TAM-omgevingsplan Lossersestraat 75 te De Lutte
Tekst van het document
Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Het plangebied ligt binnen het landschap van de jonge heide- en broekontginningen, gekenmerkt door open agrarische ruimtes met lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen. Ontwikkelingen in dit gebied moeten bijdragen aan het behoud en de versterking van deze structuren en de kenmerkende ruimtematen. De KGO-bijdrage omvat de aanleg van houtsingels en struweelhagen langs de Lage Kaviksweg, nieuwe erfbeplanting met knotbomen, en de versterking van de groene verbinding richting het Sanderinkbos. Deze maatregelen sluiten aan bij het historische ontginningspatroon en dragen bij aan de samenhang tussen erf, weg en bos. Door de toevoeging van deze groene elementen krijgt het landschap een fijnmaziger structuur en wordt het kleinschalige karakter versterkt. De investering binnen de KGO geeft daarmee een duidelijke kwaliteitsverbetering die past binnen het beleid voor de jonge heide- en broekontginningen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld De ‘Laag van beleving’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van beleving’ aangeduid met het gebiedstype ‘Donkerte’. Afbeelding 4.5 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van beleving’.
Afbeelding 4.5
Uitsnede ‘Laag van beleving’ (Bron: Provincie Overijssel)
‘Donkerte’ Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.
Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van beleving’ Bij de uitbreiding wordt alleen verlichting toegepast die noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en vanuit het oogpunt van (verkeers)veiligheid. Met het uitbreiden van het reeds bestaande bedrijfsperceel neemt de verlichting beperkt toe. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Laag van beleving’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld 4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
4.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 4.3.1
Omgevingsvisie gemeente Losser 2040
4.3.1.1 Algemeen In maart 2023 heeft de gemeente haar Omgevingsvisie vastgesteld. In deze Omgevingsvisie schetst de gemeente Losser een toekomstbeeld. Wat zijn de ambities? Hoe zien ze de leefomgeving in de gemeente in 2040 voor zich? Welke kansen zien ze voor de gemeente Losser? Dit gaat over de lange termijn, en daarom soms in abstracte termen. De gemeente heeft in haar visie 4 ambities geformuleerd: 1. 2. 3. 4.
Een herkenbaar en gastvrij Losser; Een leefbaar en gezond Losser; Een toekomstgericht Losser; Een innovatief en ondernemend Losser.
Hiervan is het gebiedskompas ‘Aan de flank van de stuwwal’ en de ambitie ‘innovatief en ondernemend Losser’ het meest relevant. Aan de flank van de stuwwal Op de flank van de stuwwal vormen de bosgebieden op de glooiingen van de stuwwal samen met de essen en kampen en de landgoederen een afwisselend, parkachtig landschap. De hoogteverschillen zijn spectaculair en zorgen voor prachtige uitzichten. Dit maakt het landschap waardevol en aantrekkelijk. Eind 19e eeuw werden deze kwaliteiten al herkend door grootindustriëlen uit de textiel en metaal. Zij richtten er landgoederen in Engelse landschapsstijl in. De stuwwal is bijzonder vanwege haar geologische, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden. Een deel van het stuwwalcomplex maakt onderdeel uit van Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal. Het gebruik van de grond bepaalt in belangrijke mate het aanzien van het landschap. Een groot gedeelte van het gebied is in gebruik bij agrariërs, met name melkveehouders. Innovatief en ondernemend Losser De ambitie innovatief en ondernemend Losser richt zich op het versterken van bedrijvigheid en ondernemerschap binnen de gemeente, met nadruk op duurzame en innovatieve ontwikkeling. Nieuwe vestigingen vinden in principe plaats op bestaande bedrijventerreinen of, in kleinschalige vorm, op vrijkomende agrarische locaties die passen bij het landschap en de leefbaarheid.
