Programmabegroting 2022.pdf
Tekst van het document
64
De baten voor de uitvoering van beleid op dit taakveld nemen in 2022 met € 118.000 af ten opzichte van 2021. Dit is het gevolg van het afschaffen van de Hondenbelasting, waardoor de baten worden verlaagd. 0.7 Algemene uitkering en overige uitkeringen Gemeentefonds Soort
Onderdeel
Baten
In beleidstoelichting
Totaal Baten
2021
2022
Verschil
37.736
39.731
1.995
37.736
39.731
1.995
Na opstelling van de VJN2021 is de meicirculaire door het rijk uitgebracht. Over de effecten hiervan bent u via een raadsinformatie van 22 juni 2021 op de hoogte gebracht. De effecten zijn meegenomen in de ramingen over de jaren 2022-2025. 0.8 Overige baten en lasten Soort
Onderdeel
2021
2022
Verschil
Lasten
Verdeelde kosten
161
7
-154
In beleidstoelichting
618
169
-449
779
191
-603
Totaal Lasten
Hier worden onder meer stelposten, resultaat en dekkingsverschillen verklaard. De daling van de lasten van € 434.000 wordt vooral verklaard door het wegvallen van stelpost Corona van € 500.000, die in de jaren 2020 en 2021 in de begroting was opgenomen. Toelichting doorbelasting kosten bedrijfsvoering De kosten voor de bedrijfsvoering worden volgens een vaste verdeelsystematiek verdeeld over de verschillende programma’s en taakvelden. Aangezien de ambtelijke organisatie van Losser dit jaar anders is georganiseerd, leidt de wijze van toerekening tot geringe verschillen per taakveld. Voor de totalen per programma heeft dit een beperkt effect. Zoals uit de tabel (zie beneden) ook te herleiden, is het saldo van de kostenverdeling gemeentebreed nihil; er is derhalve geen resultaatinvloed. Verloop kosten en baten bedrijfsvoering Soort
2021
2022
Verschil 20222021
Baten
241
245
3
Lasten
19.168
19.034
-134
Eindtotaal
19.410
19.279
-131
De totale kosten van de bedrijfsvoering dalen in 2022 ten opzichte van 2021 met € 134.000. De reden voor deze daling komt vooral door incidenteel in 2021 opgenomen budgetten. Het gaat dan vooral om de budgetten voor inzet van extra personeel voor de pitstop-projecten (€ 516.000) en de digitalisering van de dossiers (€ 160.000). De kosten stijgen vooral door de in de VJN2021 opgenomen loonstijging en uitbreiding van de formatie. De kostenstijging is € 329.000. De baten blijven nagenoeg gelijk en worden hier verder niet toelicht.
65
Doorbelasting kosten bedrijfsvoering per programma en taakveld In onderstaande tabel hebben we de effecten van de interne verrekening (de mutatie) van de kosten van de bedrijfsvoering per programma en taakveld voor de jaren 2021 en 2022 in beeld gebracht. Zoals we in de leeswijzer hebben aangegeven richten we ons in de toelichting op taakvelden op de overige afwijkingen ten opzichte van de PB2021. Omdat de onderstaande verdeeleffecten een technische achtergrond hebben worden de mutaties ten opzichte van 2022 inhoudelijk niet verder toegelicht. Actuele Taalveld
2021
2022
Baten Fysiek 0.3 Beheer overige gebouwen en gronden
1
1
2.1 Verkeer en vervoer
10
10
2.4 Economische Havens en waterwegen
0
0
5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie
8
8
7.2 Riolering
6
6
7.3 Afval
6
6
7.4 Milieubeheer
0
0
Totaal Fysiek
31
31
Kostenplaatsen
0
-245
Totaal Kostenplaatsen
0
-245
4.2 Onderwijshuisvesting
22
20
5.2 Sportaccommodaties
1
1
5.4 Musea
0
0
5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie
1
1
6.1 Samenkracht en burgerparticipatie
4
3
6.4 Begeleide participatie
0
0
Totaal Sociaal
28
26
0
0
194
187
1.1 Crisisbeheersing en Brandweer
0
0
Totaal Bestuur en Dienstverlening
194
187
Totaal Baten
253
0
Doorbelasting aan investeringen
243
208
Totaal Dienstverlening
243
208
122
112
Sociaal
Bestuur en dienstverlening 0.2 Burgerzaken 0.4 Ondersteuning organisatie
Lasten Dienstverlening
Fysiek 0.3 Beheer overige gebouwen en gronden
66
2.1 Verkeer en vervoer
1.173
1.107
2.4 Economische Havens en waterwegen
12
14
2.5 Openbaar vervoer
22
22
3.3 Bedrijfsloket en regelingen
35
46
1.118
832
7.2 Riolering
527
598
7.3 Afval
458
573
7.4 Milieubeheer
481
487
8.1 Ruimtelijke ordening
617
474
8.2 Grondexploitatie (niet bedrijventerreinen)
63
86
8.3 Wonen en bouwen
969
985
Doorbelasting aan investeringen
487
40
Totaal Fysiek
6.085
5.375
Kostenplaatsen
-18.703
-19.074
Totaal Kostenplaatsen
-18.703
-19.074
3.4 Economische promotie
36
45
4.2 Onderwijshuisvesting
48
52
4.3 Onderwijsbeleid en leerlingzaken
159
166
5.1 Sportbeleid en activering
11
16
5.2 Sportaccommodaties
489
716
5.3 Cultuurpresentatie, productie en participatie
12
17
5.4 Musea
5
7
5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie
98
88
6.1 Samenkracht en burgerparticipatie
346
95
6.2 Wijkteams
899
886
6.3 Inkomensregelingen
626
825
6.4 Begeleide participatie
-375
-362
6.5 Arbeidsparticipatie
585
846
6.6 Maatwerkvoorzieningen (WMO)
541
709
6.71 Maatwerkdienstverlening 18+
372
487
8
12
3.861
4.603
0.1 Bestuur
268
271
0.2 Burgerzaken
312
316
7.618
7.926
0.5 Treasury
2
2
0.61 OZB woningen
32
32
0.64 Belastingen Overig
6
6
5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie
Sociaal
7.1 Volksgezondheid Totaal Sociaal Bestuur en Dienstverlening
0.4 Ondersteuning organisatie
67
0.8 Overige baten en lasten
161
-23
1.1 Crisisbeheersing en Brandweer
56
47
1.2 Openbare orde en Veiligheid
312
310
8.766
8.887
252
-1
1
-1
Totaal Bestuur en Dienstverlening Totaal Lasten Eindtotaal
68
3. Paragrafen Dit hoofdstuk bevat de verplichte paragrafen volgens de richtlijnen van het BBV. Ze geven inzicht in de financiële positie van de gemeente. De informatie over deze onderwerpen is vaak versnipperd in de begroting opgenomen. De paragrafen gaan daardoor dwars door de verschillende programma’s heen. De paragrafen zijn: • • • • • • •
69
Lokale heffingen Weerstandsvermogen en risicobeheersing Onderhoud kapitaalgoederen Financiering Bedrijfsvoering Verbonden partijen Grondbeleid
3.1. Lokale heffingen Lokale heffingen hebben tot doel dat de gemeente door het verwerven van eigen middelen dekking vindt van haar uitgaven in het kader van de uitvoering van de gemeentelijke taken. De vaststelling van de tarieven door de gemeenteraad vindt plaats in december 2021. De lokale heffingen bestaan uit de gemeentelijke belastingen, rechten en retributies. Deze vormen een belangrijke inkomstenbron voor de gemeente. Lokale belastingen worden onderscheiden in heffingen waarvan de besteding gebonden dan wel ongebonden is. Ongebonden lokale heffingen (als de Onroerende zaakbelastingen) worden tot de algemene dekkingsmiddelen gerekend. De besteding is niet gebonden aan een bepaalde taak. Gebonden heffingen, zoals de afvalstoffen- en rioolheffing, worden verantwoord op het betreffende programma en worden niet tot de algemene dekkingsmiddelen gerekend. Voor het betalen van rechten en retributies verricht de gemeente diensten. Denk aan publieksdienstverlening en bouwvergunningen. De kosten van de gemeentelijke dienstverlening worden doorberekend in de tarieven. De paragraaf Lokale Heffingen geeft inzicht in de diverse gemeentelijke belastingen en de consequenties daarvan voor de inwoners van Losser. a. De geraamde inkomsten Overzicht inkomsten gemeentelijke heffingen (bedragen x € 1.000) Omschrijving lokale last Afvalstoffenheffing
Realisatie 2020
Raming 2020
Raming 2021
Raming 2022
2.061
2.007
2.142
2.162
Begraafplaatsrechten
0
1
1
1
BIZ
96
101
102
102
Forensenbelasting
26
22
22
22
Hondenbelasting
157
166
118
0
Leges burgerzaken
241
255
252
256
Leges omgevingsvergunning
537
446
468
394
Leges overig
111
45
45
45
Marktgelden
11
15
15
15
4.473
3.423
3.523
3.630
OZB eigenaren niet-woning
0
969
977
978
OZB gebruikers niet-woning
550
526
531
531
2.787
2.747
2.893
3.226
7
223
225
425
11.057
10.945
11.315
11.787
OZB eigenaren woning
Rioolheffing Toeristenbelasting Totaal
De gemeente Losser heft in 2022 voor een bedrag van € 11,8 miljoen aan belastingen en retributies.
