CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

20211014 BP Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit- VS02 v2 incl. bijlagen aanp. artikelnr bijlage 1 regels

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Burgerwindpark A2 Lage Rooijen38.722 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Op 28 maart 2019 is er door de raad, ten aanzien van het principebesluit, een motie aangenomen die stelt dat het principeverzoek werd aangehouden en dat de initiatiefnemer op verschillende punten (zie raadsbesluit 20 juni 2019) in overleg zou gaan met de gemeente en vervolgens met een aangepast principeverzoek zou komen. De aanpassingen aan het principeverzoek, onder meer op het vlak van participatie met en voor de omgeving, heeft ertoe geleid dat door de gemeenteraad een positief standpunt ten aanzien van de motie kon worden aangenomen. Op 20 juni 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Maasdriel dan ook een positief principebesluit genomen ten aanzien

22

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen, wat betekent dat de mogelijkheden voor een windpark in het onderliggende plangebied door de initiatiefnemers verder onderzocht mochten worden. Met het positieve principebesluit op 20 juni 2019, zoals hierboven ook toegelicht, heeft de gemeenteraad van de gemeente Maasdriel besloten de mogelijkheden voor een windpark in onderhavig plangebied verder onderzocht mochten worden.

2.5

Conclusie

Burgerwindpark A2 Lage Rooijen past in rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Het windpark geeft invulling aan de weg die de gemeente Maasdriel ten aanzien van duurzame energie met windturbines is ingeslagen met het positieve principebesluit om onderzoek naar Burgerwindpark A2 Lage Rooijen te starten. Een windpark op deze locatie past ook in de gedachte van de gemeentelijke structuurvisie. Het windpark kan daarnaast een proportionele bijdrage leveren aan het realiseren van duurzame ambities, als uitgesproken in het duurzaamheidsprogramma, met de wens om met kleinschalige windmolens (kleinschalig windpark) voor lokale energieopwekking te zorgen.

Gemeente Maasdriel

23

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld)

Hoofdstuk 3 3.1

Huidige situatie

Functionele structuur

Agrarisch gebied Het plangebied wordt agrarisch gebruikt, voornamelijk als akker- en grasland. Er is daarnaast ook fruitteelt in de omgeving. Woningen Ten oosten van de locatie ligt de woonkern Hoenzadriel op een afstand van circa 1.600 meter. Aan de noordzijde ligt de woonkern Velddriel op een afstand van circa 1.900 meter. Iets verder naar het noordoosten ligt de woonkern Kerkdriel op een afstand van 2.300 meter. Aan de westzijde, aan de andere kant van de snelweg A2, ligt de woonkern Hedel. Deze kern ligt op 1.500 meter van de meest westelijk gelegen windturbine. Ook Oud Empel, dat aan de andere kant van de Maas is gelegen, ligt op circa 1.500 meter afstand. De dichtstbij gelegen woning staat aan de Drielse Veldweg 35 en ligt op een afstand van circa 400 meter. Infrastructuur Het plangebied is gelegen nabij de rijksweg A2 tussen 's-Hertogenbosch en Utrecht. In en om het plangebied zijn vooral lokale wegen aanwezig zoals de Rooijensestraat en Hoenzadrielsedijk. Over de Hoenzadrielsedijk loopt een fietsroute (Bommelse Dijken). Daarnaast lopen er een aantal wandelroutes aan de andere zijde van de Maas, onder andere over de Empelsedijk en de Maasboulevard. Ten zuiden van het plangebied is in oost-west richting de rivier de Maas gelegen. Dit is een hoofdvaarroute en wordt tevens gebruikt voor recreatievaart. Langs de uiterwaarden van de Maas is een primaire waterkering gelegen.

Er zijn geen hoogspannings- of buisleidingen gelegen in de omgeving van het plangebied. Windparken in de omgeving In de omgeving van het windpark zijn een aantal andere windparken aanwezig, deels gerealiseerd, deels in aanbouw of vergund. In onderstaand figuur zijn de locaties van de meest nabije windparken opgenomen. In het kader van cumulatieve effecten zijn de windparken Bommelerwaard-A2 en De Rietvelden en de windturbine Treurenburg (allen op circa 3,5 kilometer) van belang. Voor windparken Deil en AVRI, beide parallel aan de A15 ten noorden van het windpark, geldt dat deze te ver zijn gelegen (> 12 kilometer) om van cumulatieve effecten te kunnen spreken. Ook het (nog in ontwikkeling zijnde) grootschalige windpark voor De Duurzame polder, nabij Oss, ten noordoosten van 's-Hertogenbosch is vanwege de grote afstand en het feit dat het nog geen autonome ontwikkeling is in het kader van cumulatie niet relevant om nader te beschouwen.

24

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 3.1 Windparken in de omgeving

Natuur De dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden zijn de gebieden Rijntakken (met 'Kil van Hurwenen' op circa 6 kilometer afstand) en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn (circa 6,5 kilometer) (zie respectievelijk in groen en rood in Figuur 3.2). Figuur 3.2 Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied

Gemeente Maasdriel

25

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) De provincie Gelderland heeft haar natuurbeleid uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN), als provinciale equivalent van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Het meest nabij gelegen GNN/GO gebied zijn de uiterwaarden van de Maas (Bovenwaarden & Koornwaard). Het plangebied is niet GNN/GO gelegen. Figuur 3.3 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

3.2

Landschappelijke structuur

Het plangebied voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen ligt op de noordelijke oeverwal langs de Maas. Deze loopt van Kerkdriel via Hoenzadriel, de Hoge en de Lage Rooijen richting De Geerden en buigt dan af richting Hedel. Deze oeverwal ligt min of meer evenwijdig aan de Maas en is van oudsher de plek waar mensen zich vestigden. De gronden werden hier het meest intensief gebruikt, met afwisselend fruitteelt, (glas-)tuinbouw, bedrijvigheid en wonen. Landschappelijk gezien bestaat de oeverwal uit een afwisseling van dichte beplantingen (boomgaarden, houtsingels), wegbeplantingen en erven met daar tussen over het algemeen vrij open akkers in een onregelmatige blokverkaveling. Het gebied Lage Rooijen heeft van oorsprong een meer rechte slagenverkaveling, die min of meer haaks op de Rooijensestraat is gericht. Figuur 3.4 Topografische kaarten uit 1900, 1950 en 2018 [bron: Topotijdreis]

26

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“

De reeks kaarten hierboven laat zien dat het plangebied lange tijd min of meer onveranderd is gebleven. De aanleg van de huidige A2 (gedurende de 70-er jaren van de vorige eeuw) bracht daar drastisch verandering in. De oude route van Empel via het pontje en Casterens Hoeve naar de dijk en dan richting Hoenzadriel werd doorsneden. De komst van de snelweg en nieuwe afritten maakte dat het gebied rond de afrit bij Hedel verstedelijkte tot een cluster van bedrijven (De Geerden). Door ruilverkaveling werd de aanwezige slagenverkaveling meer blokvormig. De uiterwaarden ten zuiden van het plangebied liggen vrij hoog en zijn nog deels in extensief landbouwkundig gebruik, maar voor een belangrijk deel natuurgebied. De ooibossen langs de dijk zijn vanaf de 70-er jaren grotendeels verdwenen. Door zandwinning is ten westen van de A2 een grote plas ontstaan (Hedelse Bovenwaard), gekoppeld aan een oude Maasmeander die al in de 19e eeuw werd afgesneden in het kader van de kanalisatie van de Maas. Het plangebied ligt aan de dijk. Het tracé van die dijk en van de Rooijensestraat is de afgelopen 150 jaar niet of nauwelijks veranderd. De Hoenzadrielsedijk maakt tegenwoordig deel uit van het regionale fietsroutenetwerk (fietsknooppuntennetwerk). Vanaf de dijk heeft men vrij uitzicht over het binnendijkse gebied en over de rivier met zijn uiterwaarden.