Belangrijke speerpunten zijn biodiversiteit, natuurinclusieve landbouw, circulaire economie en samenwerking met onderwijsinstellingen en andere sectoren. Bedrijven die onevenredig negatieve effecten hebben op milieu en landschap, zoals grote distributiecentra of zware milieucategorieën, worden uitgesloten. De gemeente streeft daarnaast naar diversiteit op bedrijventerreinen, zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van ruimtelijke kwaliteit, zodat economische ontwikkeling hand in hand gaat met duurzaamheid en leefbaarheid. 4.3.1.2 Gebiedskompas: Aan de flank van de stuwwal Binnen het gebiedskompas worden geen specifieke beleidsmatige keuzes genoemd. Wel worden er enkele elementen genoemd die aansluiten bij het initiatief. Zo zijn er uitgangspunten verwoord, namelijk BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld het behoud van de bestaande landbouwkundige functie, het zorgvuldig omgaan met de landschappelijke en natuurlijke waarden en het denken in bredere perspectieven dan alleen schaalvergroting. Ook past het binnen de ambitie om samen met de landbouwsector te werken aan transitie en nieuwe verdienmodellen. Het gaat niet om een nieuwe stedelijke functie, maar om een gerichte uitbreiding van een bestaande, gebiedseigen bedrijvigheid die ondersteunend is aan het agrarisch gebruik en de inrichting van het buitengebied. Daarmee wordt aangesloten bij het streven uit het hoofdstuk “Aan de flank van de stuwwal” om de economische vitaliteit van het buitengebied te behouden zonder dat dit ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. Door de uitbreiding direct te realiseren in aansluiting op de bestaande bedrijfsbebouwing wordt de inbreuk op het open landschap zoveel mogelijk beperkt. . De concentratie van bebouwing draagt bovendien bij aan zorgvuldig ruimtegebruik, zoals ook in de visie wordt nagestreefd. Daarmee is sprake van een ontwikkeling die zowel economisch als landschappelijk in balans is met de ambitie voor het deelgebied “Aan de flank van de stuwwal”.
4.3.1.3 ‘Innovatief en ondernemend Losser’ De uitbreiding van het bedrijvenperceel kan in beginsel passen binnen het beleid Innovatief en ondernemend Losser, mits deze aansluit bij de uitgangspunten die de gemeente heeft geformuleerd. De gemeente richt zich op versterking van bedrijvigheid binnen bestaande bedrijventerreinen en zet daarbij in op revitalisering en diversiteit, waarbij ruimte wordt geboden aan lokale bedrijven en kleinschalige bedrijven op vrijkomende agrarische locaties, mits deze landschappelijk goed worden ingepast en bijdragen aan de leefbaarheid. Schaalvergroting ligt gevoelig door de stikstofproblematiek, maar er is ruimte voor ondernemerschap dat inspeelt op biodiversiteit, natuurinclusieve landbouw, precisielandbouw en circulaire productieprocessen. Innovatie en samenwerking met onderwijs en andere sectoren worden nadrukkelijk gestimuleerd, evenals initiatieven die bijdragen aan de circulaire economie en zorgvuldig ruimtegebruik. Voorwaarde is dat de uitbreiding geen onevenredige negatieve effecten heeft op milieu, natuur en duurzaamheid en dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft.
