CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

20211014 BP Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit- VS02 v2 incl. bijlagen aanp. artikelnr bijlage 1 regels

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Burgerwindpark A2 Lage Rooijen38.722 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Daar waar het zogenoemde 'leggervlak' van toepassing is (leggervlak: een vlak aangegeven op de legger waarbinnen op basis van het bestemmingsplan bebouwing mogelijk is en die geheel of gedeeltelijk tussen de bouwgrens en de waterkering ligt) is bouwen in profiel van vrije ruimte wél toegestaan. Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de waterkeringen. Verweving van functies met de waterkering is niet gewenst. De kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering kennen in een bestemmingsplan respectievelijk een beschermende dubbelbestemming, dan wel gebiedsaanduidingen. De Hoenzadrielsedijk is een waterstaatswerk met een primaire waterkerende functie. Het plangebied valt voor wat betreft alle drie de windturbines (gedeeltelijk) in de buitenbeschermingszone van de dijk (gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 2'). De buitenbeschermingszone is een aan de beschermingszone grenzende zone welke een lichte bescherming biedt voor de dijk volgens de keur, maar is voldoende om bijvoorbeeld aanvullende eisen aan ontgrondingen te stellen. Het waterschap kent een onderscheid tussen beschermingszones en buitenbeschermingszones, dat is bedoeld om in die verschillende zones een verschillend verbodsregime van kracht te laten zijn.

Het plan blijft buiten de kernzone (dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering') en de beschermingszone van de dijk (gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1'). Figuur 5.6 Waterkeringen in het plangebied [bron: leggerkaart waterkering waterschap Rivierenland]

Bij werkzaamheden aan het waterstaatswerk of in beschermingszones dient een watervergunning te worden aangevraagd. Dat is voor onderhavig project het geval. De watervergunning volgt een eigen traject en is niet noodzakelijk voor dit bestemmingsplan. Er is apart onderzoek uitgevoerd naar de invloed van de windturbines op de faalkans van de waterkering, hier wordt in paragraaf 5.55.4 onder 'waterkeringen' en in Bijlage 2 nader op in gegaan.

Gemeente Maasdriel

67

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Grondwatersysteem De regio de Bommelerwaard waar het plaatsingsgebied zich bevindt, wordt als het ware ingesloten tussen de rivier de Waal in het noorden, de Maas in het oosten en zuiden en de afgedamde Maas in westelijke richting. De hoogte van het maaiveld in deze omgeving varieert, maar ligt globaal rond de 2-3 meter boven NAP. Door deze relatief lage ligging en de aanwezigheid van verschillende rivieren, is de omgeving van het plangebied een erg waterrijk gebied. In de loop van de tijd is er door de mens een heel stelsel aan watergangen aangelegd om de waterhuishouding in dit gebied in stand te houden. Met andere woorden: om een bepaald peilniveau te handhaven voor een specifieke bodemkwaliteit en bijbehorende gebruiksfunctie. In het plaatsingsgebied komen drie peilgebieden voor55 (zie ook Figuur 5.7). Over het algemeen loopt het overtollige water in de Bommelerwaard via een uitgebreid drainagestelsel van oost in westelijke richting, alvorens uit te monden in de afgedamde Maas. Laatstgenoemde is tevens een belangrijk reservoir voor de lokale drinkwaterwatervoorziening. Figuur 5.7 Peilgebieden (ZP = zomerpeil, WP = winterpeil) [bron: waterschap Rivierenland]

De grondwaterstanden in deze regio worden van nature sterk beïnvloed door de waterstanden van de Waal en de Maas. Indien de waterstand van deze rivieren hoog is, doorgaans in de natte wintermaanden, treedt in verschillende gebieden kwel op. Wanneer tijdens drogere zomermaanden het waterpeil van deze rivieren daalt, infiltreert het grondwater in de wat hoger gelegen delen. Echter, wanneer het grondwater onder een bepaald niveau daalt, dan wordt water ingelaten vanuit de afgedamde Maas om de gewenste peilniveaus te behouden. De stroomrichting verandert dan van west in oostelijke richting. Het watersysteem heeft daarom naast de dominante functies van afwatering en waterberging, van tijd tot tijd ook een belangrijke watervasthoudende functie. Afhankelijk van de grondwaterstand ter plaatse, heeft dit effect op de fundering van de nieuw te plaatsen windturbines. Het grondwatersysteem wordt beïnvloed wanneer aanleg van het windpark zorgt voor obstructie van de grondwaterstroming (fundering van de windturbines), ontwatering door bermsloten, een tijdelijke verlaging van het grondwater tijdens aanleg van de fundatie van de windturbines of welvorming langs de funderingspalen van de turbines. Afhankelijk van de uiteindelijke turbinekeuze en bijbehorende fundering dient bekeken te worden of er sprake is van tijdelijke grondwateronttrekking tijdens de bouw.

Voor nieuwe bebouwing/bouwwerken houdt het waterschap een drooglegging aan van minimaal 1,30 meter ten opzichte van het zomerpeil.

68

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Voor eventuele grondwateronttrekking is een watervergunning nodig op basis van de Keur voor start van de bouwwerkzaamheden (en dus uitvoeren grondwaterontrekkingen). Hemelwaterafvoer en waterberging Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het waterschap hecht groot belang aan het zoveel mogelijk instandhouden van en compenseren in open water als onderdeel van het watersysteem. Door het plaatsen van de windturbines wordt verhard oppervlak (de windturbines plus een opstelplaats en een toegangsweg) gecreëerd. Hemelwater dat op dit verharde oppervlak valt, mag niet versneld worden afgevoerd richting oppervlaktewater. Het waterschap hanteert voor het omgaan met hemelwater de trits 'vasthouden - bergen - afvoeren'. Indien het verhard oppervlak met meer dan 1.500 m2 toeneemt in landelijk gebied, moet er een berging worden gecreëerd. Relevant voor de aanleg van het windpark is de wijze waarop met afstromend wegwater en water van opstelplaatsen wordt omgegaan. Voor de omvang van de opstelplaatsen wordt uitgegaan van een omvang van 25 bij 43 meter (1.075 m2) per windturbine.

Daarnaast wordt een fundering aangelegd, uitgegaan wordt van een diameter van maximaal 26 meter (maximaal 530 m2) per windturbine, en moeten er onderhoudswegen worden aangelegd met een breedte van circa 5 meter (maximaal circa 645 m2 nieuwe (weg)verharding) en één inkoopstation (40 m2). Het verhard oppervlak neemt met dit bestemmingsplan toe met maximaal ongeveer 5.500 m2 en dus moet er berging gerealiseerd te worden. De hoeveelheid compensatie voor open water is 436 m3/hectare. De toename verharding die gecompenseerd dient te worden is maximaal circa 5.500 m2 - 1.500 m2 (eenmalige vrijstelling) = 4.000 m2 = 0,4 hectare. Met een maximale peilstijging van de Bommelerwaard van 0,30 meter bedraagt de wateropgave: 436 m3 x 0,4 hectare / 0,30 meter = 581 m2 (te graven wateroppervlakte bij zomerpeil). Het plangebied en omgeving is grotendeels onverhard en heeft een agrarische bestemming waardoor er ter plaatse voldoende fysieke ruimte is voor infiltratie van hemelwater. Ook de geldende agrarische bestemming rond de windturbines (al dan niet in combinatie met de aanduiding 'vrijwaringszone windturbine' in dit bestemmingsplan) laat dat ook toe. Er dus geen noodzaak om waterberging een nader te bestemmen in dit bestemmingsplan.

