Ruimtelijke motivering WOP De Lutte, Lossersestraat 71 (vastgesteld juni 2026)
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 4.3
Uitsnede ‘Natuurlijke laag’ (Bron: Provincie Overijssel)
‘Stuwwallen’ De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwallen voor een groot deel uit tertiaire (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Ook dienen ontwikkelingen bij te dragen aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de ‘natte voet’ van de stuwwal (kwelzone, brongebied) en deze beter zichtbaar maken. Toetsing van het initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ De gronden binnen het plangebied zijn grotendeels gecultiveerd.
De van oorsprong voorkomende ‘Natuurlijke laag’ is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig en kunnen realistisch gezien ook niet meer worden teruggebracht. Bij het opstellen van het ruimtelijk kwaliteitsplan is rekening gehouden met het reeds aanwezige landschap. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de natuurlijke laag.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld De ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstype ‘Jonge heide- en broekontginningslandschap’. Afbeeldingen 4.4 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’.
Afbeelding 4.4
Uitsnede ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ (Bron: Provincie Overijssel)
‘Jonge heide- en broekontginningslandschap’ De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreidings’ landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Door uitvoering te geven aan de landschapsmaatregelen zoals voorgesteld in het ruimtelijk kwaliteitsplan (bijlage 1), worden de landschappelijke waarden behouden of zelfs versterkt. De gewenste ontwikkeling is in overeenstemming met de gebiedskenmerken van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’. De ‘Laag van beleving’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van beleving’ aangeduid met het gebiedstype ‘Donkerte’. Afbeeldingen 4.5 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van beleving’.
Afbeelding 4.5
Uitsnede ‘Laag van beleving’ (Bron: Provincie Overijssel)
‘Donkerte’ Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van beleving’ Hoewel met voorgenomen ontwikkeling bebouwing wordt toegevoegd, wordt dit gerealiseerd op een bestaand erf. Hierdoor is in de huidige situatie al minder sprake van een donker gebied. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Laag van beleving’. 4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
4.3
Regionaal beleid
De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang, wat ertoe kan leiden dat er op regionaal niveau beleid wordt vastgesteld (bijvoorbeeld een regionale woningbouwopgave). 4.3.1
Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018
4.3.1.1 Algemeen De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben in 2014 een gezamenlijke beleidsnota “Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente” opgesteld. Met deze gezamenlijke nota zijn de ruimtelijke kaders in heel Noordoost Twente grotendeels gelijk getrokken en is het beleid in de vier gemeenten op elkaar afgestemd. Om adequaat te kunnen inspelen op trends in ontwikkelingen in de sector is het van belang om te beschikken over actuele beleidskaders. Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen liggen om de vitaliteit van de sector te versterken. Met voorliggende beleidsnota uit 2018 beschikken de vier NOT-gemeenten weer over een actueel beleidskader, waarmee duidelijke kaders naar ondernemers worden geboden op welke wijze de verblijfsrecreatieve sector zich kan ontwikkelen. Het doel van de nota is om kaders te weergeven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. De beleidsnota beperkt zich tot de kaders voor toekomstige (met name fysieke) ontwikkelingen binnen de verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente. 4.3.1.2 Analyse verblijfsrecreatieve sector Noordoost Twente De vitaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente is geanalyseerd.