Uit de oude topografische kaarten (Figuur 3.4) valt af te lezen dat binnen het plangebied het gedeelte Lage Rooijen van oudsher lager en natter was dan het gebied Hoge Rooijen. Dat is onder meer af te lezen aan het aantal sloten op de kaarten, haaks op de dijk (hoe meer sloten, hoe natter de (oorspronkelijke) situatie). Dit onderscheid is tegenwoordig minder goed herkenbaar. Aan weerszijden van de Rooijensestraat liggen nu rechte percelen, min of meer haaks op de weg, al dan niet begrensd met houtsingels, struweel en watergangen met rietkragen, die eveneens haaks op de weg liggen. Hier en daar staan solitaire (fruit-)bomen. De percelen zijn veelal in gebruik als boomgaard of akker of worden gebruikt voor tuinbouw (met name fruitteelt). Langs de Rooijensestraat staat aan de noordzijde één enkele bomenrij. De Hoenzadrielsedijk is niet beplant met opgaand groen. Direct buitendijks liggen ter hoogte van het plangebied nog enkele restanten ooibos, knotwilgen en wilgenstruweel aan de voet van de dijk. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich verder geen erven van boerderijen.

Gemeente Maasdriel

27

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Figuur 3.5 Panoramafoto's vanaf de Hoenzadrielsedijk (perspectivisch vertekend beeld) in de bestaande situatie

28

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“

Hoofdstuk 4 4.1

Projectbeschrijving

Keuze opstelling windturbines

Windturbines kunnen niet overal geplaatst worden. Bij de inrichting van het gebied moet rekening worden gehouden met onder andere fysieke belemmeringen zoals woningen en wegen, landschap, en voorwaarden die voortkomen uit wet- en regelgeving, waaronder normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid (wegen en ondergrondse buisleidingen). Maar ook (wind)technische aspecten spelen een rol bij de inrichting van het gebied. De keuze voor de opstelling en locatie van het windpark is voortgekomen uit de keuze voor een plangebied in specifiek de gemeente Maasdriel die nabij de snelweg/infrastructuur ligt in aansluiting op provinciaal beleid (en ook aan de dijk en in het verlengde van industrieterrein De Geerden). Daarnaast is gekeken naar een locatie die niet in de directe omgeving ligt van een Natura 2000 gebied. Het plangebied is bovendien op een relatief grote afstand van woonkernen gelegen en tenminste op 400 meter van individuele woningen om hinder voor de (woon)omgeving zo veel mogelijk te beperken. De windturbines staan uit de overwegende windrichting gepositioneerd en circa 400 meter uit elkaar om zo optimaal mogelijke opbrengst te genereren en zoveel mogelijk in een lijnopstelling als algemeen geaccepteerd principe voor de inrichting van het windpark. Een lijnopstelling geeft een rustig en helder beeld.

4.2

Beschrijving van het plan

De windturbines Het project bestaat uit de realisatie en exploitatie van drie windturbines met bijbehorende voorzieningen. Het te plaatsen turbinetype is nog niet gekozen, ook de exacte afmetingen zijn nog niet bekend. Wel wordt gekozen voor realisatie van drie gelijke windturbines met een rotordiameter van minimaal 117 meter en maximaal 150 meter en een ashoogte van minimaal 120 meter en maximaal 150 meter. De maximale tiphoogte wordt vastgelegd op 220 meter. De minimale (kleinste) tiphoogte en minimale hoogte van de wiek boven de grond (tiplaagte) komt op basis van de voorgaande maten uit op respectievelijk 178,5 meter en 45 meter. De uiteindelijke afmetingen van de windturbine zijn afhankelijk van de ashoogte en rotordiameter van het uiteindelijk te kiezen type windturbine. Het vermogen van de windturbines komt ergens tussen 3,0 en 4,9 MW te liggen waardoor het totaal op maximaal 14,7 MW uitkomt. Figuur 4.1 is ter illustratie van de maximale afmetingen.

Gemeente Maasdriel

29

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Figuur 4.1 Illustratie windturbine afmetingen en begrippen

Figuur 4.2 Het plan voor het Burgerwindpark A2 Lage Rooijen [bron: Green Trust]

30

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Kraanopstelplaats en ontsluiting Het plan omvat naast de te plaatsen windturbines ook de bij de windturbines behorende voorzieningen zoals kraanopstelplaatsen voor bouw en onderhoud. De kraan wordt gebruikt tijdens de bouw, maar moet ook voor onderhoud aan de windturbines tijdens de exploitatiefase bij de windturbine kunnen komen. De locatie van de windturbines dient voldoende bereikbaar te zijn voor de bouw en voor onderhoud en daarmee dient ook de aanvoerroute van materialen voldoende breed te zijn (doorgaans circa 4-5 meter, uitgezonderd bochten en kruisingen met andere wegen). De exacte positionering en technische uitwerking (waaronder minimale draagkracht) van kraanopstelplaatsen wordt in een later stadium bepaald tijdens de detailengineering. De kraanopstelplaats wordt bij de mast geplaatst en zodanig gepositioneerd dat deze het beste is in te passen in de omgeving. De kraanopstelplaatsen sluiten direct aan op de Rooijensestraat of worden via een ontsluitingsweg aangesloten. Er wordt circa 100 meter aan aparte ontsluitingsweg aangelegd, voor het overige wordt voor ontsluiting gebruikt gemaakt van de opstelplaatsen. Aansluiting elektriciteitsnetwerk De windturbines worden met een ondergrondse kabel onderling verbonden en verbonden met het aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk.

De exacte ligging van de kabels en aansluiting op het openbaar net dient nog bepaald te worden. Met het kabeltracé wordt waar mogelijk de openbare weg gevolgd. De aanleg van parkbekabeling en aansluitpunten heeft echter geen relevante ruimtelijke impact (vanwege geen hoogspanning, en dus geen beschermende zone) waardoor de aanleg van kabels en leidingen verder niet specifiek in dit bestemmingsplan hoeven worden opgenomen. In de turbines worden faciliteiten geplaatst voor de eerste transformatie (naar 10/33 kV). Er wordt één inkoopstation gebouwd voor de windturbines, onder de overdraai van één van de windturbines. Een inkoopstation is een soort van transformatorhuisje dat is bedoeld voor het onderbrengen van schakelen meetapparatuur om de windturbines te verbinden met het landelijke elektriciteitsnet. De exacte locatie, omvang en verdere invulling wordt in een nadere uitwerking gekozen in overleg met de netbeheerder. Een inkoopstation krijgt een oppervlakte van maximaal circa 40 m 2 en wordt maximaal 4 meter hoog, en is daarmee niet vergunningsvrij op basis van artikel 2, lid 18 sub a van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verhardingen Per windturbine wordt rekening gehouden met het grondgebruik van een cirkel met een diameter van maximaal 26 meter voor de windturbine inclusief fundering (oppervlakte circa 530 m 2).