Het uitgangspunt is dat voor de toename aan verhard oppervlak compensatieberging wordt gecreëerd binnen het peilgebied waarin de betreffende turbine is gesitueerd. Om berging te realiseren is het mogelijk om bijvoorbeeld aan de rand van de toegangsweg of opstelplaats een greppel te creëren. Voor nieuw te graven water voor compensatie gelden de volgende randvoorwaarden:  moet in verbinding staan met het huidige watersysteem (B- of A-water);  krijgt minimaal de status B afhankelijk van de situatie van het watersysteem. B-watergangen hebben de volgende minimale afmetingen:  0,5 meter waterdiepte ten opzichte van zomerpeil;  0,5 meter bodembreedte;  talud in verhouding 1:2. Door uit te gaan van deze maatregelen, die in overleg met het waterschap nader kunnen worden bepaald, zijn er met uitvoering van het plan geen negatieve effecten op de hemelwaterafvoer te verwachten. Deze watervergunning is niet noodzakelijk in het kader van het bestemmingsplan. Oppervlaktewatersysteem (watergangen) Binnen het plaatsingsgebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van bestaande watergangen (zie Figuur 5.8).

Gemeente Maasdriel

69

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Figuur 5.8 Waterlichamen in het plangebied [bron: legger waterschap Rivierenland]

Voor watergangen geldt een beschermingszone, gerekend vanaf de insteek. De beschermingszone heeft als doel een goede werking van de watergangen te garanderen, als ook waarborg voor beheer en onderhoud bij A-watergangen en toegang en inspectie bij B-watergangen, en dient daarom geheel vrij te blijven van obstakels. Voor A-wateren geldt een beschermingszone van 4 meter, voor Bwatergangen een zone van 1 meter en C-watergangen kennen geen beschermingszone. De beschermingszone is tevens bedoeld voor inspectie en onderhoud. Waar A-wateren worden beheerd door het Waterschap, zijn eigenaren verantwoordelijk voor het beheer van B- en C-wateren op hun grondgebied. Windturbines dienen dus in essentie zodanig aangelegd te worden dat het onderhoud van een watergang gewaarborgd blijft. Voor twee van de drie turbines geldt dat deze buiten watergangen en beschermings- of onderhoudszones zijn gelegen. Voor de meest westelijke turbine geldt dat deze met de fundatie deels in een bestaande watergang uitkomt. Dit betreft een B-watergang, of wel kavelsloot. Voor de goede doorstroom van het watersysteem zal deze watergang om de turbinefundatie heen worden verlegd. Voor de civiele werken (toegangswegen) wordt twee keer een watergang gekruist. Hiervoor zullen duikers worden geplaatst. Daarmee is een effect op het watersysteem uitgesloten.

Aanpassingen aan watergangen (bijvoorbeeld verlegging of demping) zijn onder bepaalde omstandigheden toegestaan, maar hiervoor dient een watervergunning aangevraagd te worden. De verlegging dient hydrologisch verantwoord zijn en demping moet in de verhouding 1:1 (wateroppervlakte op zomerpeil) worden gecompenseerd. Deze watervergunning is niet noodzakelijk in het kader van het bestemmingsplan. Oppervlaktewaterkwaliteit Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit tot gevolg hebben. Doordat er gebruikt wordt gemaakt van niet-logende bouwmaterialen wordt uitspoelen van stoffen voorkomen. Uitspoelen van stoffen, en daarna veranderingen van het oppervlaktewaterkwaliteit, wordt daarmee uitgesloten. Watertoets De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van water huishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de water huishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om water huishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Over deze wijze van omgaan met de waterhuishouding vindt afstemming plaats met het waterschap in de kader van de watertoets. De benodigde watervergunning en eventuele afstemming daarover volgt haar eigen procedure.

Via de digitale watertoets is een concept van de waterparagraaf voorgelegd aan het waterschap. De resultaten van deze afstemming (zie Bijlage 9) zijn integraal verwerkt in deze paragraaf. In het kader van overleg met instanties als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan nog eens voorgelegd aan het waterschap in het kader van de watertoets. Hier is geen reactie meer op ontvangen.

70

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“

5.8

Overige aspecten

5.8.1

Vliegverkeer en radar

Toetsingskader De bouw van windturbines kan van invloed zijn op het vliegverkeer in Nederland, met name de hoogte van windturbines is daarbij relevant. Voor het vliegverkeer is het van belang is dat de vliegveiligheid en de werking van radar- en communicatieapparatuur te allen tijde kan worden gegarandeerd. Laagvlieggebieden en helikopteroefengebieden kennen harde bouwhoogtebeperkingen. Hierbij is van belang dat de rotorbladen van een windturbine de route niet 'doorsnijden'. Er moet dus een afstand van minimaal een halve rotordiameter tot de rand van de laagvlieggebieden worden gehouden. Voor het veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn obstakelbeheersvlakken ingesteld waarbinnen hoogtebeperkingen gelden. Plaatsing van windturbines kan ook mogelijk leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de lucht- als de scheepvaart. Afhankelijk van de locatie kan een windpark een verstorende werking hebben op Communicatie-, Navigatie- en Surveillance (CNS)-apparatuur van de luchtverkeersleiding voor burgerluchtvaart. Voor de militaire radarposten in Nederland moet binnen een straal van 75 kilometer van een radarpost worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren en moet een plan ter goedkeuring aan Defensie worden voorgelegd.

Het beleid over verstoringsgebieden rond militaire radars van het Ministerie van Defensie is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)56 en zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)57. Er dient een minimale dekkingsgraad van 90% op 1.000 voet in stand te blijven om een goede werking van de radar te garanderen. Onderzoek Vliegverkeer De windturbines bevinden zich buiten hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens. Op 18 december 2018 heeft Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) per email laten weten geen bezwaar te hebben tegen de plannen (zie Bijlage 8). Op 2 januari 2019 heeft de Inspectie voor Infrastructuur en Transport (ILenT) bevestigt dat het beoogde windpark zich bevindt buiten hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens (zie Bijlage 8)58. Het Burgerwindpark A2 Lage Rooijen bevindt zich niet in een op basis van het Barro beschermde laagvliegroute, maar wel in het militair laagvlieggebied 'Maas en Waal' en de militaire laagvliegroute gebied 'laagvliegroute VO' (zie beide in Figuur 5.9). Beide gebieden worden dus niet beschermd door wet- en regelgeving. Het laagvlieggebied Maas en Waal wordt gebruikt als oefengebied voor de luchtmacht voor het verbeteren van de navigatie en positionering van helikopters in onbekend terrein. De laagvliegroute VO is oefengebied voor de vliegeropleiding.

