CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM Omgevingsplan De Lutte Noord

Raadsvergadering 30 juni 2026, gemeente LosserBij agendapunt: Vaststellen TAM-Omgevingsplan De Lutte Noord26.396 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) 6.2

Situatie in en bij het plangebied

In voorliggend geval bevindt het plangebied zich niet in de nabijheid van risicobronnen. In afbeelding 6.1 is een uitsnede weergegeven van de EV-signaleringskaart waarin het plangebied is aangegeven met de rode ster. Op circa 200 meter vanaf het plangebied is een fietsenwinkel gelegen. Deze risicobron heeft echter geen externe werking en is beperkt tot de terreingrens. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

Afbeelding 6.1

6.3

Uitsnede EV-signaleringskaart (Bron: EV-signaleringskaart)

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4

Beleid Waterschap

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Het plan is voorgelegd aan het waterschap Vechtstromen door middel van de watertoets. In voorliggend geval is de ‘normale procedure’ van toepassing. De te realiseren woningen zullen worden aangesloten op het gemeentelijke afvalwaterriool. Voor wat betreft de hemelwaterberging wordt er een combinatie van wadi’s en greppels gebruikt. Uitgaande van 6.505 m² verhard oppervlak en een bergingseis van 55 mm is er in totaal 358 m³ aan waterberging nodig. 241 m³ wordt opgevangen in de wadi aan de noordkant en 117 m³ wordt opgevangen in de wadi aan de westkant. In de greppels is ongeveer 54 m³ aan berging aanwezig. Het bovenstaande is verwerkt in een waterhuishoudkundig plan dat door Roelofs is opgesteld. Voor een nadere beschrijving en het volledige waterhuishoudkundig plan wordt verwezen naar bijlage 1.

7.4

Conclusie

Met voorliggend plan worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur; trillingen; en gezondheid.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Daarnaast worden ingegaan op de invloed van nabijgelegen solitaire bedrijvigheid op de ontwikkeling. Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden er geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd, namelijk woningen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het plangebied bevindt zich in het geluidsaandachtsgebied van enkele wegen. In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Gelet op de korte afstand tot wegen is er door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2. Het geluid ten gevolge van de provinciale weg bedraagt hoogstens 55 dB Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. van 50 dB, maar wel aan de grenswaarde van 60 dB. Het geluid ten gevolge van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 36 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. van 53 dB. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 55 dB. Er is een gevelwering van minimaal 55-33 = 22 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Doordat een nieuwbouwwoning dient te beschikken over een gevelwering van 20 dB, wordt verwacht dat met geringe gevelmaatregelen een binnenniveau van 33 dB is te realiseren. Industrielawaai Het plangebied licht niet in de nabijheid van een industrieterrein.

Solitaire bedrijvigheid In de nabijheid van het plangebied komen geen bedrijven voor die een grote geluidbelasting als gevolg hebben. In de nabijheid van het plangebied komt enkel een maatschappelijke functie voor die op basis van de SvB worden gecategoriseerd als maximaal een milieucategorie 2. Op basis van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kent deze functie een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Verder is er op het naastgelegen perceel de bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ aanwezig. Op deze gronden kunnen dagrecreatieve voorzieningen en kleinschalige evenementen plaatsvinden. In de SvB zijn deze functies niet opgenomen en kennen dus geen richtafstand. Beoordeeld wordt dat de gronden binnen deze bestemming qua aard en omvang gelijk gesteld kunnen worden aan speelterreinen en ontmoetingsplaatsen. Deze functies komen veelal voor binnen woonwijken en worden daarmee passend geacht op korte afstand tot de voorliggende ontwikkeling. 8.1.3

Conclusie

Met voorliggend plan wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie plangebied

Dumea Milieu heeft ter plaatse van het plangebied reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn er op de locatie enkel lichte verontreinigingen aangetroffen. Op De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. 8.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit voornemen, in verhouding tot de standaard gevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend voornemen 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: •

Geurnormen in het omgevingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld • • • 8.4.2

Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom en bevindt zich daarmee niet in de nabijheid van veehouderijen. Ook zijn er in de nabijheid van het projectgebied geen andere geurbronnen aanwezig. De te realiseren functie (woningen) zelf betreffen ook geen geurbelastende functies. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2