70
b. Beleid ten aanzien van de lokale heffingen I Landelijk Hervorming lokaal belastinggebied In 2020 heeft de staatssecretaris van Financiën het rapport ‘Bouwstenen voor een beter belastingstelsel’ aan de Tweede Kamer aangeboden. Tijdens de kabinetsformatie zal duidelijk worden of het rijk werk wil maken van een vergroting van het gemeentelijk belastinggebied. Het is een lang gekoesterde wens van gemeenten om minder afhankelijk van het rijk te worden. Afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat wanneer een bestemmingsplan niet tijdig is vastgesteld of is verlengd, voor de gemeente 'de bevoegdheid tot het invorderen van rechten ter zake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan' vervalt (de zogenoemde ‘legessanctie’). In de aanloop naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt deze actualiseringsplicht (voor een belangrijk deel) van de bestemmingsplannen en beheersverordeningen afgeschaft. Dit geeft gemeenten, vanuit fiscaal oogpunten, ruimte om in de aanloop naar de Omgevingswet al te beginnen met de voorbereiding van het Omgevingsplan. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (WKB) is uitgesteld tot 1 juli 2022.
In tegenstelling tot eerdere berichten, verandert het principe van legesheffing niet. Ook de wettelijke grondslag voor het heffen van leges verandert niet. Zonnepanelen De Waarderingskamer ziet toe op de uitvoering van de wet WOZ. Bij de waardebepaling moet de onroerende zaak worden gewaardeerd. De waarde in het economisch verkeer wordt bepaald op basis van marktgegevens. Tot de onroerende zaak behoren ook eventuele zonnepanelen. GBTwente heeft geen beleidsvrijheid om zonnepanelen niet in de waarde te betrekken. Uit de beschikbare marktinformatie blijkt niet dat de aanwezigheid van zonnepanelen van invloed is op de verkoopwaarde. Mocht dit in de toekomst wel zo blijken te zijn, dan heeft een gemeente de mogelijkheid een facultatieve vrijstellingsbepaling op te nemen. Amendement Omtzigt De Gemeentewet maakt voor de OZB onderscheid tussen woningen en niet-woningen. Eigenaren van woningen worden in de OZB-eigenarenheffing betrokken, de gebruikers van woningen betalen geen OZB. Voor niet-woningen is dit anders: eigenaren en gebruikers van niet-woningen betalen respectievelijk de OZB eigenaren niet-woning en gebruikersheffing niet-woning. Beide tarieven voor niet-woningen zijn hoger dan het eigenarentarief voor woningen.
Sportvelden, dorpshuizen, sportkantines, dorps- en buurthuizen worden voor de OZB aangemerkt als niet-woning en worden dienovereenkomstig in de belastingheffing betrokken. Een aantal gemeenten compenseert buiten de belastingheffing om de OZB geheel of gedeeltelijk of overweegt dit te doen. In het Belastingplan 2019 is het zogenaamde amendement Omtzigt opgenomen, waardoor artikel 220f van de Gemeentewet per 1 januari 2019 is gewijzigd, in die zin dat voor sociaal
71
behartigende instellingen niet de hoge niet-woning tarieven kunnen gelden, maar het woningtarief. In de OZB-verordening van een gemeente kan een bepaling opgenomen worden strekkende tot het toepassen van het woningtarief voor nader te bepalen onroerende zaken. De toelichting op het amendement en de wettekst zijn op onderdelen tegenstrijdig en niet duidelijk. Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is van mening dat deze wettelijke bepaling voor gemeenten niet toepasbaar is. Onderzoek moet uitwijzen of aanpassing van artikel 220f Gemeentewet alsnog tot toepassing ervan kan leiden. Het GBT adviseert om vooralsnog geen gebruik te maken van de wetswijziging. Gebruiksoppervlakte Wet WOZ Met ingang van 2021 wordt voor alle woningen in Losser de gebruiksoppervlakte gebruikt om de WOZ-waarde te bepalen. Tot 2021 gebruikten we de bruto inhoud. Dit omdat veel andere instanties ook de gebruiksoppervlakte gebruiken, zoals makelaars, taxateurs en woningbouwverenigingen. Met de gebruiksoppervlakte wordt de grootte van de woningen bepaald. Alle professionele organisaties gebruiken hiervoor dezelfde meetinstructies (meetinstructie gebruikersoppervlakte woningen juli 2019) waardoor de onderlinge vergelijkbaarheid wordt vergroot.
II Gemeentelijk Ontwikkeling tarieven gemeente Losser De tarieven voor de riool- en afvalstoffenheffingen worden geraamd op basis van het uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt gestreefd naar 100% kostendekking. Voor 2021 wordt voor de overige belastingen en rechten een inflatiecorrectie gehanteerd. Uiteraard met uitzondering van die tarieven, die het rijk heeft vastgesteld, dan wel gemaximeerd. De raad heeft de stijging vastgesteld op 1,3%, gebaseerd op de berekening uit het Centraal Economisch Plan. 1. Overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen In de Gemeentewet zijn de belastingen die door gemeenten mogen worden geheven, limitatief opgesomd. Voor rechten en leges voor individuele dienstverlening aan haar burgers, geldt dat de geraamde opbrengsten de geraamde kosten voor het verlenen van de diensten niet overschrijden. De gemeentelijke belastingen en retributies die in 2022 in Losser worden geheven zijn: Ongebonden belastingen:
Gebonden belastingen:
Forensenbelasting
Afvalstoffenheffing
Hondenbelasting
Bijdrage Bedrijven Investering Zone
Onroerendezaakbelasting
Leges en Rechten
Toeristenbelasting
Rioolheffing
De mate van kostendekkendheid van de gebonden belastingen in 2022 volgt uit het volgende overzicht:
72
Tabel: kostendekkendheid gemeentelijke belastingen 2022 (bedragen in € x 1.000) Activiteitgroep
Lasten Overhead BTW Totale Heffingen Overige Totaal Kostendekkendheid Taakvelden lasten (Baten) Baten Baten
Afvalstoffenheffing (afvalstoffenverordening)
2.059
195
2.162
420
2.582
100,0%
82
82
2.615
247
3.226
-94
3.132
100,0%
4
4
4.759
442
512
5.714
5.388
325
5.714
100,0%
Leges algemene Dienstverlening (Leges Titel 1 Legesverordening)
803
44
48
895
292
64
355
39,7%
Leges dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving/vergunningen (Leges Titel 2 Legesverordening)
594
0
37
632
21
1
22
3,5%
Leges dienstverlening vallend onder Europese dienstrichtlijn (leges Titel 3 Legesverordening)
10
0
11
21
1
0
1
4,8%
Subtotaal Leges
1.408
44
96
1.548
314
64
378
24,4%
Totaal
6.167
486
608
7.261
5.702
389
6.092
83,9%
Kwijtscheldingen Afvalstoffenheffing Rioolheffing Kwijtschelding rioolheffing Subtotaal Heffingen
246
2.500 82
266
3.128 4
d. Woonlastenontwikkeling Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) publiceert jaarlijks de Atlas van lokale lasten. Per gemeente worden de woonlasten van een woning vergeleken met een voor die gemeente gemiddelde waarde. De tariefsaanpassingen voor de OZB, afval- en rioolheffing leiden voor een gemiddeld gezin (met eigen woning) tot de volgende woonlastenontwikkeling voor 2022: Tabel: woonlastenontwikkeling 2022 (bedragen in €) Woonlastenontwikkeling
2019
2020
2021
2022
OZB eigenaren (2022: 1,3% lastenverhoging)
354,94
368,04
375,77
380,66
Afvalstoffenheffing (meerpersoons)
206,68
207,24
222,00
223,78
Rioolheffing
255,24
263,76
277,59
307,38
TOTAAL
816,86
832,64
875,36
911,82
e. Kwijtscheldingsmogelijkheden De gemeente moet bij het vaststellen van kwijtschelding landelijke regels toepassen. Binnen deze mogelijkheden zijn de volgende eigen beleidskeuzes gemaakt: •
73
Voor de OZB en de afvalstoffenheffing is kwijtschelding mogelijk, waardoor minima geen woonlasten betalen;
• • • • •
Voor extra containers wordt geen kwijtschelding afvalstoffenheffing verleend; Bij de normkosten van bestaan wordt uitgegaan van 100% van de bijstandsnorm; Ondernemers voor de privébelastingen zijn gelijkgesteld met particulieren; Kosten voor kinderopvang worden in aanmerking genomen als uitgaven bij de berekening van de betalingscapaciteit en Bij de normkosten van bestaan voor AOW’ers wordt uitgegaan van 100% van de netto AOW-norm.
