CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstraat 278-286 Overdinkel + bijlagen

Raadsvergadering 11 november 2025, gemeente LosserBij agendapunt: Woningbouwontwikkeling Hoofdstraat 278-286 Overdinkel30.656 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

FIGUUR 3.6 – DEELGEBIEDEN WELSTANDSNOTA LOSSER (BRON: GEMEENT LOSSER)

Voor de '(historische) invalswegen' geldt welstandsniveau 2. Daarvoor gelden de volgende uitgangspunten: •

Behoud en stimulering van de (cultuurhistorische) structuur en bebouwingskarakteristieken.

•

Behoud en stimulering van de verscheidenheid in architectuur en de individuele bebouwingskwaliteit in relatie tot de functies; met extra aandacht voor (winkel)puien, zorgvuldige detaillering, materiaaltoepassing en bijpassende reclame.

•

Behoud en stimulering van de openbare ruimte en stedenbouwkundige structuur.

Voorliggend project sluit aan bij de bestaande stedenbouwkundige structuur en

29

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

bebouwingskarakteristieken.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

04 OMGEVINGSASPECTEN

Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Bij ruimtelijke projecten moet, mede hierom, in toenemende mate rekening gehouden worden met diverse milieu- en omgevingsaspecten. Bij het beoordelen van deze milieu- en omgevingsaspecten zijn o.a. de volgende thema’s relevant: milieuzonering, bodem, geluid, omgevingsveiligheid, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. Eventuele beperkingengebieden zijn meegenomen onder het betreffende onderdeel (mobiliteit, geluid, omgevingsveiligheid, etc.). Beperkingengebieden voor water zijn, indien aanwezig, opgenomen onder het waterschap beleid. Onderstaand worden de omgevingsaspecten in het kort behandeld.

04.1

m.e.r. -beoordeling

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MERbeoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen: •

Eerst wordt bekeken of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1.

•

Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat.

•

Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden gedaan: o

Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-

o

Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-merbeoordelingsplicht.

Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de

30

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

plicht.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk: •

Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.

•

Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.

Toets Het voorliggend project voorziet in de herontwikkeling van de percelen en de realisatie van Betaalbare rij en twee-onder-een kapwoningen, waarbij in totaal wordt voorzien in 14 nieuwe woningen. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. De meest logische aansluiting kan echter wel worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Aangezien er sprake is van een plan met beperkte omvang en het plan betrekking heeft op een klein gebied op lokaal niveau kan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling. Het bevoegd gezag moet daarbij beoordelen of de uitvoering van het plan aanzienlijke effecten op het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag gebruik maken van de criteria uit bijlage II van de smb-richtlijn. In bijlage II van de smb-richtlijn staan de twee hoofdcriteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten: 1.

de kenmerken van het plan of programma. Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging genomen worden: o

de mate waarin het plan of programma een kader is voor de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden voor projecten en andere activiteiten. En voor de toewijzing van hulpbronnen.

o

de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's beïnvloedt, inclusief de plannen die deel zijn van een hiërarchisch geheel.

o

de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling.

o

milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma.

o

de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving

afvalstoffenbeheer of waterbescherming. 2.

de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Bij de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed moet in het bijzonder in overweging worden genomen: o

31

de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecte

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

van de gemeenschap. Bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

o

de cumulatieve aard van de effecten

o

de grensoverschrijdende aard van de effecten

o

de risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen)

o

de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden)

o

de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op: a.

bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed

b.

de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden

c.

intensief grondgebruik

d.

de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.

Om de kenmerken en effecten van het plan te beoordelen is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. Deze aanmeldnotitie is als Bijlage 1 bij de motivering van deze BOPA opgenomen. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het plan geen belangrijke milieugevolgen optreden, is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.

04.2 Milieubelastende activiteiten In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: ‘activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit’.

Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van

Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba’s. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden.

32

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Activiteiten en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds het werkingsgebied van de functie die de milieubelastende activiteiten toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het omgevingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

FIGUUR 4.1– RICHTAFSTANDEN VNG-UITGAVE BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Toets

(zeer) korte afstand van de ontwikkellocatie een bedrijventerrein, een horecabestemming en een centrumbestemming waar horeca, maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening zijn toegestaan.

