CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

20211014 BP Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit- VS02 v2 incl. bijlagen aanp. artikelnr bijlage 1 regels

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Burgerwindpark A2 Lage Rooijen38.722 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In het kader van onderhavig plan kan volstaan worden met mitigerende maatregelen om te voldoen aan de slagschaduwnorm. Tabel 5.4 Verwachte slagschaduw door Burgerwindpark A2 Lage Rooijen

Bij de woningen van derden waarvan de verwachte hinderduur vetgedrukt is, treedt jaarlijks meer dan 6 uur slagschaduwhinder op. Normoverschrijding is daar mogelijk. Eventuele overschrijding van de norm wordt weggenomen door een stilstandregeling tot het niveau waarop wordt voldaan aan de norm uit de planregels. De benodigde mitigatie om te voldoen aan de norm (maximaal circa 1,6%) zorgt voor een beperkt opbrengstverlies en de uitvoerbaarheid van dit plan is daarmee dus niet in het geding. De grens waarbinnen slagschaduwduur van 6 uur wordt overschreden kan ook met een contour op een kaart aangegeven worden. In Figuur 5.1 is met een groene, oranje en rode isolijn aangegeven waar de totale jaarlijkse verwachte hinderduur respectievelijk 0, 5 of 15 uur bedraagt. Overschrijding van de norm voor de jaarlijkse hinderduur kan optreden bij de woningen binnen de oranje 5uurscontour. Bij woningen buiten de oranje 5-uurscontour wordt met zekerheid aan de norm voor de maximale hinderduur voldaan.

48

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 5.1 Slagschaduwcontour Burgerwindpark A2 Lage Rooijen (zonder mitigatie)

5.3.3

Conclusie

Een norm voor slagschaduw van maximaal 6 uur per jaar voor alle windturbines binnen het onderhavige windpark is op basis van een afweging tussen de te verwachten hinder en het belang van opwekking duurzame elektriciteit met windturbines ruimtelijk aanvaardbaar en is opgenomen in de planregels. Aan de ruimtelijke aanvaardbare norm voor slagschaduwduur op voor slagschaduw gevoelige objecten kan het plan, met het (zo nodig) toepassen van een stilstandvoorziening voldoen. Het windpark is ruimtelijke inpasbaar en haalbaar. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.4

Veiligheid

5.4.1

Toetsingskader

Voor de ruimtelijke inpassing van windturbines speelt veiligheid een belangrijke rol. Hoewel het risico laag is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het effect van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen op de veiligheidssituatie van de omgeving is beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken. Deze toetsingscriteria hebben zowel betrekking op externe veiligheid als op leveringszekerheid ten aanzien van elektriciteitskabels- en (buis)leidingen. Het Activiteitenbesluit en -regeling is gedeeltelijk het kader voor de (externe) veiligheid van windturbines en mag voorlopig niet worden gebruikt op basis van de uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (zie ook paragraaf 1.1).

Gemeente Maasdriel

49

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) In het Activiteitenbesluit milieubeheer is onder andere geregeld hoe vaak een windturbine moet worden gecontroleerd en wanneer een windturbine wel of niet in werking mag zijn. Zo mag bijvoorbeeld een windturbine niet in werking worden gesteld indien een zodanige ijslaag is afgezet op de rotorbladen dat dit een risico vormt voor de veiligheid van de directe omgeving. Bij moderne windturbines kan door middel van ijsdetectiesystemen de windturbine automatisch stilgezet worden. De kans dat een persoon aanwezig is precies onder de locatie van het rotorblad tijdens de specifieke weersomstandigheden waarbij gevaarlijke hoeveelheden ijsafglijding op kan treden, is zodanig klein dat het risico voor personen verwaarloosbaar is. Daarnaast bestaat ook nog de interne veiligheid van windturbines. De interne veiligheid van windturbines is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie van windturbines. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving. De voorgenoemde voorwaarden zijn als planregels opgenomen in dit bestemmingsplan.

Normen plaatsgebonden risicocontour 10-5 en 10-6 Voor onderhavig plan wordt voor externe veiligheid voor wat betreft het plaatsgebonden risico getoetst aan de normstelling van een plaatsgebonden risicocontour van 10 -5 per jaar voor beperkt kwetsbare objecten en 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten. Verwezen wordt naar Bijlage 13 voor het onderzoek ter onderbouwing van deze norm. Omdat in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevt) een aanvaardbare kans op overlijden is omschreven die niet afhankelijk is van het type inrichting wordt het niet nodig geacht voor windturbines afwijkende normen voor te schrijven. In het Activiteitenbesluit en -regeling is ook geregeld dat met betrekking tot veiligheidsafstanden in grote lijnen wordt aangesloten op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)43 en dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10-6-contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-5-contour. PR staat voor het Plaatsgebonden Risico. Dit is de kans per jaar dat iemand overlijdt als gevolg van een ongeval van een falende windturbine, als deze persoon permanent en onbeschermd op een bepaalde afstand tot de turbine aanwezig zou zijn.

Een PR-norm van 10-5 betekent een maximale kans van maximaal 1 op 100.000, PR 10-6 een kans van 1 op 1.000.000. In 2014 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een rapport laten opstellen over het in perspectief zetten van risico's.44 Uit dit rapport kunnen geen cijfermatige conclusies worden getrokken, maar het geeft wel aan waarom een mate van bescherming voor windturbines leidt tot maatschappelijk aanvaardbare risico's in vergelijking met risico's bij andere activiteiten. Op stadsniveau (generieke stad van 50.000 personen) is de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren voor reizen met het vliegtuig vergeleken met een windturbineongeluk circa 1.000x hoger, het wonen in laaggelegen gebieden (overstromingsrisico) geeft circa een 10x hogere kans en voor autorijden ligt de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren bijna 10.000x hoger dan bij een windturbineongeluk. Hieruit kan worden geconstateerd dat het toepassen van risicocriteria in de orde van grote van PR10-5 en PR10-6 bij windturbines een maatschappelijk geaccepteerd risico kan opleveren. Overigens blijkt uit literatuur en ook navraag bij een externe veiligheidsdeskundige dat wereldwijd het geaccepteerde plaatsgebonden risico over het algemeen ligt op een niveau tussen 10-4 en 10-6.

