Ruimtelijke motivering WOP De Lutte, Lossersestraat 71 (vastgesteld juni 2026)
Tekst van het document
Situatie plangebied
8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Landgoederen Oldenzaal’ bevindt zich circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied. Om de stikstofdepositie van het voornemen op Natura 2000-gebieden te bepalen is door BJZ.nu een AERIUSberekening uitgevoerd om de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase te bepalen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder worden de rekenresultaten weergegeven. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving 8.1.4.2 NNN-gebieden Voor een deel van het perceel komt de dubbelbestemming ‘Waarde – Natuur en landschap’ te vervallen, omdat dit wordt bestemd als ‘Recreatie - Kampeerterrein’. Hiermee vervalt een beschermende regeling uit het omgevingsplan. Deze dubbelbestemming borgt het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het betreft het groene kader in afbeelding 4.6. Ter plaatse is echter geen sprake van NNN. Daarnaast is op de betreffende locatie geen natuur of waardevol groen aanwezig. Het betreft intensief beheerde grasland. Binnen voorliggend voornemen is daarmee geen sprake van aantasting van de natuurkwaliteit. Het van toepassing zijn van dit beschermingsregime komt ter plaatse van het plangebied dan ook niet overeen met de feitelijke situatie. Hierdoor voorziet de ontwikkeling niet in aantasting van de eventuele wezenlijke kenmerken en waarden, of significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die tussen die gebieden plaatsvinden. Vanwege het ontbreken van de kenmerken en waarden ter plaatse heeft de ontwikkeling geen negatief effect op het areaal, de kwaliteit en de samenhang van de betrokken gebieden als gevolg van het voornemen. Het voornemen heeft geen negatieve invloed op het Natuurnetwerk Nederland. 8.1.4.3 Houtopstanden In het plangebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie plangebied
Door Ecofect is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hieronder kort benoemd. Het volledige rapportage is toegevoegd aan bijlage 5 van deze toelichting. Onderzoeksresultaten Voor flora, vogels, vleermuizen, zoogdieren en overige soorten geldt dat er geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet plaatsvinden. Bovendien worden er geen bomen gekapt zoals bedoeld in de Omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Er geldt geen herplant- of meldingsplicht.
8.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 9
9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied” en herzieningen zijn de gronden niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Derhalve worden er geen archeologische waarden verwacht. Een nadere verantwoording met betrekking tot het aspect archeologie kan achterwege blijven.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Binnen het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt daardoor geen belemmering voor de ontwikkeling.
9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 10
10.1
Infrastructuur en openbare ruimte
Wettelijk kader
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied.
10.2
Verkeer en parkeren
10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk Stedelijke zone: Buitengebied
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. 10.2.2 Parkeerbehoefte In voorliggend geval neemt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie toe door het realiseren van de trekkershut, het toevoegen van 25 standplaatsen en de plattelandskamers. Het te draaien voormalige agrarische bedrijfsgebouw ten behoeve van werktuigenberging, informatie ruimte en gemeenschappelijke ruimte voor de minicamping heeft geen effect op het aspect verkeer en parkeren. De functies plattelandskamers en trekkershutten worden niet genoemd in de bovengenoemde CROW publicatie. Daarom wordt aangesloten bij de kencijfers voor de functie ‘Bungalowpark (huisjes complex)’. Functie/activiteit Bungalowpark (huisjescomplex) Camping (kampeerterrein) Totaal
Parkeernorm per bungalow/standplaats 2,1
Aantal woningen/ bvo/standplaatsen 4
Totaal 8,4
1,2
24
28,8 37,2 (afgerond 38)
Conform de bovenstaande tabel dienen voor de bestaande trekkershut 2,1 (afgerond 3) parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Deze parkeerplaatsen zijn reeds aanwezig en bevinden zich, samen met de overige parkeerplaatsen, op de bestaande verharding. In totaal wordt voorzien in 12 parkeerplaatsen, waarvoor specifieke parkeergelegenheden zijn aangewezen. Voor de camping (29 parkeerplaatsen) blijft de bestaande terreinverharding behouden en wordt gebruikt als parkeervoorziening. Op deze verharding is ruimschoots voldoende ruimte aanwezig om de auto’s van campinggasten te parkeren. Het is echter niet wenselijk om vaste parkeerplaatsen aan te duiden, omdat de parkeerbehoefte sterk varieert met het seizoen en de bezetting van de camping. De BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld verharding heeft daarnaast een belangrijke functie voor het beheer en onderhoud van het terrein, onder andere voor bevoorrading en de bereikbaarheid van onderhoudsvoertuigen. Aanpassing of specifieke indeling van deze verharding zou de functionele inrichting beperken. Binnen de bestaande verharding is ruimte voor de benodigde parkeercapaciteit, waardoor uitbreiding van het verharde oppervlak niet nodig is en de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft. 10.2.3 Verkeersgeneratie en ontsluiting De voorgenomen ontwikkeling resulteert in een extra verkeersgeneratie van circa 2,7 verkeersbewegingen per woning per weekdagetmaal. Bij 4 woningen bedraagt dit in totaal 10,8 (afgerond 11) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Daarnaast zorgen de 25 standplaatsen, met een kengetal van 0,4 verkeersbewegingen per standplaats, voor 10 extra verkeersbewegingen per weekdagetmaal. In totaal wordt uitgegaan van circa 21 (afgerond) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Voor de ontsluiting wordt gebruikgemaakt van de bestaande toegang voor de minicamping aan de Postweg. Hoewel deze toegang niet breed genoeg is om voertuigen elkaar te laten passeren, zal dit door het zeer beperkte aantal verkeersbewegingen nauwelijks tot geen problemen opleveren.