De Raad van State heeft in haar uitspraak (ECLI:NL:RVS:2021:1607) overwogen dat het bestaande karakter van de omgeving bepalend is voor de typering van het gebied. Daarbij kijkt de Afdeling naar

33

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

In de omgeving van het projectgebied zijn overwegend woningen aanwezig. Daarnaast bevindt zich op

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

de feitelijke en planologische situatie. In die uitspraak zijn nabij woningen ook andere bedrijven aanwezig, waardoor de Afdeling tot de conclusie kwam dat er sprake was van een gemengd gebied, waardoor de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd mochten worden.

In de omgeving van het projectgebied zijn zoals gezegd verschillende functies aanwezig. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een horecagelegenheid. Ten westen van de projectlocatie bevindt zich een klein bedrijventerrein waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Ten zuiden van het projectgebied bevindt zich op enige afstand een tuincentrum. De rest van de directe omgeving bestaat voornamelijk uit woningen. Gelet op de verschillende bestaande functies aan de rand van het plangebied en de ligging nabij de Hoofdstraat, een belangrijke ontsluitingsweg, kan gesteld worden dat er sprake is van een 'gemengd gebied'.

Bij de realisatie van een nieuwe functie wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Om de richtafstanden tussen de bestaande functies en de nieuwe functies te bepalen is het gebied voor dit aspect opgedeeld in een noordelijk en zuidelijk gebied. De richtafstanden en afstanden van de milieubelastende functies ten opzichte van het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het projectgebied zijn opgenomen in figuur 4.2.

FIGUUR 4.2– RICHTAFSTANDEN BESTAANDE FUNCTIES

Bedrijventerrein Ten westen van de nieuwbouwlocatie bevindt zich aangrenzend een klein bedrijventerrein waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. In de directe nabijheid bevindt zich een sportschool (Spinnersweg 168) en een automaterialenwinkel (Spinnersweg 164). Voor de sportschool geldt een richtafstand van 10 meter in verband met het aspect geluid voor het gebiedstype 'gemengd gebied'. Voor de automaterialenwinkel geldt eveneens een richtafstand van 10 meter in verband met geluid (handel in auto-onderdelen en -accessoires).

plangebied tot aan de grens van de milieubelastende bestemmingen bedraagt minimaal 16 meter.

Horecagelegenheid Ten noorden van het projectgebied bevindt zich op enige afstand een horecagelegenheid. Voor deze functie geldt de milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied.

34

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

De afstand van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen op het noordelijke gedeelte van het

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

De afstand van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen op het noordelijke gedeelte van het projectgebied tot aan de grens van de horecabestemming bedraagt minimaal 21 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand.

Tuincentrum Ten zuidoosten van het projectgebied bevindt zich op enige afstand van een tuincentrum. Voor deze functie geldt de milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied. De afstand van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen op het noordelijke gedeelte van het projectgebied tot aan de grens van het tuincentrum bedraagt minimaal 124 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand.

Agrarisch bedrijf Daarnaast bevindt zich ten zuiden van de projectlocatie een agrarisch bedrijf. Op grond van het bkl moet de afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter zijn. Het aspect geur wordt verder toegelicht onder de paragraaf geur (4.3). De afstand van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen op het noordelijke gedeelte van het projectgebied tot aan de grens van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' bedraagt minimaal 150 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand.

Opslaggebouwen Voor de nieuwe woningen binnen het projectgebied geldt dat de te behouden opslaggebouwen op het zuidelijk gedeelte van het plangebied waarvoor de bedrijfsbestemming behouden blijft ook als milieubelastend objecten gezien worden. Voor opslaggebouwen voor particulieren geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand van het dichtstbijzijnde opslaggebouw tot de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen op het noordelijk gedeelte van het projectgebied bedraagt minimaal 13 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand.

Conclusie Al met al kan geconcludeerd worden dat er in de nabijheid van het project geen milieubelastende activiteiten zijn die het plan onmogelijk maken. Anderzijds leidt het plan vanuit hinder of gevaar niet

04.3 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

35

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

tot nadelige effecten voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Toets Dit project voorziet in de herontwikkeling van de locatie Hoofdstraat 278-286. Het project maakt de sloop van de bedrijfsbebouwing mogelijk en nieuwbouw van woningen. Daarmee maakt het project een nieuw bodemgevoelig gebouw mogelijk. Een bodemgevoelig gebouw betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om de kwaliteit van de bodem te onderzoeken is een bodemonderzoek uitgevoerd voor het perceel aan de Hoofdstraat 278-286.

Ten behoeve van dit project is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707, uitgevoerd door Dumea milieu op 5-3-2023, (projectnummer 2023-041) om ter plaatse het noordelijke gedeelte (perceelnumer 4112) van het projectgebied de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het bodemonderzoek is als Bijlage 2 toegevoegd.

36

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 278-286

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie beschouwd als verdacht en is als strategie VED-HE gehanteerd. In totaal zijn er in het plangebied 11 boringen verricht. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve vaneen bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.

Verkennend bodemonderzoek NEN5740 In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM3 zijn lichte verhogingen PAK en zware metalen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 is een lichte verhoging benzeen aangetroffen. Vml trafo In het bovengrondmengmonster BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Ter plaatse van de onderzoekslocatie is asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen. Het aangetroffen materiaal bevindt zich op verharding en is aangetroffen over het gehele terrein. Geadviseerd wordt om het aanwezige asbest op het maaiveld, middels handpicking te verwijderen. Het asbest zal worden gesaneerd door een hierin gespecialiseerd bedrijf. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1, MM2 en MM3 is analytisch geen asbest aangetoond. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.

De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Voor het aspect 'bodem' ter plaatse van het projectgebied kan gesteld worden dat dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).

Conclusie Het thema 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

04.4 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels

bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

37

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.21 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: •

woningen

•

Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).

•

Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In figuur 4.3 zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

FIGUUR 4.3 – TABEL 5.78T/5.78U: STANDAARDWAARDE EN GRENSWAARDE GELUIDGEVOELIGE GEBOUWEN (BRON: BKL)

de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.

38

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluid door activiteiten In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

Toets Wegverkeerslawaai en spoorwegen Met dit project wordt de activiteit wonen mogelijk gemaakt, wonen is een geluidgevoelige functie. In De geplande woningen gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Hoofdstraat, de Elferinksweg en de Spinnersweg. Dit betreffen gemeentelijke wegen. Derhalve is een grenswaarde van 70 dB van toepassing. De standaardwaarde voor deze wegen bedraagt 53dB. Binnen het projectgebied vindt mogelijk een overschrijding van de standaardwaarden plaats op de gevel(s) van de nieuw op te richten bebouwing. Hierom is een akoestisch onderzoek m.b.t. wegverkeerslawaai uitgevoerd door Munsterhuis Geluidsadvies uitgevoerd (projectnummer 24.150, d.d. 12 augustus 2024). Het gehele onderzoek is opgenomen onder bijlage 3 .

Hieronder worden de conclusies weergegeven.

•

Uit de resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van de Hoofdstraat wordt overschreden ter plaatse van meerdere gevels. De hoogste geluidbelasting bedraagt 62 dB. Daarmee wordt de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. De standaardwaarde wordt niet overschreden ten gevolge van de Elferinksweg en de Spinnersweg;

•

Maatregelen om de geluidbelasting t.g.v. de Hoofdstraat terug te brengen tot aan de standaardwaarde stuit op overwegende bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard;

•

Het is realistisch om een hogere waarde toe te staan van 61 dB voor de woningen in blok D en 62 dB voor de woningen in blok C, ten gevolge van de Hoofdstraat;

39

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

•

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

•

Uit de berekeningen blijkt dat de gezamenlijke geluidbelasting de 53 dB overschrijdt ter plaatse van meerdere gevels van woningen in blok B, C en D. De hoogste geluidbelasting bedraagt 62 dB. Daarmee wordt voor de betreffende gevels niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Extra geluidwerende voorzieningen zijn noodzakelijk, om deze reden is een gevelweringsonderzoek uitgevoerd (projectnummer 24.265). De conclusies uit dit onderzoek zijn onderstaand opgenomen, voor het hele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze onderbouwing.

Het gezamenlijk geluid op de woningen is hoger dan de standaardwaarde, hiervoor is de karakteristieke geluidwering van de gevels van de maatgevende woningen berekend. Uit de resultaten blijkt dat met de gehanteerde materialen of gelijkwaardig, voldaan is aan de vereiste karakteristieke geluidwering.

Spoorweglawaai Het projectgebied bevindt zicht niet binnen een geluidaandachtsgebied van nabijgelegen spoorwegen, nadere toetsing aan geluid afkomstig van spoorwegverkeer is niet noodzakelijk.

Industrielawaai (milieubelastende activiteiten) In de nabijheid van het projectgebied vinden bedrijfsactiviteiten plaats die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig, zie paragraaf 4.2. Uit deze paragraaf komt naar vormen dat de nabijgelegen bedrijfsactiviteiten geen belemmering vormen voor dit project.

Conclusie onderzoek Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

04.5 Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf

betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit).

40

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

In het tweede lid van artikel 5.79 zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. Echter zal met het oog op een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, gemotiveerd moeten worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling moet bij de verlening van een BOPA bekeken worden of aanvullende eisen noodzakelijk zijn, door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd);

•

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

•

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Toets Met dit project wordt realisatie en het bewonen van burgerwoningen en het bewonen van een bedrijfswoning als reguliere woning mogelijk gemaakt. Wonen is een trillinggevoelige functie. Door de verkeersbewegingen binnen het projectgebied, bouw- en sloopactiviteiten, aanlegactiviteiten, beheer en onderhoud, maar ook de bedrijfsmatige activiteiten, kunnen trillingen worden veroorzaakt. De activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen echter aan deze standaardwaarden kunnen voldoen. Het aspect trillingen vormt hierom geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

04.6 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: •

Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)

•

Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)

•

Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van

41

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat).

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.

Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Toets De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsfunctie bevindt zich aan de Hoofdstraat 300. De grens van de functie 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ligt op een afstand van minimaal 150 meter van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen binnen het projectgebied. De afstand van de nieuwe woning tot het daadwerkelijk aanwezige dierenverblijf is echter groter. Op de agrarische functie is een veehouderij gevestigd. De ontwikkeling moet worden beoordeeld als uitbreiding van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Op grond hiervan moet de afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter zijn. Deze afstand wordt ruimschoots gehaald. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook aanvaardbaar geacht.

04.7 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3%

standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

42

•

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;

•

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;

•

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Toets Met dit project wordt de realisatie van in totaal 14 nieuwe woningen mogelijk gemaakt, waarvan 10 rijwoningen en 4 twee-onder-één-kapwoningen. Daarnaast wordt het gebruik van de bedrijfswoning als reguliere woning mogelijk gemaakt.

Als gevolg van de ontwikkeling van de 14 woningen wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 105,2 = 106 verkeersbewegingen per dag als gevolg van de ontwikkeling. Hierbij is uitgegaan van de gemiddelden van de kengetallen uit de publicatie CROW 477 voor verkeersgeneratie voor de nieuwe woningen op basis van niet stedelijk gebied en rest. Bebouwde kom. Echter is er in de huidige situatie een groothandel in tegels aanwezig, waarbij er ca. 1.000m² aan bebouwing aanwezig is. De overige buitenruimte wordt gebruikt voor het uitstallen van monsters. Wanneer wordt uitgegaan van een Grothandel specialist bedraagt het aantal verkeersbewegingen hiervoor 35 per 100m² BVO. 10 x 35 = 350 verkeersbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe situatie dus flink afnemen.