De minimum vlieghoogte voor beide gebieden bedraagt 75 meter boven hindernissen of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. De laagvlieggebieden leveren geen bouwhoogtebeperkingen of andere beperkingen op voor de realisatie van windturbines. De bruikbaarheid van de gebieden wordt wellicht minder wanneer een hoog obstakel binnen het gebied wordt geplaatst. Voor beide laagvlieggebieden geldt dat het windpark aan de rand wordt geplaatst en dus de eventuele hinder en/of beperkingen daarmee tot een minimum worden beperkt. Voor de gemeente Maasdriel is het plangebied het meest kansrijke gebied om windturbine op korte termijn te realiseren en een aanzienlijk aandeel in haar energiedoelstellingen te bewerkstelligen. Er is dus desondanks voor gekozen de windturbines in het laagvlieggebied te positioneren.

Gemeente Maasdriel

71

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Figuur 5.9 Uitsnede kaart 'Luchtvaart' [bron: provincie Gelderland]

Defensieradar Het Rarro schrijft verstoringsgebieden voor waarbinnen de radarverstoring moet worden getoetst. Voor deze gebieden wordt een normprofiel aangehouden die voor windturbines loopt tot 75 kilometer van de primaire radarposten, zijnde de vijf zogenoemde Millitary Approach Surveillance Systems (MASS)-radars en twee Medium Power Range (MPR)-radars. De locaties van deze radarposten met de 75 kilometer-contouren zijn weergegeven in Figuur 5.10. Door TNO is een radarverstoringsonderzoek uitgevoerd op basis van de maximale afmetingen van de geplande windturbines in de 4 MW-klasse (worst case) (zie Bijlage 7). Het bouwplan bevindt zich binnen de 75 kilometer cirkels van één van de Military Approach Surveillance System (MASS) verkeersleidingsradars en binnen de 75 kilometer cirkel rond de locatie van de MPR gevechtsleidingsradar Nieuw Milligen en de nieuwe SMART-L EWC GB gevechtsleidingsradar te Herwijnen, die op termijn de locatie bij Nieuw Milligen gaat vervangen.

De analyse is uitgevoerd voor de volgende radarsystemen:  het primaire verkeersleidingsradarnetwerk, bestaande uit een vijftal MASS verkeersleidingsradarsystemen verspreid over Nederland en met de nog te plaatsen extra MASS radar bij De Kooy in Den Helder en aangevuld met de Terminal Approach radar (TAR) West bij Schiphol;  de MPR gevechtsleidingsradar op de locatie Nieuw Milligen;  de SMART-L gevechtsleidingsradar op de locatie Herwijnen. Voor alle drie de radarsystemen geldt dat het Ministerie van Defensie een minimale detectiekans eist van 90%. Voor alle drie de radarsystemen gelden de volgende conclusies:  reductie van de detectiekans ter hoogte van het bouwplan: De detectiekans is na realisatie van het bouwplan op de toetsingshoogte van 1000 voet binnen de thans gehanteerde 2019 norm gebleven;  reductie van de detectiekans ten gevolge van de schaduwwerking van het bouwplan: Het verlies aan maximum bereik van de radar op deze hoogte in de sector waarin schaduwwerking optreedt, blijft na realisatie van het bouwplan binnen de thans gehanteerde 2019 norm. Vanuit defensieradar is er dus geen belemmering voor realisatie van de windturbines op basis van het radarverstoringsonderzoek. Het Ministerie van Defensie heeft het radarverstoringsonderzoek beoordeeld en een verklaring van geen bezwaar afgegeven tegen realisatie van de geplande windturbines (zie Bijlage 7).

72

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 5.10 Ligging radarstations en 75-kilometer contouren [bron: Regeling algemene regels ruimtelijke ordening]

Conclusie Vanuit de aspecten vliegverkeer en radar is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.2

Gezondheid

Toetsingskader Er bestaat een relatie tussen milieu en gezondheid. Ook andere factoren dan milieufactoren zijn van invloed op de gezondheid van mensen, denk aan roken, beweging en het binnenklimaat van woningen. Uit ervaring bij projecten voor windenergie blijkt dat er bij omwonenden zorgen kunnen bestaan over de mogelijke gevolgen van windenergie op de kwaliteit van de leefomgeving. In deze paragraaf wordt daarom het onderwerp windenergie in relatie tot gezondheid nader belicht.

Gemeente Maasdriel

73

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Windturbines worden regelmatig in verband gebracht met een verscheidenheid aan gezondheidsproblemen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er een onderscheid is tussen hinder en effecten op gezondheid, hoewel er wel een verband tussen beide bestaat. Hinder kan worden ondervonden, terwijl er geen sprake hoeft te zijn van gezondheidseffecten. (Ernstige) hinder zou kunnen leiden tot gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen en als gevolg daarvan tot gezondheidseffecten (zoals bijvoorbeeld hoge bloeddruk). Het aspect gezondheid maakt impliciet deel uit van eerdere paragrafen in dit hoofdstuk, aangezien de normen die zijn opgesteld voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid het doel hebben mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Bij het vaststellen van die normen speelden gezondheidsaspecten een rol. Voor het aspect gezondheid op zich bestaat er geen wettelijk toetsingskader. Onderzoek In paragraaf 5.2, 5.3, en 5.4 is al ingegaan op (hinder)aspecten die mede van belang kunnen zijn voor het effect op de gezondheid en bijbehorende wettelijke normen. Dit betreft de aspecten geluid, slagschaduw en veiligheid. In paragraaf 5.2 wordt ook al specifiek in gegaan op laagfrequent geluid, wat regelmatig wordt aangehaald als gezondheids- en hinder aspect in relatie tot windturbines.

Voor deze aspecten is aangetoond dat het windpark voldoet aan de geldende normen en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening op de individuele aspecten. Wetenschappelijke studies Er zijn talrijke studies naar gezondheidseffecten59van windturbines uitgevoerd. Juist omdat het om gezondheid gaat, wordt alleen gebruik gemaakt van die studies waaraan in belangrijke mate door onafhankelijke medici of gezondheidsinstituten is meegewerkt. Deze paragraaf bevat een uiteenzetting van de belangrijkste studies. Daarnaast worden er frequent aangehaalde berichtgevingen in de maatschappelijke discussie rond windturbines en gezondheid geëvalueerd, te weten een onderzoek van N. Pierpont, van M. Alves-Pereira, en een artikel van S. van Manen, deze worden kort besproken in een kader. WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region De World Health Organization (WHO) heeft richtlijnen voor milieugeluid ontwikkeld op basis van wetenschappelijk onderzoek, waaronder windturbinegeluid60. De WHO geeft in het rapport een voorwaardelijk advies om de blootstelling van geluidniveaus van windturbines te reduceren tot 45 dB Lden61. Dit voorwaardelijke advies volgt uit de constatering dat er op basis van vier studies wordt gesteld dat 10 procent van de populatie sterk gehinderd is door blootstelling aan een geluidniveau van 45 dB Lden.