Zo geeft in het Verenigd Koninkrijk de Health and Safety Executive (HSE)45 aan dat de jaarlijkse acceptabele letaliteitskans voor een lid van de maatschappij circa 1:100.000 (=PR10-5) is als gevolg van een nucleaire installatie en bij een niveau van 1:1.000.000 (=PR10-6) is er ook geen verdere verbetering van de situatie meer benodigd. Met een kans van 1 de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10 -5 contour bij beperkt kwetsbare objecten en 1 op de miljoen bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-6 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico's en gelijk is aan andere risicobronnen van externe veiligheid. Een norm voor externe veiligheid van windturbines van PR10 -5 voor beperkt kwetsbare objecten en PR10-6 voor kwetsbare objecten is daarmee ruimtelijk aanvaardbaar als toetsingskader voor de plaatsgebonden risicocontouren. De afstanden die bij deze normen worden gehanteerd, zijn aangeduid in Tabel 5.5. Voor de bepaling van deze contouren wordt verwezen naar De 'Handreiking Risicozonering Windturbines' (v1.1, 20 mei 202046) en 'Handleiding Risicoberekeningen Windturbines' (versie oktober 2019) (hierna: Handboek risicozonering), als vervanger van het 'Handboek Risicozonering Windturbines' (2014) .

50

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Overige toetsingskaders Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)47. Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen. Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabije infrastructurele werken. In tabel 5.5 staat het beoordelingskader voor veiligheid samengevat. Tabel 5.5 Beoordelingskader veiligheid

Voor het plan is een risicoanalyse uitgevoerd (zie Bijlage 13).48

Gemeente Maasdriel

51

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) 5.4.2

Onderzoek

Het Handboek risicozonering adviseert een identificatieafstand waarbinnen het veiligheidsrisico voor objecten en infrastructuren onderzocht dient te worden. Deze afstand is gebaseerd op de maximale generieke werpafstand die plaatsvindt als windturbines tweemaal het nominale toerental draaien (ook wel 'overtoeren'). Objecten buiten deze afstand ondervinden geen risico en worden verder buiten beschouwing gelaten. De identificatieafstand van het windpark is 460 meter (zie Figuur 5.2). Figuur 5.2 Identificatieafstand veiligheid Burgerwindpark A2 Lage Rooijen

Verdere bij het windpark behorende effectafstanden zijn:  tiphoogte 220 meter;  halve rotordiameter 75 meter;  maximale werpafstand bij nominaal toerental 180 meter;  maximale ligging PR 10-5-contour 75 meter;  maximale ligging PR 10-6 contour 220 meter. In onderstaande figuur worden de afstanden weergegeven.

52

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 5.3 Verdere relevante afstanden externe veiligheid voor het plan

Bebouwing Ten aanzien van bebouwing geldt dat binnen een afstand van PR 10-6 per geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Daarnaast geldt dat binnen een afstand van PR 10 -5 per jaar geen beperkt kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Er zijn geen objecten aanwezig binnen de PR 10-6 van 220 meter en de PR 10-5 van 75 meter. Het eerste gebouw (object) van derden is gelegen op een minimale afstand van circa 345 meter. Er kan met zekerheid worden voldaan aan de normen voor het plaatsgebonden risico. Geldende bestemmingsplan Aanvullend kan worden opgemerkt dat op grond van het vigerende bestemmingsplan er geen kwetsbare objecten, gebouwen of locaties gevestigd kunnen worden binnen de maximale PR 10 -6 contouren en geen beperkt kwetsbare objecten, gebouwen of locaties binnen de maximale PR 10-5 contouren. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet dient ook rekening te worden gehouden met de definities voor beperkt kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare locaties, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen uit bijlage VI het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De huidige bestemmingen geven geen aanleiding om een verandering van de analyse te verwachten.

Op grond van het geldende bestemmingsplan mogen dus ook in de toekomst:  geen kwetsbare objecten (volgens definitie Bevi) alsmede (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (volgens definitie Besluit kwaliteit leefomgeving 49) gevestigd kunnen worden binnen de maximale PR 10-6 contouren;  geen beperkt kwetsbare objecten (volgens definitie Bevi) alsmede beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (volgens definitie Besluit kwaliteit leefomgeving) gevestigd kunnen worden binnen de maximale PR 10-6 contouren. In dit bestemmingsplan is als uitwerking van de norm een regeling opgenomen ter voorkoming van ongewenste kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 -5 en 10-6.

Gemeente Maasdriel

53

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Groepsrisico Er bestaat geen norm voor toetsing van het groepsrisico voor windturbines. De achtergrond hiervan is dat bij windturbines de risico's enkel bestaan uit direct treffen van windturbineonderdelen en de kans op het tegelijkertijd in gevaar brengen van grote groepen mensen zeer klein is. Met het groepsrisico kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening worden gehouden. Nabij de windturbinelocaties wordt, gezien de aanwezige ruimtelijke bestemmingen (agrarisch), geen aanwezigheid van grote groepen mensen verwacht waardoor het in beeld brengen van het groepsrisico niet nodig wordt geacht. Verkeer - wegen In het Handboek wordt verwezen naar de beleidsregel van Rijkswaterstaat (2002) 50 voor de beoordeling van effecten op wegen. Voor het verlenen van de vergunning hanteert Rijkswaterstaat een afstandseis van ten minste 30 meter of een halve rotordiameter. Tevens dient bij plaatsing binnen een afstand van de werpafstand bij nominaal toerental (180 meter) het individueel passanten risico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) te worden berekend.

Windturbine 1 is gelegen op een afstand van 83 meter vanaf de grens van percelen die worden geacht te behoren bij de snelweg A2 en in eigendom zijn van Rijkswaterstaat en voldoet daarmee aan de gestelde afstandseisen waardoor geen vergunning benodigd is. De afstand tot de rand van de verharding van de snelweg is 112 meter waardoor wel een IPR en MR berekening benodigd is. De overige windturbines bevinden zich op grotere afstanden tot de rijkswegen voor deze windturbines is geen nadere analyse benodigd. De trefkans voor een passerend voertuig bedraagt 2,3 x 10-11 per passage. Dit leidt tot een IPR van 1,1 x 10-08. Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal IPR van 1 x 10 -06 per jaar. Het Maatschappelijk Risico (MR) is bepaald op 8,6 x 10-04 per jaar. Ook dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal MR van 2 x 10-03. De jaarlijkse verkeersintensiteit op de snelweg zou moeten toenemen van 23,5 miljoen voertuigen tot 55 miljoen voertuigen voordat het MR overschreden zou worden. Van deze groei is met zekerheid geen sprake op dit tracé. Ook ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen is berekend wat de risicotoevoeging van de aanwezigheid van de windturbines is. Het extra risico bedraagt +1,4% (zie bijlage 3 voor de berekening).