Tabel: kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2022 (bedragen in € x 1.000) Gemeentebelasting
2022
Afvalstoffenheffing
82
OZB
9
Rioolheffing
4
Hondenbelasting
1
Totaal
96
74
3.2. Weerstandsvermogen en risicobeheersing Het weerstandsvermogen geeft een indicatie van de mate waarin de gemeente tegenvallers kan opvangen zonder dat de uitvoering van taken in gevaar komt. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken) en de benodigde weerstandscapaciteit (alle risico’s waarvoor geen dekkingsmaatregelen zijn getroffen en die van materiele betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie). Het verhoudingsgetal, beschikbare weerstandscapaciteit ten opzichte van de benodigde weerstandscapaciteit noemen we het ratio weerstandsvermogen. De raad heeft besloten de gewenste ratio van het weerstandsvermogen naar boven bij te stellen tot 1,4 2,0. Oftewel de beschikbare weerstandscapaciteit dient minimaal 140% tot 200% van de benodigde weerstandscapaciteit te bedragen. In de vergadering van 13 maart 2018 heeft de raad de geactualiseerde nota Weerstandsvermogen en risicomanagement vastgesteld. Relevante wetgeving en gemeentelijk beleid De wetgeving en het gemeentelijk beleid voor het weerstandvermogen zijn vastgelegd in: • • • •
Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (art. 9, 11 en 26). Financiële verordening gemeente Losser. Nota Weerstandsvermogen en risicomanagement. Nota Reserves en voorzieningen.
Het wettelijke kader van BBV (Besluit Begroting en Verantwoording) stelt dat de paragraaf betreffende het weerstandsvermogen ten minste moet bevatten: 1. 2. 3. 4.
Een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; Een inventarisatie van de risico’s; Het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s; Een kengetal voor de: 1. (a) Netto schuldquote; (b) Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen; 2. Solvabiliteitsratio; 3. Grondexploitatie; 4. Structurele exploitatieruimte; 5. Belastingcapaciteit.
De paragraaf is conform deze opbouw. Inventarisatie van de beschikbare weerstandscapaciteit Met beschikbare weerstandscapaciteit bedoelen we alle middelen en mogelijkheden waarover de gemeente Losser beschikt om tegenvallers te bekostigen. De beschikbare weerstandscapaciteit bestaat in de gemeente Losser uit de Algemene risicoreserve en de reserve Grondexploitatie. Met de vaststelling van de nota Weerstandsvermogen en risicomanagement 2018 is in de vergadering van 13 maart 2018 besloten dat 'stille reserves' geen onderdeel meer uitmaken van de beschikbare weerstandscapaciteit. Algemene risicoreserve Zoals uit de tabel "Algemene risico reserve" (hoofdstuk 4 "Financiële positie”) blijkt, is de stand van de Algemene risicoreserve ultimo 2021 € 16.478.000. In genoemde tabel wordt ook een overzicht gegeven van de verwachte ontwikkeling van de Algemene reserve over de
75
periode 2022 tot en met 2025. De stand van de reserves die met 'risico's op grond' hebben te maken (Reserves Grondexploitatie en "Afboeking grond") is eind 2021 € 1.250.000. Onderstaande tabel laat zien dat de beschikbare weerstandscapaciteit ultimo 2021 € 17.728.000 is. Tabel: beschikbare weerstandscapaciteit (bedragen in €) Beschikbare weerstandscapaciteit ultimo 2021 Componenten: Algemene risicoreserve
16.478.000
Reserves risico's grond
1.250.000
Stille reserves, gebouwen en gronden
Prognose stand eind jaar 2021
17.728.000
Inventarisatie van de risico's In de vastgestelde nota Weerstandsvermogen en risicomanagement is aangegeven dat het risicomanagement, net zoals de bepaling van de stille reserves, aan de P&C cyclus wordt gekoppeld. De risico's worden daardoor periodiek onder de aandacht gebracht en bijgesteld. Dit heeft voor de PB2022 slechts geleid tot kleine wijzigingen in de geïnventariseerde risico's. Uitgangspunten bij de beoordeling van de risico's zijn: • • •
Normale bedrijfsvoeringsrisico's niet bij de risico's worden opgenomen. Risico's van diverse afdelingen die een gelijksoortige oorzaak hebben worden samengevoegd. Verzekerde risico's worden niet meer opgenomen (denk bijvoorbeeld aan de aansprakelijkheidsverzekering).
Het totaal van de geïnventariseerde risico's bedraagt € 4.010.000. Dit is lager dan de omvang van de geïnventariseerde risico's in de PB2021, toen de omvang van de risico's nog € 4.660.000 was. Vooral het geschatte risico rond de gemeentefondsuitkering wordt lager doordat het (voorlopige) effect van de herverdeling bekend is. Hiermee wordt in het meerjarenperspectief rekening gehouden. Het risico op een lagere algemene uitkering wordt daarom lager. Het betreft hier het geschatte financiële gevolg van alle geïnventariseerde risico's, exclusief de risico's van de grondexploitaties. De risico's van de grondexploitatie worden apart in beeld gebracht. Een simulatie laat zien dat, om het totale risico te kunnen afdekken, een weerstandscapaciteit van € 1.587.000 noodzakelijk is. Met behulp van een risicoscore kunnen de risico's worden geprioriteerd en wordt inzichtelijk welke risico's het meest belangrijk zijn. In onderstaande tabel worden de tien grootste risico's weergegeven.
76
De 10 grootste risico's in de PB2022 Nummer
Onderwerp
Risico
1
Schommelingen in de conjunctuur
Als gevolg van schommelingen in de conjunctuur kunnen zowel aan de kosten- als de opbrengsten kant onvoorziene nadelige incidentele effecten optreden.
22,78%
Overige onvoorziene risico's
Overige onvoorziene risico's, calamiteiten binnen gemeente, politiek/bestuur zit soms nog erg dicht op de uitvoering, extreem weer, bedrijfsongeval, datalek, overig onvoorzien.
12,84%
Aftrek BTW Twents Carmel College
Met betrekking tot de verbouwing van het Twents Carmel College gaat de belastingdienst niet akkoord met de aftrek van de BTW voor het schoolmodel.
10,41%
Budget Jeugd
Door open eindfinanciering en een onvolledig beeld van de uitgaven is het budget Jeugd mogelijk niet toereikend en moeilijk beheersbaar.
9,54%
Door open eindfinanciering en een onvolledig beeld van de uitgaven is het budget Wmo mogelijk niet toereikend en moeilijk beheersbaar.
7,12%
Er wordt door de leningverstrekker een beroep gedaan op de garantstellingen welke de gemeente Losser heeft afgegeven voor leningen die door partners zijn aangegaan. (Betreft: Bibliotheek Losser, St. Martinihoeve, Soc. Cult. Werk Losser, Muziekschool, Böggelrieders en Daansers, KVV Losser, EHBO Losser, Woningstichting Domijn).
6,31%
2
3
4
5
6
7
8
Budget Wmo
Garantstellingen
Algemene uitkering gemeentefonds
Algemene Uitkering gemeentefonds wordt lager.