Een uitbreiding die inspeelt op innovatie, duurzaamheid en diversiteit binnen de economische structuur van Losser draagt daarmee positief bij aan de beleidsdoelen, terwijl een uitbreiding die vooral gericht is op traditionele schaalvergroting of monofunctionele bedrijvigheid (zoals grootschalige autohandel of zware milieucategorieën) minder goed aansluit. 4.3.1.4 Toetsing aan Omgevingsvisie gemeente Losser 2040 De voorgenomen uitbreiding van het loon- en grondverzetbedrijf in het buitengebied sluit aan bij de koers van de Omgevingsvisie Losser 2040. Het initiatief versterkt de lokale economie en past binnen de visie, mits het bedrijf qua schaal binnen de afgesproken kaders blijft, de uitbreiding landschappelijk zorgvuldig wordt ingepast, en de activiteiten binnen de toegestane milieucategorie vallen. Daarmee is de ontwikkeling in lijn met het gemeentelijk beleid en het streven naar een vitaal en toekomstbestendig buitengebied. Het loon-en grondverzet bedrijf is van vitaal belang voor de bestaande landbouwkundige functie in het gebied. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie gemeente Losser 2040. 4.3.2
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de kaartlaag ‘externe veiligheid’ staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de kaart ‘externe veiligheid’ met daarop middels een rode ster de locatie van het plangebied weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 5.1
Uitsnede kaart ‘externe veiligheid’ (Bron: Atlas Leefomgeving)
In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele risicobronnen. Ten noorden van het plangebied bevinden zich vervoerswegen voor gevaarlijke stoffen, namelijk de snelweg A1 en het spoortracé Hengelo – Bad Bentheim. Het plangebied bevindt zich op circa 400 meter afstand van de risicobronnen. Door de ruime afstand van de risicobronnen ligt het plangebied ruimschoots op veilige afstand. Dit wordt bevestigd door dat het plangebied buiten de veiligheidszones zoals weergegeven in afbeelding 5.1 bevindt. Daarnaast is er geen sprake van opslag voor het bewerken en/of her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Ook is er geen sprake van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). In de nabijheid van het plangebied is ook geen sprake van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Ten slotte ligt het plangebied ook niet in de nabijheid van een inrichting voor het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Er zijn geen (veiligheid) maatregelen nodig voor de realisatie van het plan.
5.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 6
Beschermen van de waterbelangen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Beleid Waterschap
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
6.2
Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied
6.2.1
Watertoets
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Waterhuishoudkundige aspecten
Watertoets Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets via de website van hetwateradvies.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. Het resultaat van de watertoets is in bijlage 3 opgenomen. Omdat sprake was van een ‘normale procedure’, is contact geweest met het waterschap. In het afstemmingsmoment met het waterschap bleek de ‘normale procedure’ uit de watertoets te zijn gekomen doordat het plangebied nabij een watergang ligt (aan de zuidwest zijde van het plangebied). In het overleg werd duidelijk dat de watergang als gevolg van het voornemen niet wordt aangetast. Hiermee vervalt de ‘normale procedure’ en wordt geconcludeerd dat het voornemen geen waterschapsbelangen raakt. Algemeen Het plangebied bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, maar er wordt wel nieuw oppervlaktewater toegevoegd in de vorm of een natuurlijke vijver aan de noordoostzijde van het plangebied. Deze vijver wordt onderdeel van de waterhuishouding van het gebied.
Hemelwater Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe met ongeveer 5.500 m², waarvan circa 2.000 m² afkomstig is van de te realiseren loods. Het hemelwater wordt gescheiden opgevangen en zoveel mogelijk binnen het plangebied geïnfiltreerd. Overtollig water wordt gedoseerd afgevoerd naar de nieuw aan te leggen vijver, zodat piekbelasting op het watersysteem wordt voorkomen en het gebied zoveel mogelijk waterneutraal functioneert. Afvalwater Het afvalwater wordt, net als in de huidige situatie, afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel waarop het plangebied aangesloten blijft. Hemelwater en afvalwater worden gescheiden verwerkt om een goede en duurzame waterhuishouding te waarborgen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
6.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 7
Bescherming gezondheid en het milieu
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hieronder zijn de onderwerpen weergegeven waarvoor in deze afdeling instructieregels zijn gesteld en wordt aangegeven of deze relevant zijn voor dit plan. Onderwerp
Relevante instructieregels Bkl
Relevant voor het plan?
Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens Trillingen
Paragraaf 5.1.4.1
Ja, zie paragraaf 7.3.
Paragraaf 5.1.4.2 Paragraaf 5.1.4.2a
Ja, zie paragraaf 7.1. Ja, zie paragraaf 7.1.
Paragraaf 5.1.4.3
Nee, het plangebied ligt niet nabij een luchthaven. Ja, zie paragraaf 7.5.