Daarnaast wordt rekening gehouden met een permanente kraanopstelplaats van circa 25 bij 43 meter (circa 1.075 m2 per windturbine) voor de bouw van en het onderhoud aan de windturbine. Het uiteindelijke exacte oppervlak is afhankelijk van het windturbinetype dat wordt gekozen. Rekening wordt gehouden met een totaal (permanent) grondgebruik van maximaal 5.500 m 2 voor het windpark (inclusief één inkoopstation van 40 m2 en ontsluitingswegen en overige verhardingen van in totaal circa 645 m2). Tijdelijke voorzieningen, zoals een grotere opstelplaats, opslagruimte bij de opstelplaats, grotere boogstralen en bouwwegen, hoeven niet meegenomen te worden in de ruimtelijke procedure. De verhardingen worden grotendeels onder de overdraai van de windturbine gerealiseerd, op een klein gedeelte van de ontsluiting tussen opstelplaats en openbare weg na. Obstakelverlichting Voor een windturbine hoger dan 150 meter (tiphoogte) of hoger dan 100 meter (tiphoogte) binnen een afstand van 120 meter van een (water)weg geldt dat de turbine op basis van opgave van de Inspectie Leefomgeving en Transport in het Informatieblad over obstakelverlichting (2016) 26 voorzien dient te worden van obstakelverlichting (zie ook Kader 4.1). Dit geldt dus ook voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen.

Voor de windturbine(s) wordt voor de aanvang van de bouw een verlichtingsvoorstel uitgewerkt gericht op (voor zo ver ook noodzakelijk) het zo veel mogelijk beperken van hinder, overeenkomstig het Informatieblad. Een voorstel voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op windturbines en windparken dient voorafgaand aan de realisatie van het windpark ter instemming te worden voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT). De gemeente Maasdriel wordt over het verlichtingsplan en het besluit van ILenT geïnformeerd.

Gemeente Maasdriel

31

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Kader 4.1 Toepassing obstakel- of markeringsverlichting

4.3

Ruimtelijk ontwerp

Toetsing effecten op het landschap Op grond van de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.62) dient de toelichting bij een bestemmingsplan dat de oprichting van een windturbine of windturbinepark mogelijk maakt aandacht te besteden aan:  de ruimtelijke kenmerken van het landschap;  maat, schaal en inrichting in het landschap;  visuele interferentie met nabij gelegen windturbines;  cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap;  de beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap. In de oorspronkelijke versie van de Omgevingsverordening (2014) was in de toelichting een nadere tabel opgenomen ter toelichting op de criteria. Voor de criteria geldt dat het geen harde toetsingseisen betreffen, maar elementen die gemotiveerd moeten worden als onderdeel van het ruimtelijk ontwerp.

32

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Tabel 4.1 Aandachtspunten in het ruimtelijk ontwerp en toelichting daarop uit de Omgevingsverordening

De toelichting op artikel 2.62 van de Omgevingsverordening (geconsolideerde versie december 2018) geeft het volgende aan: "Visualisaties van de windparken in samenhang met elkaar kunnen bijvoorbeeld aantonen dat er geen sprake is van visuele interferentie. In het ruimtelijk ontwerp wordt aandacht besteed aan de wijze waarop een turbine reageert of turbines reageren op de schaal, maat en richting van het landschap. Wanneer één of meerdere windturbines worden opgericht in nabijheid van een bestaande windturbine, gaan de turbines visueel interfereren. Bij grote windturbines kan de interferentie op een grote afstand optreden. Bij méér dan één windturbine zijn keuzes in onderlinge afstand, patronen en richting van turbines bepalend voor de mate waarin ruimtelijke kwaliteit wordt bereikt. Beplanting kan ook bijdragen aan de versterking van de landschapsstructuur. De effecten van de ingreep worden vanuit het standpunt van een beschouwer bekeken. Een beschouwer kan zijn: iemand die er in de buurt woont of een automobilist of fietser op een weg in het gebied. En vooral hoe het aanzicht verandert als de beschouwer beweegt in het landschap, in het zicht van de windturbines of het windturbinepark.

Verder kan ook het toeristisch en recreatief gebruik van het landschap een rol spelen." In de m.e.r.-beoordeling is gebruik gemaakt van drie verschillende schaalniveaus voor de landschappelijke beoordeling:  het plangebied en zijn ruimere omgeving (2 tot 5 km van de grens van het plangebied);  het plangebied en zijn directe omgeving (0 tot 2 km van de grens van het plangebied);  het plangebied zelf (vanaf de grens van het plangebied en daarbinnen). Voor zo ver relevant worden die schaalniveaus hieronder ook toegepast. Om de onderbouwing van het ruimtelijk ontwerp te ondersteunen zijn een aantal visualisaties van het windpark gemaakt (zie ook bijlage 5). Hierbij is uitgegaan van windturbines met een ashoogte van maximaal 140 meter en een rotordiameter van maximaal 138,5 meter. De locaties van waaruit deze visualisaties zijn gemaakt zijn opgenomen in Figuur 4.327.

Gemeente Maasdriel

33

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Figuur 4.3 Overzichtskaart standpunten fotovisualisaties

Ruimtelijke kenmerken van het landschap Vanwege verschillende ruimtelijke belemmeringen in de omgeving van het plangebied is de plaatsingsruimte van de windturbines beperkt. Binnen de beschikbare ruimte is gekeken naar een mogelijk inrichting van het gebied. De lijnopstelling van het windpark is gekozen op basis van milieuinformatie en de beschikbaarheid van gronden. Het combineren van windturbines met andere, intensieve functies in een gebied heeft de voorkeur van de provincie. Het kan de beleving van een gebied onderstrepen. Er is sprake van een lijnopstelling die min of meer parallel loopt met de aanwezige (grootschalige) infrastructuur nabij het plangebied (rivier de Maas en lokale Rooijensestraat en primaire waterkering Hoenzadrielsedijk). Het windpark sluit ook aan op de rijksweg A2 door de plaatsing van de lijnopstelling nabij de rijksweg A2 (zie Figuur 4.4). Hierdoor gaat het windpark een combinatie aan met de infrastructurele lijnen in de omgeving van het plangebied. Anderzijds gaat het windpark ook een combinatie aan met het agrarisch productielandschap waarvan het aan de rand is gelegen. Het windpark markeert zo ook de rand en de overgang van het agrarisch landschap naar de uiterwaarden van de Maas en vervolgens het stedelijk gebied van 's-Hertogenbosch aan de overzijde van de Maas.

Het plangebied maakt deel uit van het open agrarisch landschap van de Bommelerwaard en is hier ook blijvend voor aangewezen. Figuur 4.4 Plaatsing lijnopstelling nabij rijksweg A2 (vanuit zuidelijke richting bezien)

34

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Toevoeging kwaliteit en vergroting beleefbaarheid landschap in Omgevingsvisie De 'oude' Omgevingsvisie Gelderland geeft ter toelichting aan (zie ook paragraaf 2.2.1) dat windturbines gerealiseerd kunnen worden mits hun ontwerp als integrale ontwerpopgave wordt uitgewerkt, rekening houdend met de kenmerken van de plek. Dit betekent dat de ingreep kwaliteit moet toevoegen en de beleefbaarheid van het landschap moet vergroten. De kracht van een ruimtelijk ontwerp is dat de economische waarde van het initiatief en de maatschappelijke meerwaarde van een aantrekkelijk en beleefbaar Gelders landschap samen komen. Het combineren van windturbines met andere, intensieve functies in een gebied heeft de voorkeur van de provincie. Het kan de beleving van een gebied onderstrepen. Verschillende strategieën kunnen worden toegepast. Een mogelijke combinatie is een combinatie met agrarisch productielandschap en infrastructuur, zoals dat geldt voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen. Maat, schaal en inrichting van het landschap Windturbines voegen door hun grote maat en schaal in vergelijking met andere objecten een nieuwe laag toe aan het landschap. Door hun grote afmetingen ontstijgen moderne windturbines de schaal van andere landschapselementen.

