BP Natuurbegraafplaats Op Aust
Tekst van het document
Figuur 4.4 weergave kaartlaag ‘laag van het agrarisch cultuurlandschap’.
Ambitie De ambitie voor het agrarisch cultuurlandschap is gericht op een stevige impuls van de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden en in voorkomende gevallen op een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen. Richtinggevende uitgangspunten • Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Bij de uitwerking van het plan zijn de gebiedskenmerken van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ als uitgangspunt genomen. Het initiatief hersteld en versterkt de bestaande landschapskenmerken en de cultuurhistorisch waarden van het bosgebied. De hoofdstructuur van lanen, bosstroken en waterlopen van het gebied blijft in stand en
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 30 van 64 Juli 2023 Versie 01
wordt verder versterkt. De ontwikkeling is in overeenstemming met de gebiedskenmerken van de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'. 4.2.2.3
Stedelijke laag De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. Er is in het plangebied geen sprake van een gebiedskenmerk uit de stedelijke laag.
4.2.2.4
Laag van de beleving In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis van het buitengebied. Aan het ‘belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht.
Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen. Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe ‘erfgoed’ van de provincie. Ruimtelijke kwaliteitsambities De ruimtelijke kwaliteitsambities in de laag van de beleving zijn: • Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap • Sterke ruimtelijke identiteiten als merken van Overijssel Op basis van de kaartlaag is hier sprake van zogeheten ‘donkerte’.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 31 van 64 Juli 2023 Versie 01
Figuur 4.5 weergave kaartlaag ‘laag van de beleving’.
Het contrast tussen lichte en donkere en drukke en stille gebieden is groot. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. De natuurbegraafplaats wordt ingepast in het bestaande bosgebied en er zal geen verlichting worden aangebracht in het plan, zodat het aspect ‘donkerte’ niet nadelig wordt beïnvloedt. Tevens heeft de gemeente ook als voorwaarde aan medewerking verbonden dat ook de verlichting bij het ontvangst- en beheersgebouw zo minimaal mogelijk dient te zijn om lichtuitstraling te voorkomen. Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie verwoorde ruimtelijk beleid. 4.2.3
Omgevingsverordening Overijssel De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd. In de verordening staan algemene regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, water en bodem. De verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen, is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening geeft regels aan gemeenten die bij het maken van bestemmingsplannen in acht genomen moeten worden. In deze paragraaf is aan de hand van de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel onderbouwd op welke wijze de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats voldoet aan de regels uit de omgevingsverordening.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser
Blad 32 van 64
Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Juli 2023 Versie 01
De ontwikkeling van de natuurbegraafplaats vindt plaats in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Dit betekent dat artikel 2.1.6 (KGO) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang is. Naast artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel is tevens artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Voor sociaal-economische ontwikkelingen in het kader van de KGO wordt immers ruimte geboden indien deze ontwikkeling vanuit 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' verantwoord is. Door de ligging in het NNN (Natuurnetwerk Nederland) is artikel 2.7 van de Omgevingsverordening van toepassing. Vanwege de ligging van een recreatieve route in het plangebied is artikel 2.17 van toepassing (Fiets- en wandelroutestructuren). Op de hiervoor genoemde artikelen wordt hierna nader ingegaan. 4.2.3.1
Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (Art. 2.1.3) In artikel 2.1.3 lid 2 van de Omgevingsverordening is de volgende bepaling opgenomen: Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpenwanneer aannemelijk is gemaakt: 1. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; 2. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 lid 2 Bij de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats wordt feitelijk gezien gebruik gemaakt van het bestaande grondgebied van het bos. Er komt alleen een gebouw dat dienst doet als ontvangst- en beheersgebouw van maximaal 250 m2 die wordt gemaakt van duurzame en natuurlijke materialen. Het verlies aan areaal door deze bebouwing wordt gecompenseerd.
4.2.3.2
Kwaliteitsimpuls Groene omgeving (Art. 2.1.6 lid 1) "Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen -met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5.- voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving." Zoals uit het voorgaande blijkt is artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening in het voorliggende geval ook van toepassing. Artikel 2.1.5. stelt - samengevat - dat nieuwe ontwikkelingen in bestemmingsplannen mogelijk kunnen worden gemaakt, indien deze de ruimtelijke kwaliteit versterken en wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief. De mogelijkheid bestaat om van het
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 33 van 64 Juli 2023 Versie 01
ontwikkelingsperspectief af te wijken, indien er sprake is van een sociaal-economisch en/of maatschappelijk belang en voldoende verzekerd is dat er sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Toetsing van het initiatief aan Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Onderstaand wordt ingegaan op de basisinspanning die gaat worden voorzien binnen het plangebied. Daarna wordt nog ingegaan op de extra kwaliteitsimpuls. 4.2.3.2.1
(Ecologische) basisinspanning op gronden van KGO-investering Bosonderhoud wordt omgevormd van economisch bosonderhoud naar ecologisch bosonderhoud: • Diversiteit aanbrengen in soort beplanting (met name van toepassing op het oostelijk deel) op basis van grondslag (PNV) en hoogte (hogere koppen meer open bos); • Diversiteit aanbrengen in leeftijd beplanting (met name van toepassing op oostelijk deel en op gebied rond de parkeerplaats en tijdelijk gebouw); • Verwijderen invasieve soorten; • Vrijzetten beuken, hiervan zijn er nog enkelen aanwezig, terwijl het bij de PNV past; • Dood hout laten liggen of staan (indien niet gevaarlijk voor bezoekers); • Creëren van een snel afbreekbare strooisellaag voor een sterke bodemvitaliteit. Door aanplant van winterlinde, esdoorn en hazelaar (voor wetenschappelijke onderbouwing, zie Terug naar het lindewoud: strooiselkwaliteit als basis voor ecologisch bosbeheer door de WUR, 2007); • Heesterranden. Op twee plekken in het plangebied worden heesterranden om open plekken gerealiseerd. Deze rand van inheemse bloeiende, besdragende heesters zorgen voor privacy en vormen een zoom die een geleidelijke overgang van openheid naar bos. Soorten die in zogenaamde zomen voorkomen zijn boomkikkers, hazelwormen; • Houtrillen oftewel takkenril nieuw element in het bos. Op houtrillen wordt het dode hout verzameld.
De houtrillen worden gerealiseerd voor tal van amfibieën, zoals hazelworm en de gladde slang. Deze maatregelen worden uitgevoerd na het in gebruik nemen van de natuurbegraafplaats. Na 5 jaar zal ecologisch bosonderhoud de norm zijn.
4.2.3.2.2
Extra ecologische kwaliteitsimpuls op natuurbegraafplaats Maatregelen die het gebied van grote ecologische waarde maken, maar een grote inspanning vragen, vormen de extra ecologische kwaliteitsimpuls voor dit project. Hieronder zijn ze opgesomd. Heide realiseren Op de hogere zandgronden wordt heide gerealiseerd. Dat betekent dat er geplagd wordt, zodat de voedselrijke laag verwijderd wordt. Heidemaaisel (en een deel van de bodem waarin de heide groeit) vanuit de omgeving wordt opgebracht zodat het proces om heide terug te krijgen op de plekken versneld start. Heide is aantrekkelijk voor natuurwaarden, maar vormt ook een cultuurhistorisch relict van de plek. Opbrengen van steenmeel Op de heide plekken is het wenselijk om steenmeel aan te brengen om de erg zure omstandigheden van de bodem iets basischer te maken. Op andere droge gebieden,
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 34 van 64 Juli 2023 Versie 01
zoals op de Veluwe, is de werking van steenmeel heel positief gebleken. Open zandige plekken maken Variatie in het bos wordt ook gerealiseerd door open plekken te realiseren. Zandkoppen worden open gekrabd en toegankelijk gemaakt voor zonlicht. Hierdoor wordt het aanwezige reliëf beleefbaarder. Het zand biedt leefruimte voor amfibieën. Juist door de combinatie met water in de buurt, zullen de open zandige plekken een waardevolle, nu ontbrekende stapstenen, zijn. Jeneverbes opkweken en vrij zetten Bij voorkeur worden de bessen, van de bomen die in het projectgebied staan en al bessen dragen verzameld en in water gelegd en in het projectgebied gekweekt. Dit is echter kwetsbaar, door vraat van dieren en het lange tijdspad. Dus naast deze procedure zullen er jeneverbessen geplant worden. De bestaande jeneverbessen worden vrij gezet, zodat vallende bessen ook zelf weer kunnen ontkiemen. Mossendiversiteit verhogen In het projectgebied komen interessante soorten mos voor. Mossen hebben een specifieke voorkeur voor een standplaats en vormen een vaste combinatie met planten. Het vochtgehalte in het milieu (met name de luchtvochtigheid) bepaalt voornamelijk welk mos zich kan vestigen. Daarnaast is zuurgraad van het substraat waarop hij groeit ook van belang. Als laatste, minder beïnvloedbare component, is de luchtkwaliteit van belang.
Op de eerste tweevestigingsvoorwaarden speelt dit plan in en wordt een extra kwaliteitsinspanning geleverd. De afwezigheid van steen in het projectgebied, zorgt dat de extra kwaliteitsimpuls zich voornamelijk richt op de op houtgroeiende mossen (de epifyten) en de op de grond groeiende mossen (de terrestische mossen). Het gebied biedt grote kansen voor bosmossen. Naarmate het bos ouder wordt, zal hierin diversiteit toenemen. Maatregelen die een positieve bijdrage leveren aan de mosflora zijn de volgende: • Structuurvariatie in het bos (zie basisinspanning) zorgt ook voor meer variatie in de mospopulatie. • Door doodhout en wortelkluiten laten liggen (voornamelijk op de noordhellingen met een stabiele luchtvochtigheid en temperatuur), wordt het gebied aantrekkelijker voor mossen die op het substraat hout groeien in een luchtvochtige omgeving. • Het planten van winterlindes en vlieren, (met licht verteerbaar blad en hout met basische eigenschappen) zorgt dat er ook mossen in het projectgebied kunnen groeien die van een niet zuur zijnde substraat houden. Oude vlieren hebben vaak diepe schorsspleten wat een positieve invloed heeft op de vestiging en kieming van mossen-sporen. • Het realiseren van heide in het projectgebied levert een bijzondere bijdrage aan het mossenaantal.