De analyse is vanuit verschillende invalshoeken benaderd, om de visie zo concreet mogelijk in beeld te brengen. Noordoost Twente maakt deel uit van de regio Twente en heeft de toerist landschappelijk veel te bieden. Het unieke landschap is een grote trekpleister voor recreanten. Niet alleen de verblijfssector en de horeca profiteren van bezoekers aan de regio, maar ook een breed scala aan andere sectoren profiteren mee. Van detailhandel tot bouwondernemingen en van maakindustrie tot musea. De vrijetijdssector zorgt onder andere voor nieuwe investeringen, culturele uitwisselingen en een betere infrastructuur. Een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld product is dan ook van groot belang voor de regio. Goede en kansrijke initiatieven die van toegevoegde waarde zijn voor het huidige verblijfsrecreatieve product worden daar waar mogelijk aangemoedigd. Uit de voorgaande analyse zijn de volgende conclusies getrokken die van belang zijn geweest voor de visievorming: • •
•
De vrijetijdssector – in dit geval specifiek verblijfsrecreatie – is van groot economisch belang voor de regio Noordoost Twente. Een breed scala aan functies profiteert mee van een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product. In Noordoost Twente is sprake van de ‘verblijfsrecreatieparadox’. Er is een overaanbodsituatie ontstaan, waardoor de markt verzadigd is. Dit is met name het geval in de kampeersector. Het aanbod is in het laatste decennium sterker gegroeid dan de vraag. Met als resultaat teruglopende bezettingen, marges die onder druk staan en wisselend toekomstperspectief. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing en innovatie nodig binnen de sector. In een relatief verzadigde markt is het daarom van belang om te kijken naar de toegevoegde waarde van een initiatief; het moet niet ‘meer van hetzelfde’ zijn, bijdragen aan diversificatie van het aanbod en/of beter inspringen op de wensen vanuit de markt. De markt vraagt om vernieuwend en luxe aanbod, waarbij beleving en authenticiteit centraal staan.
4.3.1.3 Visie verblijfsrecreatie in Noordoost Twente De verblijfssector is over het algemeen kleinschalig en traditioneel van karakter te noemen. Er is sprake van een verzadigde markt. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing, differentiatie en innovatie nodig binnen de sector, waarbij vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Het doel is een vitale en eigentijdse vrijetijdseconomie met een gezond, vraaggericht, onderscheidend en toekomstbestendig aanbod. Resumerend is de volgende visie geformuleerd: "Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod". 4.3.1.4 Beleid per vorm verblijfsrecreatie: Plattelandskamers Definitie Een (deel van) een (voormalig) agrarisch gebruikt gebouw dat blijvend bestemd is voor recreatief nachtverblijf. Hierbij wordt overnacht: • •
In kamers waarin keuken en/of sanitair in een gemeenschappelijk ruimte worden ondergebracht of In zelfstandige eenheden
al dan niet in combinatie met een dagverblijf. Het gaat om een vorm van verblijfsrecreatie waarbij beleving van het platteland centraal staat. Uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen • •
Toegestaan bij agrarische bedrijven als nevenactiviteit en op voormalige agrarische erven (VAB). Plattelandskamers buiten het VAB-beleid (bijvoorbeeld bij gebouwen met een cultuurhistorische waarde) worden ter specifieke beoordeling voorgelegd aan het college.
4.3.1.5 Beleid per vorm verblijfsrecreatie: Trekkershutten Definitie Een trekkershut is een houten blokhut met een maximale oppervlakte van 30 m2 en dat dient als periodiek verblijf voor wisselende groepen van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben. Uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen •
Trekkershutten zijn een welkome aanvulling op de differentiatie van het toeristisch kampeerproduct.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld •
Bedrijfsmatige exploitatie is vereist.
4.3.1.6 Beleid per vorm verblijfsrecreatie: kampeermiddelen)
Reguliere kampeerterrein (> 25 plaatsen voor
Definitie Een regulier kampeerterrein is een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en volgens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf. Uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen • •
Inzet op versterking van bestaande kampeerterreinen (uitbreiding, herinrichting etc.) boven nieuw vestiging (=conform uitwerking provinciale omgevingsvisie); nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de toetsingscriteria zoals omschreven in hoofdstuk 5. Grotere ruimtebehoefte kampeerterreinen om zodoende in te kunnen blijven spelen op de wens vanuit de markt naar meer rust en privacy.