Omdat het beschikbare bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en gezondheid volgens de WHO van lage kwaliteit is, wordt het advies voor een normstelling van 45 dB Lden als conditioneel beschouwd. Verder komt uit het rapport van de WHO naar voren dat er geen statistisch significante relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, cognitieve stoornissen, gehoorproblemen, ongunstige zwangerschap uitkomsten en slaapstoornissen. De WHO vat het bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid als volgt samen: "as the foregoing overview has shown, very little evidence is available about the adverse health effects of continuous exposure to wind turbine noise." (p. 84).Tot slot geeft het rapport aan dat contextuele factoren (zoals de opvatting ten opzichte van windturbines, direct zicht, economisch profijt) een belangrijke rol spelen in de effecten en de ervaring van windturbinegeluid. Het RIVM heeft aangegeven de richtlijnen te bestuderen. Onderzoek RIVM & GGD 201362 en 201863 Het informatieblad GGD is in 2013 opgesteld door het RIVM. De GGD 64 heeft behoefte aan concrete, objectieve en evenwichtige informatie om er hun advies op te baseren. Het informatieblad dient als ondersteuning bij het beantwoorden van gezondheidsvragen van omwonenden van (geplande) windturbines.

In 2017 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid en gezondheid. 32 (peer reviewed 65) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 zijn onderzocht in de literatuurstudie.

74

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Beide literatuurstudies concluderen dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Wel kunnen er indirecte effecten optreden. Mensen die in de nabijheid bij windturbines wonen, kunnen hinder door geluid ondervinden. Slagschaduw, zichtbaarheid en knipperende lichten kunnen bijdragen aan de mate van hinder die wordt ondervonden. Het geluidniveau van windturbines is minder hoog dan van andere bronnen (verkeer en dergelijke), maar het karakter zorgt ervoor dat het windturbinegeluid bij lagere niveaus als hinderlijk wordt ervaren. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen. Weinig data is beschikbaar om de invloed van windturbines op slaapoverlast te kunnen evalueren. In de onderzoeken is gevonden dat slaapoverlast en andere gezondheidseffecten van omwonenden van windparken gerelateerd kan zijn aan hinder, in plaats van directe blootstelling. Eveneens kunnen economische aspecten van invloed zijn op het ervaren van hinder van windturbines. In een Zweeds onderzoek66 is geconcludeerd dat mensen met een economisch belang bij windturbines geen hinder ondervonden van het windturbinegeluid, ondanks dat zij hetzelfde geluidniveau ondervinden als andere respondenten en dezelfde termen gebruikten om het geluid te karakteriseren.

Tevens kunnen persoonlijke omstandigheden zoals gevoeligheid, privacy zaken en het planningsproces van het windpark van invloed zijn op de ervaren hinderen. Het informatieblad van 2013 adviseert om omwonenden zoveel mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van windenergie en waar mogelijk in de exploitatiefase, bijvoorbeeld in de vorm van (financiële) participatie. Hierdoor kan hinder mogelijk worden verminderd. A nationwide cohort study, Denmark (2018)67 Tussen 1982 en 2013 zijn alle Deense huishoudens die worden blootgesteld aan windturbinegeluid geïdentificeerd. Deze huishoudens zijn onderzocht op het gebruik van antihypertensiva en ongunstige zwangerschapsuitkomsten. Structurele gebruikers van antihypertensiva binnen deze populatie zijn geïdentificeerd. Antihypertensiva is een soort medicijn dat wordt gebruikt voor de behandeling van hoge bloeddruk. In deze studie is er geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en het gebruik van antihypertensiva. Verder zijn alle geboren baby's van moeders in deze populatie geïdentificeerd. In deze studie is geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en ongunstige zwangerschap uitkomsten.

Wind Turbine Health Impact Study: Report of Independent Expert Panel, Massachusetts (2012) Om meer overzicht te creëren in de wetenschappelijke literatuur over de gezondheidseffecten door windturbines, heeft een panel van zeven onafhankelijke deskundigen een studie van wetenschappelijke literatuur ondernomen om de zorgen en onzekerheden over gezondheidseffecten van windturbines te duiden. Het panel gebruikte onder andere peer reviewed literatuur van vier studies om de gedocumenteerde of potentiële gezondheidseffecten en -risico's van windturbines te identificeren. Uit dit onderzoek komt naar voren dat een deel van de omwonenden het geluid door windturbines als hinderlijk ervaart. Ook het veranderde uitzicht en het waarnemen van de beweging van de rotorbladen wordt als hinderlijke factor benoemd. Onderzoek laat ook zien dat mensen die de windturbines vanuit hun woning kunnen zien, bij vergelijkbare geluidniveaus, eerder hinder rapporteren dan mensen die geen windturbines vanuit huis zien. Wanneer omwonenden economisch voordeel hebben van een windturbine rapporteren ze vrijwel geen hinder. De mate van ervaren hinder is een combinatie van de feitelijke geluidbelasting, zichtbaarheid van windturbine(s) vanuit de woning en of er sprake is van economisch gewin. Wanneer iemand hinder ondervindt, dan betekent dit nog niet dat er een effect is op de gezondheid van die persoon.

In de studie worden de volgende conclusies ten aanzien van gezondheidseffecten getrokken:  Er is onvoldoende bewijs dat windturbinegeluid directe gezondheidsproblemen of ziektes veroorzaakt (dat wil zeggen, onafhankelijk van een effect op hinder of slaap);  Of ergernis over windturbines leidt tot slaapproblemen of stress is niet voldoende gekwantificeerd. Er is wel bewijs dat verstoring van de slaap een negatief effect kan hebben op stemming, cognitief functioneren en het algeheel gevoel van gezondheid en welzijn. Dit is niet gebaseerd op bewijs dat zich op windturbines richt;  Er is geen bewijs voor gezondheidseffecten door blootstelling aan windturbines dat gekarakteriseerd kan worden als het 'windturbinesyndroom' (dit wordt verder uitgelegd in Kader 5.1).

Gemeente Maasdriel

75

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Kader 5.1 Onderzoek N. Pierpont68

Exposure to wind turbine noise: Perceptual responses and reported health effects, Health Canada (2016) Uit de studie van Health Canada, de federale gezondheidsinstantie van Canada, blijkt dat geluid van windturbines geen directe negatieve effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Er zijn geen meetbare effecten op (chronische) ziekten, stress en slaap, zo luidt de conclusie. Vanaf 2012 zijn 1.238 volwassenen, woonachtig op verschillende woonafstanden van windturbines gevolgd. Voor het onderzoek zijn deze mensen meerdere keren lichamelijk onderzocht op bloeddruk, hartritme, slaap en stresshormonen. Ook moesten zij enquêtes invullen bestaande uit vragen over sociaal-demografische situaties, geluid en hinder, gezondheidseffecten, levensstijl en bestaande chronische ziektes. Tevens is tijdens het onderzoek 4.000 uur aan windturbinegeluid opgenomen om te kijken of er bij een hoger geluidniveau ook meer klachten zijn. Er zijn geen directe verbanden gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en klachten als migraine, diabetes, hoge bloeddruk en slapeloosheid. "While some people reported some of the health conditions above, their existence was not found to change in relation to exposure to wind turbine noise," aldus Health Canada. Wel ervaren omwonenden meer hinder van de luchtvaartlichten op de gondels en slagschaduw wanneer het geluidniveau hoger is.