Een risicotoevoeging ruim onder de 10% kan als verwaarloosbaar worden gezien ten opzichte van het reeds aanwezige risico. Dit toegevoegde risico is zodanig klein dat er geen nieuwe risicoanalyse van de transporten op de snelweg hoeft plaats te vinden. Voor overige lokale wegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Verbreding rijksweg A2 Naast de huidige rijksweg is sprake van een reserveringszone van Rijkswaterstaat voor de eventuele toekomstige verbreding van de rijksweg A2. Deze zone loopt tot op een minimale afstand van 70,25 meter vanaf het hart van de windturbine. Om de effecten van de windturbine op de situatie met een maximale verbreding inzichtelijk te maken is de berekening opnieuw uitgevoerd met een afstand tot de rand van de verharding van de snelweg van 83 meter. De trefkans voor een passerend voertuig bedraagt 2,7 x 10-11 per passage. Dit leidt tot een IPR van 1,4 x 10-08. Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal IPR van 1 x 10 -06 per jaar. Het Maatschappelijk Risico (MR) is bepaald op 1,0 x 10-03 per jaar. Ook dit is beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal MR van 2 x 10-03. De jaarlijkse verkeersintensiteit op de snelweg zou moeten toenemen van 23,5 miljoen voertuigen tot 45 miljoen voertuigen voordat het MR overschreden zou worden.

Wegen - waterwegen Het hart van de waterwegen in de omgeving (Maas) zijn gelegen op meer dan 550 meter afstand en de rand van het water is gelegen op 480 meter afstand. Er zijn geen waterwegen die een risico ondervinden. Verkeer - spoorwegen Plaatsing van windturbines in de nabijheid van spoorwegen wordt getoetst aan de eisen opgesteld door ProRail in het Handboek. De eerste spoorweg in de omgeving ligt op circa 1,5 kilometer afstand ruim buiten de maximale effectafstand. Er is geen sprake van enig risico.

54

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Industrie en risicovolle inrichtingen Een windturbine is geen (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Een windturbine kan wel een verhogend risico veroorzaken bij risicovolle inrichtingen gelegen in de omgeving. Volgens het Bevi dienen geen kwetsbare objecten te zijn gepositioneerd binnen de PR van deze risicovolle installaties en inrichtingen. Onderzocht is of de windturbines een significant extra risico kunnen toevoegen aan risicovolle inrichtingen in de omgeving. Er zijn volgens de risicokaart (risicokaart.nl), geraadpleegd op 29 januari 2020) geen risicovolle installaties of risicovolle inrichtingen aanwezig binnen de maximale identificatieafstand van 460 meter. De eerste risicovolle inrichting is gelegen op ruim 1,7 kilometer afstand. In de nabijheid van de voorziene windturbines zijn geen risicovolle installaties en inrichtingen aanwezig. Buisleidingen en hoogspanning Er is volgens de risicokaart geen gasnetwerk behorende onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) aanwezig in de nabijheid van het beoogde windpark. De afstand is meer dan 4 kilometer tot het eerste gasnetwerk. Effecten zijn uitgesloten. Er is geen netwerk behorende bij de hoogspanningsinfrastructuur aanwezig in de nabijheid van het plangebied van het beoogde windpark.

Het eerste netwerk is aanwezig op een afstand van meer dan 3 kilometer. Effecten zijn uitgesloten Waterkeringen Ten zuiden van de locatie ligt een primaire waterkering (dijkring 38-2). Windturbines kunnen van invloed zijn op de waterkerende functie van dijken en keringen door: 1. het falen van onderdelen van de turbine, waardoor een dijk wordt geraakt en daardoor mogelijk faalt; 2. trillingen die optreden in de bouw en exploitatiefase, met mogelijke zettingen of afvloeiingen tot gevolg. Voor het windpark is een trefkansanalyse uitgevoerd om de kans op falen van de turbine (en vervolgens raken van de dijk) te bepalen. Voor trillingen geldt dat dit met name in de bouwfase van een windpark optreedt. Ten behoeve van de bouw zal een plan van aanpak en monitoringsplan worden opgesteld, ten einde de trillingen en de effecten daarvan te kunnen beheersen. Dit wordt in overleg met het Waterschap gedaan. Trillingen in de exploitatiefase beperken zich in de praktijk tot enkele tientallen meters en zijn daarmee niet van invloed op de kering. Dit zal in het kader van de vergunningverlening (watervergunning) echter nader worden bepaald. Trefkans kering Er zijn drie faalscenario's van de windturbine relevant.

Dat betreft:  Gondelfalen: gondel en rotorbladen vallen langs de mast naar beneden;  Mastfalen: de windturbine faalt vanaf de voet van het fundament en valt in zijn geheel om;  Bladworp bij nominaal toerental: een enkel blad wordt tijdens nominaal toerental in zijn geheel weggeworpen. Voor deze faalscenario's is bepaald wat de kans is dat een vallend gewicht op de waterkering valt. Trefkans Gondelfalen Bij gondelfalen blijft de masttorren staan en valt de gondel inclusief de rotorbladen van de toren af. De gondel valt langs de mast naar beneden. Dit betekent dat het gewicht van de gondel zelf op maximaal een mastbreedte + de maximale afmeting van een gondel de grond zal treffen. De maximale mastbreedte bedraagt circa 16 meter --> 8 meter + 20 meter = 28 meter. De binnenteen van de waterkering bevindt zich op meer dan 68 meter bij alle drie de windturbines. Het gondelgewicht zal bij het gondelfaalscenario niet de waterkering treffen. De rotorbladen vallen ook nog mee naar beneden met de gondel maar blijven wel vast zitten aan de gondel. Dit betekent dat het gewicht van een rotorblad nog op 1/3e bladlengte (25 meter) aan afstand vanaf de gondel de grond kan treffen. Bij gondelfalen valt het bladgewicht tot op 28 + 25 meter = 53 meter afstand. Overige delen van het blad zullen geen significante schade aan de waterkering veroorzaken.

Het bladgewicht zal bij het gondelfaalscenario niet de waterkering treffen.