4.3.1.7 Toetsing van het initiatief aan de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018 Voorliggende ruimtelijke motivering heeft betrekking op het gebruik van de gronden ten behoeve van de beoogde recreatieve functie. Dit plan gaat uit van het realiseren van extra recreatieve (verblijfs)mogelijkheden op de minicamping in de vorm van drie plattelandskamers en een trekkershut. De plattelandskamers worden gerealiseerd in een kapschuur (voormalig agrarisch bedrijfsgebouw). Er wordt ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit een bijgebouw gedraaid en verbouwd. Het aantal standplaatsen op het kampeerterrein wordt verhoogd van 25 naar 50. Hiervoor is het erf ruim voldoende van omvang. De ontwikkeling vindt plaats ten behoeve van de uitbreiding van een bestaande minicamping. Het geheel wordt landschappelijk ingepast. Daarnaast wordt in paragraaf 4.3.2 uiteengezet dat er behoefte is naar de ontwikkeling en dat dit bijdraagt aan de diversificatie van het aanbod en/of een aantoonbare meerwaarde hebben voor het toeristische product in Noordoost Twente. Er wordt ingezet op de juiste doelgroepen. De ontwikkeling sluit aan bij het beleid voor plattelandskamers, trekkershutten en kampeerterreinen zoals omschreven in de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018.
Zo worden de ontwikkelingen gerealiseerd op een locatie waar in het verleden een agrarisch bedrijf gevestigd is, maar tegenwoordig in gebruik is als minicamping. Uit deze motivering blijkt dat er sprake is van aantoonbare meerwaarde, brandveiligheid, ruimtelijke ordening, geen belemmering van milieuaspecten, en goede infrastructuur en parkeermogelijkheden. Dit initiatief voldoet aan de voorwaarden zoals beschreven in de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018 en draagt door zijn ligging en kleinschaligheid bij aan het verbeteren van het aanbod van verblijfsrecreatie in de gemeente Losser. 4.3.2
Onderzoek verblijfsrecreatie Noordoost Twente
4.3.2.1 Algemeen Het rapport onderzoekt de marktruimte voor verblijfsrecreatie in Noordoost-Twente en analyseert de aansluiting van het aanbod op de vraag vanuit verschillende leefstijlen. De belangrijkste conclusies zijn dat er positieve marktruimte is voor nieuwe hotels en campings vanwege groeiende vraag en goede bezettingsgraden. Voor bungalowparken en groepsaccommodaties is er geen extra marktruimte omdat de vraag wordt afgedekt door de bestaande planvoorraad en het aanbod. De dichtheid aan B&B’s is relatief hoog, en voor camperplaatsen en losse vakantiewoningen is het aanbod gemiddeld, maar beperkte data bemoeilijken verdere analyse. Er liggen vooral kansen voor initiatieven gericht op avontuurzoekers, plezierzoekers en inzichtzoekers waarvoor het huidige aanbod tekortschiet. De regio wordt geadviseerd te focussen op onderscheidend en aanvullend aanbod, met aandacht voor marktvraag, data-uniformiteit, en beleidsmatige randvoorwaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld 4.3.2.2 Leefstijlvinders In dit geval zijn de meest kansrijke en passende doelgroepen voor de gemeenten in Noordoost-Twente de avontuurzoekers, plezierzoekers en inzichtzoekers. Hoewel er een lichte disbalans bestaat tussen vraag en aanbod voor de rustzoeker, wordt deze groep niet als kansrijk beschouwd voor nieuw aanbod. Rustzoekers gaan minder vaak dan gemiddeld op vakantie, en ondanks dat de kwalitatieve analyse een iets grotere vraag dan aanbod laat zien, is dit verschil te klein om van betekenis te zijn. 4.3.2.3 Camperplaatsen De vraag naar camperovernachtingen in Nederland groeit sterk. Ondanks meer campers en locaties constateert de NKC een tekort aan plekken. Camperaars vinden moeilijker een overnachtingsplaats. De NKC pleit voor tijdelijke vergunningen en plekken bij boeren. De groei zet door, in Noordoost-Twente is het aanbod gemiddeld maar uitbreiding lijkt noodzakelijk. 4.3.2.4 Kampeerterreinen Richting 2030 wordt positieve marktruimte gezien voor aanvullend kampeeraanbod in Noordoost Twente. We zien ruimte voor enkele kleine campings of een grote camping.