Aftreden wethouder
Is nu beperkt tot algemeen bestuurlijk en beperkt risico, dat wethouder door omstandigheden moet aftreden.
4,97%
De huidige invoeringsdatum van de nieuwe Omgevingswet is 2022. We hebben een implementatieplan opgesteld en voor de komende jaren de verwachte kosten geraamd, waarvoor de raad een reserve heeft gevormd. Gelet op de looptijd van het traject kent de
4,75%
9 Invoering Omgevingswet
77
Invloed
5,92%
implementatie een aantal onzekerheden, waaronder mogelijke wijzigingen in de wetgeving. Inmiddels zijn de kosten voor de benodigde software en implementatie geraamd, maar ook enigszins ongewis. Deze onzekerheden vormen een risico. 10
Derden stellen gemeente aansprakelijk
Derden stellen gemeente aansprakelijk.
4,27%
Risico's grondexploitatie Naast projectgebonden risico’s wordt bij de grondexploitatie ook gekeken naar niet projectgebonden risico’s. Ofwel, ook de conjuncturele risico’s worden geïnventariseerd en gekwantificeerd. Deze risico’s zijn vaak niet beïnvloedbaar binnen de projecten en liggen op het vlak van macro-economische trends en wet- en regelgeving van hogere overheden. Te denken valt aan spreidingsrisico’s rondom gehanteerde parameters. Hiermee ontstaat een vollediger en betrouwbaarder beeld van de risico’s binnen de grondexploitaties. De vereiste weerstandscapaciteit voor de grondexploitaties is afgenomen (PB 2021: € 2.020.000) en bedraagt € 1.910.000. Deze verbetering komt doordat het risico op her- en deprogrammeren bij de Geurmeij is komen te vervallen. Dit positieve effect wordt overigens gedempt door hogere kosten in het woonrijp maken van de Saller fase 2C. Dit is het gevolg van de economische marktomstandigheden. Ratio weerstandsvermogen en verwachte ontwikkelingen Benodigde weerstandcapaciteit: De geïnventariseerde risico’s zijn de basis voor de risicosimulatie die uitgevoerd wordt, om te berekenen welk bedrag nodig is om deze risico’s in financiële zin af te dekken.
Uit de gevolgde risicosimulatie volgt dat 90% zeker is dat alle risico's kunnen worden afgedekt met een bedrag van € 3.497.000 (€ 1.587.000 voor de geïnventariseerde risico's in de bedrijfsvoering/beleid en € 1.910.000 voor de risico's van de grondexploitaties). Beschikbare weerstandscapaciteit: De weerstandscapaciteit bestaat in de gemeente Losser uit de Algemene risicoreserve en de vrij aanwendbare andere reserves. De beschikbare weerstandscapaciteit bedraagt ultimo 2020 € 20.237.000. De benodigde weerstandscapaciteit die uit de risicosimulatie voortvloeit, wordt afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. De uitkomst van die berekening vormt het ratio weerstandsvermogen. De gemeente streeft hierbij een ratio weerstandsvermogen tussen de 1,4 en 2,0 na. Oftewel de beschikbare weerstandscapaciteit dient minimaal 140% tot 200% van de benodigde weerstandscapaciteit te bedragen. Ratio weerstandsvermogen eind 2021 = € 17.728.000 : € 3.497.000 = 5,1. De ratio van 5,1 is alweer een stijging ten opzichte van de ratio zoals die in de Jaarrekening 2020 zoals die inmiddels door de raad is vastgesteld. De ratio in de JR 2020 was 4,20.
De (aanzienlijke) stijging kent twee oorzaken: door het toevoegen van het rekeningresultaat 2020 neemt de algemene reserve ten opzichte van de JR 2020 flink toe, terwijl de omvang van de risico's, zowel de algemene risico's als die van het grondbedrijf, zijn gedaald.
78
Ontwikkeling in het ratio weerstandsvermogen Vanaf 2011 worden inventarisaties uitgevoerd om alle mogelijke risico’s in beeld te krijgen. Met ingang van 2012 is periodiek een risico-inventarisatie uitgevoerd om na te gaan of het aantal risico’s en de omvang van de financiële gevolgen van de risico’s zijn gewijzigd. Daarnaast kunnen ook maatregelen worden getroffen die de risico’s verkleinen. De volgende tabel geeft een overzicht van de ontwikkeling van het ratio weerstandsvermogen vanaf deze eerste inventarisatie in 2011. Ontwikkeling ratio weerstandsvermogen
31122012
31122013
31122014
31122015
31122016
31122017
31122018
31122019
31122020
31122021
Ratio weerstandsvermogen
0.23
0.41
0.69
1.34
1.87
2.4
2.8
2.5
3.5
5.1
In de Nota Weerstandsvermogen en risicomanagement is aangegeven dat wanneer het weerstandsvermogen nog niet voldoet alle meevallers respectievelijk het rekeningresultaat prioritair bestemd wordt om het weerstandsvermogen weer op een financieel verantwoord niveau te brengen. Deze situatie is niet aan de orde. Tabel: (bedragen x € 1.000) Verwachte ontwikkeling weerstandscapaciteit ultimo 2021 tot en met 2025 Component
2021
2022
2023
2024
2025
Aanwezig weerstandsvermogen
17.728 20.237 20.747 20.591 20.403
Benodigd weerstandsvermogen
3.497
3.497
3.497
3.497
3.497
5,1
5,8
5,9
5,9
5,8
Prognose ratio weerstandsvermogen
In bovenstaande tabel is de verwachte ontwikkeling ratio weerstandsvermogen weergegeven bij gelijkblijvende risico's. De weergegeven ratio's zijn berekend inclusief het jaarresultaat 2020 en alle toevoegingen aan de Algemene risicoreserve die zijn vastgesteld in de begroting tot en met 2022. Financiële kengetallen Het BBV schrijft voor dat in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing, in aanvulling op de ratio weerstandsvermogen, een verplichte set van vijf financiële kengetallen moet worden opgenomen. De invoering van de set van vijf kengetallen is bedoeld om de financiële positie inzichtelijker te maken. Kengetallen worden veel gebruikt als analyse-instrument. Kengetallen hebben als voordeel dat, bij correct gebruik, gemeenten op relevante onderdelen rationeel met elkaar vergeleken kunnen worden. Er kleven ook nadelen aan het gebruik van kengetallen: • • •
79
Kengetallen hebben slechts betrekking op het verleden en geven geen zekerheid over de toekomst. Kengetallen zijn veelal slechts een momentopname. Kengetallen zijn vaak gebaseerd op aannames (veronderstellingen).
PB2022
rekening begroting raming 2020 2021 2022
raming 2023
raming 2024
raming 2025
netto schuldquote
47,9%
42,9%
56,2%
57,3%
59,8%
64,6%
netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
48,0%
34,4%
56,0%
57,0%
59,3%
64,0%
solvabiliteitsratio
34,4%
37,6%
30,2%
29,6%
29,9%
29,7%
structurele exploitatieruimte
6,1%
1,4%
0,5%
1,0%
0,0%
0,0%
grondexploitatie
8,3%
9,9%
6,9%
2,4%
0,6%
0,6%
112,5%
113,0%
112,4%
belastingcapaciteit
Om meer inzicht in de financiële positie te bieden, worden de kengetallen in onderlinge relatie beschouwd en van een adequate toelichting voorzien. De kengetallen maken daarmee inzichtelijk(er) over hoeveel (financiële) ruimte de gemeente beschikt om structurele en incidentele lasten te kunnen dekken of opvangen. Hierbij wordt in de tabel de ontwikkeling over de jaren in beeld gebracht. In de JR2020 hebben we de kengetallen in lijn gebracht met de laatste voorschriften uit het BBV. In bovenstaand overzicht zijn voor 2021 nog de kengetallen overgenomen, zoals die nu verwerkt zijn in de PB2021, maar dit is nog op basis van de oude berekening. In de JR2021 volgt vanzelfsprekend een berekening die ook BBV-proof is. Netto schuldquote De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft zodoende een indicatie in welke mate de rentelasten op de exploitatie drukken. Omdat er bij leningen onzekerheid kan bestaan of ze allemaal terug worden betaald, wordt bij de berekening van de netto schuldquote onderscheid gemaakt door het kengetal te berekenen zowel inclusief, als exclusief de doorgeleende gelden. Op die manier wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en ook wat dat betekent voor de schuldenlast.