Gemeente Maasdriel

55

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Trefkans Bladworp bij nominaal toerental Indien een blad afbreekt tijdens nominaal toerental dan kan dat maximaal geworpen worden tot op een afstand van 180 meter. Dit betekent dat de waterkering bij alle drie de windturbines getroffen kan worden bij bladworp. Door in het bladworp model voor elke windturbine elke 10 meter aan waterkering te modelleren als een trefzone kan specifiek bepaald worden wat de kans op bladworp is van de waterkering delen. Voor windturbine één geldt een trefkans van het bladgewicht in de zone tussen de binnenteen en de buitenteen bij bladworp van 4,6 x 10-05 per jaar. Voor windturbine twee geldt een trefkans van het bladgewicht in de zone tussen de binnenteen en de buitenteen bij bladworp van 4 x 10 -05 per jaar. Voor windturbine drie geldt een trefkans van het bladgewicht in de zone tussen de binnenteen en de buitenteen bij bladworp van 4,4 x 10-05 per jaar. Figuur 5.3 Weergave bladworp trefkansen waterkering

Trefkans mastfalen Bij mastfalen zijn er drie verschillende zones te identificeren. Een zone waarbij het gondelgewicht op de waterkering zal vallen, een zone waarbij het mastgewicht op de waterkering zal vallen en een zone waarin een bladgewicht op de zone kan vallen. Met een uniforme verdeling van valrichtingen kan gekeken worden wat de kans is op welke valrichting. In Bijlage 2 is de kans op mastfalen per windturbine berekend en in welke richting. Gevolgschade Op basis van de trefkansen van de verschillende scenario's kan een inschatting worden gegeven van de gevolgen van het treffen van de kering. In Bijlage 2 is een berekening gemaakt van de impact van de verschillende scenario's op de dijk en de kans dat dit tot directe overstroming leidt. Daarbij wordt geconcludeerd dat de kans dat:  de maatgevende windturbine (2) faalt en;  de dijk raakt op een dusdanige manier (treffen gondelgewicht) dat er slechts een restprofiel (minimale hoogte buitendijks) van 3 meter overblijft, en;  dat de waterstand dusdanig hoog is dat er een directe overstroming optreedt tijdens de herstelperiode van de dijk.

56

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ = 6,8 x 10-7 per jaar (voor windturbine 2). De signaleringswaarde van het betrokken dijktraject was gelijk aan 1:10.000 jaar en de ondergrens is 1:3000 jaar. Dit betekent dat de toevoeging van risico voor de maximale windturbine 2 gelijk is aan +0,7% van de signaleringswaarde en 0,2% van de gestelde ondergrens. In de meeste gevallen wordt een toevoeging van 1% acceptabel gevonden (verschilt per waterschap). Het windpark kan daaraan voldoen. Voor het cumulatieve risico van alle drie de windturbines geldt dat dit gelijk is aan +1,6% van de signaleringswaarde en +0,5% van de gestelde ondergrens. In cumulatie wordt in de meeste gevallen een risicotoevoeging van 10% acceptabel geacht (verschilt per waterschap). Het windpark voldoet daar ruim aan. 5.4.3

Conclusie

Een normstelling van een plaatsgebonden risicocontour van 10-5 per jaar voor beperkt kwetsbare objecten en 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten turbines is ruimtelijk aanvaardbaar. Met een kans van 1 de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10 -5 contour bij beperkt kwetsbare objecten en 1 op de miljoen bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10 -6 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico's dat bovendien gelijk is aan andere risicobronnen. De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Omdat er geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare respectievelijk kwetsbare objecten aanwezig zijn binnen de PR10-5 en PR10-6 contour zijn er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het windpark. De PR10-5 en 10-6 zijn ook vastgelegd op de verbeelding en met een passende regeling opgenomen in de planregels. Er is voor het aspect externe veiligheid sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.5

Natuur

5.5.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 201751. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen (IHD) zijn uitgesloten. De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen.

Voor Natuurnetwerk Nederland wordt in Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN) gebruikt. De begrenzing en het beschermingsregime van het GNN is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën:

Gemeente Maasdriel

57

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) 

Strikt beschermde soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1) en soorten van de Habitatrichtlijn (art. 3.5).  Overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van het natuuronderzoek, zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3. 5.5.2

Onderzoek

5.5.2.1 Gebiedsbescherming - Natura 2000 Burgerwindpark A2 Lage Rooijen maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Wel liggen er twee Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van het windpark. Het Natura 2000-gebied Rijntakken (deelgebied de Waal) ligt op circa 6 kilometer afstand. Het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek ligt op circa 6,5 kilometer afstand. Andere Natura 2000-gebieden liggen op dusdanige afstand (>10 kilometer) van het voornemen, dat op voorhand wordt geconcludeerd dat deze buiten de invloedssfeer van het windpark liggen. Habitattypen De Natura 2000-gebieden Rijntakken en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn beide aangewezen voor beschermde habitattypen. Omdat de windturbines buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden worden gebouwd, is met zekerheid geen sprake van verlies aan areaal van de beschermde habitattypen door ruimtebeslag. Stikstof In de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn habitattypen gelegen die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Bij de bouw van het windpark komt stikstof in de vorm van NOx en NH3 vrij die hier in theorie zou kunnen neerslaan. Met name in het kader van de vergunningaanvraag op grond van art.

2.7 lid 2 Wnb zal dan ook beoordeeld moeten worden of er sprake kan zijn van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen. Met de uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ongeldig verklaard, waardoor deze niet meer mag worden gebruikt om een Wnb-vergunning (Wet natuurbescherming) te verlenen voor nieuwe activiteiten. Dit betekent dat projecten, ook met een tijdelijke kleine depositie, moeten beoordelen of voor deze depositie significant negatieve effecten zijn uit te sluiten of weg te nemen. De grens die hierbij wordt gehanteerd betreft 0,00 mol/ha/jr. In Bijlage 3 is een AERIUS-berekening opgenomen ten aanzien van de aanleg en exploitatie van het windpark. Op 15 oktober 2020 is een nieuwe versie van de AERIUS-calculator beschikbaar gesteld, in Bijlage 4 is derhalve een nieuwe berekening gemaakt. Beide berekeningen laten zien dat het windpark kan worden aangelegd zonder depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen uitgesloten. Soorten Habitatrichtlijn Beide voornoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor Habitatrichtlijnsoorten van Bijlage II.

In de natuurtoets in Bijlage 3 is per aangewezen soort beoordeeld of deze een relatie hebben met het plangebied en zo ja, of er een effect te verwachten is. Voor alle aangewezen soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn van de betreffende Natura 2000gebieden geldt dat er geen sprake is van effecten. Effecten op het behalen van de Instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn voor beide Natura 2000-gebieden met zekerheid uitgesloten. Dit geldt ook voor de aanlegfase van het windpark.