Uitgaande van de verdere groei voor kampeerovernachtingen en rekening houdend met de (meer) concrete planvoorraad, voorzien we positieve marktruimte voor meerdere kleine campings of een grote camping, mits er sprake is van aanvullende, of vernieuwende initiatieven, die een verrijking zijn voor het bestaande aanbod. 4.3.2.5 Vakantiewoning, vakantiehuis(je)/appartement(en) In Noordoost-Twente bevinden zich diverse vakantiewoningen, vakantiehuisjes en appartementen die niet op een bungalowpark liggen en geen ontbijt aanbieden. De drie plattelandskamers en een trekkershut passen het best binnen deze categorie. Boerenkamers zijn niet als aparte groep onderzocht en vallen, afhankelijk van de aanwezigheid van een ontbijtservice, onder B&B’s of vakantiewoningen. In dit geval wordt geen ontbijt aangeboden. Omdat de markt voor losse vakantiewoningen lastig in cijfers is te vatten en er weinig gegevens beschikbaar zijn, wordt in het onderzoek voorzichtig geconcludeerd dat het aanbod in Noordoost-Twente gemiddeld is. Toch lijkt er ruimte voor uitbreiding, aangezien aanvullend aanbod economisch rendabel en winstgevend kan zijn. 4.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan Onderzoek verblijfsrecreatie Noordoost Twente In 2023 is het onderzoek “Onderzoek Verblijfsrecreatie Noordoost Twente” uitgevoerd als aanvulling op de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente uit 2018.
Dit onderzoek geeft inzicht in de actuele vraag naar verblijfsrecreatie in de regio. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat nieuwe initiatieven aansluiten bij de marktvraag. Uit het onderzoek blijkt dat er behoefte is aan diverse vormen van verblijfsrecreatie, waaronder camperplaatsen, kampeerterreinen en vakantiewoningen of appartementen. Binnen Noordoost Twente is een groot aantal mensen dat op zoek is naar rust, ruimte en verblijf in een landelijke omgeving. Hoewel er al aanbod is voor rustzoekers, overstijgt de vraag dit aanbod. Dit sluit goed aan bij de ligging en het karakter van de beoogde ontwikkeling. De camping is rustig gelegen tussen weilanden en een bosrand, en biedt daardoor een groene en natuurlijke omgeving. Dit maakt de locatie aantrekkelijk voor onder andere 50-plussers, fietsers, wandelaars en natuurliefhebbers. De camping ligt op korte afstand van de dorpskern van De Lutte, waar diverse voorzieningen zoals winkels, horeca en toeristische attracties aanwezig zijn. Dit zorgt voor een goede combinatie van rust en nabijheid van voorzieningen. Daarnaast ligt de camping op de hoek van de Lossersestraat en de historische Postweg, een oude handelsroute van Osnabrück naar Deventer. Ook grenst de camping aan het Arboretum Poortbulten, een omvangrijk bomenpark van circa 19 hectare, wat zorgt voor een sterke vergroening en een bijzondere natuurlijke beleving.
De combinatie van deze kenmerken (rust, natuur, een historische context en de aanwezigheid van dorpsvoorzieningen in de nabijheid) en accommodatie (kampeerterrein, trekkershutten en plattelandskamers) maakt de locatie onderscheidend en passend bij de wensen van rustzoekers en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld andere leefstijlgroepen, zoals inzichtzoekers, avontuurzoekers en plezierzoekers. Groepen waarvoor in Noordoost Twente eveneens nog ruimte is om het verblijfstoeristisch aanbod te verbreden. Samenvattend draagt het plan bij aan het verminderen van het tekort aan verblijfsplekken voor rustzoekers, terwijl het ook nieuwe mogelijkheden schept voor andere doelgroepen. De herbouw van het agrarisch gebouw en de landschappelijke inpassing dragen bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waarmee een duurzame voortzetting van de recreatieve functie op deze locatie wordt gerealiseerd. Op deze manier sluit het plan aan op de regionale ontwikkelingen en de actuele vraag uit de verblijfstoeristische markt in Noordoost Twente. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het regionaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten zoals verwoord in het in deze paragraaf behandelde beleidsstuk.