De mate waarin windopstellingen herkenbaar aansluiten op de landschappelijke structuur is op het schaalniveau van het windpark en zijn ruimere omgeving (2-5 kilometer) vooral af te lezen aan de samenhang met landschappelijke hoofdstructuren. Hier zouden dat de A2, de snelwegbrug, de rivierdijk of de (loop van de) rivier de Maas zelf kunnen zijn. Op grotere afstand is deze aansluiting echter niet waarneembaar. De samenhang tussen de opstelling en dergelijke hoofdstructuren wordt eerder vermoed dan daadwerkelijk waargenomen (zie bijvoorbeeld Figuur 4.5, waar samenhang met de rivier en de snelwegbrug kan worden vermoed). De samenhang met kleinere landschapselementen of bijvoorbeeld voorkomende verkavelingsrichtingen is op het hoogste schaalniveau geheel niet waarneembaar (zie ook Figuur 4.6). Figuur 4.5 Visualisatie vanuit zuidwestelijke richting vanaf de Maasboulevard ten westen van OudEmpel (schaalniveau plangebied en zijn ruimere omgeving)

Gemeente Maasdriel

35

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Figuur 4.6 Visualisatie vanuit noordelijke richting vanaf Velddriel (schaalniveau plangebied en zijn ruimere omgeving)

De samenhang tussen de opstelling en de (grotere) landschappelijke structuren wordt op het schaalniveau van het plangebied en zijn directe omgeving (0-2 kilometer) vanaf sommige standpunten duidelijker (zie Figuur 4.8 en 4.9, met respectievelijk de dijk en de A2). Ook het vermoeden van samenhang daarmee wordt vanaf meerdere standpunten groter (zo doet Figuur 4.9 enigszins vermoeden dat er samenhang is met de kronkelige dijk). Figuur 4.7 Visualisatie vanuit het oosten vanaf de Hoenzadrielsedijk (schaalniveau plangebied en zijn directe omgeving)

36

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Figuur 4.8 Visualisatie vanaf rand Oud-Empel (schaalniveau plangebied en zijn directe omgeving)

Figuur 4.9 Visualisatie vanuit het oosten vanaf de Hoenzadrielsedijk (schaalniveau plangebied en zijn directe omgeving)

De turbines staan net niet in een rechte lijn, maar de verspringing is dusdanig klein dat de samenhang met het kronkelige tracé van de dijk op het schaalniveau van het plangebied zelf minder duidelijk is. Ook de samenhang met kleinere structuren is niet direct duidelijk. Doordat de dijk als belangrijke waarnemingsroute hoger ligt dan de opstelplaatsen van de windturbines is het zicht daarop goed. Visuele interferentie met andere windturbines of andere hoge elementen Interferentie (visueel 'samenklonteren') tussen verschillende windparken kan afbreuk doen aan de leesbaarheid van het plaatsingsconcept van de windparken. De meest nabij gelegen bestaande windturbines zijn de windturbine Treurenburg en de windturbines in windparken De Rietvelden en Bommelerwaard-A2 (beide windparken onherroepelijk maar nog te realiseren) op een afstand van circa 3,5 kilometer. Er is op die afstand geen sprake van visuele interferentie. Langs de A2 is een 15 meter hoge GSM mast aanwezig. Deze interfereert niet met het windpark vanwege de geringe hoogte ten opzichte van nabij gelegen windturbines (in Figuur 4.9 is de GSM mast rechts van de windturbines dan ook niet te zien). Visuele interferentie in Omgevingsvisie De 'oude' Omgevingsvisie sprak, in tegenstelling tot de verordening, over voorkomen van interferentie.

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland wordt geen nadere inhoudelijke toelichting op dit punt gegeven. De verordening geeft echter de bindende regels om het initiatief aan te toetsen en licht toe dat in het ruimtelijk ontwerp duidelijk moet worden hoe rekening is gehouden met interferentie en wat dat betekent voor keuzes bij het positioneren van de windturbines. Geconstateerd is dat er geen sprake is van interferentie waardoor geconstateerd kan worden dat het ruimtelijk ontwerp hier optimaal invulling aan geeft.

Gemeente Maasdriel

37

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Cultuurhistorische achtergrond van het landschap Op het middelste en lage schaalniveau domineren de beoogde windturbines de horizon (zie bijvoorbeeld Figuur 4.9), op hoogste schaalniveau is dit niet het geval (zie bijvoorbeeld Figuur 4.10). De cultuurhistorische achtergrond ter plaatse geeft vooral aanleiding tot het plaatsen van de windturbines langs de historische structuur van de dijk langs de Maas. Burgerwindpark A2 Lage Rooijen voegt een nieuwe laag toe aan de ontginningsgeschiedenis en voegt daarmee iets toe aan de waarde van het bestaande landschap. De beleving van de windturbines in het landschap De beleving van het windpark wordt vooral bepaald door de mate waarop het windpark zichtbaar en herkenbaar is door de waarnemer. Vanaf het hogere schaalniveau is vanaf veel punten de windopstelling zichtbaar. Dat geldt vanaf de A2, maar ook vanaf bebouwingsconcentraties, met name vanaf de noordrand van 's-Hertogenbosch aangezien daarvandaan er weinig opgaande landschapselementen aanwezig zijn die het zicht op de opstelling wegnemen. Op het lagere schaalniveau neemt de zichtbaarheid van het initiatief toe. Binnen dit schaalniveau is er niet alleen vanaf de snelweg maar ook vanuit de omliggende dorpen en de rand van Empel en 's-Hertogenbosch duidelijk zicht op de opstelling.

Op grotere afstand is de opstelling als zelfstandige, samenhangende lijnopstelling herkenbaar (zie Figuur 4.6, 4.7 en 4.10). Dit komt omdat de turbines voldoende dicht bij elkaar staan en bovendien op zeer ruime afstand (circa 3,5 kilometer) staan van de enige andere windturbine op dit moment (Treurenburg). De afwijking in de lijn valt vrijwel niet op. De afstand tot nieuwe windopstellingen (langs de A2 bij Zaltbommel en bij De Rietvelden) is minstens zo groot als de afstand tot de Treurenburg-turbine, waardoor op dit schaalniveau kan worden gesteld dat deze nieuwe opstellingen geen invloed zullen hebben op de herkenbaarheid van de opstelling van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen. De herkenbaarheid is op het lagere schaalniveau vergelijkbaar. Figuur 4.10 visualisatie vanaf rand Hoenzadriel (schaalniveau plangebied en zijn ruimere omgeving)

Door het beperkte aantal turbines is op een hoger schaalniveau er nauwelijks sprake van verstoring van de visuele rust door het draaien van de rotoren. 's Nachts zal er obstakelverlichting moeten worden gevoerd. De beweging van de rotoren zal op een lager schaalniveau in waarneembaarheid toenemen.

38

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“

Hoofdstuk 5 5.1

Onderzoek

Uitgangspunten

Voorbeeldwindturbine Voor het bepalen van milieueffecten is gebruik gemaakt van een voorbeeldturbine, omdat de keuze voor een specifieke windturbine met bijbehorende specificaties pas in een later stadium plaats vindt. Voor alle omgevingsaspecten worden berekeningen of beschrijvingen uitgevoerd voor een worst-case windturbine, dus de maximale milieueffecten. Voor het aspect geluid wordt uitgegaan van een worstcase windturbine vanuit geluid, waarbij het maximale bronvermogen van de windturbine in combinatie met de maximale ashoogte bepalend zijn. Voor de overige omgevingsaspecten geldt dat een windturbine met maximale afmetingen de worst-case situatie is, de onderzoeksconclusies zijn dan ook geldig voor kleinere en lagere windturbinetypes dan de voorbeeldwindturbine, ongeacht hun afmetingen. Als voorbeeldturbine is in de onderzoeken uitgegaan van een windturbine met een rotordiameter van maximaal 150 meter en een tiphoogte van maximaal 220 meter (en dus een ashoogte van 145 meter), dus een windturbine met de maximale afmetingen voor rotordiameter en tiphoogte in dit bestemmingsplan. Voor geluid is een akoestisch realistische worst-case windturbine binnen de bandbreedte van het bestemmingsplan gehanteerd, wat betekent dat deze qua bronvermogen aan de bovenkant zit (luid) van de turbineklasse voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen.

Voor slagschaduw is een windturbine gekozen met maximale ashoogte en rotordiameter waardoor de tiphoogte groter is dan maximaal door dit bestemmingsplan wordt toegestaan, maar er is daarmee wel sprake van een worst-case weergave. Algemeen kader voor bepalen van een ruimtelijk aanvaardbare normering voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid Zoals reeds aangegeven in paragraaf 1.1 worden in dit bestemmingsplan alsnog planregels toegevoegd met eigen normen voor met name de aspecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid naar aanleiding van de uitspraak inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. Deze planregels worden in paragraaf 5.2.1, 5.3.1 en 5.4.1 van deze toelichting en bijbehorende Bijlage 13 voorzien van een motivering. In zijn algemeenheid hebben de normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid voor windturbines uit het Activiteitenbesluit en -regeling, maar ook andere toetsingskaders, een belangrijke overeenkomst met elkaar en met die van andere (hinder)bronnen en inrichtingen. Het accepteren van enige mate van hinder of risico is inherent aan het feit dat Nederland een druk bevolkt en dicht bebouwd land is. Uitsluiten van hinder of risico behoort niet tot de mogelijkheden, omdat daarmee geen ontwikkelingen meer kunnen plaats vinden.

Deze benadering heet het ALARA-beginsel (zie ook Kader 5.1) en geldt voor veel maatschappelijke activiteiten, zoals weg- en railverkeer, luchtvaart, industrie, sport- en recreatieterreinen, maar ook windturbines.

Gemeente Maasdriel

39

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Kader 5.1: Bescherming tegen hinder versus ruimtelijke ontwikkelingen: ALARA

Specifiek voor windturbines Normen worden dus over het algemeen vastgesteld op basis van de aanvaardbaarheid van enige mate van hinder of risico voor omgeving ten opzichte van het algemene maatschappelijk belang - in deze bij het realiseren van windturbines - om duurzame energie op te wekken en daarmee de landelijke, provinciale en gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen en klimaatdoelstellingen te behalen. Daarmee is sprake van een belangenafweging tussen het individueel belang van een omwonende, op het gebied van leefbaarheid, veiligheid en gezondheid, versus het algemeen maatschappelijk belang van de energietransitie naar hernieuwbare energie en verbetering van het klimaat. De afweging tussen (individuele) hinder voor de omgeving enerzijds en het (algemeen) belang van duurzame elektriciteitsopwekking anderzijds vindt dus ook plaats bij beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de mate van geluidhinder, slagschaduwhinder en externe veiligheidsrisico's van windturbines.

5.2

Geluid

5.2.1

Toetsingskader

Windturbines produceren geluid als de rotoren draaien. Dit geluid is voornamelijk aerodynamisch geluid afkomstig van de bladen die door de wind 'zoeven'. Windturbines produceren daarnaast ook mechanisch geluid, dit is afkomstig uit het overbrengen van de energie vanuit de wieken naar de generator en uit de generator zelf. Het mechanische geluid is meestal vele malen lager dan het aerodynamische geluid. Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (kortweg: het Activiteitenbesluit milieubeheer)28 als kader voor de toetsing van geluid van windturbines mag voorlopig bij de beslissing over de goede ruimtelijke ordening niet meer gebruikt worden (zie paragraaf 1.1). De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is in de uitspraak windpark Delszijl Zuid Uitbreiding tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht een plan-MER gemaakt had moeten worden voor deze windturbinebepalingen. Totdat het plan-MER alsnog is gemaakt door het Rijk, mogen de windturbinebepalingen niet worden gebruikt. In de planregels is daarom een norm voor de toetsing van geluid van de windturbines opgenomen specifiek voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen.

40

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Geluidnorm 47 dB Lden en 41 dB Lnight Voor onderhavig plan wordt getoetst aan 47 dB Lden en 41 dB Lnight als ruimtelijk aanvaardbare norm voor geluid. Verwezen wordt naar Bijlage 13 voor het onderzoek ter onderbouwing van de in dit plan juridisch-planologisch vastgelegde geluidnormen. Onderbouwing ruimtelijke aanvaardbaarheid Na realisatie van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen zal dit windpark, zonder het nemen van mitigerende maatregelen voor geluid, een maximale geluidbelasting van 47 dB Lden veroorzaken op woningen uitgaande van een (niet worst-case) windturbine Vestas V117-3.45MW STE.29 Realisatie van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen leidt met de dosis-hinderrelaties van het TNO-onderzoek (2008) tot 5,3 potentieel ernstig gehinderden bij een norm van 47 dB L den.30 Het verder verlagen van de normstelling tot bijvoorbeeld 45 dB Lden leidt tot maximaal 2,8 potentieel ernstig gehinderden minder dan bij een normstelling van 47 dB Lden (en een afname van 0,7% binnen de populatie) waarbij dit echter ten koste gaat van circa 8,5 procent (2.974 MWh) van de energieopbrengst van het windpark. Dit is vergelijkbaar met circa een kwart van de jaarlijkse energieproductie van 1 windturbine en de elektriciteitsproductie voor 750-800 huishoudens.

Het combineren van windturbines met andere, intensieve functies in een gebied (zoals snelweg, spoor en aangrenzende bedrijven) heeft de voorkeur van de provincie in de Omgevingsvisie Gelderland. Een windpark op deze locatie past ook in de gedachte van de gemeentelijke structuurvisie. Gezien de doelstellingen vanuit de Klimaatwet is het aannemelijk dat doelen voor wat betreft duurzame elektriciteitsopwekking die niet op deze locatie gerealiseerd kunnen worden op een andere locatie zullen worden gerealiseerd. Het is tevens aannemelijk dat ook op een andere locatie woningen in de omgeving aanwezig zijn en daarmee ook dáár een aantal ernstig gehinderden zal optreden als gevolg van de geluidbelasting aldaar. De algemene milieuwinst van het vaststellen van een lagere geluidnorm op de locatie Burgerwindpark A2 Lage Rooijen is verwaarloosbaar, aangezien dit tot een geringe vermindering van ernstig gehinderden leidt. Specifiek ter plaatse van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen is de optredende milieuwinst ook al beperkt door het beperkt aantal potentieel gehinderden.

Vanuit wetenschappelijk perspectief is er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er sprake is van onaanvaardbare hinder of het optreden van gezondheidseffecten bij het stellen van een norm van 47 dB Lden, en dat er geen wetenschappelijke gronden zijn om te stellen dat een lagere norm vanuit het oogpunt van gezondheid noodzakelijk is. Uit het vorenstaande volgt dat het aantal potentieel ernstig gehinderden in absolute zin beperkt is. De milieuwinst van een strengere norm (in de vorm van een kleiner aantal potentieel ernstig gehinderden) is dermate gering dat deze niet opweegt tegen het nadeel van een beperking van de energieproductie en daarmee een lagere bijdrage aan het maatschappelijke doel van vermindering van CO2-uitstoot door middel van duurzame energie. Het hanteren van een norm van 47 dB L den en daarbij behorend een norm van 41 dB Lnight is daarmee in dit concrete geval passend in de afweging tussen hinder, milieuwinst en elektriciteitsopbrengst en daarmee ruimtelijk aanvaardbaar. De norm is opgenomen in de planregels. Daarnaast is ook een handhavings- en rekenmethodiek voor geluid van windturbines toegevoegd aan de planregels, omdat het op dit moment onduidelijk en onzeker is of nog een beroep gedaan kan worden op deze regels uit het Activiteitenbesluit en -regeling.

Cumulatie met nabij gelegen windturbines Cumulatie van verschillende windturbines kan leiden tot een hogere geluidsbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen dan wenselijk wordt geacht. Als er sprake is van cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een combinatie van windturbines dan kan dat aanleiding zijn voor het stellen van nader regels en/of voorschriften ten aanzien van de windturbines of een combinatie van windturbines. Vanwege de afstand van meer dan 3 kilometer tot andere windparken in de omgeving is cumulatie van windturbinegeluid met andere windparken verwaarloosbaar, dus hoeft niet beoordeeld te worden.

Gemeente Maasdriel

41

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) Cumulatie met alle geluidbronnen Cumulatie met andere bronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines.31 In het geval van dit project zijn dat industriegeluid, wegverkeersgeluid, spoorwegverkeersgeluid en scheepvaartgeluid. De methode berekent de gecumuleerde geluidbelasting rekening houdend met de verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidbronnen. Er zijn geen normen voor de cumulatie van geluid. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter de cumulatie van geluid met andere bronnen wel te worden afgewogen. Een gangbare en geaccepteerd methodiek om cumulatieve geluideffecten te beoordelen is de 'Methode Miedema', deze wordt hiervoor dan ook toegepast. Laagfrequent geluid Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op laagfrequent geluid (geluid met trillingen in een lage frequentie). Het meest voorkomende ‘gewone’ geluid zit tussen de 125 en 8.000 Hertz. Hoe meer trillingen per seconde, hoe hoger de frequentie en hoe hoger de toon. Bij minder dan 100 trillingen per seconde (100 Hz) hebben we het over laagfrequent geluid. Geluid onder de 20 Hz is niet hoorbaar, alleen voelbaar. 5.2.2

Onderzoek

Ten behoeve van de windturbines is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om enerzijds te toetsen aan de normstelling en anderzijds de effecten op de omgeving in beeld te brengen (zie Bijlage 1). 32 Dit rapport is hier nog bruikbaar ondanks dat in dit rapport nog is getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Dit rapport geeft goed inzicht in de effecten op de omgeving. Ter bepaling van de akoestische effecten is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van een worst-case Siemens Gamesa SG 5.0-145 windturbine met een rotordiameter van 145 meter op 150 meter ashoogte. De Siemens is een akoestisch een realistische worst-case turbine, wat betekent dat deze qua bronvermogen (geluidproductie) aan de bovenkant zit van de turbineklasse voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen (dus een lawaaiige windturbine). In het akoestische model zijn 18 referentietoetspunten gedefinieerd ter plaatse van maatgevende woningen in het gebied rondom de locatie van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen. Per toetspunt zijn de jaargemiddelde geluidniveaus Lden en Lnight berekend. De Lden is het tijdgewogen gemiddelde van:  Het jaargemiddelde geluidniveau in de dag Lday;  Het jaargemiddelde geluidniveau in de avond Leven vermeerderd met 5 dB;  Het jaargemiddelde geluidniveau in de nacht Lnight vermeerderd met 10 dB. Tabel 5.1 geeft de geluidbelasting van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen weer.

42

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Tabel 5.1 Geluidbelasting Burgerwindpark A2 Lage Rooijen [dB(A)]

Zonder mitigerende maatregelen wordt de norm van 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de representatieve toetspunten 12 t/m 18 (vetgedrukt) overschreden. Door middel van het treffen van geluidvoorzieningen bij de windturbine Siemens Gamesa SG 5.0-145 (aanpassen bedrijfsinstellingen windturbines, zodat de windturbine onder omstandigheden minder dan wel niet draait om de geluidsproductie te verminderen) kan voldaan worden aan de geluidnormen (zie Bijlage 1 voor de concrete voorzieningen). Ook het kiezen van een stillere33 windturbine dan de voorbeeldwindturbine (zoals ook in Bijlage 13 is gehanteerd) kan gezien worden als mitigerende maatregel, waarbij deze stillere windturbine met minder of geen geluidvoorzieningen kan draaien. Aangezien de windturbines moeten voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de gebruiksvoorschriften van de planregels is het treffen van voornoemde voorzieningen ook afdoende geborgd. De benodigde mitigerende maatregelen die nodig zijn om voor de luide (worst-case in onderzoek) windturbine aan de geluidnormen te kunnen voldoen wordt maximaal ingeschat op 11% productieverlies. Een dergelijk productieverlies brengt de uitvoerbaarheid van het plan niet direct in het geding maar zal waarschijnlijk wel leiden tot de keuze van een stillere windturbine dan worst case.

Voor een stillere windturbine ligt het percentage productieverlies lager of is er wellicht geen sprake van productieverlies. Cumulatie met alle geluidsbronnen Cumulatie met andere geluidbronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Voor de cumulatieve geluidbelasting zijn geen wettelijke normen van kracht. Met de cumulatieve rekenmethode uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines is de gecumuleerde geluidbelasting berekend. Daarbij wordt rekening gehouden met de verschillende mate van hinderlijkheid van de diverse geluidbronnen:  Windturbine L*WT = 1,65 * LWT - 20,05 dB WegverkeerL*VL = 1,00 * LVL + 0,00 dB = LVL   Railverkeer L*RL = 0,95 * LRL - 1,40 dB  Industrie L*IL = 1,00 * LIL + 1,00 dB De cumulatieve geluidbelasting wordt bepaald door de afzonderlijke waarden L* bij elkaar op te tellen (zogenoemde energetische sommatie). De geluidbelasting (grootheid L) wordt uitgedrukt in L den, met uitzondering van industriegeluid waarvoor de etmaalwaarde geldt. In het plangebied is er sprake van

Gemeente Maasdriel

43

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) cumulatie met wegverkeersgeluid (VL), railverkeersgeluid (RL) en scheepvaartgeluid (SV). Er bestaan geen normen waaraan getoetst kan worden voor cumulatief geluid. Een gangbare en (door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State) geaccepteerde methodiek om cumulatieve geluideffecten te beoordelen is de 'Methode Miedema'. In deze methode wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving bepaald voor en na toevoeging van een nieuwe geluidbron. Hiermee kan de leefomgeving objectief worden beoordeeld (zie ook Tabel 5.2). De cumulatieve geluidbelasting van alle geluidbronnen is (worst-case) berekend voor de referentietoetspunten. Tabel 5.2 Waardering kwaliteit akoestische omgeving volgens 'methode Miedema'

Tabel 5.3 Cumulatieve geluidbelasting toekomstige situatie door Burgerwindpark A2 Lage Rooijen [dB(A)]

In de bestaande situatie, dus zonder de nieuwe windturbines, wordt de akoestische omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten met name bepaald door het wegverkeer en railverkeer. De huidige akoestische kwaliteit van de omgeving varieert van goed (<= 50 dB L den) tot tamelijk slecht (<= 65 dB Lden). In de toekomstige situatie met de nieuwe windturbines wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving ter plaatse van de toetspunten over het algemeen nog steeds bepaald door wegverkeer en railverkeer, op een aantal toetspunten voegen de windturbines geluidbelasting toe maar blijft de

44

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ akoestische kwaliteit van de omgeving nog wel gelijk. Op een aantal toetspunten verslechtert de akoestische kwaliteit van de omgeving enigszins door toevoeging van de windturbines maar nooit meer dan één stap volgens de methode Miedema (zie Tabel 5.2). De akoestisch omgeving verslechterd alleen van redelijk naar matig of van matig naar tamelijk slecht. In het laatste geval is er cumulatief slechts een verslechtering van 2 dB. Er zijn geen veranderingen naar een (zeer) slechte akoestische omgeving door het windpark. Geconcludeerd kan worden dat de akoestisch omgeving, gewaardeerd volgens de methode Miedema, cumulatief enigszins veranderd door realisatie van de windturbines, met name redelijk nabij de windturbines aan de Drielse Veldweg. Op vier toetspunten is er sprake van een slechtere kwaliteit van de omgeving, van redelijk naar matig op drie toetspunten en van matig naar tamelijk slecht op één toetspunt. Op het laatste toetspunt wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving vooral bepaald door scheepvaartgeluid en dat blijft ook zo.

Gezien het belang van het realiseren van de windturbines als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie, die beperkte verslechtering ondergaat ten opzichte van de huidige situatie, acceptabel geacht. Er is blijvend sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De cumulatieve geluidbelasting is berekend met een worst-case windturbine. Keuze voor een stillere windturbine (zoals in Bijlage 13) betekent ook automatisch een positief effect op de cumulatieve geluidbelasting. Laagfrequent geluid Er is geen algemeen geaccepteerd normstelsel voorhanden waarmee laagfrequente geluidhinder kan worden geobjectiveerd. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid in het voor mensen laagst hoorbare frequentiegebied, onder 200 Hz. Windturbines produceren, net als de meeste andere geluidbronnen, ook laagfrequent geluid. Het RIVM heeft op verzoek van de GGD-en de invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden door windturbines onderzocht (2013)34. Hierin wordt gesteld dat windturbines weliswaar laagfrequent geluid produceren maar dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is voor de hinderbeleving. Er is geen aparte beoordeling nodig bovenop de bescherming die de zogenoemde A-gewogen normstelling op basis van dosis-effectrelaties reeds biedt.

De mate van bescherming en de normering worden eveneens beschouwd in een literatuuronderzoek naar laagfrequent geluid van windturbines van Agentschap NL (2013)35. Ook hier zijn geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid een bijzondere dan wel belangrijke rol speelt. Tenslotte is door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu over het onderwerp laagfrequent geluid van windturbines een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (2014)36. Op grond van de brief van de staatssecretaris en het rapport van het RIVM kan gesteld worden dat toetsing aan de standaard Nederlandse geluidnormen tevens voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. In 2017 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid, waaronder laagfrequent geluid, en gezondheid37. Tweeëndertig (peer reviewed38) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 zijn daarbij onderzocht in de literatuurstudie. Deze literatuurstudie bevestigt nogmaals dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden heeft.

Dit onderzoek heeft in oktober 2020 een update gekregen39 met een literatuuronderzoek waarbij onderzoeken tussen 2017 en medio 2020 op een rij zijn gezet over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden. Uit de update literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. Uit de literatuur bleek niet dat het zogeheten 'laagfrequent geluid' (lage tonen) van windturbines voor extra hinder zorgt dan de hinder die optreedt van 'gewoon' geluid. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder.40 Kortom: het aandeel laagfrequent geluid is niet onevenredig groot bij windturbines (in tegenstelling tot bijvoorbeeld compressoren of transformatoren), het aandeel laagfrequent geluid is niet significant toegenomen met het formaat van de windturbine en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat specifiek laagfrequent en infrageluid een effect op de volksgezondheid veroorzaken of tot additionele hinder leiden ten opzichte van dat wat reeds wordt beoordeeld. Het specifiek toevoegen van een norm voor laagfrequent van windturbines leidt daarmee niet tot een betere beoordeling van de optredende effecten van geluid.

Daarom volstaat het hanteren van een L den en eventueel een Lnight Gemeente Maasdriel

45

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) norm. Vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt ook dat windinitiatieven zich basis van bovenstaande studies niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid (zie o.a. ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228 (Windpark Wieringermeer), 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 (Windpark De Drentse Monden Oostermoer), 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2720 (Windpark De Rietvelden) en recentelijk 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226 (Windplan Groen). Het is dan ook niet noodzakelijk verder onderzoek uit te voeren naar laagfrequent geluid voor het Burgerwindpark A2 Lage Rooijen. Met naleving van de geluidsnormering is er ook ten aanzien van laagfrequent geluid sprake van een aanvaardbare situatie. 5.2.3

Conclusie

Een norm voor windturbinegeluid van 47 dB Lden en 41 dB Lnight voor alle windturbines binnen het onderhavige windpark is op basis van een afweging tussen de te verwachten hinder en het belang van opwekking duurzame elektriciteit met windturbines ruimtelijk aanvaardbaar en is opgenomen in de planregels. Aan de ruimtelijke aanvaardbare norm voor windturbinegeluid kan worden voldaan. De geluidhinder, waaronder laagfrequent geluid, is aanvaardbaar. Cumulatief met andere geluidbronnen is er (worstcase) op vier punten sprake van een verslechtering van de akoestische kwaliteit van de omgeving naar matig en tamelijk slecht. Geconstateerd kan worden dat de cumulatieve verandering van de geluidbelasting toch beperkt is. Dit wordt mede aanvaardbaar geacht gezien het belang van het realiseren van het windpark als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling. Voor het aspect geluid is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.3

Slagschaduw

5.3.1

Toetsingskader

De draaiende rotoren van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze 'slagschaduw' kan als hinderlijk worden ervaren. De mate van hinder wordt bepaald door de duur van de slagschaduw. Flikkering bij windturbines is gerelateerd aan de draaisnelheid van de windturbinebladen. Slagschaduw met flikkerfrequenties vanaf 2,5 Hz wordt als extra hinderlijk ervaren en kan schadelijk zijn (dit komt bij gangbare turbines echter vrijwel nooit voor). De frequenties van de lichtflikkeringen van de voorbeeldwindturbines voor het windpark liggen, gezien hun afmetingen, tussen de 0,24 en 0,95 Hz en worden daarmee niet als extra hinderlijk ervaren en zijn niet schadelijk. De afstand van de blootgestelde locatie tot de windturbine, de stand van de zon, de weersomstandigheden en het al dan niet draaien van de windturbine zijn bepalende aspecten voor de duur van de periode waarin slagschaduw optreedt (slagschaduwduur). Het Activiteitenbesluit en -regeling, als het kader voor de toetsing van slagschaduw van windturbines, mag voorlopig bij de beslissing over de goede ruimtelijke ordening niet meer gebruikt worden (zie paragraaf 1.1). De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is in de uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht een plan-MER gemaakt had moeten worden voor deze windturbinebepalingen.