Bezoekers van de minicamping maken geen gebruik van de ontsluiting aan de Lossersestraat. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de toename in verkeersbewegingen op een veilige manier te verwerken.
10.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 11
11.1
M.e.r.- Beoordeling
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
11.2
Situatie plangebied
Dit plan gaat uit van het realiseren van extra recreatieve (verblijfs)mogelijkheden op de minicamping in de vorm van drie plattelandskamers en een trekkershut. Tot slot wordt er ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit een bijgebouw gedraaid en verbouwd. Dit is een (zeer) kleinschalige ontwikkeling. Deze ontwikkeling wordt niet genoemd in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Bovendien is, voor zover relevant in dit kader, sprake van een functie die geen aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van omliggende woningen. Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 12
12.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen.
Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
12.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
12.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De initiatiefnemer heeft direct omwonenden geïnformeerd. De ontvangen reacties waren positief. Zoals ook weergegeven in verslag van het participatietraject in bijlage 6 van deze motivering. 12.2.2 Afstemming overlegpartners Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. 12.2.3 Zienswijzen Het ontwerp wijzigingsbesluit heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Hoofdstuk 13
13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggende omgevingsplanwijziging: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrechtbepalingen.
13.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit plan beoogt het realiseren van recreatieve (verblijfs)mogelijkheden en kampeerterrein op de locatie Lossersestraat 71 in De Lutte. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Losser. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Losser. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22g' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22g bij het omgevingsplan van de gemeente Losser.
13.2.3 Toepassingsbereik Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 2 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld Artikel 2 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Buitengebied, Lossersestraat 71 te De Lutte, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0168.TAM22G-0401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 13.2.4 Begripsbepalingen Het TAM-omgevingsplan is een regeling opgesteld op grond van de Omgevingswet en maakt onderdeel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (art. 1.1 Omgevingswet) en dus ook op het TAM-omgevingsplan. Begripsbepalingen in dit TAMomgevingsplan kunnen niet afwijken van begripsbepalingen uit de Omgevingswet.
Het TAMomgevingsplan bevat daarom uitsluitend aanvullende begripsbepalingen. Tevens zijn de begripsbepalingen uit de AMvB’s en Omgevingsregeling van toepassing verklaard. Begripsbepalingen uit de AMvB’s en de Omgevingsregeling zijn namelijk niet rechtstreeks van toepassing op het omgevingsplan. 13.2.5 Aanvraagvereisten In paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op dit TAM-omgevingsplan, aangezien deze onderdeel is van het nieuwe deel van het omgevingsplan. In artikel 4 is daarom de volgende bepalingen opgenomen: Artikel 12 (Aanvraagvereisten) De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
13.3
Verantwoording van de regels
13.3.1 Toedeling functies aan locaties Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Voor de juridische regels is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Partiële herziening Buitengebied, verzamelplan 2022’, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Losser. ‘Agrarisch - 1’ De gronden die geen onderdeel zijn van het recreatieterrein krijgen de functie ‘Agrarisch - 1’. Deze gronden zijn bestemd voor agrarische cultuurgrond, evenals het behoud, het herstel de ontwikkeling van landschappelijke waarden, extensieve dagrecreatie en doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer. Het is niet toegestaan om gebouwen en overkappingen te bouwen. ‘Recreatie - Kampeerterrein’ De gronden die onderdeel zijn van het recreatieterrein hebben de functie ‘Recreatie – Kampeerterrein’. De gronden en bouwwerken binnen de functie ‘Recreatie – Kampeerterrein’ mogen worden gebruikt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld voor in totaal 50 standplaatsen voor kampeermiddelen, uitsluitend in de vorm van tenten, campers en caravans ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – kampeerterrein’, voor recreatief nachtverblijf in één trekkershut ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – trekkershut’, en voor recreatief nachtverblijf in drie plattelandskamers ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – plattelandskamers’. Daarnaast zijn beheer en dienstverlening toegestaan, waaronder een kantine/restaurant, sanitaire voorzieningen en onderhoud – evenals wonen ten behoeve van het bedrijf, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit. Bij deze functies horen tevens bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen (inclusief de bestaande inwoonsituatie), bijbehorende bouwwerken, overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, erven en terreinen, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede wegen, paden en parkeervoorzieningen.
‘Waarde – Natuur en landschap’ De gronden die de functie ‘Waarde – Natuur en landschap’ hebben zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de wezenlijke natuurlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur Natuurnetwerk Nederland (NNN), wat in ieder geval de verplichting inhoudt van behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22G, Buitengebied, Lossersestraat 71 De Lutte Vastgesteld
Bijlagen bij de ruimtelijke motivering
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
Bijlage 2
Watertoets
Bijlage 3
Bodemonderzoek
Bijlage 4
Stikstofberekening
Bijlage 5
Natuurwaardenonderzoek
Bijlage 6
Reacties participatie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55