4.4
regionale
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 4.4.1
Omgevingsvisie gemeente Losser 2040
4.4.1.1 Algemeen In maart 2023 heeft de gemeente haar Omgevingsvisie vastgesteld. In deze Omgevingsvisie schetst de gemeente Losser een toekomstbeeld. Wat zijn de ambities? Hoe zien ze de leefomgeving in de gemeente in 2040 voor zich? Welke kansen zien ze voor de gemeente Losser? Dit gaat over de lange termijn, en daarom soms in abstracte termen. De gemeente heeft in haar visie 4 ambities geformuleerd: 1. 2. 3. 4.
Een herkenbaar en gastvrij Losser; Een leefbaar en gezond Losser; Een toekomstgericht Losser; Een innovatief en ondernemend Losser.
Hiervan is de ambitie ‘Herkenbaar en gastvrij Losser’ en het gebiedskompas ‘Aan de flank van de stuwwal’ het meest relevant. 4.4.1.2 Gebiedskompas: Aan de flank van de stuwwal Vanwege landschappelijke waarden leent dit deelgebied zich bijzonder goed voor een verdere ontwikkeling van de recreatie. We kijken daarbij met name naar de bosgebieden ten zuiden van de Oldenzaalsestraat (N734); nieuwe dag- en verblijfsrecreatie voorzieningen zijn daar mogelijk. We streven wel naar een gevarieerd aanbod en waken voor meer van het zelfde. Ten noorden van de A1, op de stuwwal, zien we kansen voor de verdere ontwikkeling van de dagrecreatie. We zien het gebied als een aantrekkelijk uitloopgebied, niet alleen voor onze eigen inwoners, maar ook voor gasten uit bijvoorbeeld Oldenzaal, andere delen van Nederland of Duitsland. 4.4.1.3 Een herkenbaar en gastvrij Losser De gemeente Losser herbergt veel cultuurhistorisch waardevol erfgoed, waarvan de waarden belangrijk zijn voor zowel inwoners als recreanten. Hieronder vallen ook landschapselementen zoals onverharde wegen, landweren, grafvelden, kampplaatsen, raatakkers en essen. Bij het ontwikkelen van
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld natuurwaarden en het verbeteren van de biodiversiteit is het behouden en herstellen van landschapselementen belangrijk. Daarnaast is de gemeente Losser trots op de gemeente en laten dat graag zien aan recreanten en bezoekers. De gemeente Losser wil dat cultuurhistorische en landschappelijke elementen en structuren nog beter herkenbaar en beleefbaar zijn, waarbij de gemeente zich sterk maakt voor een zorgvuldige verbetering en uitbreiding van haar recreatieve infrastructuur, met aandacht voor de rust die het gebied kenmerkt en waarden van flora en fauna. Met als basis deze Omgevingsvisie, ontwikkelt de gemeente een samenhangend Programma, gericht op het in stand houden en actief verbeteren van de toeristisch recreatieve route-infrastructuur en neemt waar nodig een handhavingsaanpak op. De (wandel- fietsen mountainbike) routenetwerken in Losser maken onderdeel uit van de routenetwerken in Twente. Zij vormen de basis voor een herkenbaar en gastvrij Losser. De routes moeten geoptimaliseerd worden en waar mogelijk worden knelpunten opgelost. Waar mogelijk gaat de gemeente ook op zoek naar nieuwe verbindingen voor de ontbrekende schakels. Naast dagrecreatie wil de gemeente ook verblijfsrecreatie bevorderen.