Kader 5.2 Artikel S. van Manen, Medisch Contact (2018)69

NHMRC Statement: Evidence on Wind Farms and Human Health (2015) Deze verklaring is op basis van een literatuurstudie opgesteld door de 'National Heath and Medical Research Council' (NHMRC) van de Australische nationale overheid. In deze verklaring wordt gesteld dat er geen direct bewijs is dat windturbines nadelige gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. De volgende conclusies worden gemaakt: 1. Blootstelling aan geluid kan gezondheidseffecten veroorzaken, maar deze gezondheidseffecten kunnen alleen voorkomen bij geluidsniveaus die veel hoger liggen dan het geluidniveau dat wordt ervaren door omwonenden van windparken. 2. Alhoewel individuen windturbinegeluid op grotere afstand kunnen waarnemen, is het onwaarschijnlijk dat windturbinegeluid als hinderlijk wordt ervaren op afstanden groter dan 1.500 meter. 3. Er is geen direct bewijs voor een verband tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidseffecten.

76

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Kader 5.3 Onderzoek van M. Alves-Pereira70

Economische aspecten Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Omwonenden met een economisch voordeel van de windturbines ervaren over het algemeen minder hinder71. Lichtschitteringen Wanneer de zon op de turbine schijnt, kan het zonlicht reflecteren op de rotorbladen in de richting van de beschouwer. Tegenwoordig worden windturbines uitgevoerd met een anti-reflecterende coating, zodat lichtschittering niet optreedt. RIVM (2013) bevestigt dit ook in haar informatieblad 72. Elektromagnetische velden Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn Uv-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. De sterkte van elektromagnetische velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Rondom de gondel en de kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet kunnen magnetische velden voorkomen. Voor slagschaduw, geluid en externe veiligheid wordt echter op basis van wettelijke vereisten een zodanige afstand tussen windturbines en bebouwing aangehouden dat er geen sprake is van effecten voor omwonenden door eventuele elektromagnetische velden van het windpark.

Trillingen Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines, mits goed gedimensioneerd, geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in een brief het volgende laten weten (2013)73: "de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines". Fijnstof Windturbines stoten uiteraard zelf geen fijnstof uit. Fijnstof is vooral afkomstig van wegverkeer en industrie. Windturbines hebben (mogelijk) een effect op de verspreiding van fijnstof doordat de wind in het zog achter de windmolen een hogere mate van turbulentie bevat, waardoor het verspreidingsgebied vergroot kan worden. Voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen is er gezien de afstand tot luchtverontreinigende bronnen zoals verkeer en industrie en de afstand tot woningen geen sprake van een significant effect door windturbines op de verspreiding van uitstoot van fijnstof. Neodymium In zienswijzen wordt regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van neodymium in windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Neodymium is een zeldzaam aardmetaal en wordt ook gebruikt voor de permanent magneten in windturbines met een 'direct drive' mechanisme (zonder tandwielkast).

In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen. Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Neodymium zelf is geen radioactief materiaal. SF6 gas De Telegraaf concludeert in het artikel van 29 oktober 2019 (Windmolen lekt schadelijk gas) dat het Gemeente Maasdriel

77

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) toenemend gebruik van het gas zwavelhexafluoride - SF6 - een onbedoeld, maar direct gevolg is van de transitie naar duurzame energie. Het artikel baseert zich op een bericht van de BBC waarin een studie door de Cardiff University naar het Britse elektriciteitsnet wordt aangehaald. Hierin wordt gesteld dat de toename in het gebruik van SF6 een direct gevolg is van de groei van duurzame energiesector. Het klopt dat SF6 wordt toegepast in uiteenlopende onderdelen van het energiesysteem om kortsluiting te voorkomen. Andere fluoride-gassen worden gebruikt in verhittings- en koelapparatuur, zoals koelkasten, warmtepompen en airconditioners. Het BBC artikel stelt dat SF6 voornamelijk door lekkages terechtkomt in de atmosfeer. Bij windturbines kunnen deze lekkages ontstaan door mechanisch falen, slijtage van machines of tijdens onderhoud of ontmanteling van een windturbine. Ter voorkoming van vrijkomen van SF6 in de atmosfeer wordt het bij reparatie en ontmanteling afgevangen. Vervolgens wordt het hergebruikt in nieuwe apparaten. Onderzoek van WindEurope74 wijst uit dat alle 100.000 windturbines in Europa jaarlijks naar schatting 150 kilo aan SF6 lekten in de afgelopen zes jaar. Dit staat gelijk aan een jaarlijkse uitstoot van 3.525 ton CO2.

Om dit in perspectief te plaatsen: deze 100.000 windturbines bespaarden in dat jaar 255 miljoen ton aan CO2 door 336 TWh aan groene stroom op te wekken. De lekkage van SF6 vormt dan ook slechts fractie, namelijk 0,001%, van de vermeden uitstoot van CO 2. Er is geen bewijs voor een relatie tussen de eventuele (zeer minimale) lekkage van SF 6 uit windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Windturbines zorgen juist voor een groot aandeel in vermeden emissies van CO2 omdat de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Desondanks is het de verantwoordelijkheid van de windsector om het gebruik van SF 6 waar mogelijk te verminderen en waar dit om praktische redenen niet mogelijk is te zorgen dat het risico op lekkages zo klein mogelijk is. Diverse alternatieven voor SF6 worden momenteel onderzocht, zoals nieuwe combinaties van schone gassen. Conclusie Windturbines kunnen bij individuen wel tot het ervaren van hinder leiden en daardoor indirect tot gezondheidseffecten. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines.

Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken naar de effecten op de omgeving (zoals geluid en slagschaduw) kan geconcludeerd worden dat het windpark gerealiseerd kan worden binnen de geldende wet- en regelgeving en is er voor de desbetreffende aspecten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er is voor het aspect gezondheid dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.3

Straalpaden

Toetsingskader Windturbines kunnen van invloed zijn op de zogenaamde straalpaden voor het transport van spraak-, data-, radio- en tv-signalen. Door de aanwezigheid van verschillende windturbines kan de signaaloverdracht van straalpaden worden verstoord of verzwakt. Deze straalverbindingen (ook wel straalpaden genaamd) verzenden informatie (radiocommunicatie) langs een rechtstreekse cilindervormige lijn door de lucht. Verstoring kan optreden doordat deze cilindervormige lijn wordt onderbroken (doorkruising van de tweede fresnelzone). De uitvoering van de functies van een straalverbinding kunnen mogelijk worden beperkt door de aanwezigheid van de windturbine. Onderzoek Er zijn geen planologisch beschermde straalverbindingen (als zo danig bestemd in het geldende bestemmingsplan) in het plangebied die beïnvloed kunnen worden door de windturbines. Er bestaat dus geen juridische verplichting om bij ruimtelijke projecten rekening te houden met de straalverbindingen. Er kunnen echter ook onbeschermde straalverbindingen aanwezig zijn in het plangebied. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de aanwezigheid van onbeschermde straalverbindingen nader onderzocht. Agentschap Telecom heeft een overzichtskaart aangeleverd waarin alle straalverbindingen die in (de omgeving van) het plangebied aanwezig zijn opgenomen (zie Figuur 5.11).

Er zijn ook geen onbeschermde straalverbindingen door of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig.

78

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 5.11 Straalverbindingen in de omgeving van het plangebied

Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit aanwezige straalverbindingen, er is daarom sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.4

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient een bodemonderzoek verricht te worden met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Het bevoegd gezag moet onderzoek verrichten naar de bestaande toestand en deze toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit. Voor de realisatie van het windpark zal grondverzet plaatsvinden, waarbij grond (en mogelijk ook asfalt en onderliggend funderingsmateriaal) wordt ontgraven, hergebruikt, toegepast en/of afgevoerd. Bij dergelijke werkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) 75 van toepassing. Het Bbk bevat algemene regels voor het toepassen van grond (en bouwstoffen) en de kwaliteit van toe te passen grond (en bouwstoffen). Onderzoek Op basis van Bodemloket76 is bepaald of er bodemverontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn. In onderstaand Figuur 5.12 is daarvan het resultaat weergegeven. De informatie laat zien dat er geen bodemverontreinigingen bekend zijn in het gebied. Daarnaast is het agrarisch gebied, dus de kans dat het verontreinigd is, is verwaarloosbaar. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal er bodemonderzoek plaatsvinden ten einde de kwaliteit van de ondergrond te bepalen en waar nodig maatregelen te nemen. Daarmee is een effect op de bodemkwaliteit uitgesloten.

Gemeente Maasdriel

79

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Figuur 5.12 Uitsnede bodemkaart [bron: www.bodemloket.nl]

Het toekomstige gebruik van de gronden voor een windturbinepark is niet van gevoelige aard in relatie tot bodemkwaliteit waardoor de bodemkwaliteit in voldoende mate bekend is en geen belemmering betekent voor realisatie van het windpark. Verder worden windturbines in het algemeen niet beschouwd als gevoelige objecten die van nature een negatieve invloed hebben op de bodemkwaliteit, mits gebruik wordt gemaakt van niet-uitlogende (bouw)materialen. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor de realisatie van het windpark vanuit bodemkwaliteit. Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.5

Niet-gesprongen explosieven

Toetsingskader In de bodem kunnen niet gesprongen explosieven (NGE's) aanwezig zijn die een risico vormen voor de veiligheid van het personeel dat werkzaamheden voor realisatie van het windturbinepark uitvoert. Daarnaast kan de openbare veiligheid in het geding komen. De aanwezigheid van explosieven is geen ruimtelijk relevant criterium voor het bestemmingsplan, maar het is voor de uitvoering wel van belang om hier inzicht in te hebben teneinde de veiligheid voor personeel en omgeving tijdens de realisatiefase te garanderen. Onderzoek De gemeente Maasdriel heeft een digitale verwachtingskaart voor explosieven. Er zijn in en om het plangebied mogelijk NGE's aan te treffen in de bouwfase gezien de ter plaatse bekende activiteiten uit de Tweede Wereldoorlog. Er zal naar verwachting een verkenning naar NGE's noodzakelijk zijn voor start van de bouwwerkzaamheden.

80

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 5.13 Uitsnede digitale kaart niet gesprongen explosieven [bron: gemeente Maasdriel]

Het benodigde onderzoek wordt voor aanvang van de realisatie uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt bepaald hoe hiermee tijdens werkvoorbereiding omgegaan dient te worden, teneinde de werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren. De eventuele aanwezigheid van NGE's zorgen in praktijk niet voor een onuitvoerbaar plan. Conclusie De aanwezigheid van explosieven is geen ruimtelijk relevant criterium voor het bestemmingsplan en aanwezigheid zorgt ook niet voor een onuitvoerbaar plan. Er is daarom voor dit aspect sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.6

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009)77 kan worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied. Onderzoek Volgens de VNG-richtlijn is de richtafstand voor 'windturbines' met een 'wiekdiameter' van 50 meter tot aan een rustige woonwijk 300 meter, voor een gemengd gebied is deze afstand 200 meter. De dichtst bij het windpark gelegen woning van derden is de woning Drielse Veldweg 35 op een afstand van 400 meter van de dichtstbijzijnde windturbine. De richtafstand wordt bepaald door het aspect 'geluid'. Het aspect 'slagschaduw' kent de VNG-richtlijn niet. Voor windturbines met een grotere rotordiameter geeft de VNG-richtlijn geen afstanden waardoor nader onderzoek in ieder geval noodzakelijk is ter voldoening aan een goede ruimtelijke ordening.

Gemeente Maasdriel

81

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Aangezien de VNG-richtlijn niet toepasbaar is op de voorliggende situatie is op basis van specifiek onderzoek gekeken naar de effecten van de windturbines op gevoelige objecten. Door middel van akoestisch onderzoek (zie paragraaf 5.2) is aangetoond dat het windpark inpasbaar is in de omgeving, zo ook door middel van slagschaduwonderzoek (zie paragraaf 5.3). Op basis van onderzoek voor geluid en slagschaduw is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ook ten aanzien van de overige milieueffecten is geconcludeerd dat het windpark voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie De VNG-publicatie is in de voorliggende situatie niet toepasbaar. Op basis van specifiek onderzoek wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Op 15 november 2007 is een wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. De hoofdlijnen van deze regelgeving zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet Milieubeheer (Wm). Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien deze voldoet aan één van deze voorwaarden:  er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  een project 'in niet betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat in werking treedt nadat de EU derogatie (toestemming) heeft verleend. Van een verslechtering van de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:  woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;  infrastructuur: minimaal 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);  kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Onderzoek Onderhavig plan maakt een ontwikkeling mogelijk dat niet onder één van bovenstaande categorieën onder te brengen is en het is ook geen project dat beschreven staat in het NSL. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren. Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan door middel van onderzoek. Conclusie Voor het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

82

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling van het bestemmingsplan toegelicht. Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) Dit bestemmingsplan voor het Burgerwindpark A2 Lage Rooijen is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012 78. De SVBP bevat standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Verhouding met geldende bestemmingsplannen Als uitgangspunt is gehanteerd dat het bestemmingsplan zo min mogelijk ingrijpt in de geldende ruimtelijke plannen. Dat betekent het volgende:  waar mogelijk blijft het geldende bestemmingsplan in stand (zoals in een zogenoemd 'paraplubestemmingsplan').  alleen waar nodig wordt een nieuwe regeling toegevoegd. In dit bestemmingsplan wordt dan ook volstaan met het vaststellen van de enkelbestemming 'Bedrijf Windturbinepark' voor de plaatsing van het windturbinepark. Op de plaatsen waar de rotoren van windturbines over (kunnen) draaien en waar de onderhouds- en toegangswegen kunnen komen, is daarvoor een specifieke aanduiding opgenomen over de geldende bestemmingen uit het onderliggende gemeentelijke bestemmingsplan. Er wordt dus als het ware een 'extra laag' over deze bestemmingen heen gelegd.

De reden voor deze werkwijze is dat op deze manier de onderliggende vigerende bestemmingen niet worden aangetast. Dit bestemmingsplan en het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 2016" bestaan dus naast elkaar als zelfstandige documenten. Deze documenten moeten wel in samenhang worden gelezen voor een compleet beeld van de juridisch-planologische situatie in het gebied.

6.2

Bestemmingsregels

6.2.1

Algemeen

In het bestemmingsplan is gekozen voor een bestemmingsregeling, waarbinnen alleen datgene dat noodzakelijk is, wordt vastgelegd. Dit houdt het volgende in:  De nieuwe bedrijfsbestemmingen voor het windturbinepark zijn toegekend aan gronden die deel uitmaken van de windturbineopstelling.  Het betreft momenteel hoofdzakelijk agrarische gronden die zijn voorzien van een agrarische bestemming. Het opwekken van energie middels windturbines verhoudt zich niet met deze bestemmingen. Daarom is, overeenkomstig de SVBP2012, gekozen voor het toekennen van een bedrijfsbestemming specifiek voor windturbines.  de ter plaatse van de nieuwe bedrijfsbestemming geldende dubbelbestemmingen voor archeologie zijn integraal overgenomen.  voor het overige zijn gebiedsaanduidingen opgenomen die gelden als aanvulling op het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 2016". 6.2.2 Bestemmingen, gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen Bestemming ‘Bedrijf - Windturbinepark’ Om de omliggende gronden zo min mogelijk te beperken is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. De fundering en masten zijn bestemd als ‘Bedrijf - Windturbinepark’ met een bestemmingsvlak waarbinnen voldoende ruimte is voor de benodigde fundering voor verschillende windturbinetypes (tot een diameter van maximaal 26 meter).

Hierdoor is er ook een (mogelijke) schuifmarge van maximaal 3 meter naar alle zijden opgenomen (uitgaande van een minimale diameter van de fundering van 20 meter). Om te voorkomen dat de (schuif)ruimten waar geen windturbines gerealiseerd worden, niet meer ten behoeve van de onderliggende bestemming 'Agrarisch met waarden' gebruikt kunnen worden is tevens agrarisch gebruik toegestaan.

Gemeente Maasdriel

83

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Bijbehorende voorzieningen Naast windturbines, worden binnen de bestemming ‘Bedrijf - Windturbinepark’, ook bij het windturbinepark behorende voorzieningen mogelijk gemaakt. Denk daarbij aan kabels en leidingen (parkbekabeling), toegangs- en onderhoudswegen en kraanopstelplaatsen voor het opbouwen, onderhouden en demonteren van windturbines. Ook de zogenoemde 'inkoopstations' voor het leveren van de opgewekte energie aan het landelijke hoogspanningsnetwerk, worden hiermee bedoeld. Er mag één inkoopstation worden gebouwd voor het windturbinepark. Voorzieningen ten behoeve van het windpark, alsmede kabels en leidingen en waterberging, ten behoeve van de aanleg van het windturbinepark, zijn tevens binnen de bestemming ‘Bedrijf Windturbinepark' toegestaan. De voorzieningen bestaan uit alle type bouwwerken die niet als gebouw beschouwd kunnen worden. Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld opslagplaatsen, voorzieningen ten behoeve van bouwinstallaties, nuts- en verkeersvoorzieningen en verlichting ten behoeve van de aanlegfase. Bouwmogelijkheden en flexibiliteit Het is nu nog niet exact bekend welke turbinetypen gebouwd gaan worden. Met de keuze van een turbinetype hangen onder meer de omvang en de exacte situering van de windturbinemasten samen.

Daarom is enige mate van flexibiliteit geboden in de planregeling:  de maximale tiphoogte (bouwhoogte) van de windturbines wordt vastgelegd op 220 meter. Daarbinnen zijn de ashoogte en rotordiameter van turbines zijn voorgeschreven met een marge. Deze marge bedraagt minimaal 120 en maximaal 150 meter voor de ashoogte (inclusief eventueel 4 meter fundering boven het maaiveld) en minimaal 117 meter en maximaal 150 meter voor de rotordiameter van de windturbines. Dit geeft de initiatiefnemers nog enige mate van vrijheid om straks een definitieve keuze te kunnen maken qua te bouwen turbinetype;  de situering van de turbines is op de verbeelding zoveel mogelijk vastgelegd met bestemmingsvlakken. Binnen een bestemmingsvlak mag maximaal 1 windturbine gerealiseerd worden. Binnen het bestemmingsvlak is enkele meters schuifruimte, deze ruimte wordt ondervangen door de resultaten van onderzoek gezien de afwijking van enkele meters (zie nadere toelichting hieronder);  extra bouw- en/of gebruiksregels zijn opgenomen, wellicht ten overvloede, om te verzekeren dat de windturbines worden voorzien van een ijsdetectiesysteem (voor zo ver noodzakelijk) en obstakelverlichting;  aanvullend zijn gebruiksregels opgenomen met een normstelling voor onder meer geluid en slagschaduw. Ook zijn enkele 'overige' gebruiksregels opgenomen uit de windturbinebepalingen.

Voor de windturbines is in het onderzoek uit gegaan van een concrete positie. Dit bestemmingsplan biedt voor de realisatie van windturbines (uitgaande van de maximale afmetingen van de windturbine) binnen de bestemming ‘Bedrijf - Windturbinepark’ een beperkte schuifruimte van maximaal circa 3 meter naar alle zijden vanwege praktische inpassing van het windpark (indien de fundering kleiner wordt uitgevoerd dan maximaal is opgenomen). Normstelling windturbinebepalingen in gebruiksregels bestemmingsplan Er zijn in artikel 3.3 van de planregels gebruiksregels opgenomen met een normstelling voor onder meer geluid en slagschaduw:  de norm voor windturbinegeluid, zoals beschreven in paragraaf 5.2, is opgenomen als cumulatieve norm (alle windturbines gezamenlijk) in de gebruiksregels. Voor bijbehorende handhavings- en rekenmethodiek wordt verwezen naar de bijlage bij de regels;  de norm voor slagschaduw, zoals beschreven in paragraaf 5.3, is opgenomen als cumulatieve norm (alle windturbines gezamenlijk) in de gebruiksregels. Voor de volledigheid is een aantal overige regels ten aanzien van het in gebruik nemen en hebben van windturbines toegevoegd aan de planregels:  ter voorkoming van lichtschittering;  algemene veiligheid en controle;  verplichte NEN-certificering van de windturbines.