Om eventuele overlast helemaal uit te sluiten zijn het aantal verkeersbewegingen voor de nieuwe situatie ingevoerd in onderstaande berekening. Hierbij zijn ook het aantal verkeersbewegingen van de bestaande twee-onder-één kapwoningen meegenomen (+2 x 7,8 = 15,6 = 16 verkeersbewegingen). In een woonwijk wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Het aandeel vrachtverkeer is derhalve vastgesteld op maximaal 0%. In totaal zijn er ca. 122 verkeersbewegingen per etmaal in de nieuwe

43

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

situatie. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

FIGUUR 4.3 – WORST-CASE BEREKENIGN VOOR BIJDRAGE VAN EXTRA VERKEER (BRON:INFOMIL.NL)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

04.8 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe

44

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

•

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Toets

FIGUUR 4.4 – RISICOKAART (BRON: ATLASLEEFOMGEVING.NL

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens in een risicokaart te visualiseren. Op basis van de risicokaart Nederland zijn er in de directe omgeving van het projectgebied geen externe risico’s. Het aandachtsgebied van de dichtstbijzijnde risicobron ligt op ca. 1,5 kilometer (zie figuur 4.4). De risicobron betreft een mestvergisting gelegen aan de Ruhenbergerweg 21. Het object beschikt over een PR 10-6 contour. Het plangebied valt ruim buiten de risicocontour van deze risicobron. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1,5 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Gezien de onderlinge afstand en het feit dat het plangebied buiten het aandachtsgebied ligt van deze risicobron, vormt deze

45

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

risicobron geen belemmering voor dit initiatief.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

04.9 Natuurwaarden Gebiedsbescherming Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Dit volgt expliciet uit artikel 1.2 lid 2 onder h van de Omgevingswet. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen van de met een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijke gemaakte ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelen van beschermde natuurgebieden die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en faunaactiviteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende

46

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Toets Natuurnetwerk Nederland

0,7 km

FIGUUR 4.5 – NNN GEBIEDEN (BRON: ATLASLEEFOMGEVING)

Het projectgebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 0,7 km afstand van het projectgebied. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het projectgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen

gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.

47

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: •

de leefgebieden van vogels;

•

de natuurlijke habitats of habitats van soorten;

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet

48

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Toets Natura 2000-gebieden

887 m

FIGUUR 4.6 – NNN GEBIEDEN (BRON: ATLASLEEFOMGEVING)

Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Dinkelland en ligt ten noordoosten op 887 meter afstand. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied (Dinkelland) ligt op 1.962 m afstand. Op grotere afstand zijn meerdere Natura 2000-gebieden gelegen, zoals Landgoederen Oldenzaal op circa 5,7 km en Aamsveen op 6,7 km. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van

Gezien de ligging van het projectgebied t.o.v. N2000 zijn er mogelijk wel gevolgen m.b.t. stikstofdepositie. Om deze reden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De conclusies zijn onderstaand opgenomen, voor de gehele berekening wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze onderbouwing.

49

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Aanlegfase De totale NOx-emissie in de aanlegfase bedraagt 39,7 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase bedraagt 18,2 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,7 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen stikstof en/of ammoniak vrijkomt die nadelig is voor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Er is immers geen sprake van een hogere rekenresultaat dan 0,00 mol/ha/j. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet tot een verslechtering leidt van de milieukwaliteit van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Het aspect 'stikstof' vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Toets soortenbescherming Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna te onderzoeken is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaarden uitgevoerd (projectnummer 5498 v 1.0, d.d. 29 augustus 2023, aangepast op 3 juni 2025). Op 1 augustus 2023 is het projectgebied tijdens de daglichtperiode bezocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. De

De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het projectgebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rustplaats. Daarnaast bezetten vleermuizen mogelijk een vaste rust- of

50

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

quickscan natuurwaarden is als bijlage 6 opgenomen.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

verblijfplaats in het projectgebied. Het projectgebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

Van de in het projectgebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien beplanting verwijderd en de bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bos- en huisspitsmuizen, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het projectgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter en egel. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd om de rust- en voortplantingsplaats te beschadigen en vernielen. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling.

Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van het voormalige winkelpand wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield.