De gemeente leent zich goed voor de meer kleinschalige vorm van kwalitatief hoogwaardige verblijfsrecreatie. Deze is qua aard en schaal passend bij de omgeving. De gemeente versterkt het toerisme door differentiatie in het aanbod, kwaliteitsverbetering en productvernieuwing. Losser wil de bestaande hotels en kampeerterreinen voor de eigen gemeente behouden. Tot slot is één van de acties voor de ambitie een herkenbaar en gastvrij Losser ‘Behouden en herstellen van Landschapselementen en natuurgebieden’. Eén van de manieren hoe de gemeente Losser dit wil doen is een beschermende regeling in het Omgevingsplan. 4.4.1.4 Toetsing aan Omgevingsvisie gemeente Losser 2040 De ontwikkeling levert een positieve bijdragen aan de versterking en instandhouding van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Door uitvoering te geven aan de landschapsmaatregelen zoals voorgesteld in het ruimtelijk kwaliteitsplan (bijlage 1), worden de landschappelijke waarden behouden of zelfs versterkt. Voor een deel van het perceel komt de dubbelbestemming ‘Waarde – Natuur en landschap’ te vervallen, omdat dit wordt bestemd als ‘Recreatie - Kampeerterrein’. Hiermee vervalt een beschermende regeling uit het omgevingsplan. Deze dubbelbestemming borgt het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het betreft het groene kader in afbeelding 4.6. Ter plaatse is echter geen sprake van NNN. Daarnaast is op de betreffende locatie geen natuur of waardevol groen aanwezig. Het betreft intensief beheerde grasland. Binnen voorliggend voornemen is daarmee geen sprake van aantasting van de natuurkwaliteit. Het van toepassing zijn van dit beschermingsregime komt ter plaatse van het plangebied dan ook niet overeen met de feitelijke situatie. Hierdoor voorziet de ontwikkeling niet in aantasting van de eventuele wezenlijke kenmerken en waarden, of significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die tussen die gebieden plaatsvinden. Vanwege het ontbreken van de kenmerken en waarden ter plaatse heeft de ontwikkeling geen negatief effect op het areaal, de kwaliteit en de samenhang van de betrokken gebieden als gevolg van het voornemen. Het voornemen heeft geen negatieve invloed op het Natuurnetwerk Nederland.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 4.6 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ruimtelijkeplannen.nl)
‘Partiële herziening Buitengebied, verzamelplan 2022’ (Bron:
Er wordt opgemerkt dat deze ruimtelijke motivering betrekking heeft op het beoogde gebruik van de gronden voor een recreatieve bestemming. Door de toevoeging van plattelandskamers, standplaatsen op het kampeerterrein en een trekkershut wordt bijgedragen aan een kleinschalige en kwalitatief hoogwaardige vorm van verblijfsrecreatie binnen de gemeente Losser. Het plangebied is gelegen in het gebiedskompas ‘Aan de flank van de stuwwal’, dat zich vanwege de aanwezige landschappelijke waarden bij uitstek leent voor verdere ontwikkeling van recreatie. De locatie biedt rust, ruimte en een aantrekkelijk verblijf in een landelijke omgeving. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie gemeente Losser 2040. 4.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de EV-signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de EV-signaleringskaart met daarop middels een rode ster de locatie van het plangebied weergegeven. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele risicobronnen. Ten noorden van het plangebied bevinden zich vervoerswegen voor gevaarlijke stoffen, namelijk de snelweg A1 en het spoortracé Hengelo – Bad Bentheim. Het plangebied bevindt zich op circa 400 meter afstand van de risicobronnen. Door de ruime afstand van de risicobronnen ligt het plangebied ruimschoots op veilige afstand. Dit wordt bevestigd door dat het plangebied buiten de veiligheidszones zoals weergegeven in afbeelding 5.1 bevindt. Daarnaast is er geen sprake van opslag voor het bewerken en/of her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Ook is er geen sprake van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). In de nabijheid van het plangebied is ook geen sprake van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Ten slotte ligt het plangebied ook niet in de nabijheid van een inrichting voor het opslaan en bewerken van ontplofbare
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Er zijn geen (veiligheid) maatregelen nodig voor de realisatie van het plan.
Afbeelding 5.1
5.3
Uitsnede EV-signaleringskaart (Bron: EV-signaleringskaart)
Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 6
Beschermen van de waterbelangen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Beleid Waterschap
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
6.2
Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied
6.2.1
Watertoets
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Waterhuishoudkundige aspecten
Het waterschap is geïnformeerd over de voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde ‘Korte procedure’ van toepassing is. Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding in en rondom het plangebied. Het resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in bijlage 2 van deze motivering. In bijlage 2 zijn ten onbedoeld standaardteksten van waterschap Rijn en IJssel opgenomen. Dit betreft een technische fout. Het initiatief is daadwerkelijk voorgelegd aan Waterschap Vechtstromen. In overleg met de gemeente is vastgesteld dat de watertoets niet opnieuw hoeft te worden doorlopen. Hierna worden kort de relevante water aspecten besproken. Hemelwaterafvoer Het voornemen is om het hemelwater ter plaatse op te vangen en te laten infiltreren in de bodem. Op het eigen terrein is voldoende groen beschikbaar om dit te realiseren. Er is immers een zeer beperkte toename aan de hoeveelheid verharding. Hoewel er in eerste instantie geen individuele voorzieningen voor waterberging worden aangelegd, is er voldoende ruimte om dit te doen mocht het later toch nodig blijken te zijn. Afvalwaterafvoer Voor de afvoer van afvalwater wordt aangesloten op de bestaande situatie.