De VNG hanteert een kritische waarde 130%, hier bevinden zowel de netto schuldquote inclusief als exclusief de doorgeleende gelden met respectievelijk 56,2% en 56,0% beduidend onder. De gemeente bevindt zich hiermee in de categorie gemeenten met het laagste risico. Solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is op de langere termijn aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Deze ratio geeft de mate aan waarin de gemeentelijke bezittingen zijn betaald met eigen middelen. Anders gezegd: het aandeel van het eigen vermogen in het totaal vermogen. Hoe hoger de verhouding eigen vermogen ten opzichte van het totale vermogen, hoe gezonder de gemeente. In bovenstaande tabel zijn de voormalige reserves Riool en reiniging opgenomen als voorziening conform wijziging BBV en daarmee uit het eigen vermogen verdwenen. Met een score van 30,2% behoren we tot de categorie gemeenten met een gemiddeld risico. Structurele exploitatieruimte Dit financiële kengetal geeft aan hoe groot de structurele vrije ruimte binnen de vastgestelde begroting is. Zoals in de tabel weergegeven, is er voor de jaren 2022 tot en met 2025 sprake
80
van een positief saldo structurele exploitatieruimte. De gemeente bevindt zich hiermee in de categorie gemeenten met het laagste risico. Kengetal grondexploitatie Dit kengetal geeft weer hoe de waarde van de grondpositie (boekwaarde) zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. Dit kengetal alleen heeft slechts een beperkte waarde. De relatie vraag en aanbod woningbouw of bedrijventerrein, planning et cetera spelen een hierbij tevens een cruciale rol. De boekwaarde van de voorraden grond is van belang, omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. De gemeente bevindt zich met het percentage 6,9% in de categorie gemeenten met het laagste risico. Belastingcapaciteit De belastingcapaciteit geeft inzicht hoe de belastingdruk in de gemeente zich verhoudt ten opzichte van het landelijke gemiddelde. De ruimte die een gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen, wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Onder de woonlasten worden verstaan de OZB, de rioolheffing en reinigingsheffing voor een woning met gemiddelde waarde in die gemeente. De belastingcapaciteit scoort met 112,4,0% boven het landelijk gemiddelde. De gemeente bevindt zich hiermee in de categorie gemeenten met een hoog risico. Voor het kengetal ‘belastingcapaciteit’ 2022 is het volgende van belang.
Overeenkomstig de definitie die de regelgeving voorschrijft, wordt de Losserse geraamde belastingdruk over 2022 afgezet tegen de gemiddelde landelijke belastingdruk over 2021.
81
3.3. Onderhoud kapitaalgoederen Samenvatting Gemeenten beschikken over kapitaalgoederen zoals groenvoorzieningen en plantsoenen, wegen, bruggen, riolering, water, vijvers, sport- en speelvoorzieningen, gebouwen, c.a. Deze gemeentelijke eigendommen, noodzakelijk voor een goede leefomgeving, vertegenwoordigen een grote waarde. Investeren in onderhoud en vervanging is noodzakelijk om deze kapitaalgoederen ook op lange termijn in stand te houden. In juli 2013 is de “Nota Kapitaalgoederen Openbare Ruimte” door de raad vastgesteld. Op basis van deze overkoepelende strategische nota is en wordt gewerkt om de gehele integrale - beheercyclus te optimaliseren en te verankeren in de gemeentelijke beleidscyclus. Centraal bij de beheercyclus staat de strategie om, vanuit het integraal beheer en inrichting van de openbare ruimte, mede invulling te geven aan de strategische beleidsdoelen van de gemeente, zowel inhoudelijk als qua proces. In 2022 ligt de nadruk op de verankering met Omgevingsvisie (strategische gemeentelijke beleidsdoelen die mede invulling krijgen vanuit de Openbare Ruimte), het Groenbeleidsplan waarbij tevens, conform Coalitieakkoord, de continuïteit van het Servicebedrijf wordt betrokken en het beleidsplan (inclusief vervangingsopgave) voor civieltechnische kunstwerken.
Zodra de onderliggende informatie die vanuit de beleidsplannen voor Groen en Kunstwerken beschikbaar is, en de kaders vanuit de Omgevingsvisie helder zijn, kan gestart worden met de actualisatie van de overkoepelende Nota Kapitaalgoederen via het planproces Visie op de kwaliteit openbare ruimte (inrichting- en beheerkwaliteit). Ten aanzien van het groot onderhoud en de vervangingsinvesteringen is de systematiek van het Integraal Meerjarig Investerings- en onderhoudsprogramma voor de openbare ruimte (MIP) verder uitgewerkt en ingebed in de P&C-cyclus. Middels het MIP wordt erop gestuurd om brede maatschappelijke opgaven te verbinden met autonome ontwikkelingen en investeringen in de openbare ruimte en mede invulling te geven aan ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt bijgedragen aan de strategische beleidsdoelen en -opgaven van de gemeente.
Kaders/Doelen In het coalitieakkoord 2018-2022 “Met opgestroopte mouwen vooruit” is aangegeven dat gehecht wordt aan een goede kwaliteit van de leefomgeving. Met investeringen in de openbare ruimte wordt beoogd meer te bereiken dan alleen een schone, hele en veilige leefomgeving. De inrichtingskwaliteit gaat steeds nadrukkelijker een rol spelen bij het creëren van aantrekkelijke buurten en wijken. Daarnaast komen grote opgaven zoals de warmte- en energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en circulariteit steeds dichterbij. Samen met de vervangingsopgave in de openbare ruimte leidt dit tot de strategische keuze om te richten op een integrale en gebiedsgerichte aanpak. Via het MIP worden onderhoudsgelden en vervangingsinvesteringen in de openbare ruimte zodanig ingezet dat deze ook optimaal bijdragen aan de gemeentelijke doelstellingen, zoals verwoord in de “Toekomstvisie gemeente Losser 2025; samen schatbewaarders van de gemeente Losser.
82
Voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte betekent dit dat het MIP verder wordt uitgewerkt, jaarlijks geactualiseerd en dat de al gehanteerde werkwijze wordt voorgezet om synergie te bereiken door daar waar mogelijk (en vanuit technische reden aanleiding toe is), beheer- en onderhoudsbudgetten mede in te zetten voor de financiering van integrale uitvoeringsprojecten in de openbare ruimte. Dit beleid heeft middels de voorgaande programmabegrotingen en voorjaarnota geleid tot het vrijmaken van investeringsruimte voor investeringen in de openbare ruimte voor de komende jaren. Dit betreft aanvullende financiering van uitvoeringsprogramma’s die behoren bij bijvoorbeeld: de Kwaliteitsimpuls De Lutte, Kwaliteitsimpuls Beuningen, Kwaliteitsimpuls Glane, Centrumplan Losser en Losser aan de Dinkel en integrale herinrichtingsprojecten welke bijdragen aan gemeentelijke beleidsdoelen zoals verkeersveiligheid en bereikbaarheid, klimaatadaptatie, recreatieve infrastructuur, duurzaamheid en investeringen in vitale dorpscentra. Om de ambitie van de in 2013 vastgestelde onderhoudskwaliteit te behalen wordt de volgende strategie gevolgd. De onderhoudswerkzaamheden worden gestuurd op het door de raad vastgestelde onderhoudsniveau.
Door de beperkte beschikbare financiële middelen in de afgelopen jaren is voor voorzieningen in de openbare ruimte de levensduur zo ver mogelijk opgerekt als mogelijk binnen de afgesproken kwaliteit, om zo kosten te besparen. Ondanks dat recent meer financiële ruimte is ontstaan, is het belangrijk om het verloop van de technische kwaliteit en van de onderhoudskwaliteit van de voorzieningen in de openbare ruimte intensief te volgen (middels kwaliteitsinspecties en schouwrondes). Met het vaststellen van de beleidsnota’s op het gebied van riolering en water, wegen en openbare verlichting, inclusief het beschikbaar komen van vervangingskredieten zijn belangrijke stappen gezet om beter ‘grip’ op de kapitaalgoederen te krijgen. Dit traject wordt de komende jaren doorgezet (met de focus op het groenbeleid- en -beheerplan en beleidsplan kunstwerken).