Denk hierbij zowel aan bladmossen (Heide-klauwtjesmos, gewoon gaffeltandmos en bronsmos) als korstmossen (rendiermos, bekermos, rode heidelucifer en soms kraakloof). Vlinderdiversiteit verhogen. De vlinders die zeker in het gebied voor komen na realisatie van de basisinspanning op de natuurbegraafplaats zijn eikenpage en keizersmantel. Dit wordt bereikt door de zuidrand van het gebied als zoomvegetatie in te richten. Deze zoomvegetatie heeft een golvend karakter, waardoor een heester- en kruidenrand met verschillende
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 35 van 64 Juli 2023 Versie 01
microklimaten ontstaat. De heester- en kruidenrand bestaat uit inheemse planten die elkaar opvolgen in bloeitijd, waardoor het vlinderaantal zal toenemen. Groot dikkopje, heideblauwtje en bont dikkopje vinden hun biotoop bij de te realiseren heidestukken en open bosstukken. Dat laatste wordt bereikt door het verwijderen van invasieve soorten, zoals Amerikaanse vogelkers. Ook voor deze soorten zullen de zoomvegetaties een belangrijke toevoeging zijn in het bestaande bos. De kleine ijsvogelvlinder is zeldzaam in Nederland, maar komt juist in Twente nog voor in de vochtige beek-begeleidende broekbossen. De kleine ijsvogelvlinder kan in het plangebied terug komen door de grond die ten noorden van de Dinkel in het plangebied verlandt, te laten begroeien met beekbegeleidend broekbos. Alle wilde kamperfoelie (waardplant van kleine ijsvogelvlinder) wordt behouden en gestimuleerd om hier te groeien. 4.2.3.2.3
Extra KGO-investering fase B Naast een ecologische basisinspanning op het eigen terrein wordt er op het Landgoed Lutterzand, aan de Lutterzandweg, gronden buiten het projectgebied opgewaardeerd. Het terrein wat opgewaardeerd wordt, heeft een kleinschalige recreatiefunctie. Het bestaat uit droog grove dennenbos met weinig ondergroei en zandpaden. Het huidige natuurdoeltype is droog bos met productie. Het beheer bestaat uit reguliere dunning. Doel van de KGO-investering: gemengd bos creëren met een natuurlijk opbouw en diversiteit. Delen van het zoekgebied kennen deze opbouw al in mindere mate. Dit zijn plekken waar paden elkaar kruisen en percelen in een punt lopen. De varieteit wordt gekenmerkt door een natuurlijke gelaagdheid met Eiken, Berken, Hulst, Vuilboom en een verstrooide kruidlaag. Binnen het zoekgebied van de KGO-investering zal de focus liggen op het zuidoostelijk deel. Hier zijn in het verleden de meeste ingrepen gedaan die hebben geleden tot de invasie van exoten. Daarbij was hier de diversiteit zoals te zien op de historische kaart van 1925 het sterkste. Een sterke afwisseling van kruiden, heide en ‘Clumbs’ van bos tekende het landschap in de overgang van laag naar hoog. Zodoende is de verwachting dat hier het hoogste resultaat voor de natuur en recreatie behaald kan worden met de extra ecologische kwaliteitsimpuls.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 36 van 64 Juli 2023 Versie 01
Figuur 4.6 weergave zoekgebied natuurcompensatie
Hierna is nog in tabelvorm aangegeven welke uit te voeren compensaties er zoal plaats gaan vinden.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 37 van 64 Juli 2023 Versie 01
Figuur 4.7 weergave overzicht compensaties
Indien het zover komt dat de fasen A en B vol zijn en doorgegaan kan worden met de opvolgende fases C, D en E dan dient voor deze opvolgende fases C,D en E op eenzelfde wijze compensatie plaats te vinden (per 1 hectare a 250 natuurgraven opwaarderen van 5 hectare aan gronden tot natuur) in nog nader af te stemmen gronden / zoekgebieden en overeenkomstig de aangegeven oppervlaktes zoals aangegeven in het schema in bijlage 2 van de regels, waarvoor dan tevens vooraf nog wel voor de nog nader te vinden gronden een ‘Inrichtings- en beheersplan’ zal moeten worden overlegd aan de gemeente en deze dit plan vooraf zal moeten goedkeuren. Vervolgens zal hiertoe, indien noodzakelijk, een op dat moment geëigende (planologische) procedure moeten worden gevoerd. 4.2.3.3
Natuurnetwerk Nederland artikel 2.7 In artikel 2.7 van de Omgevingsverordening bevinden zich de regels voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ruimtelijke ontwikkelingen in het NNN dienen hieraan te worden getoetst. Het plangebied is gelegen in het NNN en voorliggend bestemmingsplan dient derhalve te strekken tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 38 van 64 Juli 2023 Versie 01
Figuur 4.8 Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk (groen) en Natura 2000-gebied Dinkelland (geel).
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.7 Natuurnetwerk Nederland Door de nieuwe inrichting en het nieuwe beheer van het gebied als natuurbegraafplaats wordt in ecologisch opzicht winst behaald. Er worden door eenmalige inrichtingsmaatregelen en het doorvoeren van het bosomvormingsbeheer meer en waardevollere natuurtypen gerealiseerd: Hierdoor ontstaan meer overgangen tussen vegetaties. Voor gronden gelegen binnen het Overijsselse Natuurnetwerk geldt dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Initiatiefnemers van ingrepen binnen het Natuurnetwerk Nederland dienen daarom de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en waarden te onderzoeken. Een dergelijk onderzoek wordt een "nee-tenzij onderzoek" genoemd. In de omgevingsverordening van de provincie Overijssel zijn de wezenlijke kenmerken en waarden per deelgebied aangeduid. Een ontwikkeling in het Natuurnetwerk Nederland kan niet plaatsvinden indien deze significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied hebben. Wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied.
Gedacht kan worden aan de natuurdoelen en kwaliteit, geomorforlogische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde. In de bijlage ‘Rapport Natuurtoets’ is in paragraaf 8.3 ingegaan op hoe omgegaan wordt met de significante effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Vanuit de uitgevoerde belangenafweging zoals weergegeven in paragraaf 8.3 van het Rapport Natuurtoets kan aangenomen worden dat de wezenlijke kenmerken en waarden worden versterkt met de voorgenomen inrichting. Het NNN is beter met elkaar verbonden en het areaal schraalgrasland wordt vergroot. Door de investering in het
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser
Blad 39 van 64
Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Juli 2023 Versie 01
NNN is geen sprake van afname van areaal. Hierdoor kan de ontwikkeling op de onderzoekslocatie plaatsvinden. Een uitzondering vormt de realisatie van een ontvangst- en beheersgebouw met een oppervlakte van maximaal 250 m² en de uitbreiding/aanleg van het aantal parkeerplaatsen. Voor deze activiteiten dient afgeweken te worden van het beschermingsregime uit artikel 2.7.4 lid 5 door middel van het daar gestelde dat als volgt luidt: De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen het NNN af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.4. mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging: a. de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast, b. per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het NNN, c. plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties. Door de relatief beperkte oppervlakte van het gebouw worden de wezenlijke kenmerken en waarden in zeer beperkte mate aangetast. Het gebouw wordt gerealiseerd in combinatie met de verbetering van de landschappelijke en natuurlijke waarden in het plangebied als geheel.
De compensatie van het ontvangstgebouw en de huidige parkeerplaats vindt plaats door het afwaarderen van landbouwgrond naar natuur (zie zoneringskaart en inrichtingskaart). Op de landbouwgrond (gelegen aan de oostkant van Lutterzandweg) worden 250m² inheemse heesters ingeplant ter compensatie van het ontvangstgebouw. Daarbij wordt 680m² kruidenrijk grasland gerealiseerd voor het compenseren van de gedeeltelijk te realiseren parkeerplaats. Een ontwikkeling in het Natuurnetwerk Nederland kan niet plaatsvinden indien deze significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied hebben. Wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. De ontwikkeling van een natuurbegraafplaats op de onderzoekslocatie zal niet leiden tot significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied Dinkelland boven- en middenloop. Voor de realisatie van de natuurbegraafplaats wordt een ‘Kwaliteitsimpuls groene omgeving’ (hierna: KGO-investering) gedaan. Voor fase B (3 ha) zal 15 ha bos- en natuur opgewaardeerd worden. In totaal zal er 33,25 ha opgewaardeerd worden om de eerste 4,5 ha natuurbegraafplaats te compenseren. In de bijlage KGO op Aust is daar verder op ingegaan. 4.2.3.4
Artikel 2.17.1 Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren In artikel 2.17.1 van de Omgevinsgverordening staan de regels voor bovenlokale fietsen wandelroutestructuren. In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 40 van 64 Juli 2023 Versie 01
rekening is gehouden met bestaande bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.17.1 Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren De bestaande bovenlokale wandelroute door het plangebied blijft behouden en wordt verbeterd. Daarnaast wordt de gehele padenstructuur door het bosgebied uitgebreid en versterkt en de toegankelijkheid wordt verruimd. 4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie Losser De structuurvisie Losser geeft een actueel beeld van het ruimtelijk ordeningsbeleid van de gemeente. Met de totstandkoming van de visie beschikt de gemeente over een samenhangend beleidsdocument dat leidend is voor de ruimtelijke ordening en ontwikkelingen voor de komende jaren. De structuurvisie geeft richting aan de wijze waarop ruimtelijke kwaliteiten binnen de gemeente kunnen worden behouden en versterkt. In de visie wordt bepaald wat de essentiële en gebiedsspecifieke kwaliteiten zijn, waar kansen liggen en hoe ontwikkelingen op deze kwaliteiten en kansen kunnen inspelen. Groene kwaliteit Losser kent een waardevol buitengebied; niet voor niets maakt de hele gemeente deel uit van het Nationale Landschap. De Dinkel en de Stuwwal zijn unieke gebieden. De kwaliteiten van dit landschap zijn een belangrijke reden waarom mensen hier willen wonen en werken. De groene kwaliteiten moeten daarom behouden worden. Verder maakt het plangebied deel uit van het rivierlandschap. Hier staat het volgende genoemd in de Structuurvisie Losser. De Dinkel en de aansluitende beken vormen een landschap van nationale betekenis. De natuurwaarden en de vorm van de beken zijn uniek voor Nederland. Vanzelfsprekend is het belangrijkste doel voor dit gebied dat deze waarden, het natuurlijke verloop van de beken, behouden blijven en verder worden versterkt.
De betekenis van de beken in het Natuurnetwerk Nederland en als onderdeel van de Natura 2000‐gebieden is hiervoor leidend. Naast een ecologische doelstelling, is er ook een recreatieve doelstelling voor het gebied. Het is de bedoeling dat de mensen de natuur hier kunnen beleven, bijvoorbeeld door over de Dinkel te kanoën. Ook kunnen recreanten hier komen fietsen en wandelen. Fiets‐ en wandelverbindingen aansluitend op de recreatiegebieden zijn daarvoor gewenst. Ook is het gewenst dat vanuit de dorpen gemakkelijk een rondje langs de Dinkel gewandeld kan worden en dat het rivierdal vanuit, en eventueel ook binnen de kernen zichtbaar is. De Dinkel vervult in het landschap tevens een verbindende rol. Ze verbindt bijvoorbeeld de dorpen binnen de gemeente. De relatie tussen het rivierdal en de dorpen is echter niet overal even sterk aanwezig. Ontwikkelingen die bijdragen aan de belevingswaarde en een passend gebruik van het rivierdallandschap (recreatief en agrarisch) zullen
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 41 van 64 Juli 2023 Versie 01
worden gestimuleerd. Uitbreiding van bebouwing (schaalvergroting en nieuwvestiging) wordt beperkingen opgelegd. Middels voorliggend plan wordt rekening gehouden met de waarden in dit gebied. Er wordt een zonering van 50 meter aangehouden tot aan de Dinkel. Verder wordt het plangebied qua belevingswaarde vergroot door de te nemen landschap- en ecologische maatregelen in het gebied van de natuurbegraafplaats en daaromheen (opwaarderen natuur). Door het medegebruik als natuurbegraafplaats zal het gebied (naast de functie van het kunnen rouwen en herdenken) ook meer beleefd worden door de verdergaande openstelling van het gebied. Er is zodoende sprake van een gewenste meerwaarde voor het gebied en kan het initiatief als passend worden beschouwd binnen het gemeentelijke beleid.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 42 van 64 Juli 2023 Versie 01
5
Hoofdstuk 5 Omgevingsfactoren Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.
5.1
Archeologie In de toelichting moet worden aangegeven hoe het cultureel erfgoed wordt beschermd in relatie tot de wettelijke bepalingen (Erfgoedwet) en hoe met het oog op het noodzakelijk onderzoek met het aspect archeologie is omgegaan. Eventuele onderzoeksrapporten moeten als bijlage bij de toelichting worden gevoegd. Op basis van het geldende bestemmingsplan kent het gebied twee verschillende archeologische dubbelbestemmingen, te weten ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Op onderstaande uitsnede is dat zichtbaar gemaakt, waarbij de genoemde gebieden ‘rood’ opgelicht zijn, op de eerste kaart de waarde 2 gebieden en de kaart daarna de waarde 3 gebieden.
Figuur 5.1 weergave dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’
Figuur 5.2 weergave dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 43 van 64 Juli 2023 Versie 01
Waarde – Archeologie 2 Voor deze gebieden geldt dat nader onderzoek naar archeologie nodig is bij ruimtelijke en daarmee gepaard gaande bodemverstorende activiteiten groter dan 2.000 m2 én dieper dan 0,30 meter. Waarde – Archeologie 3 Voor deze gebieden geldt dat nader onderzoek naar archeologie nodig is bij ruimtelijke en daarmee gepaard gaande bodemverstorende activiteiten groter dan 2.500 m 2 én dieper dan 0,30 meter. Door onderzoeksbureau Hamaland Advies is een ‘bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek archeologie’ uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Onderstaand volgen de conclusies en aanbevelingen van het uitgevoerde onderzoek. Bureauonderzoek De bodem is naar verwachting opgebouwd uit leemarm tot sterk lemig zand, waarbij direct onder het maaiveld stuifzand verwacht wordt. Daaronder kan op een aantal locaties sprake zijn van begraven bodems – het maaiveld van voor de verstuivingen rond 1600. In het oostelijk deel kan lokaal veraard veen aangetroffen worden. Verwacht wordt dat de bodem redelijk intact is, hoewel bosbouw en ontginning van heide geleid kan hebben tot bodemverstoring. Binnen het grootste deel van het plangebied worden duinvaaggronden verwacht, hoewel er ook veldpodzolgronden en gooreerdgronden aanwezig kunnen zijn. In het plangebied kunnen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.
Uit de directe omgeving zijn zowel losse vondsten als een urnenveld uit de Late Bronstijd-Vroege IJzertijd bekend. Ook zijn restanten van een celtic field uit de IJzertijd-Romeinse tijd aangetroffen. Indien er archeologische resten aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze onder een pakket stuifzand verwacht, vanaf circa 50 cm-mv. De begraven bodems komen vooral in het oostelijk deel van het plangebied voor. In het westelijk deel van het plangebied kunnen archeologische resten direct onder het maaiveld aanwezig zijn. Veldonderzoek Fase A+B Tijdens het booronderzoek zijn twee typen bodems waargenomen. In de eerste categorie is geen sprake van bodemvorming. Een uitspoelingshorizont (E-horizont) en een inspoelingshorizont (B-horizont) ontbreken hier. Dit bodemtype komt verspreid over het gehele onderzoeksgebied van Fase A+B voor. De natuurlijke ondergrond, bestaande uit stuifzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Kootwijk of uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden), is hier direct onder de bosstrooisellaag of onder de bouwvoor aanwezig (zie Tabel 5)23. Onder de tweede categorie vallen de bodems waarin wel (beginnende) bodemvorming is waargenomen. In al deze boringen is sprake van een inspoelingslaag, de zogenaamde B-horizont, die geleidelijk overgaat in de C-horizont. De natuurlijke ondergrond bestaat in al deze boringen uit stuifzand.
Daarnaast is in een aantal van deze boringen boven de inspoelingslaag een (zwak ontwikkelde) uitspoelingslaag aangetroffen, eveneens een kenmerk van bodemvorming (zie Tabel 6). De boringen met een (beginnende) bodemvorming kunnen geïnterpreteerd worden als ‘cambisol’ (‘braunerden’) en bevinden zich voornamelijk in het centraal-oostelijk deel van het onderzoeksgebied.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 44 van 64 Juli 2023 Versie 01
Een aantal van deze bodems zijn direct ten zuiden van het onderzoeksgebied van Fase A+B aangetroffen, maar bevinden zich wel binnen het plangebied. In boring 8 is een begraven bodem waargenomen (zie Tabel 8). Dit betekend dat het oorspronkelijke maaiveld van vóór 1600 n.Chr. is overstoven door stuifzand. Ook in dit relatief ‘nieuwe’ bodempakket heeft bodemvorming plaatsgevonden. De ‘oorspronkelijke’ bodem is vanaf 70 cm-mv aanwezig. De oude bouwvoor (A-horizont) heeft een dikte van 40 centimeter. Tussen 110-120 cm-mv is een dunne B-horizont aangetroffen, voordat deze overgaat in de C-horizont, bestaande uit stuifzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Kootwijk). Selectieadvies Ter plaatse van de boringen waar bodemvorming is waargenomen, kunnen archeologische resten aanwezig zijn, hoewel deze tijdens het booronderzoek niet aangetroffen zijn. Omdat het om geïsoleerd en sterk verspreid voorkomende bodems gaat, wordt vervolgonderzoek binnen het onderzoeksgebied van Fase A+B niet zinvol geacht. De kosten van een gravend onderzoek wegen ons inziens niet op tegen de geringe kenniswinst die eventueel behaald kan worden. De aangetroffen bodemvorming heeft bovendien pas na 1600 plaatsgevonden en is dus relatief recent.
Daarbij is ook in acht genomen dat de toekomstige natuurgraven individueel uitgegraven zullen worden en er daarbij per locatie een geringe bodemverstoring zal optreden. Het onderzoek is beoordeeld door Het Oversticht. Deze heeft als volgt geoordeeld: In het plangebied kunnen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Indien er archeologische resten aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze onder een pakket stuifzand verwacht, vanaf circa 50 cm -mv. Deze begraven bodems komen vooral in het oostelijk deel van het plangebied voor. In het westelijk deel van het plangebied kunnen archeologische resten direct onder het maaiveld aanwezig zijn. Tijdens het booronderzoek zijn twee typen bodems waargenomen. In de eerste categorie is geen sprake van bodemvorming. Onder de tweede categorie vallen de bodems waarin wel (beginnende) bodemvorming is waargenomen. Ter plaatse van de boringen waar bodemvorming is waargenomen, kunnen archeologische resten aanwezig zijn, hoewel deze tijdens het booronderzoek niet aangetroffen zijn. Omdat het om geïsoleerd en sterk verspreid voorkomende bodems gaat, wordt vervolgonderzoek binnen het onderzoeksgebied van Fase A en B niet zinvol geacht. De kosten van een gravend onderzoek wegen ons inziens niet op tegen de geringe kenniswinst die eventueel behaald kan worden.
De aangetroffen bodemvorming heeft bovendien pas na 1600 plaatsgevonden en is dus relatief recent. Daarbij is ook in acht genomen dat de toekomstige natuurgraven individueel uitgegraven zullen worden en er daarbij per locatie een geringe bodemverstoring zal optreden. Tevens zouden voor gravend onderzoek bomen gekapt moeten worden, die anders behouden kunnen blijven.1 Het onderzochte gebied (fase A en B) kan worden vrijgegeven voor archeologisch onderzoek. De verbeelding is daarop aangepast.
1.
1 De cursieve tekst is overgenomen uit het onderzoeksrapport
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 45 van 64 Juli 2023 Versie 01
5.2
Bodem In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden wat de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plangebied is. Tevens dient, op basis van de Mor (Ministeriële regeling omgevingsrecht), bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een rapportage van een recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek toegevoegd te worden. Voor verkennend bodemonderzoek op een locatie wordt de norm NEN 5740 gehanteerd (onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek). De bodemonderzoeksplicht geldt alleen voor bouwwerken waarvoor: • een reguliere omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist; • waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (1,5 of meer uren per dag) mensen kunnen verblijven; • die de grond raken; • waarvan het bestaande gebruik wijzigt (interne verbouwing van niet-verblijfsruimte naar verblijfsruimte); • die niet naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk genoemd in het Besluit bouwwerken; • waarvan geen reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten aanwezig zijn; • die geen tijdelijk bouwwerk betreffen waarbij uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is. Er is geen sprake van een dergelijk bouwwerk (verblijfsruimte) waarin nagenoeg voortdurend mensen verblijven, zodat er geen verkennend bodemonderzoek nodig is. Het te realiseren gebouw zal niet voortdurend door mensen als verblijfsruimte gebruikt worden.
Er zullen vaker geen dan wel mensen in aanwezig zijn. Verder blijkt uit een algemeen rapport, het Alterra-rapport ‘Terug naar de Natuur’ uit 2009, dat het vergaan van het dode lichaam geen significant effect op de bodem en het bodemleven veroorzaakt. In dit rapport is een aantal theoretische studies beschreven waarin effecten van metalen, eutrofiërende stoffen, organische zuren en afbraakproducten, medische stoffen en stoffen als kwik op afzonderlijke milieuonderdelen onderzocht zijn. Het begraven zal niet leiden tot overschrijdingen van de milieunormen voor de bodem. De Wet op de lijkbezorging voorziet afdoende in maatregelen om significante milieueffecten te voorkomen of te beperken. De Wet op de lijkbezorging is afgestemd op reguliere vormen van begraven. Bij natuurbegraven wordt uitgegaan van een veel lagere grafdichtheid. Verder zal bij het natuurbegraven alleen gebruik worden gemaakt van makkelijk afbreekbare en niet schadelijke materialen voor de kist/ het omhulsel. Effecten op de bodem zullen daarom verwaarloosbaar zijn. Verder is het nog zo dat de bijlage bij de Inspectierichtlijn Lijkbezorging ‘Technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven’ stelt, dat een bodem van zand- of zavelgrond het meest geschikt is voor een begraafplaats. Dit omdat het poriënvolume daarvan doorgaans voldoende is om de vereiste gaswisseling op peil te houden.
Er zijn daarom geen bodemingrepen noodzakelijk.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser
Blad 46 van 64
Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Juli 2023 Versie 01
Het aspect bodem behoeft geen nader onderzoek. 5.3
Cultuurhistorie Modernisering Monumentenwet (MoMo)/Wijziging Bro Per 1 januari 2012 is de wijziging van het Bro in werking getreden die een verplichting inhoudt om in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Wat zijn cultuurhistorische waarden? De Memorie van Toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening zegt met betrekking tot artikel 3.1.6 het volgende: "Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken" Het begrip cultuurhistorie heeft drie aspecten: 1. Historische (stede)bouwkunde / bovengrondse monumentenzorg; bijvoorbeeld kastelen, kerken, oude boerderijen of landhuizen, maar ook stedenbouwkundige elementen als beschermde stads- of dorpsgezichten; 2.
Archeologie; sporen en vondsten van menselijk handelen in het verleden in de bodem zijn achtergebleven, bijvoorbeeld potscherven, resten van voedselbereiding, graven, maar ook verkleuringen in de grond die duiden op bewoning of infrastructuur. Een verzamelterm hiervoor is 'archeologische waarden'. Alle archeologische waarden bij elkaar zijn het 'bodemarchief'. Deze sporen kunnen zich ook onder water bevinden zoals bijvoorbeeld verdronken nederzettingen of scheepswrakken; 3. Cultuurlandschap/historische geografie: alle landschappelijke elementen die het gevolg zijn van menselijk handelen in het verleden, bijvoorbeeld verkavelingspatronen, pestbosjes, landgoederenzones of ontginningsassen. Op basis van de cultuurhistorische kaart van de gemeente Losser bevindt het plangebied (indicatief zichtbaar bij de blauwe ovaal) in het cultureel landschappelijke erfgoed.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 47 van 64 Juli 2023 Versie 01
Figuur 5.3 weergave cultuurhistorische beleidskaart
Het Twentse landschap is niet alleen door de natuur bepaald; de mens heeft er grote invloed op gehad. Het erfgoed van het landschap betreft onder meer essen, houtwallen, landmarken, grafheuvels, buitenplaatsen, parken, tuinen en groen in steden en dorpen. Het buitengebied van Losser kent veel van dit landschappelijke erfgoed. Het is voor een belangrijk deel gezichtsbepalend voor de gemeente en daarmee sterk verbonden met de identiteit en de herkenbaarheid. Ambitie: Losser hecht er aan het landschappelijk erfgoed zo goed mogelijk te bewaren. Dit zonder het ‘onder een glazen stolp’ te leggen, want een gebied moet wel leefbaar zijn. Aandacht voor landschappelijke waarden maakt integraal deel uit van ruimtelijke projecten. Door middel van het plan wordt, met uitvoering van het Inrichtingsplan, juist weer het oorspronkelijke landschap meer en meer vorm gegeven en de belevingswaarde ervan versterkt en sluit daarmee aan op het versterken van de waarden op het gebied van cultuurhistorie en landschap. 5.4
Ecologie
5.4.1
Algemeen De bescherming van plant- en diersoorten is in Nederland geregeld in Wet Natuurbescherming (verder te noemen WNB). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermd ruim 900 soorten in Nederland voorkomende planten- en diersoorten. Deze wet vervangt de huidige Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet en Boswet. Doelstelling van de Wnb • het beschermen en ontwikkelen van de natuur; • het behouden en herstellen van biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 48 van 64 Juli 2023 Versie 01
Ten behoeve van het project is een zogeheten natuurtoets uitgevoerd door onderzoeksbureau Ecoconsultancy die is gericht op onderzoek naar de soortenbescherming en naar de gebiedsbescherming. Het bij het onderzoek behorende rapport waarin uitvoerig is ingegaan op de onderdelen soortenbescherming en gebiedsbescherming en de natuurtoets is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Hierna volgen de conclusies van het uitgevoerde onderzoek. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie plantenen diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een natuurbegraafplaats op de onderzoekslocatie te realiseren. Hiervoor zal een ontvangstgebouw en 35 onverharde parkeerplaatsen worden aangelegd. Tevens zullen de onverharde paden door het bos op de onderzoekslocatie worden hersteld. De natuurtoets bestaat uit drie onderdelen: 1. Soortbescherming: dit deel van het onderzoek (quickscan) heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep.
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de aanleg van de natuurbegraafplaats buiten het broedseizoen plaatsvindt, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Bij kap tijdens het broedseizoen moet eerst vastgesteld worden of er actieve nesten op de locatie aanwezig zijn. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vleermuissoorten en de eekhoorn kunnen worden voorkomen om tijdens kap bomen met holtes en nesten te ontzien. Voor de te verwachten levendbarende hagedis kan overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming worden voorkomen door maatregelen gedurende de aanlegfase van de natuurbegraaf-plaats te treffen. Geadviseerd wordt om deze maatregelen vast te leggen in een ecologisch werkprotocol. Eventuele nieuwvestiging van beschermde soorten is mogelijk op de onderzoekslocatie tijdens de gebruiksfase. Bij een dergelijk geval dient de situatie bij kap en graafwerkzaamheden opnieuw beoordeeld te worden om overtreding te voorkomen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. 2.
Gebiedsbescherming (Natura 2000): Dit deel van het onderzoek (voortoets) heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen,
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 49 van 64 Juli 2023 Versie 01
(significante) gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het betreft een oriënterende fase. Op basis van de toetsing van effecten aan de hand van de effectindicator kan het volgende worden geconcludeerd dat de volgende effecten relevant zijn bij de voorgenomen werkzaamheden: verontreiniging, geluid, licht en trilling. Het optreden van externe effecten zoals verdroging, vernatting, verandering van stroomsnelheid, verandering in dynamiek van het substraat, optische effecten, mechanische effecten en verandering in populatiedynamiek zijn op de grond van de analyse uit te sluiten. De gevolgen van de optredende effecten verontreiniging, geluid, trilling zijn zeer beperkt. Verontreiniging is alleen mogelijk als gevolg van een calamiteit in de aanlegfase en als zodanig niet te voorspellen. Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de gebruiksfase er geen effecten zijn te verwachten. In de aanlegfase zullen mogelijk een aantal effecten optreden. Deze hebben vanwege de aard en omvang en het tijdelijke karakter geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Dinkelland. 3. Provinciaal beleid: Dit deel van het onderzoek heeft tot doel om te bepalen wat de mogelijke effecten zijn op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het nabijgelegen NNN gebied.
Een ontwikkeling in het Natuurnetwerk Nederland kan niet plaatsvinden indien deze significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied hebben. Wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. De ontwikkeling van een natuurbegraafplaats op de onderzoekslocatie zal niet leiden tot significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied Dinkelland boven- en middenloop. Door de KGO-investering is geen sprake van afname van areaal. Hierdoor kan de ontwikkeling op de onderzoekslocatie plaatsvinden. Ook heeft een in het algemeen uitgevoerd onderzoek door de provincie Gelderland aangetoond dat een grafdichtheid van 500 graven/hectare geen gevolgen heeft voor hydrologie en ecologie. 5.4.2
Stikstofdepositie Tevens is nog beoordeeld of er mogelijk sprake kan zijn van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Hiertoe is een zogeheten stikstofberekening gemaakt met behulp van het programma Aerius. De rekenbladen van deze berekening zijn als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. De uitkomst is dat er geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr aanwezig zullen zijn. Ten aanzien van de Aerius-berekening kan nog worden aangegeven dat is uitgegaan van de volgende informatie. Er is uitgegaan van 3598 voertuigbewegingen per jaar. Het gaat daarbij dan dus over 1799 voertuigen per jaar. Gedeeld door 365 dagen betekent dat 5 voertuigen per dag. De verkeersaantrekkende werking is vanaf het project beperkt tot de Bentheimstraat. Omtrent de lengte van de rijlijn waarover de bijdrage van de verkeersaantrekkende
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 50 van 64 Juli 2023 Versie 01
werking is berekend, is uitgegaan van de 'Instructie gegevensinvoer voor AERIUS 2022'. In paragraaf 2.5.2 van genoemde ‘Instructie’ is hierover het volgende vermeld: Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Het verkeer van en naar de locatie zal voornamelijk vanaf de Bentheimerstraat afkomstig zijn. Het verkeer op de Bentheimerstraat is qua snelheid en rij- en stopgedrag niet te onderscheiden van het overige verkeer en tevens ook genoeg verdund om niet meer te worden aangemerkt als verkeer van en naar het plangebied. De gekozen lengte van de zijlijn van de verkeer aantrekkende werking is dus aanvaardbaar. Voor de natuurbegraafplaats is geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. 5.5
Externe en fysieke veiligheid Het aspect externe/fysieke veiligheid bestaat uit verschillende onderdelen. Externe veiligheid gaat onder andere over buisleidingen (geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen), het transport van gevaarlijke stoffen over bepaalde transportassen (geregeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes), de opslag van explosieven (geregeld in het Bestluit algemene regels ruimtelijke ordening) en het Bevi. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen richt zich primair op inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. In artikel 2, lid 1 van het Bevi staan de inrichtingen genoemd waarop het besluit van toepassing is. Een (natuur)begraafplaats wordt niet aangemerkt als een bevi-inrichting, zodat er geen sprake is van externe veiligheidsrisico’s vanuit het terrein van de natuurbegraafplaats naar de omgeving toe. Een (natuur)begraafplaats wordt ook niet aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat het aspect externe veiligheid niet van invloed is op het bestemmingsplan. Voor de volledigheid is nog wel beoordeeld aan de hand van de risicokaart Nederland of er in het plangebied mogelijk (hogedruk)buisleidingen zijn gelegen waarmee met de inrichting van het plangebied rekening moet worden gehouden. Op de volgende bladzijde is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.
Er zijn geen bevi-inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen, hoogspanningsmasten en hogedrukgasleidingen aanwezig. Onderstaand is weergave gedaan van de risicokaart ter plaatse van het plangebied en omgeving, waarbij zichtbaar is dat er geen bevi-inrichtingen etc aanwezig zijn.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 51 van 64 Juli 2023 Versie 01
Figuur 5.4 weergave risicokaart Nederland
5.6
Geluid (Wet geluidhinder) De eventuele verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een projectafwijkingsbesluit, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Een eventueel akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Van belang is om na te gaan of een natuurbegraafplaats een ‘geluidsgevoelig object’ is in het kader van de Wet geluidhinder. Een natuurbegraafplaats is op basis van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als een zogeheten geluidsgevoelig object, zodat geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden. Vanuit de VNG-Reeks bedrijven en milieuzonering hebben begraafplaatsen en uitvaartcentra een grootste normafstand van 10 meter voor het aspect geluid ten opzichte van woningen.
De meest nabij gelegen (bedrijfs)woning van derden bevindt zich op ruim 200 meter afstand van de grens van het plangebied. Er is geen geluidhinder te verwachten. De nabij het plangebied aanwezige recreatiewoningen zijn niet als geluidsgevoelig te beschouwen. Overigens bedraagt de afstand van deze recreatiewoning tot aan het plangebied circa 30 meter, zodat ook deze geen geluidoverlast zal ondervinden.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser
Blad 52 van 64
Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op
Juli 2023
Aust
Versie 01
5.7
Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Projecten die ‘niet in betekende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de AMvB-nibm zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm. Met de inwerkingtreding van de NSL op 1 augustus 2009 geldt de volgende bovengrens om als NIBM-project te worden aangemerkt: de bouw van 1500 woningen aan één ontsluitingsweg. Voorliggend bestemmingsplan is qua omvang en verkeersaantrekkende werking kleinschaliger als de bouw van 1500 woningen aan één ontsluitingsweg. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig.
5.8
Milieuhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van geplande milieugevoelige functies, zoals seniorenwoningen, ter plaatse van de seniorenwoningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende milieubelastende functies. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). Deze publicatie bevat onder meer lijsten met richtafstanden van diverse milieuhinderlijke activiteiten en stappenplannen voor concrete situaties. De richtafstanden uit bijlage 1 voor de VNG publicatie gaan uit van een 'rustige woonwijk'. Indien er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' dan kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. Hierna in tabelvorm de normafstanden:
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser
Blad 53 van 64
Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Juli 2023 Versie 01
Milieucategorie
Normafstand tot rustige woonomgeving
Normafstand tot gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6.1
10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter 500 meter 700 meter 1000 meter 1500 meter
0 meter 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter 500 meter 700 meter 1000 meter
De opgenomen richtafstanden zijn geen normen, maar afstanden waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. De afstanden worden gemeten vanaf de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat tot aan de dichtstbij gelegen gevel van de gevoelige functie.
Een “rustige woonwijk en rustig buitengebied” is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van enkele wijkgebonden voorzieningen zijn er vrijwel geen andere functies. Er is weinig storend verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype is een rustig buitengebied (inclusief eventueel verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een “gemengd gebied” is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen kunnen winkels, horeca of kleine bedrijven voorkomen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere activiteiten kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het gemengd gebied. Onderstaand is weergave gedaan van het plangebied en de daarbij aanwezige overige voorzieningen die van belang kunnen zijn bij het aspect milieuhinder. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is daarbij aangeduid binnen het rode kader.
NL.IMRO.0168.BP008vzp1703-0401 Toelichting
Gemeente Losser Bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Natuurbegraafplaats op Aust
Blad 54 van 64 Juli 2023 Versie 01
Figuur 5.5 weergave rondom gelegen bestemmingen