Momenteel is het terrein aangesloten op het gemeentelijke drukriool (vrij verval), waarop ook de nieuwe gebouwen worden aangesloten. Met de gemeente is afgestemd dat het riool over voldoende capaciteit beschikt. Voor de aanleg van de aansluiting wordt hierover nader contact opgenomen met de gemeente.
6.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 7
Bescherming gezondheid en het milieu
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hieronder zijn de onderwerpen weergegeven waarvoor in deze afdeling instructieregels zijn gesteld en wordt aangegeven of deze relevant zijn voor dit plan. Onderwerp
Relevante instructieregels Bkl
Relevant voor het plan?
Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens Trillingen
Paragraaf 5.1.4.1
Ja, zie paragraaf 7.3.
Paragraaf 5.1.4.2 Paragraaf 5.1.4.2a
Ja, zie paragraaf 7.1. Ja, zie paragraaf 7.1.
Paragraaf 5.1.4.3
Nee, het plangebied ligt niet nabij een luchthaven. Ja, zie paragraaf 7.5.
Slagschaduw van windturbines Bodemkwaliteit Geur
Paragraaf 5.1.4.4 Paragraaf 5.1.4.4a Paragraaf 5.1.4.5 Paragraaf 5.1.4.6
Nee, nabij het plangebied bevinden zich geen windturbines. Ja, zie paragraaf 7.2. Ja, zie paragraaf 7.4.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens wordt het aspect ‘gezondheid’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2
Situatie plangebied
Het Bkl wijst plattelandskamers en trekkershutten (logiesfuncties) niet aan als geluidgevoelig gebouw. Echter zullen in deze gebouwen wel voor langdurige tijd personen verblijven, waardoor geluid door activiteiten een factor is voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Het te draaien agrarisch bedrijfsgebouw dat wordt gebruikt ten behoeve van werktuigenberging, informatie ruimte en gemeenschappelijke ruimte voor de minicamping wordt buiten beschouwing gelaten. De aanwezigheid van personen blijft daar over het algemeen beperkt tot een verblijfsduur van minder dan 2 uur. Daardoor kan een nadere verantwoording met betrekking tot geluid voor dit object achterwege blijven. Hieronder wordt kort getoetst op wegverkeer-, industrie- en wegverkeerslawaai en solitaire bedrijvigheid. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld Geluid door wegen en spoorwegen De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend gelden de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich in het geluidsaandachtsgebied van verschillende wegen. Voor de huidige geluidsbelasting op het plangebied als gevolg van de omliggende wegen is de Geluidskaart van Atlas Leefomgeving geraadpleegd. In afbeelding 7.1 zijn de locaties van de beoogde plattelandskamers en trekkershut weergegeven met rode stippellijn. In de afbeelding is te zien dat de geluidsbelasting slechts op een gedeelte van de gevel tussen de 46-50 dB bedraagt. Voor de rest van de gevels geldt een geluidsbelasting van lager dan 45 dB. De te realiseren gebouwen dienen te beschikken over een gevelwering van 20 dB, zoals omschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Met minimale gevelwering is het binnenniveau maximaal 30 dB. Volgens het Bbl mag het toelaatbare niveau ten gevolge van het gezamenlijke geluid maximaal 33 dB bedragen. Hier wordt aan voldaan. Met inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren gebouwen.