58

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Broedvogels Alleen Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen voor een aantal broedvogelsoorten. Een aantal van deze soorten zijn in het broedseizoen strikt gebonden aan de directe omgeving van de nestlocatie. Vanwege deze binding aan de nestlocatie voeren deze soorten geen vliegbewegingen uit tot buiten het Natura 2000-gebied, waardoor geen binding met het plangebied bestaat. Daarnaast zijn er een aantal aangewezen soorten met een wat grotere actieradius, zodat deze ook buiten de betreffende Natura 2000-gebieden kunnen voorkomen. Voor een deel van deze soorten (roerdomp en zwarte stern) geldt dat de actieradius te klein is om binding te kunnen hebben met het plangebied. Voor overige soorten als de oeverzwaluw en de aalscholver geldt dat de actieradius groot genoeg is om in het plangebied voor te komen, maar hiervoor geldt dat er voldoende foerageergebied (en/of slaapplaatsen) in en dichter bij het Natura 2000-gebied is en er geen aanwijzingen zijn dat het plangebied voor de betreffende soorten bijzonder aantrekkelijk foerageergebied bevat. Voor aalscholvers geldt bovendien dat zij ondanks haar talrijkheid relatief weinig als aanvaringsslachtoffers in windparken worden gevonden. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van effecten op broedvogels van Natura 2000-gebied Rijntakken.

Effecten op het behalen van de IHD's van de betrokken broedvogelsoorten zijn voor het Natura 2000-gebied met zekerheid uitgesloten. Dit geldt ook voor de aanlegfase van het windpark. Niet-broedvogels Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen voor een aantal niet-broedvogelsoorten. In bijlage 4 van de Natuurtoets is afgebakend voor welke soort niet-broedvogels een mogelijke relatie bestaat met het plangebied. Voor de fuut geldt dat deze door zijn beperkte actieradius sterk gebonden is aan het Natura 2000gebied Rijntakken en daardoor geen relatie heeft met het plangebied. Voor soorten die wel een mogelijke relatie hebben met het plangebied (bijvoorbeeld aalscholver, verschillende zwanen en ganzen, eendensoorten en steltlopers) geldt dat het niet waarschijnlijk is dat de soorten die foerageren in of nabij het plangebied naar slaapplaatsen in het Natura 2000-gebied Rijntakken vliegen, omdat dichter in de buurt van het plangebied meerdere slaapplaatsen liggen. Daarnaast geldt voor meerdere soorten dat zij bij verstoring eenvoudig uitwijken naar andere delen nabij het plangebied, bijvoorbeeld in de plassen en buitendijkse gebieden langs de Maas, en zodoende alternatieve foerageer- en rustgebieden benutten. Voor deze soorten geldt echter dat er geen regelmatig gebruik van het plangebied wordt verwacht.

Er is geen sprake van effecten op niet-broedvogels van Natura 2000-gebied Rijntakken. Effecten op het behalen van de IHD's van de betrokken niet-broedvogelsoorten zijn voor Natura 2000-gebied Rijntakken met zekerheid uitgesloten. Dit geldt ook voor de aanlegfase van het windpark. 5.5.2.2 Gebiedsbescherming - Natuur Netwerk Nederland De provincie Gelderland heeft haar natuurbeleid uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN), als provinciale equivalent van het NNN, en Groene Ontwikkelingszone (GO). Het Gelders Natuurnetwerk is per deelgebied gedefinieerd in kernkwaliteiten. Daarnaast is binnen de provincie sprake van de Groene Ontwikkelingszone (GO) die uit alle gebieden met een andere bestemming dan natuur binnen de voormalige Gelderse Ecologische hoofdstructuur (EHS) bestaat. In de GO worden natuur- en landschapselementen aangelegd ter verbetering van de migratiemogelijkheden voor planten en dieren. De windturbines van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen worden niet geplaatst binnen de grenzen van het GNN en GO. Effecten in de vorm van ruimtebeslag zijn daarmee uitgesloten. Ten zuiden van de locatie zijn wel gebieden aanwezig die deel uitmaken van het GNN en GO. De provincie hanteert voor het GNN en GO geen externe werking, maar in de natuurtoets zijn volledigheidshalve ook de mogelijke effecten in het kader van externe werking uitgewerkt.

Daaruit wordt geconcludeerd dat effecten op de doelen en waarden van het GNN en GO als gevolg van de realisatie en exploitatie van het windpark niet aan de orde zijn.

Gemeente Maasdriel

59

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) 5.5.2.3 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) vormt eveneens het wettelijk kader voor de bescherming van in het wild levende in- en uitheemse planten- en diersoorten. Op grond van deze wet geldt voor eenieder een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, en voor hun directe leefomgeving. De mate van bescherming volgt uit het wettelijk kader en is mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van de soorten. Op grond van de Wnb gelden diverse verbodsbepalingen, zoals op doden en verstoren, waarvan onder voorwaarden voor specifieke situaties (specifiek benoemde 'belangen') ontheffing kan worden verleend. De bescherming is niet locatie specifiek, maar het voorkomen van soorten kan wel verbonden zijn aan het gebied of specifieke gebiedskenmerken. Voor de effectbeschrijving van het initiatief wordt niet alleen ingegaan op soorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming maar ook overige soorten, bijvoorbeeld soorten die vermeld zijn op de Rode lijst vanwege de kritische staat van instandhouding van deze soorten. Deze lijst leidt niet tot een andere status qua bescherming. Vogels Effecten in de aanlegfase Effecten op broedvogels In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig.