Situatie plangebied

De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich op circa 1 kilometer afstand van het projectgebied. Daarnaast is geen sprake van het toevoegen van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Een onderzoek naar trillingshinder afkomstig van spoorlijnen is daardoor niet noodzakelijk. 8.5.3

Conclusie

Het aspect trillingshinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.6.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval wordt er geen functie gerealiseerd die risico’s voor de gezondheid van omwonenden met zich mee brengt. De ontwikkeling vindt ook niet plaats in de nabijheid van functies die risico’s voor de gezondheid met zich mee brengen. Daarnaast is geen sprake van het toevoegen van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Het woongebied wordt ingericht met veel groen en waarbij voldoende ruimte wordt gerealiseerd voor water. Daarnaast blijft het wandelpad behouden waardoor vanuit de wijk zowel richting centrum gewandeld kan worden als richting het buitengebied. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich op circa 1,2 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Landgoederen Oldenzaal’ en op 1,9 kilometer afstand van ‘Dinkelland’. Gelet op de onderlinge afstand zijn directe effecten zoals geluid- en lichthinder op voorhand uit te sluiten. Om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is er door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd. Voor de volledige stikstofberekening wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Hieruit is gebleken dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. NNN-gebieden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld Het projectgebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het projectgebied ligt op circa 45 meter van het NNN, aan de overzijde van de Bentheimerstraat. Gezien deze afstand, de tussenliggende bebouwing en infrastructuur in combinatie met de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

In het kader van het aspect soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora/fauna uitgevoerd. Uit de quickscan is gebleken dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op (eventueel) aanwezige beschermde soorten. Een nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora en fauna activiteit is dan ook niet noodzakelijk. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 10

10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van het bestemmingsplan “de Lutte 2020” geldt voor de planlocatie de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’. Aangezien de oppervlaktegrens van 2.000 m² aannemelijk overschreden gaat worden is er door Hamaland reeds een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat door middel van de gehanteerde onderzoeksmethode de aan- of afwezigheid van vindplaatsen in voldoende mate is vastgesteld. De kans op het aantreffen van tot op heden onontdekte intacte vindplaatsen wordt als laag ingeschat. Hierdoor wordt aanbevolen om geen nader onderzoek te doen op de locatie. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Binnen het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de nabijheid van het plangebied is wel het gemeentelijk Erve Boerrigter aanwezig. De ontwikkeling heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van het monument. Het aspect cultuurhistorie vormt daardoor geen belemmering voor de ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 11

11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Op basis van kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit geldt voor deze ontwikkeling een m.e.r.-beoordelingsplicht indien er sprake is van een aanleg, wijziging of uitbreiding. Gelet op de uitgevoerde AERIUS-berekening wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Ten aanzien van de beoogde verkeersbewegingen kan de omliggende wegenstructuur deze toename verkeersveilig verwerken. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat de voorliggende ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Wel is er voor de ontwikkeling een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 7 van deze toelichting. Het aspect m.e.r. vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 12

12.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie plangebied

In voorliggend geval is de gemeente in het kader van dit plan de initiatiefnemer. De gronden in het plangebied zijn in eigendom bij de gemeente, Domijn en een particulier. Met deze partijen zijn overeenkomsten gesloten waarbij tevens het kostenverhaal is geregeld. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd en is het maken van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro niet nodig. Er zijn hiermee geen omstandigheden die duiden op financiële onhaalbaarheid van het plan. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling kan derhalve worden geacht te zijn aangetoond. Tevens is voorafgaand aan deze plannen het financieel resultaat onderzocht. Hieruit is gebleken dat de opbrengsten van de woningbouw de te maken kosten dekken voor het bouw- en woonrijp maken van de locatie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 13

13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Op 17 juli 2025 zijn bij Dorpshoes Erve Boerrigter in De Lutte omwonenden en geïnteresseerden bijgepraat over het plan De Lutte Noord. Op deze avond zijn een aantal vragen gesteld en wensen geuit. Een aantal omwonenden heeft naderhand hun wensen kenbaar gemaakt over het plan in een brief aan wethouder Oosterbroek en wethouder Engels. Op 1 oktober 2025 heeft hierover een overleg met een delegatie van omwonenden plaatsgevonden. Naar aanleiding van de informatieavond en het overleg is het plan op onderdelen aangepast. In bijlage 8 is het participatieverslag opgenomen. In dit verslag wordt ingegaan op de gestelde vragen en wensen en of dit een aanpassing van het plan tot gevolg heeft gehad.