Afbeelding 7.1
Uitsnede geluidskaart, plangebied in het rood omlijnd (Bron: Atlas Leefomgeving)
In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen spoorlijn. De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich op meer dan 400 meter afstand. Omdat de ontwikkeling buiten het aandachtsgebied van 350 meter ligt, wordt er vanuit gegaan dat het geluidsniveau met betrekking tot railverkeerslawaai aanvaardbaar is. Een onderzoek naar railverkeerslawaai wordt hierdoor niet noodzakelijk beschouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld Geluid door industrieterreinen In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen voor de voorgenomen ontwikkeling wordt verwezen naar onderstaande alinea. Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Met betrekking tot de individuele bedrijven en functies wordt vermeld dat reeds verblijfsrecreatieve mogelijkheden aanwezig zijn. Gelet op vorenstaande betreft de ontwikkeling geen nieuwe functie en worden omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Bovendien kan hierdoor worden geconcludeerd dat ter plaatse van de recreatiewoningen sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.1.3
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.2.2
Situatie plangebied
In dit geval is door Sigma Geo- en Milieutechniek een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN5740 norm om de kwaliteit van de bodem in beeld te brengen. Het volledige onderzoek is in bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten De bovengrond ter plaatse van boring 7 (zie ook afbeelding 7.2) bevat o.a. een verhoogd gehalte koper (zware metalen) t.o.v. de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het sterk verhoogd gemeten gehalte koper (zware metalen) geeft aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. Middels een nader (afperkend) onderzoek kan de omvang van het verontreiniging in de bodem worden vastgesteld. Het doel van het nader bodemonderzoek is om te beoordelen of in het kader van de herinrichting grondwerkzaamheden moeten worden gemeld als milieubelastende activiteit 'graven in grond verontreinigd boven de interventiewaarde met volume van meer of minder dan 25 m 3’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 7.2
Boorplan onderzoek locatie (Bron: Sigma Geo-en Milieutechniek)
Echter wordt op deze plaats vermeldt dat ter plaatse van boring 7 geen graafwerkzaamheden plaats gaan vinden. Zoals weergegeven in afbeelding 7.2 bevindt het zich op een stuk bestaande verharding. De situatie hiervan blijft onveranderd. Daarom afgezien van een nader (afperkend) onderzoek. Voor het overige zijn in de onderzochte boven- en ondergrondmonsters enkele stoffen verhoogd gemeten die ten minste voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten t.o.v. de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering. Mochten er op deze plek in de toekomst alsnog graafwerkzaamheden plaatsvinden, wordt een nader (afperkend) onderzoek uitgevoerd. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 7.3.2
Situatie plangebied
Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 7.4.2
Situatie plangebied
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen geurbronnen aanwezig. Met betrekking tot de individuele bedrijven en functies wordt vermeld dat reeds verblijfsrecreatieve mogelijkheden aanwezig zijn. Gelet op vorenstaande betreft de ontwikkeling geen nieuwe functie en worden omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Bovendien kan hierdoor worden geconcludeerd dat ter plaatse van de recreatiewoningen sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien worden geen activiteiten mogelijk gemaakt met geuremissie. Gelet op vorenstaande wordt een nadere toetsing van het aspect geur niet noodzakelijk geacht. 7.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Wettelijk kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 7.5.2
Situatie plangebied
In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op circa 400 meter van het plangebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor, wat kan worden uitgebreid tot 250 meter. Een nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. 7.5.3
Conclusie
Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het plan gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 7.6.2
Situatie plangebied
De ligging van het plangebied, in een groene omgeving nabij fiets- en wandelpaden en het nabijgelegen landschapspark ‘Arboretum Poort Bulten’ van circa 19 hectare, nodigt uit tot actief bewegen en recreëren in de natuur. Hiermee draagt de ontwikkeling positief bij aan zowel de lichamelijke als geestelijke gezondheid van bezoekers. Tegelijkertijd versterkt het plan de kwaliteit van de leefomgeving door een veilige en aantrekkelijke omgeving te bieden. Zoals verder toegelicht in deze motivering, zorgt de inrichting en landschappelijke inpassing van het perceel voor een hoge omgevingskwaliteit en borgt het een duurzame, toekomstbestendige recreatieve functie. 7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
8.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3
Houtopstanden
Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •
De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld 8.1.4