Voor de formulering van deze overige regels is aangesloten op de formulering uit de windturbinebepalingen. De planregel ter voorkoming van lichtschittering borgt dat de windturbines geen lichtschittering veroorzaken. Daarmee worden alle effecten op de omgeving van lichtschittering voorkomen.

84

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Door in het bestemmingsplan te borgen dat bij een geconstateerd of vermoed gebrek de windturbine buiten bedrijf moet worden gesteld, wordt voorkomen dat het gebrek een gevaarlijke situatie voor de omgeving oplevert. Ter borging van deze voorwaardelijke verplichting is opgelegd dat minimaal op jaarbasis een controle van de windturbine wordt uitgevoerd. Om te zorgen dat de te realiseren windturbines voldoen aan de laatste stand van techniek wat betreft de veiligheid van de constructie, is ruimtelijk geborgd dat voldaan moet worden aan bepaalde NENnormen. Daarmee worden de veiligheidsaspecten van de windturbine zoveel mogelijk beheerst. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" en wordt in principe opgenomen daar waar een nieuwe enkelbestemming is opgenomen. De bestemming 'Waarde - Archeologie 3' ziet toe op de bescherming van archeologische verwachtingswaarden. Het doel van deze dubbelbestemming is de archeologische waarden in de bodem te beschermen. Er is een onderzoeksplicht voor verstoringen van ongeroerde bodem met een oppervlak groter dan 500 m2 en dieper dan 30 centimeter.

Voor het normale onderhoud en/of het gebruik evenals werken en werkzaamheden die al in uitvoering zijn, dan wel op grond van een verleende vergunning uitgevoerd mogen worden, hoeft geen onderzoek uitgevoerd te worden. Er wordt alleen een vergunning verleend indien een rapport van een archeologisch deskundige voorhanden is waarin de archeologische waarde van de bodem voldoende is vastgesteld. Op basis van het rapport kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" en wordt in principe opgenomen daar waar een nieuwe enkelbestemming is opgenomen. De bestemming 'Waarde - Archeologie 5' ziet toe op de bescherming van archeologische verwachtingswaarden. Het doel van deze dubbelbestemming is de archeologische waarden in de bodem te beschermen. Er is een onderzoeksplicht voor verstoringen van ongeroerde bodem met een oppervlak groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 centimeter. Voor het normale onderhoud en/of het gebruik evenals werken en werkzaamheden die al in uitvoering zijn, dan wel op grond van een verleende vergunning uitgevoerd mogen worden, hoeft geen onderzoek uitgevoerd te worden.

Er wordt alleen een vergunning verleend indien een rapport van een archeologisch deskundige voorhanden is waarin de archeologische waarde van de bodem voldoende is vastgesteld. Op basis van het rapport kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" en wordt in principe opgenomen daar waar een nieuwe enkelbestemming is opgenomen. De bestemming 'Waarde - Archeologie 6' ziet toe op de bescherming van archeologische verwachtingswaarden. Het doel van deze dubbelbestemming is de archeologische waarden in de bodem te beschermen. Er is een onderzoeksplicht voor verstoringen van ongeroerde bodem met een oppervlak groter dan 5.000 m2 en dieper dan 30 centimeter. Voor het normale onderhoud en/of het gebruik evenals werken en werkzaamheden die al in uitvoering zijn, dan wel op grond van een verleende vergunning uitgevoerd mogen worden, hoeft geen onderzoek uitgevoerd te worden. Er wordt alleen een vergunning verleend indien een rapport van een archeologisch deskundige voorhanden is waarin de archeologische waarde van de bodem voldoende is vastgesteld.

Op basis van het rapport kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg. Gebiedsaanduiding ‘overige zone - parkinfrastructuur’ Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone-parkinfrastructuur' zijn toegangs- en onderhoudswegen ten behoeve van het windturbinepark toegestaan. Omdat de exacte locatie van de benodigde wegen

Gemeente Maasdriel

85

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) nog niet bekend is, is hiervoor middels een aanduiding op de verbeelding een breder gebied aangegeven waarbinnen deze onderhoudswegen gerealiseerd kunnen worden. Er is een maximale aanlegbreedte van 5 meter voor de toegangs- en onderhoudswegen opgenomen in de regels. Deze breedte geldt niet ter plaatse van kruisingen met andere wegen en/of bochten, om daar voldoende ruimte te hebben voor de draaicirkels van vrachtwagens. Per windturbine wordt er uiteindelijk maximaal één onderhoudsweg aangelegd. Medegebruik van de onderhoudswegen voor agrarisch gebruik is toegestaan. Voor parkbekabeling en aansluiting op openbaar elektriciteitsnet hoeft in principe geen planologische regeling opgenomen te worden omdat de kabels niet ruimtelijk relevant zijn (geen hoogspanning). Deze kabels kunnen via het privaatrechtelijke spoor altijd aangelegd worden. Daarnaast is wel mogelijk een aanlegvergunning benodigd (bijvoorbeeld voor archeologie) op basis van het onderliggende bestemmingsplan. Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – windturbine’ Voor de overdraai van de wieken van de windturbine (plus beperkte flexibiliteit: zie kopje 'Bouwmogelijkheden en flexibiliteit') is in het bestemmingsplan een specifieke regeling opgenomen.

Hiermee wordt te kennen gegeven dat naast de geldende bestemming, het overdraaien van rotoren van windturbines ook mogelijk is. Binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone - windturbine’ wordt gangbaar de vestiging van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten ook uitgesloten. Omdat deze op basis van de onderliggende bestemming ter plaatse niet mogelijk zijn is hier in principe geen aparte regeling voor nodig. Ter invulling van de de norm voor het plaatsgebonden risico 10-5 worden kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen deze gebiedsaanduiding echter uitgesloten. De opstelplaatsen zijn hoofdzakelijk mogelijk binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone - windturbine’ (maximaal 1 opstelplaats per windturbine), als ook een inkoopstation. In aanvulling op de overdraai en opstelplaatsen zijn ook aanvullende bouw- en aanlegmogelijkheden ten behoeve van het burgerwindpark geboden (zoals parkbekabeling, tijdelijke voorzieningen en toegangs- en onderhoudswegen). Dit is gedaan om extra flexibiliteit te bieden voor het kunnen bouwen van bij het burgerwindpark behorende voorzieningen. Gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - windturbine' Ter plaatse van de aanduiding ‘veiligheidszone - windturbine’ (dit is de Plaatsgebonden Risicocontour PR 10-6 plus beperkte flexibiliteit: zie kopje 'Bouwmogelijkheden en flexibiliteit') wordt de vestiging van kwetsbare objecten uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10733245/1