In de ruime omgeving van het plangebied zijn nesten van buizerd en steenuil bekend. Nesten van deze soorten komen uitsluitend buiten het plangebied in bomen voor en/of in gebouwen voor. Ten behoeve van de realisatie van de windturbines worden geen gebouwen gesloopt of bomen gekapt. Bovendien gaat ook geen essentieel foerageergebied voor deze soorten verloren. Voor overige vogels die in het plangebied en omgeving broeden zijn effecten in de aanlegfase met gepast preventieve maatregelen (bijvoorbeeld niet bouwen in het broedseizoen) goed te voorkomen. Effecten op niet-broedvogels Voor zwanen, ganzen, eenden en steltlopers (afkomstig uit het Natura 2000-gebied Rijntakken) wordt geen regelmatig gebruik van het plangebied verwacht. Bovendien kunnen deze soorten bij verstoring eenvoudig uitwijken naar andere delen nabij het plangebied, bijvoorbeeld in de plassen en buitendijkse gebieden langs de Maas, en zodoende alternatieve foerageer- en rustgebieden benutten. Vogels zullen het plangebied en de directe omgeving hooguit tijdelijk verlaten, zodat geen sprake is van maatgevende verstoring.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat negatieve effecten op rustende of foeragerende watervogels als gevolg van de tijdelijke verstoring tijdens de aanlegfase zijn uitgesloten Effecten in de exploitatiefase Effecten op broedvogels De aalscholver (afkomstig uit het Natura 2000-gebied Rijntakken) kan soms door het plangebied vliegen richting foerageergebieden. Voor de aalscholvers met een relatie tot dit Natura 2000-gebied worden geen aanvaringsslachtoffers verwacht. Het aantal vliegbewegingen is gelet op de afstand (>25 km) en ligging van belangrijke foerageergebieden heel beperkt. Bovendien wordt de aalscholvers ondanks zijn talrijkheid relatief weinig als aanvaringsslachtoffers in windparken gevonden. Effecten op niet-broedvogels Ook voor de aalscholver als niet-broedvogel wordt geconcludeerd dat aanvaringsslachtoffers niet worden verwacht. Voor zwanen, ganzen, eenden en steltlopers worden geen regelmatige vliegbewegingen van vogels afkomstig uit het Natura 2000-gebied Rijntakken) door het plangebied verwacht. Van deze soorten die binding met het Natura 2000-gebied Rijntakken hebben zal de sterfte door het geplande windpark hooguit incidenteel van aard zijn. Verstoring in de exploitatiefase In het plangebied en directe omgeving komen ook een aantal soorten broedvogels voor die vermeld staan op de Nederlandse Rode Lijst (o.a. wulp, torenvalk, kneu).

De verstorings-afstanden van deze individuele vogelsoorten is beperkt tot maximaal 100 meter. De landelijke populaties van deze soorten zijn bovendien niet gering.

60

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ In het plangebied en directe omgeving komen kleine aantallen watervogels voor zoals eenden en meeuwen. Binnen de verstoringsafstanden (maximaal 200 m voor genoemde soorten) wordt het foerageergebied minder geschikt. Voor deze soorten is voldoende uitwijkmogelijkheid in de directe omgeving aanwezig en daarom niet van invloed op de aantallen vogels in de ruime omgeving van het plangebied. Barrièrewerking in de exploitatiefase In algemene zin is sprake van een effectieve barrière als vogels door een windparkopstelling hun voedsel- of rustgebied niet of moeilijk kunnen bereiken of dergelijke gebieden in belangrijke mate minder functioneel worden. Bij relatief korte lijnopstellingen, zoals bij Burgerwindpark A2 Lage Rooijen, bestaan voldoende mogelijkheden voor vogels om voor het windpark uit te wijken of tussen de turbines door te vliegen (tussenruimte 400 meter of meer). De foerageervluchten van o.a. ganzen zijn bovendien vele kilometers lang en de extra inspanning voor het eventuele omvliegen vallen in het niet bij de energetische kosten van de normale dagelijkse foerageer- en slaapvluchten. Er is geen sprake van barrièrewerking waarin foerageergebieden of slaapplaatsen onbereikbaar worden.

Vleermuizen Effecten in de aanlegfase Op de locaties van de windturbines en directe omgeving zijn geen (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Er is daarom geen sprake van aantasting van verblijfplaatsen tijdens de aanlegfase. Langs de Rooijensestraat en Drielse Veldweg zijn vliegroutes van vleermuissoorten aanwezig. Deze worden echter niet aangetast door de werkzaamheden. Er is als gevolg van de aanleg van het windpark geen sprake van aantasting van vliegroutes. Op de locaties van de windturbines en directe omgeving zijn eveneens geen (potentiële) belangrijke foerageergebieden van vleermuizen aanwezig. Er is daarom ook geen sprake van aantasting van verblijfplaatsen. Effecten in de gebruiksfase Aanvaring De turbinelocaties 2 en 3 liggen dichtbij de Rooijensestraat die aan één zijde een bomenrij kent. De nabijheid van deze bomenrij heeft een positief effect op de vleermuisactiviteit op gondelhoogte en daarmee het aantal slachtoffers. Voor windturbines in dergelijke landschappen in Noordwest-Europa wordt het aantal slachtoffers per turbine per jaar op 0-3 geschat. Het aantal te verwachten slachtoffers voor turbine 2 en 3 ligt dan ook op drie per turbine per jaar. Turbinelocatie 1 ligt dicht bij de Rijksweg A2 en de Hoenzadrielsedijk met onderbroken laanbeplanting.

Door de nabijheid van de A2 is de vleermuisactiviteit waarschijnlijk lager dan gemiddeld in half open landschap. De gemeten activiteit was bij het veldonderzoek ook lager. Het aantal te verwachten slachtoffers voor turbine 1 wordt ingeschat op 2 per jaar. Voor het gehele geplande windpark van drie turbines komt dit neer op maximaal acht slachtoffers per jaar. Berekening op basis van gemeten activiteit, gecorrigeerd voor vlieghoogtes laat zien dat dit voor driekwart (zes slachtoffers in het gehele windpark) uit gewone dwergvleermuis bestaat en de rest uit ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis (elk één slachtoffer per jaar in het gehele windpark). Voor de laatvlieger worden geen jaarlijkse slachtoffers verwacht. De laatvlieger wordt ondanks zijn grote verspreidingsgebied vrij weinig als slachtoffer gevonden in windparken in vergelijking tot bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis. In Nederland is de laatvlieger eveneens slechts éénmaal aangetroffen als slachtoffer in een windpark. Verstoring De verblijfsfunctie van de paarplaatsen kan worden aangetast wanneer de windturbines zodanig worden geplaatst dat de afstand tussen de paarplaatsen en de tip van de rotor minder dan 50 meter bedraagt. In dat geval kan het zwermgedrag dat vleermuizen bij de ingang van hun verblijfplaats vertonen bemoeilijkt worden. Dit geldt ook voor vrouwtjes die deze paarplaatsen bezoeken.

In de directe omgeving zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig (of potentie daarvoor). Effecten op verblijfplaatsen zijn daarom uitgesloten.