Op basis van de quickscan kan worden geconcludeerd dat er vervolgonderzoek noodzakelijk is naar vleermuizen in het voormalig winkelpand. Het vleermuisonderzoek (d.d. 27-9-2024, project 5498A versie 1.0) toont aan dat er géén verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied zijn vastgesteld. Voor het in beeld brengen van de betekenis van het voormalige winkelpand zijn vijf verschillende bezoeken aan het onderzoeksgebied gebracht. De bezoeken in juni en juli zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van kraam- en zomerverblijven, de bezoeken in september zijn uitgevoerd in verband met onderzoek naar paarverblijfplaatsen. Voor het volledige vleermuizenonderzoek wordt

Conclusie Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Indien beplanting verwijderd en de bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit

51

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

verwezen naar bijlage 7 bij deze onderbouwing.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

te kunnen sluiten. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd voor het 'beschadigen en vernielen vaste rust- en voortplantingsplaats' van de egel, steenmarter en marterachtigen (wezel e.d.). Hiervoor is door de Natuurbank Overijssel een activiteitenplan opgesteld, inmiddels is dit ingediend bij de provincie Overijssel. Er is daarmee zicht op het verlenen van een vergunning/ontheffing m.b.t. deze soorten. Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen plannen.

04.10 Archeologie en Cultuurhistorie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

•

Verplaatsing van beschermde monumenten;

•

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

•

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

•

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).

Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied

archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

52

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Toets Archeologie Het projectgebied is op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart niet gekarteerd.Het projectgebied is op grond van het vigerende omgevingsplan ook niet voorzien van een werkingsgebied ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast wordt, gelet op de bestaande aanwezige bebouwing in het projectgebied, uitgegaan dat de grond reeds geroerd is. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk, het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend project.

Hoewel in voorliggend geval een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is, kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden alsnog archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Losser) worden gemeld. Cultuurhistorie Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het projectgebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend project geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

04.11 Mobiliteit en parkeren Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van parkeernormen die met de gemeente Losser overeen zijn gekomen. De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024’ (uitgave 744). Verkeer De twee-onder-een-kap woningen worden rechtstreeks ontsloten via de Hoofdweg, met uitzondering van de meest zuidelijk gelegen tweekapper, de parkeerplekken hiervan worden ontsloten via de Elferinksweg. De rijwoningen worden ontsloten via de Spinnersweg en vervolgens via de Elferinksweg en Hoofdstraat. De Hoofdstraat is een ontsluitingsweg die Overdinkel verbindt met Losser en waar ter

plaatse van het projectgebied een doorgaande weg die leidt naar het buitengebied van Overdinkel. Hiervoor geldt een maximumsnelheid van 30 km per uur. Dit geldt ook voor de Spinnersweg.

In de publicatie CROW 744 zijn kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie van nieuwe woningen per woningtype, stedelijkheidsgraad en ligging. In het navolgende schema is een

53

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

plaatse van het projectgebied een maximumsnelheid geldt van 50 km per uur. De Elferinksweg is ter

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

berekening gemaakt van de verkeerstoename als gevolg van de realisatie van de nieuwe woningen. Voor de volledigheid zijn hier tevens de bestaande tweekappers meegenomen.

Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten •

Niet stedelijk, rest bebouwde kom

Voor de woningen geldt een gemiddelde verkeersgeneratie. De gemiddelden en totale aantallen zijn hieronder opgenomen Koop, huis, tussen/hoek – gem 7,4 verkeersbewegingen per etmaal per woning en voor 10 woningen in totaal 74. Koop,huis,2-onder1-kap (nieuw) – gem 7,8 verkeersbewegingen per etmaal per woning en voor 4 woningen in totaal 31,2. Koop,huis,2-onder1-kap (bestaand) – gem 7,8 verkeersbewegingen per etmaal per woning en voor 2 woningen in totaal 15,6.