Vervangingsinvesteringen en herinrichting openbare ruimte (via MIP) De vigerende Nota Kapitaalgoederen heeft betrekking op het dagelijks onderhoud van de openbare ruimte en gaat niet in op groot onderhoud, vervanging of herinrichting van de openbare ruimte. Hierin voorziet het MIP (integraal meerjarig investering- en onderhoudsprogramma voor de openbare ruimte). De basis van het MIP wordt gevormd door planbaar groot onderhoud en de vervangingsplannen die per beheerdiscipline worden opgesteld. Het MIP bevat een lijst van technisch urgente projecten gecombineerd met synergiekansen. Dit zijn projecten waarmee door samenloop van onderhoud, vervanging en nieuw beleid, op basis van synergie, meerdere doelen bereikt kunnen worden. Ook investeringen in de openbare ruimte vanuit het Grondbedrijf worden hierbij betrokken. Door deze integrale aanpak krijgen ook ‘derden’ kansen om aan te haken bij investeringen in de openbare ruimte (bijvoorbeeld de woningbouwvereniging, nutsbedrijven, waterschap) en zijn wellicht bijdragen mogelijk vanuit andere overheden en/of bijdragen van derden (bijvoorbeeld bij ontwikkellocaties). Ook de grote maatschappelijke opgaven worden betrokken. Dat deze integrale aanpak werkt, bewijst het verwerven van een bijdrage vanuit de Erfgoeddeal voor het project Beken&Bleken van Losser.
Op basis van het MIP worden jaarlijks, bij de Voorjaarsnota, voor de meest urgente vervangingsinvesteringen en/of synergiekansen, ontbrekende financiële middelen aangevraagd. De raad besluit met de Voorjaarsnota en de programmabegroting over deze kredieten. Indien geen of onvoldoende kredieten en/of vervangingsbudgetten beschikbaar worden gesteld, moet er worden “doorbeheerd”. Dit betekent dat vanuit het onderhoudsbudget, met dagelijks onderhoud en kleine maatregelen, de omgeving schoon, heel en veilig wordt gehouden. Dit
83
kan leiden tot het doorschuiven van de deelbudgetten die al wel beschikbaar waren (bijvoorbeeld bij rioolvervangingen kan dit voorkomen). Relatie tussen het MIP en de meerjarenbegroting In het MIP wordt op hoofdlijnen integraal inzichtelijk gemaakt welke (vervangings-) investeringen en projecten in de openbare ruimte de komende vier jaar een rol gaan spelen. Het MIP is echter een dynamisch plan waarop vele externe factoren invloed hebben. Om deze reden is ervoor gekozen de investeringen waarvan de kapitaallasten beginnen te lopen binnen de scope van de meerjarenbegroting, daadwerkelijk op te nemen in de programmabegroting. Investeringen waarvan de kapitaallasten buiten de scope vallen blijven via het MIP inzichtelijk en worden bij volgende programma begrotingen opgenomen. In 2022 wordt, conform het MIP, verder uitvoering gegeven aan (deels al lopende) projecten die worden gedekt uit reeds eerder beschikbaar gestelde kredieten (onder andere GRP), subsidies, reserves en kredieten (waar onder de voorziening Wegen). Ook het structureel vervangingskrediet voor wegen, dat met ingang van 2020 beschikbaar is, en het vervangingskrediet Groenvoorzieningen wordt via het MIP geoormerkt voor concrete uitvoeringsprojecten. De nadruk ligt in 2022 op het formeren en uitvoeren van uitvoeringsprogramma’s die gebaseerd zijn op de kwaliteitsimpulsen in de verschillende kernen.
Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de technische voorbereiding en uitvoering van deelprojecten die onder deze uitvoeringsprogramma’s vallen en aan overige projecten die hier los van staan (zoals bijvoorbeeld de verbinding van de Hoge Boekelweg met het centrum van Losser, de planvoorbereiding en uitvoering van deelprojecten die geïntegreerd zijn in Dinkel Zuid (projecten uit het gebiedsproces “Samen werkt beter” en Losser aan de Dinkel). Uitwerking per beheerdiscipline Wegen Onder het product wegen vallen meerdere beheerdisciplines: • • • • • •
Wegen en verhardingen Openbare verlichting Gladheidsbestrijding Recreatieve fietspaden Straatmeubilair (inclusief toeristische bewegwijzering) Civieltechnische kunstwerken (bruggen, viaducten, beschoeiing, etc.)
Beleidskader Voor alle beheerdisciplines die vallen onder het product Wegen geldt dat ze deel uit maken van de Nota Kapitaalgoederen. Daarnaast vindt de uitwerking per beheerdiscipline plaats in beleid- en beheerplannen. De beleid-/beheer- en vervangingsplannen voor openbare verlichting en wegen zijn respectievelijk eind 2017 en voorjaar 2019 vastgesteld. Vaststelling van deze plannen ten aanzien van kunstwerken is voorzien in 2022. Hieruit voortvloeiende financiële consequenties Vervangingsinvesteringen en budgetten voor Groot Onderhoud worden opgenomen in het MIP waarbinnen de integrale afweging inzichtelijk wordt gemaakt. De hoogte van de noodzakelijke onderhoudsbudgetten voor onderhoud en vervanging wordt bepaald via de kwaliteitsinspecties en recent geactualiseerde arealen.
84
Vertaling naar de begroting De (vervangings)investeringen worden via het MIP verankerd in de Voorjaarsnota en de programmabegroting. De budgetten voor groot en klein onderhoud zijn opgenomen in de exploitatiebegroting. Riolering en Water Beleidskader •
•
•
•
Op 13 maart 2018 is het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2018-2022 door de raad vastgesteld. In dit (verbrede) GRP is naast de afvalwaterzorgplicht, ook de zorgplicht voor grondwater en hemelwater opgenomen. Ook is richting gegeven aan duurzaamheid en het anticiperen op klimaatontwikkelingen. In 2022 wordt gestart met de doorontwikkeling van het huidige GRP naar een Water en Klimaatadaptatieplan. Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) heeft de afgelopen jaren een nadrukkelijke rol gespeeld op gebied van water en de waterketen. Samenwerking in de afvalwaterketen, verbetering van de doelmatigheid, klimaatontwikkelingen, etc. zijn ontwikkelingen die steeds belangrijker werden. Deze landelijke ontwikkelingen zijn vertaald naar de regio’s. In Twente heeft dit geresulteerd in “Waterwinst 2.0”. Middels deze intentieverklaring spreken de 14 Twentse gemeenten, samen met het waterschap, de bereidheid uit om samen te werken in de (afval)waterketen teneinde te kunnen komen tot een structurele kostenbesparing in de keten. Daarnaast zijn kennis en kwetsbaarheid speerpunten in “Waterwinst 2.0”. In 2018 is door alle Twentse gemeenten ingestemd met de gezamenlijke visie “Twents Water verbindt, van waterwinst naar waterbewustzijn”.
Naast aandacht voor kostenbesparing richt de aandacht zich met name op een robuust watersysteem en klimaatbestendig Twente, het benutten van kansen vanuit de wateropgaven om bij te dragen aan een aantrekkelijke leefomgeving, waterbewustzijn en verdergaande samenwerking. Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. In het Deltaplan zijn zeven ambities vastgelegd voor een water robuuste en klimaatbestendige inrichting van Nederland. In het Deltaplan is afgesproken dat alle overheden uiterlijk in 2019 een eerste stresstest(ambitie 1) ten aanzien van de gevolgen van klimaatverandering hebben uitgevoerd. Daaropvolgend worden risicodialogen gevoerd met alle relevante partijen en wordt er een gezamenlijke strategie opgesteld te worden. Losser voert deze afspraken uit binnen het samenwerkingsverband Twents Waternet. In 2022 wordt de regionale strategie, waarin de Losserse aanpak is opgenomen, verder uitgewerkt. Investeringen in rioolvervangingen en klimaatadaptatie bieden vaak kansen om ook de bovenliggende openbare ruimte opnieuw in te richten. De financiële middelen voor deze herinrichting kunnen niet ten laste van het GRP gebracht worden.
Hiervoor worden andere dekkingsmiddelen ingezet zoals onder andere het budget “Groot onderhoud Wegen”, aanvullende investeringsbudgetten (via MIP en investeringen vanuit de programmabegroting) en wordt getracht externe bijdragen te verwerven.
Hieruit voortvloeiende financiële consequenties De financiële consequenties zijn opgenomen in het kostendekkingsplan dat integraal deel uit maakt van het GRP. Op basis van het kostendekkingsplan wordt de hoogte van de rioolheffing bepaald.