Slagschaduw van windturbines Bodemkwaliteit Geur
Paragraaf 5.1.4.4a
Paragraaf 5.1.4.4
Paragraaf 5.1.4.5 Paragraaf 5.1.4.6
Nee, nabij het plangebied bevinden zich geen windturbines. Ja, zie paragraaf 7.2. Ja, zie paragraaf 7.4.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens wordt het aspect ‘gezondheid’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2
Situatie plangebied
Het Bkl wijst een loon-en grondverzetbedrijf niet aan als geluidgevoelig gebouw. Echter zullen in deze gebouwen wel voor langdurige tijd personen verblijven, waardoor geluid door activiteiten een factor is voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. De aanwezigheid van personen blijft daar over het algemeen beperkt tot een verblijfsduur van minder dan 2 uur. Daardoor kan een nadere verantwoording met betrekking tot geluid van (spoor)wegen en industrielawaai achterwege blijven. Het voornemen ziet daarentegen wel toe in de uitbreiding van een individueel bedrijf wat geluid kan produceren. Daarom wordt hierna ingegaan op het geluid door overige geluidbelastende activiteiten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Voor de uitbreiding van het loon- en grondverzetbedrijf is een akoestisch onderzoek (bijlage 4) uitgevoerd naar de geluidbelasting op de omgeving. Hieruit blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning maximaal 49 dB(A) overdag, 13 dB(A) in de avond en 24 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Deze waarden liggen ruimschoots onder de standaardwaarden zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarmee kan worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De maatgevende geluidbron in deze situatie is de shovel. Daarnaast zijn de maximale geluidniveaus berekend. Ter plaatse van de woning bedragen deze maximaal 69 dB(A) in de dagperiode, 42 dB(A) in de avondperiode en 56 dB(A) in de nachtperiode. Ook deze waarden blijven onder de standaardwaarden uit het Bkl. Verder is gekeken naar de geluidbelasting door indirecte hinder (voornamelijk verkeersbewegingen van en naar het bedrijf). Deze bedraagt in de dag-, avond- en nachtperiode respectievelijk 50, 33 en 38 dB(A). De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt daarmee niet overschreden.
Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen uitbreiding akoestisch aanvaardbaar is en voldoet aan de geldende wettelijke normen. Geluid vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 7.1.3
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.2.2
Situatie plangebied
In dit geval is door Sigma Geo- en Milieutechniek een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN5740 norm om de kwaliteit van de bodem in beeld te brengen. Het volledige onderzoek is in bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten In totaal zijn er 21 boringen verricht, waarvan er 8 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er zijn 2 diepe boringen afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal tot maximaal 0.30 m mv uit uiterst fijn, matig siltig, zwak grindig, zwak humeus zand bestaat met daaronder tot einde boordiepte zwak zandige en sterk zandige leemlagen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op hetmaaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen opgemiddeld 0.60 m-mv. Er zijn geen verontreinigingen waargenomen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 7.2
7.2.3
Boorplan onderzoek locatie (Bron: Sigma Geo-en Milieutechniek)
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 7.3.2
Situatie plangebied
Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Bij de ontwikkeling worden de bedrijfsmatige activiteiten op externe locaties beëindigd. Met dien verstande deze op de locatie aan de Lossersestraat 75 te vervolgen. Er vindt geen verdere toename van activiteiten plaats met het voornemen. Dit maakt dat er netto geen extra vervoersbewegingen zullen plaatsvinden. In hoofdstuk 10.2 wordt verder ingegaan op de verkeersgeneratie. Gelet op de aard en omvang van het voornemen, is zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 7.4.2
Situatie plangebied
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. In het plangebied bevindt zich wel een bestaand geurgevoelig gebouw, namelijk de bedrijfswoning. In voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de mogelijkheden voor deze bedrijfswoning niet gewijzigd, waardoor niet nader hoeft te worden ingegaan op de interne werking van geur. Dit is in voorliggend TAM-omgevingsplan vastgelegd door middels een aanduiding de locatie van de bedrijfswoning vast te leggen. Om niet te zorgen voor onnodige inperking van de mogelijkheden, is voor deze aanduiding het bouwvlak van het vigerende omgevingsplan aangehouden. Het voornemen maakt daarnaast evenmin een nieuwe geurbelastende functie mogelijk. De voorgenomen uitbreiding is namelijk bedoeld voor de opslag van machines en materieel. Dit zijn geen activiteiten die geur veroorzaken. 7.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Wettelijk kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 7.5.2