Als gevolg van de ontwikkeling van de 14 woningen wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 105,2 = 106 verkeersbewegingen per dag. Inclusief de bestaande woningen komt dit totaal neer op afgerond 122 verkeersbewegingen per dag. Voor de Spinnersweg bedraagt de verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van de rijwoningen 74 verkeersbewegingen per etmaal. Echter is er in de huidige situatie een groothandel in tegels aanwezig, waarbij er ca. 1.000m² aan bebouwing aanwezig is. De overige buitenruimte wordt gebruikt voor het uitstallen van monsters. Wanneer wordt uitgegaan van een Grothandel specialist bedraagt het aantal verkeersbewegingen hiervoor 35 per 100m² BVO. 10 x 35 = 350 verkeersbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe situatie dus afnemen met ca. 350 – 122 = 228 verkeersbewegingen. De huidige infrastructuur kon het grotere aantal verkeersbewegingen ook al afwikkelen, nu het aantal verkeersbewegingen afneemt zal dit nog steeds het geval zijn. De aanwezige infrastructuur zal juist ontlast worden. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Met het ontwikkelen van de woningen, zal de parkeerbehoefte toenemen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder het kopje verkeer is aangegeven.

De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de parkeernormen die met de gemeente

woning. Voor de rijwoningen geldt, een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning.

Het bouwplan van 14 nieuwe woningen voorziet daarmee in een parkeerbehoefte van in totaal afgerond 23 parkeerplaatsen (15 pp rijwoningen, 8 pp tweekappers)

54

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

Losser overeen zijn gekomen. Voor de tweekappers geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

Op het binnenhof worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast worden er 3 langsparkeerplaasten aangelegd aan de Spinnersweg. Hierdoor wordt in het geheel in de parkeerbehoefte voorzien van de te realiseren rijwoningen

Voor de nieuwe tweekappers bedraagt de parkeerbehoefte afgerond 8 parkeerplaatsen. In totaal zullen voor de nieuwe tweekappers 8 parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. Drie van de 4 twee-onder-een-kapwoningen worden voorzien van twee parkeerplaatsen die worden aangelegd voor de voorgevel van deze woningen. Voor de meest zuidelijk gelegen twee-onder-een-kapwoning worden twee parkeerplaatsen aangelegd die bereikbaar zijn vanaf de Elferinksweg. Hierdoor wordt in zijn geheel in de parkeerbehoefte van de nieuwe tweekappers voorzien.

Conclusie Met het voorgenomen plan wordt voorzien in de gevraagde parkeerbehoefte. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit project.

04.12 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

•

Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Toets Er zijn verschillende instrumenten opgesteld die kunnen helpen bij de inrichting van het proces om te komen tot een gezonde leefomgeving. Een van deze instrumenten is het document Kernwaarden dat is opgesteld door het GGDGHOR. De Kernwaarden adviseren bij het inrichten van een gezonde leefomgeving en welke ruimtelijke keuzes daarvoor van belang zijn, zowel voor gezondheidsbescherming als gezondheidsbevordering. Het is een set van waarden die idealiter in elk

opgenomen:

55

•

rookvrije omgeving;

•

aantrekkelijke plekken;

•

gezond gewicht;

A D F O NT EM RU IMTE L IJK A DV IE S

ruimtelijk plan of –beleid aan de orde komen. In het document zijn de volgende kernwaarden

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HOOFDSTRAAT 278-286, OVERDINKEL

•

wonen en druk verkeer;

•

voorzieningen dichtbij;

•

actief vervoer

•

fiets- en ov-verbindingen;

•

gezond binnenklimaat;

•

prettig wonen

•

geschikte woningen.

Met dit project wordt de realisatie nieuwe woningen mogelijk gemaakt en wordt aangesloten bij een aantal van deze kernwaarden (geschikte woningen, prettig wonen, gezond binnen klimaat). Zoals uit voorgaande paragrafen blijkt voldoet het plan aan de geldende (milieu)normen en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De realisatie van nieuwe woningen kan een bijdrage leveren aan de gezondheid. Immers, goed en veilig wonen is belangrijk voor een gezond leven. De nieuwe woningen voldoen aan de meest recente technische eisen (o.a. gelet op luchtkwaliteit, duurzaamheid etc.). Daarmee wordt goede en geschikte huisvesting en een gezond binnenklimaat gerealiseerd, wat een positief effect heeft op de gezondheid. Ten aanzien van het aspect gezondheid is er sprake van een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=a49d6160-17ad-4257-9d9a-737eec3a8c03