13.2

Afstemming overlegpartners

Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie Overijssel en het waterschap Vechtstromen. Het plan is in het kader van vooroverleg toegezonden naar de provincie. In het kader van vooroverleg is de watertoets uitgevoerd en toegezonden naar het waterschap. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 7.3.

13.3

Zienswijzen

Het plan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er enkele zienswijzen ingediend waardoor het plan op kleine onderdelen is gewijzigd. De zienswijzen zijn beantwoord doormiddel van een zienswijzennota. Deze is bijgevoegd als bijlage 9.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

HOOFDSTUK 14

14.1

JURIDISCHE VERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

14.2

Opzet van de regels

14.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken: • • •

Inleidende regels; Functies en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels voor activiteiten;

14.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Preambule opnemen Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld 14.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3.

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, De Lutte Noord, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0168.TAMDELUTTENOORD-0401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 14.2.4 Algemene regels voor activiteiten Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • • •

Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels

In deze regels zijn bepalingen opgenomen rondom afwijken, parkeren en strijdig gebruik. Deze algemene regels zijn overgenomen conform het bestemmingsplan “de Lutte 2020”.

14.3

Verantwoording van de regels

Een TAM-Omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen (Artikel 5) De gronden ter plaatse van de groenvoorzieningen en waterbergingsgebieden zijn voorzien van de functieomschrijving ‘Groen’. Binnen deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan. Tuin (Artikel 6) Ter plaatse van de voortuinen/voorerven van de te realiseren woningen is de functieomschrijving ‘Tuin’ aangehouden. Deze gronden zijn aangewezen voor tuin/erfvoorzieningen. Verkeer – Verblijf (Artikel 7) Ter plaatse van de aan te leggen weg is de functieomschrijving ‘Verkeer – Verblijf’ aangehouden. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor bestemmingsverkeer. Verkeer – Voet-/fietspad (Artikel 8) Het bestaande voet/fietspad binnen het plangebied behoudt de functie ‘Verkeer – Voet-/fietspad’. Wonen (Artikel 9) Ter plaatse van de te realiseren woningen is zijn de gronden voorzien van de functieomschrijving ‘Wonen’. Binnen deze gronden zijn woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep, toegestaan.

Woningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd worden. De

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld woningen dienen daarnaast aaneen gebouwd te worden. Verder zijn er regels opgenomen ten aanzien van het maximale aantal woningen, bouwhoogte, goothoogte en dakhelling. Gelet op het uitgevoerde archeologische onderzoek op de planlocatie is er voor gekozen om de archeologische dubbelbestemming niet over te nemen in het voorliggende plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

TAM-omgevingsplan De Lutte-Noord Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

Bijlage 1

Watertoets en waterhuishoudkundig plan

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Bodemonderzoek

Bijlage 4

AERIUS berekening

Bijlage 5

Quickscan flora/fauna

Bijlage 6

Archeologisch onderzoek

Bijlage 7

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling

Bijlage 8

Participatieverslag

Bijlage 9

Nota van zienswijzen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, De Lutte Noord

Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

4

Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

De Lutte, De Lutte Noord

Datum: 18-11-2025

AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI DE LUTTE, DE LUTTE NOORD

Datum: Projectnummer:

18-11-2025 2024-277

INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Inleiding ....................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Wettelijk kader ............................................................................................ 5 2.1 2.2 2.3 2.4

Algemeen ............................................................................................................................................... 5 Geluidaandachtsgebied ......................................................................................................................... 5 Waarden geluid door wegen ................................................................................................................. 5 Toetsing Wet geluidhinder .................................................................................................................... 6

2.4.1

Zone langs wegen .............................................................................................................................. 6

2.4.2

Grenswaarden ................................................................................................................................... 6

2.4.3

Berekenen geluidsbelasting .............................................................................................................. 7

2.5

Gemeentelijk geluidsbeleid ................................................................................................................... 7

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten ........................................................................................... 8 3.1 3.2

Situatie projectgebied ........................................................................................................................... 8 Verkeersgegevens.................................................................................................................................. 8

Hoofdstuk 4 Resultaten ................................................................................................. 10 4.1 4.2 4.3

Berekeningen ....................................................................................................................................... 10 Het geluid van wegen .......................................................................................................................... 10 Gecumuleerd en gezamenlijk geluid ................................................................................................... 11

4.3.1

Aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid .......................................................................................... 11

4.3.2

Gezamenlijk geluid .......................................................................................................................... 11

4.4 4.5

Afwijken standaardwaarde .................................................................................................................. 11 Maatregelen reductie van geluid......................................................................................................... 11

4.5.1

Bronmaatregelen ............................................................................................................................ 11

4.5.2

Overdrachtsmaatregelen ................................................................................................................ 12

4.5.3

Gevelmaatregelen ........................................................................................................................... 12

4.6

Geluid en gezondheid .......................................................................................................................... 12

Hoofdstuk 5 Conclusie ................................................................................................... 13 Bijlagen bij het akoestisch onderzoek .............................................................................. 14 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3.1 Bijlage 3.2 Bijlage 4.1 Bijlage 4.2 Bijlage 4.3

Verkeersgegevens ....................................................................................................................... 14 Rekenmodel ................................................................................................................................ 15 Itemeigenschappen Omgevingswet ............................................................................................ 17 Itemeigenschappen Wet geluidhinder........................................................................................ 18 Resultatentabel Omgevingswet .................................................................................................. 19 Resultatentabel Wet geluidhinder .............................................................................................. 20 Resultatentabel gezamenlijk geluid ............................................................................................ 21

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

3

Akoestisch onderzoek geluid door wegen Spaanskamp, Hardenberg

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

Voorliggend akoestisch onderzoek heeft betrekking op een aantal percelen tussen de Bentheimerstraat en de Plechelmusstraat in De Lutte (hierna: projectgebied). De percelen staan kadastraal bekend als de gemeente Losser, sectie O, perceelnummers 1024, 1444, 1072 en 1073. Ter plaatse van het projectgebied bestaat het voornemen om 25 woningen te realiseren. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied (rode ster) ten opzichte van de directe omgeving (rode omkadering) weergegeven.

Afbeelding 1.1

Ligging van het projectgebied ten opzichte van de kern van Nieuwleusen (Bron: PDOK, bewerkt)

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. In het kader van deze procedure is het benodigd het geluid van wegen ter plaatse van de te realiseren woningen te toetsen aan het stelsel van de standaardwaarden en de grenswaarden uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich meerdere wegen. Voorliggend onderzoek heeft uitsluitend betrekking op het geluid door wegen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de rekenregels van de Omgevingswet. In voorliggende rapportage zijn de uitgangspunten, rekenresultaten en conclusies van het onderzoek beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai De Lutte Noord, De Lutte

HOOFDSTUK 2 2.1

WETTELIJK KADER

Algemeen

Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl)

2.2

Geluidaandachtsgebied

Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen dan gelden de volgende afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling): • • •

2.3

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Waarden geluid door wegen

In de het Bkl worden zijn standaard- en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw opgenomen. In tabel 1 zijn deze waarden weergegeven. Geluidbronsoort Provinciale wegen

Standaardwaarde

Grenswaarde

50 Lden

60 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

65 Lden

Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Tabel 1

Hoogst mogelijke grenswaarde wegverkeerslawaai (Bkl tabel 5.78t/5.78u)

Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd dienen te worden welke maatregelen mogelijk zijn om het geluid op een geluidgevoelig gebouw te verlagen tot de standaardwaarde. Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw indien niet voldaan wordt aan de standaardwaarde is mogelijk volgens het Bkl (artikel 5.78 Bkl) indien: • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=4bcbf1c4-5834-4424-8862-302ad042b162