Situatie plangebied
In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op circa 500 meter van het plangebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor, wat kan worden uitgebreid tot 250 meter. Een nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. 7.5.3
Conclusie
Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het plan gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 7.6.2 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling, de uitbreiding van het loon- en grondverzetbedrijf Volker aan de Lossersestraat 75, voorziet, met behulp van de KGO-investering, in het realiseren van extra bos en natuur in het gebied ter vervanging van het bestaande agrarische grasland. De uitbreiding van het bedrijf zelf is niet schadelijk voor de gezondheid van de mens. De KGO-investering draagt zelfs bij aan de verbetering van de gezondheid. Door deze transformatie wordt niet alleen het landschap versterkt, maar ook een gezondere leefomgeving gecreëerd.
De nieuwe bomen en de aangelegde vijver zorgen voor een betere luchtkwaliteit door het filteren van fijnstof en CO₂, en bevorderen de biodiversiteit in de directe omgeving. Bovendien wordt als gevolg van het voornemen een groot oppervlak aan agrarische gronden omgezet naar natuur. Hiermee komt ook de planologische toestemming om (bedrijfsmatig) bestrijdingsmiddelen te gebruiken te vervallen. Ook dit heeft een positief effect op het onderdeel gezondheid in en om het plangebied. Daarnaast draagt het groen bij aan een rustgevende en visueel aantrekkelijke omgeving, wat wetenschappelijk is gekoppeld aan stressreductie en mentaal welzijn. De natuurlijke inrichting verbetert ook de waterhuishouding, waardoor de kans op wateroverlast en de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s afneemt. Gezien deze maatregelen kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling de gezondheid van omwonenden niet schaadt, maar juist een positieve bijdrage levert aan een veilige en kwalitatief hoogwaardige leefomgeving. 7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
8.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3
Houtopstanden
Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •
De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld 8.1.4
Situatie plangebied
8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Landgoederen Oldenzaal’ bevindt zich circa 1,1 kilometer afstand van het plangebied. Om de stikstofdepositie van het voornemen op Natura 2000-gebieden te bepalen is door BJZ.nu een AERIUSberekening uitgevoerd om de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase te bepalen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Hieronder worden de rekenresultaten weergegeven. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 8.1.4.2 NNN-gebieden Een deel van het plangebied wordt aangemerkt als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zoals eerder aangegeven, zal de voorgenomen ontwikkeling niet plaatsvinden in de delen van het plangebied die zijn aangemerkt als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
Gezien het feit dat de daadwerkelijke ontwikkeling buiten NNN plaatsvindt en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 8.1.4.3 Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet die vallen onder het onderdeelhoutopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie plangebied
Door Ecofect is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hieronder kort benoemd. Het volledige rapportage is toegevoegd aan bijlage 5 van deze motivering.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld Onderzoeksresultaten Voor flora, vogels, vleermuizen, zoogdieren en overige soorten geldt dat er geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet plaatsvinden. Gezien de aard van de ontwikkeling, kappen van bosschage, en de mogelijke aanwezigheid van weidevogels in het broedseizoen, dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Er geldt geen herplant- of meldingsplicht.
8.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 9 9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied” en herzieningen is het plangebied deels voorzien van een archeologische dubbelbestemming (‘Waarde – Archeologie 2’). Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen van 2.000 m2 of groter en dieper dan 0,3 meter. De geplande uitbreiding vindt niet plaats in gronden die met deze aanduiding zijn aangewezen. Daarom is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Binnen het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt daardoor geen belemmering voor de ontwikkeling. In het landschapsplan in bijlage 1 zijn de landschappelijke waarden van de omgeving verwerkt.