In de planregels is daarom een norm voor de toetsing van slagschaduw opgenomen specifiek voor Burgerwindpark A2 Lage Rooijen. Maximaal 6 uur slagschaduw per jaar Voor onderhavig plan wordt voor slagschaduw getoetst aan een norm van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar. Verwezen wordt naar Bijlage 13 voor het onderzoek ter onderbouwing van deze norm.41 Uit de (beperkt) beschikbare wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat, hoewel er geen directe gevolgen voor de gezondheid te verwachten zijn als gevolg van slagschaduw, het wel wenselijk is de totale optredende hoeveelheid slagschaduw ter plaatse van voor slagschaduw gevoelige objecten te beperken.

46

Gemeente Maasdriel

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ Onderbouwing ruimtelijke aanvaardbaarheid Na realisatie van Burgerwindpark A2 Lage Rooijen zal door het windpark, zonder het nemen van mitigerende maatregelen, bij 195 van de 3.202 voor slagschaduw gevoelige objecten (binnen een afstand van circa 2 kilometer van het windpark) enige vorm van slagschaduw veroorzaken. Bij ongeveer twee derde van de woningen waar slagschaduw optreedt (135) is dit minder dan 2 uur per jaar (zonder mitigatie); 30 woningen ontvangen jaarlijks meer dan 6 uur slagschaduw zonder mitigatie. In de nieuwe situatie is bij 71 woningen sprake van een slagschaduwbelasting van meer dan 20 minuten per dag (worst case). Voor de overige woningen is dit 20 minuten per dag of minder. Het reduceren van de optredende slagschaduwduur per jaar leidt tot een relatief beperkt productieverlies voor het windpark. Daar staat echter tegenover dat de daarmee voorkomen hinder ter plaatse van slagschaduwgevoelige objecten ook relatief beperkt is. Het ligt, vanuit het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat, voor de hand om de slagschaduwnorm in ieder geval zodanig te stellen dat voor 71 woningen, waar een slagschaduwduur van meer dan 20 minuten per dag mogelijk is, de optredende hoeveelheid slagschaduw wordt beperkt.

Voor de overige gevoelige objecten is de slagschaduwbelasting per dag minder dan 20 minuten en is ook de totale jaarlijkse slagschaduwbelasting gering (tussen de 6 minuten en circa 1,3 uur per jaar). Bij een norm van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar wordt dit uitgangspunt geborgd en de hinder beperkt. Een slagschaduwduur van 6 uur per jaar is een percentage van 0,14% van de totale daglichtperiode per jaar en circa 0,4% van het gehele maximale percentage aan zonuren per jaar dat er slagschaduw kan optreden. Vervolgens wordt ook ervanuit gegaan dat gedurende deze 6 uur slagschaduw iemand zich daadwerkelijk bevindt in een ruimte waarop de slagschaduw optreedt. In de praktijk kan iemand op dat moment niet thuis zijn of zich ergens in huis bevinden waar de slagschaduw niet merkbaar is. Wanneer is een object of terrein 'slagschaduwgevoelig'? Niet op alle plekken waar slagschaduw theoretisch kan optreden is sprake van een milieu- of hindereffect indien slagschaduw optreedt. In een weiland of op open water, waar geen of zeer weinig mensen aanwezig (kunnen) zijn leidt de slagschaduw immers niet tot een waarneembare hinder. In zoverre is dit vergelijkbaar met geluid, waar de beoordeling plaatsvindt op geluidgevoelige objecten. Voor slagschaduw wordt in het Activiteitenbesluit en -regeling aangesloten op de begripsbepaling van geluidgevoelig object uit de Wet geluidhinder.

Vanuit een goede ruimtelijke ordening kan er aanleiding bestaan om dit te verfijnen omdat er ook verschillen bestaan tussen beide effecten. Bijvoorbeeld: In een gebouw zonder ramen in de gevel in de richting van de windturbine kan geluid nog steeds een effect veroorzaken, echter een effect van slagschaduw is per definitie uitgesloten omdat geen licht door een dichte gevel kan dringen. Slagschaduwgevoelige objecten zijn objecten bedoelt voor wonen (waaronder woningen). Overige objecten, voor zover personen in een ruimte binnen dit object gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven tijdens de daglichtperiode, kunnen vanuit een goede ruimtelijke ordening ook (gedeeltelijk) als voor slagschaduwgevoelig worden aangemerkt. Voorbeelden van overige slagschaduwgevoelige objecten zijn dan onder andere: scholen, (grootschalige) kantoorgebouwen en horecagelegenheden. Een stal, overige agrarische bebouwing, opslagloods, landbouwgrond, sportveld of parkeerterrein zijn voorbeelden van niet-slagschaduwgevoelige objecten of terreinen. Deze voorbeelden zijn niet limitatief. Blootstelling aan slagschaduw voor gevoelige objecten met een toetsnorm van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar is zoals blijkt op basis van het bovenstaande zeer beperkt en leidt niet tot gezondheidseffecten. 6 uur slagschaduw per jaar is derhalve een ruimtelijk aanvaardbare norm.

Gemeente Maasdriel

47

bestemmingsplan “Burgerwindpark A2 Lage Rooijen -herstelbesluit-“ (vastgesteld) 5.3.2

Onderzoek

Ten behoeve van de windturbines is een slagschaduwonderzoek uitgevoerd om enerzijds te toetsen aan de slagschaduwnorm in de planregels van dit bestemmingsplanen en anderzijds de effecten op de omgeving in beeld te brengen (zie Bijlage 13).42 Dit rapport is hier nog bruikbaar ondanks dat in dit rapport nog is getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Dit rapport geeft goed inzicht in de effecten op de omgeving. Ter bepaling van de maximale slagschaduweffecten is in het slagschaduwonderzoek voor het plan uitgegaan van turbines met een maximale rotordiameter (150 meter) en ashoogte (150 meter). Het hoogste punt van de windturbines is daarmee circa 225 meter. Voor de slagschaduwberekeningen zijn enkel deze geometrische eigenschappen van belang. Overigens is de tiphoogte van de referentieturbine voor slagschaduwonderzoek hoger dan dit bestemmingsplan toe laat waardoor de slagschaduwberekeningen een (meer dan) worst-case weergave zijn. De resultaten van de berekeningen op basis van de voorbeeldwindturbine zijn weergegeven in Tabel 5.4. Hierin is de verwachte hinderduur per jaar gegeven op maatgevende voor slagschaduwgevoelige objecten, in deze allen woningen. Voor overige voor slagschaduw gevoelige objecten die niet in onderstaande tabellen staan is de duur van slagschaduw vrijwel gelijk of lager dan de resultaten gegeven in de tabel op representatieve toetspunten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10733245/1