak om bij bestuurlijke beslissingen de gezondheidsaspecten op het terrein van de fysieke leefomgeving te bewaken. Om te komen tot een goede afweging kan daarbij op grond van artikel 16 van de Wet publieke gezondheid advies vragen aan de gemeentelijke gezondheidsdienst. Planspecifiek Het initiatief heeft wel gevolgen voor de gezondheid van mensen, in de zin dat het plan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen en daarmee invloed heeft op de fysieke leefomgeving van toekomstige bewoners. Deze invloed is positief van aard en draagt bij aan een gezonde woonomgeving. Onderzoek Binnen het plangebied is geen sprake van blootstelling aan relevante milieuverontreinigingen. De bodemkwaliteit is onderzocht; hoewel sprake is van een asbestverontreiniging, wordt deze gesaneerd conform de geldende richtlijnen, waardoor geen risico’s voor de volksgezondheid ontstaan. De luchtkwaliteit is beoordeeld als ‘niet in betekenende mate’ belastend, waarmee toetsing aan omgevingswaarden niet noodzakelijk is. Ook is er geen sprake van relevante waterverontreiniging of risico’s op wateroverlast, gelet op de uitgewerkte waterhuishoudkundige maatregelen. Wat betreft fysische factoren is het plan gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.
Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij één woning, maar de grenswaarde niet. De overschrijding is stedenbouwkundig niet te vermijden en wordt juridisch geborgd via een voorwaardelijke verplichting. Er zijn geen windturbines in de omgeving, waardoor slagschaduw en turbinegeluid geen rol spelen. Elektromagnetische straling is niet relevant, aangezien er geen hoogspanningslijnen of zendmasten in de directe nabijheid zijn gesitueerd. Ten aanzien van gezondheidsrisico’s die niet goed te normeren zijn, geldt dat ten oosten van het plangebied momenteel een fruitteeltbedrijf is gevestigd. Aangenomen mag worden dat hier gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, waarmee sprake is van een spuitzone. In de huidige situatie geldt op basis van jurisprudentie en richtlijnen dat een minimale afstand van 50 meter tussen spuitactiviteiten en gevoelige functies, zoals woningen, moet worden aangehouden. Ten opzichte van de bestaande woningen aan de Koningin Wilhelminastraat wordt deze afstand door de agrariër reeds gerespecteerd. Voor het nieuwe plan betekent dit dat slechts een zeer beperkt deel van de voortuin van de tweekapper binnen deze 50 meter ligt. De gevels van de woningen blijven echter buiten deze zone.
Daarmee is aannemelijk dat spuitactiviteiten niet of nauwelijks impact hebben op het plangebied en dat er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Deze situatie is echter tijdelijk van aard: het fruitteeltbedrijf zal worden beëindigd en de locatie wordt ontwikkeld tot woonwijk met een maatschappelijk cluster. Daarmee vervalt de spuitzone en wordt het leefklimaat in de directe omgeving structureel verbeterd. Gelet op het voorgaande draagt het plan bij aan een veilige, schone en gezonde leefomgeving. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij gezondheid als integraal onderdeel is meegewogen. Conclusie Aanvullend onderzoek is niet aan de orde, verwezen wordt naar de conclusies in onderhavige ruimtelijke motivering.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
38
4.4
Besluit milieueffectrapportage
Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten als: •
een passende beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied vereist is;
•
het omgevingsplan een kader vormt voor projecten die zijn aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit;
•
het omgevingsplan een kader vormt voor andere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Planspecifiek Onderhavig planvoornemen is niet direct opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In de bijlage wordt onder J.11. als activiteit de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject genoemd. Voor wat betreft de vraag óf sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Omgevingsbesluit (voorheen Besluit m.e.r.) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraken van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 18 juli 2018 (ECLI:RVS: 2018:2414) bepaald dat: •
het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte laat voor interpretatie;
•
het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-m.e.r., waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen;
•
het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, niet doorslaggevend is voor het zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluitm.e.r..
Uit jurisprudentie is meer duidelijk geworden welke concrete omstandigheden een kunnen rol spelen bij het bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Onderstaand worden een aantal aspecten benoemd die een rol spelen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Geringe verandering in het bestaand ruimtebeslag Van belang is in welke omgeving de ontwikkeling plaatsvindt. Vanuit de achtergrond van het Omgevingsbesluit, de beoordeling van de mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu, is het logisch dat de locatie en de bestaande situatie van invloed is op het risico dat deze gevolgen ontstaan. Zo zal een herontwikkeling op een bedrijventerrein veel minder snel tot nadelige gevolgen leiden dan een nieuwe ontwikkeling in een natuurgebied. Dit blijkt ook uit de uitspraken 1 met betrekking tot de transformatie van een schoolgebouw in Stokkum en de realisatie van 12 woningen in Maastricht: •
Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 12 woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject… …Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is.
•
Naar het oordeel van de Afdeling kan de ontwikkeling van de twaalf vrijstaande woningen die in het plan is voorzien, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als
1
Zie RvS, ECLI:NL:RVS:2020:729, 11 maart 2020 en RvS, ECLI:NL:RVS:2020:100, 15 januari 2020.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
39
bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Het initiatief betreft de transformatie binnen het bestaand stedelijk gebied. De locatie is centraal gelegen in de kern Hedel. Momenteel is het plangebied bebouwd en heeft de bestemming Bedrijf. Met de ontwikkeling worden 10 woningen gerealiseerd. Gelet op de aanwezigheid van de huidige bebouwing is de ruimtelijke impact en het ruimtebeslag van het nieuw te realiseren woningen slechts beperkt. De ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie J.11 van het Omgevingsbesluit. Er is geen mer(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft geen mer-beoordelingsbesluit genomen te worden. Conclusie Voor dit plan geldt geen plicht om een milieueffectrapport te maken.
4.5
Natuur
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Planspecifiek De instructieregels voor natuur zijn wel van toepassing op dit initiatief. De bestaande bebouwing zal worden geamoveerd om plaats te maken voor de nieuwe woningen. Hiermee is het op voorhand niet uit te sluiten dat mogelijke verblijfsplaatsen van diverse soorten verloren gaan. Onderzoek Er is door Exlan een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Daarnaast is er door BRO een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. De meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebieden zijn “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (6 km ten zuiden van de projectlocatie) en “Rijntakken” (6 km ten noorden van de projectlocatie). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van 10 woningen met bijbehorende voorzieningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
40
Het meest dichtbijgelegen NNN is gelegen buiten de dorpskern en aan de andere zijde van de spoorlijn. Het NNN ligt op een afstand van 781 meter ten oosten van het plangebied. Het betreft de uiterwaarden van de Maas met een aanwezig wiel en bosschage. In de Omgevingsverordening staat waar het Gelders Natuurnetwerk (GNN) ligt. Het Natuurbeheerplan geeft een beeld van bestaande en nieuw te ontwikkelen natuur in het Gelders Natuurnetwerk. Het plangebied is gelegen in deelgebied 64 van Omgevingsverordening Gelderland. Het heet ‘Maasuiterwaarden Kerkdriel Poederoijen. De lichtgroene gebieden staan voor ‘groene ontwikkelingszone’. De donkergroene gebieden zijn reeds aangewezen als Geldersnatuurnetwerk. Het plangebied is niet gelegen in een natuurnetwerk en ligt ook buiten de groene ontwikkelingszones (GO). Gezien de afstand en de tussenliggende barrières, zullen de ontwikkelingen op de projectlocatie geen belemmering vormen voor de ontwikkelingsdoelen van dit natuurnetwerk. Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “ja, mits”- benadering. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland en dus kan geconcludeerd worden dat het project geen gevolgen heeft voor het Natuurnetwerk. Ook ligt het plangebied buiten de groene ontwikkelingszones. Door het project wordt dus ook de ontwikkeling van nieuwe natuur niet belemmerd.
Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. Het plangebied vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen De bedrijfshallen zijn niet geschikt voor vleermuizen. Maar van de twee stenen gebouwen kan niet worden uitgesloten of deze door vleermuizen gebruikt worden als verblijfplaats. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is noodzakelijk. Vogels Er kan niet worden uitgesloten of de daken van de voorste twee gebouwen gebruikt worden als nestlocatie van gierzwaluwen en huismussen. Nader onderzoek zal dit moeten uitwijzen. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang. Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusies en aanbevelingen Het voorgenomen plan en de daarbij behorende werkzaamheden, kunnen mogelijk negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
41
van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed, maar het gebruik van de panden door gebouw minnende vleermuizen en gierzwaluwen kan niet worden uitgesloten. Voor aanvang van de werkzaamheden dient daarom aanvullend onderzoek plaats te vinden naar: •
Gebouw minnende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger);
•
Gierzwaluw en huismus.