85
Vertaling naar de begroting Het kostendekkingsplan is overgenomen in de exploitatiebegroting. Groen en Landschap Beleidskader •
•
•
•
• • •
86
Groen en Landschap maakt deel uit van de Nota Kapitaalgoederen. Daarnaast vindt de uitwerking plaats in beleid- en beheerplannen. Deze beheerdiscipline draagt ook in belangrijke mate bij aan de ruimtelijk kwaliteit van de leefomgeving. Niet voor niets worden de termen “groen en lommerrijk” genoemd als kernwaarden in de centrumvisies voor Losser en De Lutte. Om hier invulling aan te geven heeft de raad in 2016 het Groenstructuurplan (“Groene ambitie”) vastgesteld. In het kader van de noodzakelijke klimaatadaptatie speelt groen een belangrijke rol. In het groen kan overtollig water tijdelijk worden opgevangen, de wortelzone van bomen en struiken neemt water op. Bomen zorgen voor een koelere omgeving wat vooral van belang is bij het tegengaan van hittestress in de bebouwde omgeving. Wetenschappelijk onderzoek heeft tevens uitgewezen dat groen aanzet tot beweging en een zeer positieve uitwerking heeft op de algehele volksgezondheid. De komende jaren willen wij daarom het aantal bomen in de kernen vergroten door aanplant van geschikte soorten op strategische locaties. Daarbij zullen we ook de inwoners betrekken middels de Boomfeestdag. Het is van groot belang dat het aanwezige (vitale) bomenbestand in stand gehouden wordt, en dat er zoveel mogelijk getracht wordt dit in te passen in nieuwe projecten.
De waarde van dergelijke bomen op ecologisch en klimatologisch vlak is namelijk nooit op korte termijn te evenaren met nieuwe aanplant. Voor het bomenbeheer hanteren wij het Handboek Bomen waarin de belangrijkste normen voor aanleg en beheer van bomen zijn vastgelegd. De hier genoemde kaders zullen worden verwerkt in het beleid- en beheerplan voor groen en landschap. Tevens zal de onlangs verschenen aanvulling ‘Handreiking Omgevingswet en Bomen’ toegepast worden om het beleid te verenigen met de nieuwe Omgevingswet. Een ander belangrijk doel van het gemeentelijk groen is het verhogen van de biodiversiteit en verschil in gelaagdheid (kruiden – heesters/struiken – bomen) . Hierdoor krijgen verschillende bestuivers meer kansen om zich te ontwikkelen en kunnen natuurlijke vijanden van plaagdieren zich beter handhaven. Dit speelt onder meer een belangrijke rol bij de bestrijding van de eikenprocessierups. Bijkomend voordeel is dat de grotere variatie in beplanting en het pleksgewijs minder frequente maaibeheer leidt tot een aantrekkelijker en kleurrijker beeld in de openbare ruimte. Dit wordt mede vormgegeven door de toepassing van bloembollenmengsels. Het hiertoe nog te ontwikkelen beleid is onderdeel van het in 2021 op te stellen van Groenbeleidsplan. Verdere kaders worden gevormd door o.a.
wetgeving welke bijvoorbeeld bepalen dat gemeenten niet langer chemische onkruidbestrijding mogen toepassen. Invasieve exoten bestrijden; soorten van de Unielijst zijn hierin een verplichting (Reuzenbereklauw, Reuzenbalsemien o.a.). Bestrijding eikenprocessierups, het verhogen van de biodiversiteit en gelaagdheid in beplanting blijft de komende jaren van belang.
Gemeentelijke gebouwen en vastgoed Beleidskader •
•
De Vastgoedlijst eigendom gemeente Losser vormt de basis voor keuzes in het aanhouden dan wel afstoten van locaties. Daarbij wordt beoordeeld of de locaties nog wel nodig zijn voor de eigen dienst of beleidsdoeleinden. Worden binnen afzienbare tijd (10 jaar) geen (ruimtelijke) ontwikkelingen verwacht dan worden deze locaties verkocht. Tot die tijd worden deze locaties tijdelijk verhuurd of in gebruik gesteld. Uiteindelijk zal al het overbodige vastgoed zijn afgestoten. Daarnaast is met ingang van 1 juli 2014 de Wet Markt en Overheid van kracht, waarin gedragsregels voor overheden zijn opgesteld om concurrentievervalsing tegen te gaan. Voor vastgoed geldt dat ten minste een kostprijs dekkende huur wordt doorberekend, tenzij de raad daar gemotiveerd van af wil wijken. Dit laatste zal voor het maatschappelijk vastgoed het geval zijn, terwijl voor commerciële partijen een marktconforme huurprijs blijft gelden. In de Vastgoednota gemeente Losser is dit nader uitgewerkt en vastgelegd.
Hieruit voortvloeiende financiële consequenties De vertaling van het beleid naar de begroting vindt plaats middels het MOP-gebouwen. Bovengenoemde Vastgoednota heeft gevolgen voor de mate van onderhoud van de verschillende panden en daarmee het benodigd budget voor het MOP in de toekomst. Er is een verduurzamingsslag gemaakt voor de panden die wij willen aanhouden voor eigen dienst en maatschappelijke doeleinden. Deze panden worden allemaal na geïsoleerd om te komen tot een energielabel A voor 2022. De volgende stap is om de mogelijkheden van eigen energie opwek op daken en het aardgasloos (ready) maken daarvan te betrekken in het MOP. Het benodigd budget voor het MOP wordt daarom in het jaar 2022 opnieuw geïnventariseerd en geïnspecteerd. Er wordt gebruik gemaakt van een landelijk geaccepteerde methodiek in conditiemeting (Rgd-BOEI richtlijn Rijksgebouwendienst). De resultaten en budgettaire consequenties daarvan worden medio 2022 aan de raad voorgelegd. Panden die behouden worden hebben tenminste een redelijk niveau van onderhoud nodig om kapitaalvernietiging tegen te gaan. Voor een redelijk niveau van onderhoud wordt voor deze panden tenminste een conditiescore: 3 conform de Rgd-BOEI aangehouden. In 2023 wordt een voortgangsrapportage opgesteld. Hieruit voortvloeiende financiële consequenties Het MOP is opgenomen in de exploitatiebegroting.
Investeringen in gebouwen lopen separaat via “nieuw beleid” in de voorjaarsnota en programmabegroting. Financiën In de begroting is structureel budget opgenomen voor klein en groot onderhoud van alle vakdisciplines. Voor een overzicht van de beschikbare budgetten wordt verwezen naar de betreffende tabel die is opgenomen in het hoofdstuk Programma Fysiek. Vervangingsinvesteringen en investeringen in kapitaalgoederen en openbare ruimte vinden plaats via het MIP en “nieuw beleid / investeringen”. Hiervoor zijn in de VJN2021 middelen opgenomen en in deze begroting verwerkt.
87
3.4. Financiering Treasurybeleid De Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet fido) geeft de kaders aan waarbinnen decentrale overheden de treasuryactiviteiten moeten uitvoeren. Het doel hiervan is de bevordering van een gezonde financiering, het bijdragen aan het behouden van de goede kredietwaardigheid en handhaving van de positie van decentrale overheden op de kapitaalmarkt. Een belangrijke eis uit de Wet fido is dat de uitvoering van de treasuryfunctie uitsluitend de publieke taak dient en dat het beheer prudent (verstandig) dient te zijn. Op 6 juli 2021 is het Treasurystatuut 2021 vastgesteld door de raad. Hierin is het beleidskader voor Losser inzake treasury opgenomen. In het statuut is de geldende wetgeving vertaald naar de gemeente. Zo is vastgelegd hoe de financiële risico’s, zoals het renterisico (van vaste en vlottende schuld), het kredietrisico, het liquiditeitenrisico en koersrisico, worden geminimaliseerd. En wordt de verdeling van taken en bevoegdheden vastgelegd. Ook is de verantwoordingsrelatie inzake het treasurybeleid tussen de gemeente Enschede en gemeente Losser vastgelegd. Renterisicobeheer Het renterisico wordt onder meer beperkt doordat de gemeente zeer terughoudend omgaat het vertrekken van leningen en garanties. De gemeente Losser heeft geen leningen verstrekt behalve starters- en blijversleningen.