Gemeente Maasdriel

61

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Overige soorten Er komen geen (strikt) beschermde soorten van de Wnb voor in het plangebied. Wel komen mogelijk een aantal andere beschermde soorten genoemd in de Wnb voor (zie Natuurtoets in Bijlage 3). Voor deze soorten verleent de provincie Gelderland een vrijstelling voor projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Voor kleine marterachtigen en de das heeft in de zomer van 2020 een nader veldonderzoek plaatsgevonden (zie aanvullend veldonderzoek kleine marterachtigen en das in Bijlage 4). Het plangebied heeft een functie voor wezel (en mogelijk bunzing) als foerageergebied en biedt potentiële verblijfplaatsen. Indien preventieve maatregelen worden genomen (bestaande verblijfplaatsen niet aantasten in periode maart – augustus en het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en foerageergebied) worden geen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Het plangebied heeft een functie als foerageergebied voor één of enkele dassen. Bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden gaat (tijdelijk) een deel van dit foerageergebied verloren. Dit leidt echter niet tot effecten op de functionaliteit van de dassenburcht in de omgeving. De windturbines hebben in de gebruiksfase geen negatief effect op de aanwezigheid van dassen of hun vitaliteit.

Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb mits preventieve maatregelen (niet ‘s nachts werken, strooilicht op de akkers voorkomen) worden genomen. Er is daarmee voor geen van de overige soorten sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. 5.5.3

Conclusie

Samenvattend is voor geen enkele kwalificerende soort sprake van een significant negatief effect op het instandhoudingsdoelen van Natura 2000. Ook is er voor geen enkele soort sprake van een aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Er wordt in het kader van de soortenbescherming een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd, maar er is geen conflict met de Wet natuurbescherming. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.6

Cultuurhistorie

5.6.1

Toetsingskader

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming was in Nederland geregeld in de Monumentenwet 1988 52. Vanaf 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet53, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het beschermingsniveau van de oude wetgeving blijft gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt samen met de nog in te voeren Omgevingswet54 het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. 5.6.2

Onderzoek

5.6.2.1 Archeologie Op basis van het geldend bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" en de gemeentelijke beleidskaart gelden ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' (klein oppervlak van minder dan 100 m2 bij de middelste windturbine), 'Waarde - Archeologie 5' (de westelijke windturbine) en ''Waarde - Archeologie 6' (de middelste en oostelijke windturbine). Voor 'Waarde - Archeologie 3' geldt een onderzoeksplicht voor archeologie bij een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 30 centimeter. Voor 'Waarde - Archeologie 5' geldt een onderzoeksplicht bij bebouwing van een oppervlakte van meer van 1.000 m 2 en dieper dan 30 centimeter. Voor 'Waarde Archeologie 6' geldt een onderzoeksplicht voor archeologie bij meer van 5.000 m2 en dieper dan 30 centimeter. Voor het plan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5) en een verkennend veldonderzoek met karterend booronderzoek (zie Bijlage 6).

62

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Bureauonderzoek Het archeologisch bureauonderzoek concludeert dat het westelijke deel van het plangebied op de stroomgordel van Hoorzik ligt, wat een hoge verwachting voor resten van bewoning en begraving uit de periode bronstijd tot en met de vroege-middeleeuwen heeft. Voor het oostelijke deel van het plangebied is deze verwachting hooguit middelhoog. Voor een deel van het centrale deel van het plangebied geldt een bijzonder hoge verwachting voor de aanwezigheid van bewoningsresten uit deze periode, omdat hier pal ten noorden van het plangebied een oude woongrond is aangetroffen. Voor resten uit het paleolithicum, het mesolithicum en het neolithicum, geldt gezien de afwezigheid van bewoonbare afzettingen uit deze perioden, een lage archeologische verwachting. De verwachting voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd is in verband met het ontbreken van bebouwing op historische kaarten, eveneens laag. Uit deze perioden zullen hooguit resten van perceelsgrenzen (sloten) en dergelijke aanwezig zijn. Figuur 5.4 Gemeentelijke beleidskaart en onderzoeksgebied*

Karterend booronderzoek en conclusies Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 52 boringen gezet. Aanvankelijk waren 58 boringen gepland waarvan er dertien op de Hoenzadrielsedijk zouden liggen. Omdat al bij de eerste van deze boringen bleek dat het hier geplande kabeltracé slechts in een kleipakket ligt dat in de twintigste eeuw is opgebracht, zijn hier zes boringen minder gezet. Op het westelijke deel van het plangebied zijn onderin acht boringen afzettingen van grof beddingzand of sterk zandige klei aangetroffen die kunnen worden toegeschreven aan de stroomgordel van Hoorzik. Hierboven, en op de overige boorpunten boven twee meter beneden het maaiveld, is overal binnen het plangebied komklei aangetroffen die onderin soms zwak venig is. Bovenop deze komklei is een vijftig tot honderd centimeter dik pakket sterk zandige klei aanwezig waarvan de bovenste decimeters zijn opgenomen in de bouwvoor of in de vergraven toplaag. Zowel in deze sterk zandige klei als in de onderliggende komklei, zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Vegetatie-horizonten of anderszins verdachte lagen die samen zouden kunnen hangen met voor bewoning geschikte omstandigheden, ontbreken eveneens.

Gemeente Maasdriel

63

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Binnen het plangebied zijn slechts in twee boringen (15 en 16) afzettingen aangetroffen die mogelijk archeologisch relevant zijn. Het betreft tot tachtig centimeter diepte vergraven klei met daarin op één boorpunt houtskoolspikkels tussen dertig en negentig centimeter beneden het maaiveld en op het overige boorpunt deeltjes oranje baksteenpuin tussen dertig en vijfennegentig centimeter beneden het maaiveld. Gezien dit laatste materiaal gaat het waarschijnlijk om een pakket dat in de nieuwe tijd is ontstaan. In de hier omheen gelegen zone zijn aan het maaiveld enkele aardewerkscherven uit de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd aangetroffen. Deze locatie valt ongeveer samen met de locatie waarop tijdens een bodemkartering (gedaan in 1949 en 1977) eveneens aardewerkscherven uit de periode late middeleeuwen -nieuwe tijd zijn aangetroffen, alsmede een oude woongrond. De aangetroffen verschijnselen zijn vooralsnog onvoldoende om op basis hiervan het KNA-onderdeel Waardestelling, nader te kunnen uitwerken. Dat de bodem hier tot tachtig centimeter diepte vergraven lijkt te zijn, kan het gevolg zijn van negentiende/twintigste eeuwse graafactiviteiten waarbij ook de aangetroffen aardewerkscherven hier zijn terechtgekomen; bijvoorbeeld door de aanvoer van grond die van elders is aangevoerd.

Vooralsnog kan echter niet worden uitgesloten dat onder de geroerde grond nog diep gelegen delen van archeologische sporen bewaard gebleven zijn. Om uit te sluiten dat dergelijke delen van grondsporen ongedocumenteerd verloren gaan, zou hier voorafgaande aan ingrepen die dieper reiken dan de huidige verstoringsdiepte van ongeveer twintig centimeter, nader onderzoek moeten worden uitgevoerd. Gezien de geringe omvang van de hier geplande graafwerkzaamheden (een kabelsleuf tot 1,2 á 1,5 meter diepte) lijkt de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek weinig zinvol. Eerder zou gekozen kunnen worden voor archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden tussen de boorpunten 14 en 17. Het is echter aan het bevoegd gezag om te beoordelen of zij dit inderdaad noodzakelijk acht. Voor een archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat door het bevoegd gezag dient te worden getoetst. Op de overige delen van het plangebied geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn hier tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.

Advies regioarcheoloog Namens gemeente Maasdriel is regioarcheoloog Rivierenland akkoord met de resultaten, conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek. De graafwerkzaamheden tussen de boorlocaties 14 en 17 worden als opgraving variant archeologische begeleiding uitgevoerd. Voor de archeologische begeleiding is een door bevoegd gezag geaccordeerd Programma van Eisen verplicht. De overige delen van het plangebied kunnen vrijgegeven worden voor verdere planontwikkeling. Ten aanzien van archeologie zijn er geen belemmeringen meer voor de uitvoering van de voorgenomen plannen. De meldingsplicht archeologische toevalsvondst (artikel 5.10 Erfgoedwet) en het doen van waarnemingen (artikel 5.11 Erfgoedwet) blijft echter te allen tijde van kracht. Dubbelbestemmingen voor archeologie De beschermende dubbelbestemmingen voor archeologie ter plaatse van de enkelbestemmingen 'Bedrijf-Windturbinepark' kunnen feitelijk vervallen nu de gronden vrijgegeven zijn van archeologische waarden. Bij wijze van consistentie met het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" is echter besloten de dubbelbestemming voor de volledigheid toch op te nemen. Ter plaatse van de gebiedsaanduidingen in dit bestemmingsplan zijn de archeologische waarden blijvend beschermd met dubbelbestemmingen voor archeologie uit het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016".

5.6.2.2 Overige cultuurhistorie De kern van de collectie erfgoed in Gelderland bestaat uit de objecten en ensembles die onder de Erfgoedwet en gemeentelijke monumentenverordeningen zijn aangewezen als beschermd monument of beschermd monumentaal ensemble. Deze staan weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland. Ook de provincie Noord-Brabant heeft een vergelijkbare provinciale waardenkaart die, vanwege de ligging van de provincie aan de andere zijde van de Maas, eveneens geraadpleegd is. In figuur 5.5 zijn de cultuurhistorische waarden weergegeven.

64

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 5.5 Cultuurhistorische waarden [bron: Provinciale cultuurhistorische waardenkaarten]

Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten in de directe omgeving van het windpark gelegen. In Hedel, Kerkdriel en aan de rand van 's-Hertogenbosch zijn enkele waardevolle gebouwen aanwezig (kasteelplaats, gemaal, militair terrein), maar deze zijn op dusdanige afstand gelegen dat een effect op de beleving van de waarde ervan niet aan de orde is. Daarnaast wordt het zicht vanuit (en op) deze gebouwen grotendeels afgeschermd door tussenliggende objecten. In de direct nabijheid van de locatie loopt een ringdijk en ligt een bestaande kade welke een waarde hebben in relatie tot 'Strijd en leven met water'. Windturbines hebben, met de nieuwe schaal die zij toevoegen geen directe relatie met de cultuurhistorische waarde van deze keringen, mede aangezien ze relatief laag zijn. Een significant effect op de cultuurhistorische waarde ervan is dan ook niet aan de orde. 5.6.3

Conclusie

Het windpark doet geen afbreuk aan archeologie en overige cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor archeologie geldt dat de graafwerkzaamheden tussen de boorlocaties 14 en 17 worden uitgevoerd onder archeologische begeleiding. De overige delen van het plangebied zijn vrijgegeven worden voor verdere planontwikkeling. Voor het aspect cultuurhistorie is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.7

Water

5.7.1

Toetsingskader

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, et cetera te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1. en 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen bevoegd gezag, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebied specifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen en afvoeren' moet worden gehanteerd.

Gemeente Maasdriel

65

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt.

Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.

De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Keur De Keur van het Waterschap Rivierenland 2014 is van kracht op de waterhuishouding in het plangebied. Bijbehorende leggers bepalen het toepassingsgebied van de keur. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Een watervergunning is nodig daar waar de Keur van toepassing is, dat kan zijn voor wateronttrekking, aanpassingen in het watersysteem en het werken in of nabij een waterkering. De watervergunning wordt aangevraagd in latere instantie, na verdere uitwerking van de benodigde maatregelen, en zijn niet noodzakelijk in het kader van dit bestemmingsplan. 5.7.2

Onderzoek

Veiligheid Het waterschap kent primaire keringen (deze liggen voornamelijk langs de grote rivieren) en regionale waterkeringen (deze liggen langs boezemwateren en kanalen). Het waterkerend vermogen van de dijken mag niet worden aangetast door ruimtelijke ingrepen. De huidige sterkte van de waterkering blijft nodig.

66

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Niet alleen de dijk, maar ook de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk verdienen bescherming. De Keur van waterschap Rivierenland (2014) is hierop van toepassing. Er gelden restricties voor bebouwing en andere activiteiten op en langs de dijken. De kern- en beschermingszone vormen samen de waterkering, daarnaast wordt bij primaire waterkeringen ook een buitenbeschermingszone onderscheiden. Ook hierop is de Keur van Waterschap Rivierenland van toepassing. Naast het voorkomen van negatieve effecten op de huidige waterkeringen is het van belang dat een eventueel toekomstig hoger beschermingsniveau kan worden gerealiseerd ofwel niet wordt gefrustreerd. Het waterschap wil de ruimte behouden om de waterkering in de toekomst te versterken. Dat wordt bereikt door te voorkomen dat er wordt gebouwd in een bepaalde zone aan weerszijden van de waterkering. Dit noemt men het profiel van vrije ruimte. Het profiel van vrije ruimte wordt begrensd door een zogenoemde bouwgrens. Het is in beginsel niet toegestaan om tussen de dijk en de bouwgrens nieuwe bebouwing aan te brengen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10733245/1