Inmiddels is dit aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol (NGB, 2021) en de kennisdocumenten van BIJ12. Uit dit onderzoek blijkt dat er géén nestlocaties van gierzwaluwen aanwezig zijn in het te slopen pand. Wel is vastgesteld dat het pand wordt gebruikt als zomerverblijfplaats door de gewone dwergvleermuis. In totaal zijn drie verblijfplaatsen vastgesteld in de linker zijgevel van het pand. Op basis van deze onderzoeksresultaten is vastgesteld dat voor de sloop van het pand een omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna vereist is. De provincie Gelderland is hiervoor het bevoegd gezag. In het kader van deze vergunning zal een mitigatieplan worden opgesteld waarin de compensatie van de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis wordt uitgewerkt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de zorgplicht (artikel 11.27 Bal) en wordt de gunstige staat van instandhouding van de soort gewaarborgd. De noodzaak tot compensatie en de voorwaarden waaronder dit plaatsvindt, worden geborgd via de vergunningverlening op grond van de Omgevingswet. Het uitvoeren van het aanvullende onderzoek is daarmee verzekerd via de beoordelingsregels van de omgevingsvergunning voor het slopen. Het opnemen van aanvullende regels is daarom niet noodzakelijk.
Door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen wordt het aspect natuur op zorgvuldige wijze in het plan betrokken. Met inachtneming van hetgeen hiervoor geconcludeerd is er vanuit het aspect natuur sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.6
Niet-gesprongen Conventionele Explosieven
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.
Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Planspecifiek Onderstaand figuur geeft een uitsnede van het plangebied volgens de Explosievenkansenkaart in Stroomlijn van de gemeente Maasdriel en Zaltbommel (Bommelerwaard). Op basis van de Explosievenkansenkaart
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
42
Bommelerwaard van 10 juni 2016 bevindt de projectlocatie zich in een gebied ‘Verdacht op geschutmunitie (verschoten)’, maar op basis van overige explosieven in ‘onverdacht’ gebied.
Figuur 12 Uitsnede Explosievenkansenkaart in Stroomlijn met plangebied groen aangeduid (bron: Explosievenkansenkaart Bommelerwaard)
Hoewel de Explosievenkansenkaart aangeeft dat het plangebied is gelegen in een gebied dat verdacht is op geschutmunitie (verschoten), is er op dit moment nog geen projectgebonden risicoanalyse uitgevoerd. De reden hiervoor is dat het terrein momenteel nagenoeg volledig bebouwd en verhard is. Een onderzoek naar NGE kan pas op een ‘schoon’ terrein plaatsvinden, omdat de huidige bebouwing en verharding het uitvoeren van detectiewerkzaamheden onmogelijk maken. Het onderzoek zal daarom worden uitgevoerd na sloop van de bestaande bebouwing, voorafgaand aan de start van de grondroerende werkzaamheden. In de regels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het uitvoeren van een explosievenonderzoek is essentieel vanuit het oogpunt van veiligheid en Arbowetgeving. Op grond van artikel 4.10 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is de initiatiefnemer verplicht om voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden vast te stellen of er gevaar bestaat door ontplofbare oorlogsresten (OO). Dit betekent dat in een zo vroeg mogelijk stadium van het project een oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd om de aanwezigheid van explosieven uit te sluiten.
Indien uit dit onderzoek blijkt dat er een risico aanwezig is, mag het opsporen en benaderen van explosieven uitsluitend worden uitgevoerd door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat conform het Werkveldspecifiek Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE). De wet schrijft geen exacte methode voor het onderzoek voor; deze is uitgewerkt in private richtlijnen zoals het Certificatieschema Vooronderzoek en Risico-inventarisatie Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO). De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van het onderzoek ligt bij de opdrachtgever of aannemer. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht om een veilige werkomgeving te garanderen en risico’s voor werknemers en derden te beperken. Conclusie Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locaties noodzakelijk. Het onderzoek naar NGE zal na de sloop van de bestaande bebouwing worden uitgevoerd, voorafgaand aan de start van de grondroerende werkzaamheden. Dit is in de regels geborgd.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
43
4.7
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Planspecifiek Binnen het plangebied bevinden zich geen beperkingengebieden die relevant zijn. Conclusie Binnen dit initiatief is geen sprake van relevante beperkingengebieden.