9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 10 10.1
Infrastructuur en openbare ruimte
Wettelijk kader
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied.
10.2
Verkeer en parkeren
10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk Stedelijke zone: Buitengebied
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval wordt er niet uitgegaan van de cijfers van het CROW. Hieronder wordt gemotiveerd waarom. 10.2.2 Parkeerbehoefte In voorliggend geval neemt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie niet toe door het realiseren van een groter oppervlak aan bedrijfsbebouwing. De nieuw aan te leggen loods dient ter opslag van goederen en bedrijfsmachinerie. Er is geen toename in het aantal werknemers of bezoekers. Zodoende kan er worden gesteld dat de parkeerbehoefte niet toeneemt. 10.2.3 Verkeersgeneratie en ontsluiting De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van verkeersbewegingen, aangezien de ontwikkeling niet gepaard gaat met extra medewerkers of bezoekers. Sterker nog, door het verdwijnen van werklocaties elders zal het totaal aantal verkeersbewegingen naar verwachting afnemen. Voor de ontsluiting wordt gebruikgemaakt van de bestaande toegang aan de Lossersestraat, die voldoende breedte heeft om eventuele lichte toename van verkeer op te vangen. Daarnaast wordt een nieuwe interne weg aangelegd vanaf het terrein richting de Postweg, uitsluitend bedoeld voor hulpdiensten.
Hierdoor is het niet nodig om, naast de reeds geplande weg richting de Postweg, extra toegangswegen te realiseren.
10.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 11 11.1
M.e.r.- Beoordeling
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
11.2
Situatie plangebied
Dit plan beoogt het uitbreiden van het huidige bedrijf. Het gaat hierbij om de bouw van twee loodsen met een totaaloppervlakte van 2000m2 en de uitbreiding van het bedrijfsperceel op voormalig agrarisch bestemde grond van circa 8250m2. Dit valt binnen de drempelwaarden zoals gesteld in het Besluit milieueffectrapportage (onderdeel D11.2). Een directe m.e.r. plicht is er daarom niet. Een m.e.r. aanmeldnotitie is echter wel noodzakelijk. In bijlage 7 is de notitie weergegeven.
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 12 12.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt.
De gemeentelijke kosten worden middels de legesverordening verhaald. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
12.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
12.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De initiatiefnemer heeft direct omwonenden en ondernemers geïnformeerd middels individuele gesprekken. Het gaat hierbij om de adressen omringend aan de Postweg en de buren aan de Lossersestraat. Na overleg met de buurt is het oorspronkelijke ontwerp aangepast. De buurt heeft hiermee instemmend gereageerd. 12.2.2 Afstemming overlegpartners Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. Het voornemen is voorgelegd aan het waterschap Vechtstromen op 28 augustus 2025. Het waterschap heeft na overleg laten weten geen bezwaren te hebben tegen het voornemen. Daarnaast heeft het waterschap suggesties gedaan voor de aanplanting van bomen aan de noordkant van het plangebied. Tevens heeft de Provincie Overijssel gereageerd op het voornemen. 12.2.3 Zienswijzen Het ontwerp van dit plan heeft van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026 ter inzage gelegen. Naar aanleiding hiervan is een zienswijze ingediend. In beantwoording van deze zienswijze is een reactienota opgesteld.
De zienswijze heeft geleid tot een inhoudelijke nadere specificering van de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot geluidsemissie in de regels van dit TAM-omgevingsplan. De reactienota is opgenomen in bijlage 8 van deze motivering.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Buitengebied, Lossersestraat 75 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 13 13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggende omgevingsplanwijziging: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrechtbepalingen.
13.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit plan beoogt de uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Lossersestraat 75 in De Lutte. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Losser. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Losser. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22d bij het omgevingsplan van de gemeente Losser.
13.2.3 Toepassingsbereik Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies