Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstraat 278-286 Overdinkel + bijlagen
Tekst van het document
56
A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL
05 UITVOERBAARHEID
05.1
Economische uitvoerbaarheid
Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Uit artikel 13.11 Ow volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. De initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst afgesloten.
Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: •
die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
•
die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.
57
A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S
In de anterieure overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over nadeelcompensatie.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL
05.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.
Vooroverleg Provincie Overijssel Het project wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel.
Waterschap Vechtstromen Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de ‘weging van het waterbelang’.
Participatie Op dinsdag 16 juli 19:00 heeft aan de Elferinksweg een informatieavond plaatsgevonden. De informatieavond is bezocht door in totaal circa 40 mensen omwonenden en het bouwplan is overwegend positief ontvangen door de bezoekers.
Beslistermijn De beslistermijn voor aanvraag omgevingsvergunning is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal verlengen met maximaal 6 weken (artikel 16.64 lid 1 en 2 van de Omgevingswet, en 4:14 Algemene wet bestuursrecht). Bezwaar De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met
58
A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S
het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL
06 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
06.1
Belangenafweging en conclusie
Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl.
Uit hoofdstuk 3 blijkt dat het project geen belemmering vormt voor het beleidskader van het rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 4 is getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling er nog steeds sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de
59
A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S
omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL
60
•
Bijlage 1 – Aanmeldnotitie m.e.r.
•
Bijlage 2 – Bodemonderzoek
•
Bijlage 3 – Akoestisch onderzoek
•
Bijlage 4 - Gevelweringsonderzoek
•
Bijage 5 – AERIUS-berekening
•
Bijlage 6 – Quickscan Natuurwaarden
•
Bijlage 7 – Aanvullend vleermuizenonderzoek
•
Bijlage 8 – Watertoets
•
Bijlage 9 – Situatietekening en impressies
A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S
07 BIJLAGEN
Ad Fontem ruimtelijk advies
074 255 7020
Stationsstraat 37
info@ad-fontem.nl
61 7622 LW Borne
www.ad-fontem.nl
A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL
Aan: Gemeente Losser t.a.v. College van gemeente Losser Postbus 90 7580 AB Losser Borne, 19 maart 2025 Ons kenmerk: 23AF122 Bijlagen:6
Betreft:
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Hoofdstraat 286
Geacht college, Zoals bij u bekend zijn wij bezig met het opstellen van een BOPA voor de herontwikkeling van het perceel Hoofdstraat 286 in Overdinkel. Het plan voorziet in de nieuwbouw van 14 woningen waarvan 10 rijwoningen en 4 twee-onder-één kapwoningen en het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als reguliere woning. De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.
Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: • de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten; • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's; De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: 1. De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. 2. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen.
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW Borne T 074 255 70 20 IBAN NL92RABO 0331 6534 27 BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851 Btw nr. NL 8151.28.939.B01 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer-beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: 2. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Het voorliggend plan voorziet in de herontwikkeling van het perceel en de realisatie van een 14 woningen en het gebruiken van de bedrijfswoning als reguliere woning. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. De meest logische aansluiting kan echter wel worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Aangezien er sprake is van een kleine wijziging van een plan en het project betrekking heeft op een klein gebied op lokaal niveau kan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling. Het bevoegd gezag moet daarbij beoordelen of de uitvoering van het project aanzienlijke effecten op het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag gebruik maken van de criteria uit bijlage II van de smb-richtlijn.
In bijlage II van de smb-richtlijn staan de twee hoofdcriteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten: 1. De kenmerken van het plan of programma; 2. De kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Hieronder wordt het plan getoetst aan de criteria. Kenmerken van het betreffende project Het voornemen is om de bestaande bedrijfsbebouwing ter plaatse van de Hoofdstraat 286 te slopen en het perceel ter herontwikkelen met woningbouw. Er worden tien rijwoningen gerealiseerd. De rijwoningen worden verdeeld over twee blokken. Het eerste blok bestaande uit drie woningen wordt met de voorgevel gepositioneerd naar de Spinnersweg. Het andere blok bestaat uit zeven woningen en wordt met de voorgevel gepositioneerd naar de Elferinksweg. De ontsluiting van de rijwoningen vindt plaats via de Spinnersweg. Op het binnenhof ten noorden van de rijwoningen (die met de voorgevel aan de Elferinksweg zijn gepositioneerd) worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan Spinnersweg worden voor de rijwoningen drie langsparkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast worden vier twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd. Tussen de bestaande woningen Hoofdstraat 274 en 284 worden twee twee-onder-een kapwoningen gerealiseerd en de andere twee twee-onder-een-kapwoningen worden gerealiseerd op de hoek van de Hoofdstraat/Elferinksweg.
De -2-
bestaande twee-onder-één-kapwoning die wordt gebruikt als bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning. Voor twee van de nieuwe twee-onder-één-kapwoningen worden twee parkeerplaatsen per woning aangelegd. Deze parkeerplaatsen zijn toegankelijk vanaf de Hoofdstraat. De bestaande twee-onder-één-kapwoningen kunnen gebruik maken van de bestaande langsparkeerplaatsen die zijn aangelegd in de Hoofdstraat. In de openbare ruimte worden in de Hoofdstraat twee extra langsparkeerplaatsen toegevoegd. Voor de meest zuidelijke gelegen twee-onderéén-kapwoning worden twee parkeerplaatsen aangelegd die toegankelijk zijn vanaf de Elferinksweg voor de andere woning wordt er twee parkeerplaatsen aangelegd die toegankelijk zijn vanaf de Hoofdweg. In totaal worden er ten behoeve van de ontwikkeling aan de Hoofdstraat 25 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Figuur 1: Situatietekening begane grond (bron: Premodu)
-3-
Figuur 2: Situatietekening (bron:Premodu)
Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging genomen worden: a) de mate waarin het plan of programma een kader is voor de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden voor projecten en andere activiteiten. En voor de toewijzing van hulpbronnen. b) de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's beïnvloedt, inclusief de plannen die deel zijn van een hiërarchisch geheel. c) de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling. d) milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma. e) de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de gemeenschap. Bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming. Ad a. De BOPA voor de locatie Hoofdstraat 286 in Overdinkel vormt het planologisch kader voor de herontwikkeling van het bestaande perceel naar woningbouw met 10 rijwoningen en 4 twee-onder-één kapwoningen. De nieuwe woningen op het perceel, bestaande uit rijtjeshuizen en twee-onder-éénkapwoningen, sluiten goed aan bij de bebouwing in de directe omgeving die hoofdzakelijk uit tweeonder-een-kap woningen en rijtjeshuizen bestaan.
De strook met de functie ‘Tuin’, grenzend aan de Hoofdstraat, die nu voor een gedeelte voor de bestaande 2 onder-1-kapwoningen ligt, wordt doorgetrokken. De bebouwing sluit verder aan op de korrel en het ritme van de bestaande bebouwing. Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook vernieuwbare bronnen zoals hout, rubber, drinkwater en zuurstof. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van de realisatie van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. De huurwoningen
-4-
en twee-onder-een-kap woningen worden met prefab-materialen gerealiseerd met steenachtige materialen, hout en staal. Aangezien de woningen moeten voldoen aan de BENG-eisen (bijna energie neutrale gebouwen) geldt dat de nieuwe woningen gasloos gebouwd worden en bijna volledig in de eigen energiebehoefte moeten kunnen voorzien (o.a. door toepassing van PV panelen etc.). Ad b. Wanneer een project of programma een ander plan of programma sterk beïnvloedt, zullen eventuele milieueffecten zich mogelijk in een groter gebied manifesteren of indringender zijn dan wanneer die invloed minder groot of in het geheel niet aanwezig is. Het project voorziet in het planologische kader voor de realisatie van nieuwe woningen. Het plan voorziet in een concrete behoefte aan woningen. Het plan overschrijdt de geldende (milieu)normen niet. Het plan heeft derhalve geen invloed op andere plannen en programma’s op hoger niveau. Ad c. Hier moet de vraag worden beantwoord in hoeverre het voorziene project aan het verminderen van de aantasting van het milieu kan bijdragen. Onder punt 2 worden de effecten van het plan beschreven. Daarin blijkt dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu. In de motivering van de BOPA is geconcludeerd dat er vanuit luchtkwaliteit, bodem, geluid, milieubelastende activiteiten, gezondheid en geur geen belemmeringen bestaan voor het plan.
Relevante risico’s voor menselijk gezondheid en milieu zijn als gevolg van het toekomstige gebruik niet aan de orde. Ad d. Hierbij gaat het om de vraag of er milieuproblemen zijn die relevant zijn voor de beoordeling van het plan. In de motivering van de BOPA is onderzocht en geconcludeerd dat er vanuit luchtkwaliteit, bodem, geluid, milieubelastende activiteiten, gezondheid en geur geen belemmeringen bestaan voor het project. Er zijn geen relevante milieuproblemen aanwezig die het plan kunnen beïnvloeden. Ad e. De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van de woningen en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de woningen. De categorieën vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage.
Kenmerken van de potentiële effecten Bij de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten; b) de cumulatieve aard van de effecten; c) de grensoverschrijdende aard van de effecten; d) de risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen); e) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); f) de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op: 1. bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed; 2. de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden; 3. intensief grondgebruik; 4. de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend. Het potentiële effect van het plan is vanwege de aard en omvang beperkt voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Het project voorziet in een concrete behoefte aan nieuwe woningen voor de kern Overdinkel. Voor wat betreft de potentiële milieu- en gezondheidseffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant.
Bodem Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op -5-
verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Om de kwaliteit van de bodem te onderzoeken heeft Dumea milieu een bodemonderzoek uitgevoerd (projectcode 2023-041, d.d. 5-3-2023). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 1. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Ten behoeve van dit project is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707. Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie beschouwd als verdacht en is als strategie VED-HE gehanteerd. In totaal zijn er in het projectgebied 11 boringen verricht. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve vaneen bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM3 zijn lichte verhogingen PAK en zware metalen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 is een lichte verhoging benzeen aangetroffen. Vml trafo In het bovengrondmengmonster BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Ter plaatse van de onderzoekslocatie is asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen. Het aangetroffen materiaal bevindt zich op verharding en is aangetroffen over het gehele terrein.
Geadviseerd wordt om het aanwezige asbest op het maaiveld, middels handpicking te verwijderen. Het asbest zal worden gesaneerd door een hierin gespecialiseerd bedrijf. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1, MM2 en MM3 is analytisch geen asbest aangetoond. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Voor het aspect 'bodem' ter plaatse van het projectgebied kan gesteld worden dat dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
-6-
Geluid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het BKL gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • woningen; • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Om de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de Hoofdstraat, de Elferinksweg en de Spinnersweg te onderzoeken is door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk 24.150, d.d. 12 augustus 2024). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 2. -7-
Hieronder worden de conclusies weergegeven.
•
Uit de resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van de Hoofdstraat wordt overschreden ter plaatse van meerdere gevels. De hoogste geluidbelasting bedraagt 62 dB. Daarmee wordt de grenswaarde van 70 dB niet overschreden.
•
De standaardwaarde wordt niet overschreden ten gevolge van de Elferinksweg en de Spinnersweg;
•
Maatregelen om de geluidbelasting t.g.v. de Hoofdstraat terug te brengen tot aan de standaardwaarde stuit op overwegende bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard;
•
Het is realistisch om een hogere waarde toe te staan van 61 dB voor de woningen in blok D en 62 dB voor de woningen in blok C, ten gevolge van de Hoofdstraat;
•
Uit de berekeningen blijkt dat de gezamenlijke geluidbelasting de 53 dB overschrijdt ter plaatse van meerdere gevels van woningen in blok B, C en D. De hoogste geluidbelasting bedraagt 62 dB. Daarmee wordt voor de betreffende gevels niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Extra geluidwerende voorzieningen zijn noodzakelijk. Dit moet in een gevelweringsonderzoek worden aangetoond.
Spoorweglawaai Het projectgebied bevindt zicht niet binnen een geluidaandachtsgebied van nabijgelegen spoorwegen, nadere toetsing aan geluid afkomstig van spoorwegverkeer is niet noodzakelijk. Industrielawaai (milieubelastende activiteiten) In de nabijheid van het projectgebied vinden bedrijfsactiviteiten plaats die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig. Bij de realisatie van een nieuwe functie wordt gekeken naar
de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. De richtafstanden en afstanden van de milieubelastende functies ten opzichte van het projectgebied zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Al met al kan geconcludeerd worden dat er in de nabijheid van het project geen milieubelastende activiteiten zijn die het plan onmogelijk maken dit geldt ook voor het aspect geluid. Conclusie onderzoek Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de gezamenlijke geluidbelasting de 53 dB overschrijdt ter plaatse van meerdere gevels van woningen in blok B, C en D. De hoogste geluidbelasting bedraagt 62 dB. Daarmee wordt voor de betreffende gevels niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Extra geluidwerende voorzieningen zijn noodzakelijk. Nader onderzoek in de vorm van een gevelweringonderzoek is hierom noodzakelijk. Het uitvoeren van een gevelweringonderzoek zal als voorwaardelijke verplichting in de voorschriften
-8-
worden opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er een hogere waarde verleend moet worden. Voor deze woningbouwontwikkeling dient daarom een hogere waarde vastgesteld te worden. Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: • Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); • Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); • Andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsfunctie bevindt zich aan de Hoofdstraat 300. De grens van de functie 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ligt op een afstand van minimaal 150 meter van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen binnen het projectgebied. De afstand van de nieuwe woning tot het daadwerkelijk aanwezige dierenverblijf is echter groter. Op de agrarische functie is een grondgebonden veehouderij gevestigd. De ontwikkeling moet worden beoordeeld als uitbreiding van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Op grond hiervan moet de afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter zijn.
Deze afstand wordt ruimschoots gehaald. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook aanvaardbaar geacht. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit project. Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.
Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke -9-
beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Met dit project wordt de realisatie van in totaal 14 nieuwe woningen mogelijk gemaakt en het gebruik van de bedrijfswoning als reguliere woning. Als gevolg van de ontwikkeling van de 14 woningen wordt uitgegaan van een toename in verkeersgeneratie van 79,2 verkeersbewegingen per dag. Inclusief de bestaande woningen komt dit totaal neer op afgerond 95 verkeersbewegingen per dag. Hierbij is uitgegaan van de gemiddelden van de kengetallen uit de publicatie CROW 744 voor verkeersgeneratie voor de nieuwe woningen op basis van woningtype, stedelijkheidsgraad en ligging. Met dit plan worden 14 nieuwe woningen mogelijk gemaakt en het gebruik van de bedrijfswoning als reguliere woning. Een ontwikkeling met deze omvang is aan te merken als een project welke "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario (en de toename van het aantal verkeersbewegingen op 95 verkeersbewegingen wordt gezet) blijkt dat het plan nog steeds niet in betekenende mate bijdraagt. Er is geen nader onderzoek nodig.
- 10 -
Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen - 11 -
van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Veilige omgeving Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
1,5 km
Figuur 3: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving)
- 12 -
Het aandachtsgebied van de dichtstbijzijnde risicobron ligt op 1,5 kilometer (zie figuur 3). De risicobron betreft een mestvergisting gelegen aan de Ruhenbergerweg 21. Het object beschikt over een PR 10-6 contour. Het projectgebied valt ruim buiten de risicocontour van deze risicobron. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1,5 km van het projectgebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Gezien de onderlinge afstand en het feit dat het projectgebied buiten het aandachtsgebied ligt van deze risicobron, vormt deze risicobron geen belemmering voor dit initiatief. Het project voorziet in de herontwikkeling van een bestaand perceel. Het projectgebied is via de bestaande infrastructuur bereikbaar voor hulp- en nooddiensten. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project. Natuurwaarden Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 0,7 km afstand van het projectgebied. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Omdat het projectgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. In figuur 4 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 4: Ligging projectgebied t.o.v. NNN (bron: Atlas van Overijssel) - 13 -
Natura 2000-gebied Het projectgebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Dinkelland en ligt ten noordoosten op 887 meter afstand. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied (Dinkelland) ligt op
1.962 m afstand. Op grotere afstand zijn meerdere Natura 2000-gebieden gelegen, zoals Landgoederen Oldenzaal op circa 5,7 km en Aamsveen op 6,7 km. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. In onderstaande figuur is de ligging van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied weergegeven.
Figuur 5: Ligging projectgebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: calculator.aerius.nl) Het projectgebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Het voorgenomen project voorziet in de sloop van bestaande bebouwing en de nieuwbouw van woningen. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet)
- 14 -
en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: • Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig. • Voor het bouwen is een bouwmelding nodig. • Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m 3 aan afval vrijkomt. • Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met: - de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl) - de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling) In het kader van dit project is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te berekenen. Het stikstofonderzoek is als bijlage 3 bij dit project opgenomen. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2024.0.1 In de aanlegfase is gerekend voor het rekenjaar 2025, aangezien de geplande werkzaamheden naar verwachting in dit jaar zullen plaatsvinden. Voor de gebruiksfase is ook gerekend voor het rekenjaar 2026, ervan uitgaande dat de woningen in 2026 bewoonbaar zijn.
De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend. Aanlegfase De totale NOx-emissie in de aanlegfase bedraagt 39,8 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase bedraagt 16,8 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,9 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen stikstof en/of ammoniak vrijkomt die nadelig is voor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Er is immers geen sprake van een hoger rekenresultaat dan 0,00 mol/ha/j. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet tot een verslechtering leidt van de milieukwaliteit van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Het aspect 'stikstof' vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna te onderzoeken is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaarden uitgevoerd (projectnummer 5498 v 1.0, d.d. 29 augustus 2023). Op 1 augustus is het projectgebied tijdens de daglichtperiode bezocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden.
De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder weergegeven. De volledige quickscan natuurwaarden is als bijlage 4 opgenomen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het projectgebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rustplaats. Daarnaast bezetten vleermuizen mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats in het projectgebied. Het projectgebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het projectgebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien beplanting verwijderd en de bebouwing - 15 -
gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bos- en huisspitsmuizen, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het projectgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter en egel. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd om de rust- en voortplantingsplaats te beschadigen en vernielen. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van het voormalige winkelpand wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Op basis van de quickscan kan worden geconcludeerd dat er vervolgonderzoek noodzakelijk is naar vleermuizen in het voormalig winkelpand. Het vleermuisonderzoek (d.d.
27-9-2024, project 5498A versie 1.0) opgenomen als bijlage 5 toont aan dat er géén verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied zijn vastgesteld. Voor het in beeld brengen van de betekenis van het voormalige winkelpand zijn vijf verschillende bezoeken aan het onderzoeksgebied gebracht. De bezoeken in juni en juli zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van kraam- en zomerverblijven, de bezoeken in september zijn uitgevoerd in verband met onderzoek naar paarverblijfplaatsen. Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Indien beplanting verwijderd en de bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt vooraf een broedvogelscan uitgevoerd om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Er zal een ontheffing worden aangevraagd voor het 'beschadigen en vernielen vaste rust- en voortplantingsplaats' van de egel en steenmarter. Archeologie Aangezien de gemeente Losser geen eigen verwachtingskaart heeft, is de IKAW en de provinciale verwachtingskaart geraadpleegd. Het projectgebied ligt in de bebouwde kom van Overdinkel. Er zijn voor het projectgebied geen archeologische gegevens bekend. Het projectgebied is op de archeologische verwachtingskaart van het IKAW niet gekarteerd.
Tevens is het projectgebied op grond van het vigerende omgevingsplan niet voorzien van een werkingsgebied ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast wordt er, gelet op de bestaande aanwezige bebouwing in het projectgebied, vanuitgegaan dat de grond reeds geroerd is. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk, het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan. Hoewel in voorliggend geval een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is, kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden alsnog archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Losser) worden gemeld. Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het projectgebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. Mobiliteit De twee-onder-een-kap woningen worden rechtstreeks ontsloten via de Hoofdstraat. De 10 rijwoningen worden ontsloten via de Spinnersweg en vervolgens via de Elferinksweg en Hoofdstraat. De vrijstaande woning wordt ontsloten via de Elferinksweg en vervolgens de Hoofdstraat.
De Hoofdstraat is een ontsluitingsweg die Overdinkel verbindt met Losser en waar ter plaatse van het projectgebied een maximumsnelheid geldt van 50 km per uur. De Elferinksweg is ter plaatse van het projectgebied een - 16 -
doorgaande weg die leidt naar het buitengebied van Overdinkel. Hiervoor geldt een maximumsnelheid van 30 km per uur. Dit geldt ook voor de Spinnersweg. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het plan te kunnen bepalen wordt aangesloten bij de CROWkengetallen die zijn opgenomen in de CROW-uitgave 744 'Parkeercijfers 2024'. De kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie. Daarbij wordt om de verkeersgeneratie te berekenen uitgegaan van de gemiddelde verkeersgeneratie. Daarbij wordt voor het berekenen van de verkeersgeneratie uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • verstedelijkingsgraad: Niet stedelijk (bron: CBS Statline); • stedelijke zone: rest bebouwde kom. De gemiddelden en totale aantallen zijn hieronder opgenomen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie per woning wordt uitgegaan van het gemiddeld aantal verkeersbewegingen per categorie. De gemiddelden en totale aantallen zijn hieronder opgenomen: Koop, huis, tussen/hoek – gem 7,4 verkeersbewegingen per etmaal per woning en voor 10 woningen in totaal 74. Koop,huis,2-onder1-kap (nieuw) – gem 7,8 verkeersbewegingen per etmaal per woning en voor 4 woningen in totaal 31,2.
Koop,huis,2-onder1-kap (bestaand) – gem 7,8 verkeersbewegingen per etmaal per woning en voor 2 woningen in totaal 15,6.
Als gevolg van de ontwikkeling van de 14 woningen wordt uitgegaan van een toename in verkeersgeneratie van 105,2 verkeersbewegingen per dag. Inclusief de bestaande woningen komt dit totaal neer op afgerond 121 verkeersbewegingen per dag. Voor de Spinnersweg bedraagt de toename in verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van de rijwoningen 74 verkeersbewegingen per etmaal. Gezien de korte afstand van de Spinnerweg en Elferinksweg 1 in verhouding tot de Hoofdstraat, zijn deze extra verkeersbewegingen acceptabel. Gesteld wordt, dat de capaciteit van deze wegen van voldoende omvang is om de toename van het aantal verkeersbewegingen af te kunnen wikkelen. Water Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: • grondwater; • oppervlaktewater; • regenwater en; • afvalwater.
Op 22 september 2024 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 6 'Watertoets'. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de Normale procedure van het watertoetsproces moet worden doorlopen. Dit betekend dat er om advies gevraagd is bij het Waterschap Vechtstromen.
- 17 -
Klimaatrobuust Bij het ontwikkelen van nieuwe projecten dient er aandacht te worden besteed aan het verwerken van hemelwater en voorkoming van hittestress. In voorliggend project is hier rekening mee gehouden door een groot gedeelte van de verharding te verwijderen en tuinen toe te voegen voor en achter de huurwoningen. De groenstrook langs de Elferinksweg worden doorgetrokken. Ook de langsparkeerplaatsen bij het blok langs de Spinnersweg wordt aangekleed waardoor de ontwikkeling ook een deel vergroening met zich meebrengt en niet alleen maar verstening. Op het binnenhof wordt tussen de parkeerplaatsen op verschillende plaatsen groen aangebracht. Verharding In de huidige situatie is er sprake van verharding van vrijwel het gehele perceel ten noorden van de Elferinksweg. Het voorliggend plan voorziet per saldo in een afname van het verhard oppervlak. Dit voorziet in voldoende mogelijkheden om hemelwater binnen het projectgebied te verwerken. Hemelwater Bij ieder nieuw project is het streven naar maximale infiltratie van hemelwater, vooral ter voorkoming van droogte. Daarbij wordt ingezet op zoveel mogelijk (tijdelijke) waterberging van hemelwater, om wateroverlast te voorkomen. In dit geval gaat het om een herontwikkeling.
Een groot deel van het hemelwater op het gedeelte ten noorden van de Elferinksweg kan worden geïnfiltreerd op eigen terrein door middel van infiltratiekratten onder de parkeerplaats die op het achterterrein zal worden aangelegd. Afvalwater Het streven is om afvalwater en overtollig hemelwater in ieder geval tot op de perceelsgrens gescheiden aan te bieden. Ook in het geval er nog een gemengde riolering aanwezig is, maar het streven van de gemeente is een gescheiden riolering aan te leggen. In voorliggend project wordt het afvalwater afgevoerd naar het gemeentelijk rioleringsstelstel. Hierbij kan worden aangesloten op leidingen die al in de directe omgeving zijn aangelegd. Het voorliggend project voorziet per saldo in een afname van het verhard oppervlak. Daarnaast wordt er een extra groenstrook aangelegd en blijven de huidige groenstroken langs de openbare weg binnen het projectgebied gehandhaafd. Dit voorziet in voldoende mogelijkheden om hemelwater binnen het projectgebied te verwerken. Bovendien kan een groot deel van het hemelwater worden geïnfiltreerd op eigen terrein door middel van infiltratiekratten onder de parkeerplaats die op het noordelijke gedeelte van de planlocatie op het achterterrein zal worden aangelegd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar het gemeentelijk rioleringsstelstel.
Hierbij kan worden aangesloten op leidingen die al in de directe omgeving zijn aangelegd. Het aspect 'water in het projectgebied' vormt geen belemmering voor de uitvoering.
- 18 -
Conclusie In deze aanmeldingsnotitie (mededeling) is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en effecten van het plan die leiden tot belangrijke (nadelige) gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er hoeft geen milieueffectrapportage te worden opgesteld. Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest. Hoogachtend,
Ad Fontem BV
- 19 -
Verkennend Bodemonderzoek
Project:
2023-041
Locatie:
Hoofdstraat 286 te Overdinkel
Opdrachtgever:
Nejboer Vastgoed BV Denekamperstraat 73 7631 AB Ootmarsum
Datum:
5 april 2023
Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 286 te Overdinkel
Verkennend Bodemonderzoek Hoofdstraat 286 te Overdinkel
Opdrachtgever:
Nejboer Vastgoed BV Denekamperstraat 73 7631 AB Ootmarsum
Adviesbureau:
Dumea Milieu Bornsestraat 24 7597 NE Saasveld
Status: Versie: Datum versie: Projectnummer:
Definitief 1 5 april 2023 2023-041
Auteur:
Joost Stevelink*
Paraaf:
Kwaliteitscontrole:
Niek Hesselink*
Paraaf:
Veldwerkers:
Joost Stevelink, Mark Morsink*
*De vermelde personen zijn akkoord met de openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2023-041
5-4-2023
Pagina 2 van 19
Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 286 te Overdinkel
Inhoudsopgave Pagina 1
Inleiding
4
2
Vooronderzoek
5
3
4
5
2.1 Locatie gegevens
5
2.2 Algemene informatie locatie
5
2.3 Directe omgeving locatie
6
2.4 Eerder uitgevoerd (bodem)onderzoek
6
2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie
6
2.6 Vooronderzoek PFAS
7
2.7 Vooronderzoek 5707 Asbest
7
2.8 Visuele inspectie bodemoppervlak op asbest
7
Onderzoeksprogramma
8
3.1 Hypothesestelling
8
3.2 Onderzoeksopzet
8
3.3 Analysestrategie
9
Onderzoeksresultaten
10
4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
10
4.2 Analyseresultaten
11
4.3 Toetsing van de hypothese
12
4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek
12
Samenvatting en conclusie
BIJLAGE I: BIJLAGE II: BIJLAGE III: BIJLAGE IV: BIJLAGE V: BIJLAGE VI:
2023-041
13
Situering van de locatie Situering van de locatie (schaal 1: 1000) Overzichtstekening boorpunten Boorstaten Analysecertificaten en Overschrijdingstabellen Foto's
5-4-2023
Pagina 3 van 19
Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 286 te Overdinkel