4.8
Kabels en leidingen
Kabels en leidingen verschillen in omvang en wat zij vervoeren. Daarnaast liggen kabels en leidingen in verschillende (openbare) gronden, waardoor verschillende belangen geraakt worden. Bij de aanleg kunnen meerdere regels in diverse juridische instrumenten van toepassing zijn. Planspecifiek Binnen het plangebied bevinden zich geen kabels en leidingen die relevant zijn. Bij dit initiatief gaat het tevens niet om de aanleg van kabels en leidingen. Conclusie Binnen dit initiatief is geen sprake van relevante kabels en leidingen waar rekening gehouden moet worden.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
44
5
Juridische planopzet
5.1
Wijzigingsbesluit
Het TAM-omgevingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld met een motivering. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het omgevingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de aldaar aanwezige functies. De motivering heeft verder geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Omgevingswet bepaalt dat het TAM-omgevingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het omgevingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Voorliggend TAM-omgevingsplan wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2
Juridische planopzet
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld met een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels met betrekking tot de functies en activiteiten, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de functies. Op de verbeelding worden de functies weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het TAM-omgevingsplan. De motivering heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het omgevingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde functies en planregels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het TAM-omgevingsplan bestaan uit vijf hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de specifieke regels over functies, de algemene regels over functies, de thematische regels ter bescherming van waarden en de overgangsregels aan de orde komen.
Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan geregeld. In artikel 2 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 3 geeft de meet- en rekenwijze aan: •
Toepassingsbereik: Hierin wordt aangegeven dat het voorliggende plan het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel in die zin wijzigt dat ná hoofdstuk 22 van het omgevingsplan gemeente Maasdriel wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.
•
Begripsbepalingen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.
•
Meet- en rekenbepalingen: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
45
Hoofdstuk 2: Specifieke regels over functies In het tweede hoofdstuk komen de opgenomen functies aan de orde. De opbouw van de functie ziet er als volgt uit: •
Toepassingsbereik: Hierin wordt het toepassingsbereik van de regels aangegeven waarbij wordt gezegd dat de regels van toepassing zijn binnen de gronden aangewezen als de betreffende functie.
•
Toedeling van functies aan locaties: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies en activiteiten.
•
Gebruiksactiviteiten: In de gebruiksactiviteiten worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).
•
Omgevingsplanactiviteiten: Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De beoordelingsregels, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
•
Maatwerkvoorschriften: In dit artikel zijn nadere eisen aangegeven op basis waarvan maatwerk mogelijk wordt gemaakt.
•
Specifieke functieregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden.
•
Voorwaardelijke verplichting: Hierin zijn aanvullende juridische voorwaardelijke verplichtingen geregeld welke bepaalde onderdelen borgen welke in de planfase (nog) niet tot uitvoering zijn gebracht.
Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de planregels. •
Toepassingsbereik: Hierin wordt het toepassingsbereik van de algemene regels aangegeven.
•
Aanvraagvereisten: Hierin zijn de vereisten opgenomen welke horen bij een eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning.
•
Specifieke beoordelingsregels: Hierin zijn een aantal algemene specifieke beoordelingsregels opgenomen welke voor wat betreft de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.
•
Gebruiksactiviteiten algemeen: Hieronder is het strijdig gebruik opgenomen.
•
Anti-dubbeltelregel: In deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
•
Maatwerkvoorschrift: Met een maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de hoogte van het maaiveld en peilhoogte als dit voor een goede inrichting en afwatering van de gronden en aangrenzende percelen noodzakelijk is.
•
Omgevingsplanactiviteit – Algemeen: Hierin is het mogelijk om bepaalde gebruiksactiviteiten vergunningplichtig te stellen.
TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel – Hoofdstuk 22g
46
Hoofdstuk 4: Thematische regels ter bescherming van waarden In het vierde hoofdstuk zijn de regels opgenomen ter bescherming van waarden. •
Waarde – Archeologie 3: Een locatie die is aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 3’ heeft als functie het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. De regels ten aanzien van de geldende grenswaarden (verstoringsoppervlakte en diepte verstoring) en vergunningplicht is hierin opgenomen.
•
Waarde – Archeologie 6: Een locatie die is aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 6’ heeft als functie het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. De regels ten aanzien van de geldende grenswaarden (verstoringsoppervlakte en diepte verstoring) en vergunningplicht is hierin opgenomen.
Hoofdstuk 5: Overgangsregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen: •
Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.
Wonen Binnen de woonfunctie zijn woningen toegestaan met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, tuinen en erven en daarnaast aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven. Binnen de woonfunctie zijn bouwvlakken opgenomen. Het hoofdgebouw dient gebouwd te worden binnen het bouwvlak. Op de verbeelding is aangegeven welk type woning is toegestaan. Hiervoor zijn aanduidingen opgenomen. Hetzelfde geldt voor de bijgebouwen. Hiervoor is ook opgenomen in welk gebied deze gerealiseerd mogen worden.
5.3
Analoge kaart
5.3.1
Thematische regels