De uitvoering hiervan is ondergebracht bij het Stimuleringsfonds Nederlandse Gemeenten. Ook worden door de gemeente leningen verstrekt vanuit het Energiefonds Losser om zo hiermee lokale initiatieven mogelijk te maken die bijdragen aan het energieneutraal maken van Losser. De uitstaande (nog 2) garanties op geldleningen stammen uit de jaren 90. Bij deze garanties zijn geen zekerheden c.q. onderpand verkregen. De risico’s die voortvloeien hieruit zijn opgenomen in het weerstandsvermogen (zie top 10 met risico’s in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing). Losser neemt een achtervangpositie in bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) voor verstrekte leningen aan corporaties. Per 1 augustus 2021 gaat de nieuwe achtervangovereenkomst in. Naar verwachting zal de achtervangpositie van Losser hierdoor stijgen als gevolg van de nieuwe verdeling op basis van bezittingen van de woningcorporaties in de gemeente. Nu staan gemeenten veelal in de achtervang voor financieringen die zijn benut voor bezit dat niet op het eigen grondgebied ligt. Corporaties lenen namelijk, net als de gemeente, integraal zonder dat sprake is van projectfinanciering dat toe te wijzen is aan elk separaat bouwproject. Gebleken is dat de gemeente Enschede voor een deel in de achtervang staat voor bezit van de corporaties in omliggende gemeenten waaronder ook voor Losser.
De risico’s hiervan zijn tot op heden ingeschat op nihil. Een grotere achtervangpositie heeft dus geen (financieel) effect op de begroting Omslagrente 2022 In de volgende tabel is de berekening van de omslagrente conform de voorschriften vanuit het BBV terug te vinden:
88
Tabel: berekening omslagrente 2022 (bedragen in €) Omschrijving
Bedrag
Externe rentelasten korte en lange financiering
525.091
Externe rentebaten (o.a. rente personeelshypotheken)
-52.257
Totaal door te rekenen externe rente
472.834
Rente aan grondexploitaties
-21.314
Rente projectfinanciering (Kulturhus)
-25.864
Saldo toe te rekenen externe rente
425.657
Rente over eigen vermogen
0
Rente over voorzieningen
0
Toe te rekenen rente
425.657
Toegerekende rente aan boekwaarden
430.076
Renteresultaat rente
4.419
Boekwaarde cf. geprognosticeerde balans
54.444.709
Omslagrente - niet afgerond
0,70%
De omslagrente komt voor 2022 uit op 0,70% (conform VJN2021), De rente voor Bouwgronden in Exploitatie bedraagt 0,80%. Deze rente is hoger dan de omslagrente, doordat hiervoor een andere rekenmethode van toepassing is. Bij deze renteverrekening is altijd sprake van een nacalculatie in de gemeenterekening op basis van de werkelijke rente. Renteresultaat Het renteresultaat voor 2022 blijft positief en komt uit op 1,04%. De rentepercentages voor zowel kort als langlopende leningen blijven naar verwachting laag, en ook de lange termijn voorspellingen laten nog steeds geen (forse) stijging van de rente zien. Desondanks gaan we in ons meerjarenperspectief uit van een langzaam oplopende rente vanuit behoedzaamheidsoverwegingen. Kasgeldlimiet Voor het beperken van de renterisico’s is in de Wet fido ook een norm voor de kortlopende schulden opgenomen, de kasgeldlimiet. De kasgeldlimiet is het bedrag dat de gemeente als gemiddelde netto vlottende schuld (vlottende schulden -/- vlottende middelen) maximaal mag hebben. De kasgeldlimiet bedraagt voor de komende jaren: Tabel: berekening kasgeldlimiet 2022 (bedragen in € 1.000) 2022
2023
2024
2025
1. Begrotingstotaal (grondslag berekening kasgeldlimiet
65.469
62.147
61.017
61.977
2. Vastgesteld percentage
8,5%
8,5%
8,5%
8,5%
3. Kasgeldlimiet (1. x 2.)
5.565
5.283
5.186
5.268
Aangezien de korte rente nog steeds aanzienlijk lager is dan de rente op langlopende leningen, en vaak zelfs negatief, maken we maximaal gebruik van de ruimte binnen de kasgeldlimiet. Zo worden de rentelasten geminimaliseerd.
89
Renterisiconorm In de Wet fido is bepaald dat de gemeente binnen de renterisiconorm moet blijven. Het uitgangspunt van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op de langlopende schulden (schulden met een looptijd van één jaar of langer). Dit gebeurt door het aanbrengen van spreiding in de looptijden van de leningen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot deel van de leningen tegelijk opnieuw moet worden afgesloten, met het risico van snel oplopende rentelasten. De renterisiconorm beoogt in de kern dat de jaarlijkse aflossingen en renteherzieningen totaal niet meer dan 20% van de totale begroting van baten en lasten mogen bedragen. Uit de onderstaande tabel blijkt dat de gemeente Losser in de komende jaren de norm niet zal overschrijden: Tabel: (bedragen in € 1.000) 2022 1.
Begrotingstotaal
2.
2023
2024
2025
65.469
62.147
61.017
61.977
Vastgesteld percentage
20%
20%
20%
20%
3.
Renterisiconorm (1. x 2.)
13.094
12.429
12.203
12.395
4.
Aflossingen
3.037
2.871
2.486
2.086
5.
Ruimte onder renterisiconorm (3. - 4.)
10.056
9.559
9.717
10.309
Beleidsvoornemens treasuryfunctie In 2022 gaat de treasuryfunctie zich bezig houden met onder andere: •
•
Invoering nieuwe contract met BNG Bank vanaf 1 januari 2022. Uit de aanbesteding bancaire dienstverlening (die gezamenlijk met GBTwente en gemeenten Enschede en Hengelo is uitgevoerd) is gekomen dat de BNG Bank ook de komende jaren de huisbankier is van de gemeente Losser. In het nieuwe contract zijn nieuwe rentecondities opgenomen waarop dusdanig geanticipeerd moet worden dat de rentelasten geminimaliseerd worden. De rentecondities zijn mede gewijzigd als gevolg van de negatieve korte rente die nu ook geldt voor positieve banksaldi. Vanuit het nieuwe contract zal ook onderzocht of er mogelijkheden zijn voor verdere efficiency van het betalingsverkeer zoals bijvoorbeeld inzet nieuwe betaalinstrumenten. Dit sluit aan bij het gestelde hierover in het onlangs vastgestelde Treasurystatuut 2021 dat het betalingsverkeer zodanig moet zijn ingericht dat aan de doelstelling van het minimaliseren van interne en externe verwerkingskosten wordt voldaan.
Limieten 2022 In de treasuryparagraaf worden jaarlijks de limieten voor het opnemen van kredieten in rekening-courant, het uitzetten van tijdelijk overtollige geldmiddelen en het aantrekken van langlopende geldleningen vastgesteld. De raad stelt hiermee de grenzen vast waarbinnen het college in 2022 kan financieren. De limieten voor 2022 zijn: •
90
Limiet opnemen krediet in rekening-courant bedraagt 110% van de kasgeldlimiet (€ 5,565 miljoen voor 2022). De limiet komt daarmee uit op € 6,121 miljoen. Deze limiet geeft aan hoeveel maximaal 'kortlopend' gefinancierd kan worden. Overigens wordt deze limiet wel tijdelijk overschreden zoals toegestaan vanuit de Wet fido.
•
•
91
Daarin is opgenomen dat de kasgeldlimiet twee kwartalen achtereen overschreden mag worden. Gezien de zeer lage rentestanden voor kortlopende leningen wordt hier maximaal gebruik van gemaakt. Limiet voor uitzetten tijdelijk overtollige middelen bedraagt € 0,49 miljoen voor het jaar 2022. Deze limiet is gelijk aan het zogenaamde drempelbedrag dat geldt vanuit het verplichte schatkistbankieren. De gemeente mag tot maximaal dit bedrag overtollige middelen uitzetten conform het gestelde in de Wet fido. De resterende overtollige middelen dienen verplicht bij de schatkist te worden ondergebracht. Het is overigens niet waarschijnlijk dat er overtollige middelen zijn om uit te zetten. Limiet aantrekken langlopende leningen wordt vastgesteld op € 5 miljoen voor het jaar 2022. Hiermee kan de ingeschatte financieringsbehoefte voor 2022 worden ingevuld en is het mogelijk om eventueel vroegtijdig financieringen af te sluiten voor de komende jaren, indien de renteontwikkeling hiertoe aanleiding geeft.