BP Buitengebied partiële herziening Rood voor Groen Singraven
Tekst van het document
43
zijnde stallen. De rondom de twee nieuwe erven voorkomende bebouwing is conform het vigerende bestemmingsplan immers in gebruik als (reguliere) woning. Conclusie Het aspect Bedrijven en milieuzonering, met inbegrip van agrarische bedrijfsfuncties, vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6
Geluid Het aspect ‘Geluid’ is primair geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh richt zich vooral op een verantwoorde ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, ten opzichte van belangrijke geluidsbronnen, zoals (rail)verkeer en industrie. Geluidsgevoelige bestemmingen worden in beginsel beschermd tegen te hoge geluidniveaus van verkeerswegen, spoorlijnen en industrie, of tegen een toename van deze niveaus als er iets aan de situatie verandert. De regels van de Wgh zijn van toepassing bij het vaststellen dan wel het mogen afwijken van een bestemmingsplan. Als het gaat om wegverkeerslawaai (spoorweglawaai is hier niet van toepassing) stelt de Wgh dat alle wegen een geluidzone hebben, met uitzondering van wegen waarover een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze geluidzone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is bij planologische besluitvormingen. De breedte van de zone, aan weerszijde van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (binnenstedelijk of buitenstedelijk), zie figuur 5.6. Figuur 5.6: Geluidszones langs wegen.
De Wgh stelt eisen aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen langs een bestaande weg. Voor woningen binnen de wettelijke zone van een weg geldt een ‘voorkeursgrenswaarde’ van 48 dB. Indien niet aan deze voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan onder voorwaarden een hogere grenswaarde worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde voor woningen binnen de zone van een weg met een buitenstedelijke ligging bedraagt daarbij 53 dB. Toetsing erven Slinge en Haboer Voor deze partiële herziening van het bestemmingsplan is alleen wegverkeerslawaai van belang. Het betreft dan met name de Beuningerstraat en de Denekamperstraat (N342). Erve Slinge is gelegen langs de Beuningerstraat, een weg waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. In de Wgh is opgenomen dat een geluidsgevoelige bestemming, die gerealiseerd wordt langs een 30 km/u-weg of in een woonerf, niet beoordeeld wordt in het kader van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet in dergelijke situaties een aanvaardbaar akoestische kwaliteit worden bereikt. In onderhavige situatie betekent dit dat de Wgh formeel geen toetsingskader vormt voor de nieuwe woningen op Erve Slinge en dat aannemelijk dient te worden gemaakt dat ter plaatse van Erve Slinge sprake is van een aanvaardbare geluidsbelasting.
Op grond van de geluidkaart uit de Atlas Leefomgeving kan worden herleid dat de beoogde woningen op Erve Slinge binnen de akoestische invloedsfeer van het wegverkeer over de Beuningerstraat liggen. De geluidkaart uit de Atlas Leefomgeving toont aan dat de geluidsbealsting op gevelniveau voor deze nieuwe woningen maximaal 50 dB bedraagt (zie figuur 5.7). Op grond van deze geluidkaart kan tevens worden geconstateerd dat de reeds aanwezige geluidsbelasting (op gevelniveau) ten gevolge van het wegverkeer in dit deel van/rondom Beuningen varieert van <45 dB tot 56 dB.
44
Figuur 5.7: Geluid wegverkeer Beuningerstaat (Bron: Atlas Leefomgeving).
Het akoestisch woon- en leefklimaat voor de woningen op Erve Slinge kan op grond van het voorgaande als (goed) aanvaardbaar worden beoordeeld. Erve Haboer is gelegen binnen de geluidzones van de Denekamperstraat (N342). De provincie Overijssel heeft voor deze weg de geluidzones berekend en in kaart gebracht (figuur 5.8). Figuur 5.8: Geluidzones N342 ter hoogte van Erve Haboer (bron: Geluidkaart Overijssel).
Op basis van akoestische berekeningen, uitgevoerd door de provincie Overijssel, kan worden gesteld dat de beoogde woningen op Erve Haboer binnen de geluidzone 45-50 dB Lden komen te liggen. Met inbegrip van de correctiefactor conform artikel 110g Wgh2 betekent dit dat de geluidbelasting ten gevolge van de N342 op de gevels van de beoogde woningen op Erve Haboer maximaal 48 dB zal bedragen, overeenkomend met de voorkeursgrenswaarde. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat Erve Slinge buiten de Wgh-geluidzone van de N342 valt. Conclusie Het aspect Geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
2 Op geluidberekeningen vanwege wegverkeer wordt een aftrek toegepast. Deze aftrek conform art. 110g Wgh anticipeert
op de ontwikkeling dat voertuigen op termijn stiller worden.
45
5.7
Luchtkwaliteit De Rijksoverheid werkt samen met provincies en gemeenten om te voldoen aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. In Europees verband zijn normen vastgelegd voor de maximum concentratie van een aantal stoffen in de buitenlucht, schadelijk voor gezondheid, milieu en klimaat. Deze normen zijn voor de Nederlandse situatie sinds 2007 vastgelegd in de Wet luchtkwaliteit en de Wet milieubeheer. In Nederland dient vanaf dat moment iedere ruimtelijke ontwikkeling te worden getoetst aan deze luchtwetgeving. Besluit Niet In Betekenende Mate bijdrage (NIBM) Het Besluit Niet In Betekenende Mate bijdrage (NIBM) betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de heersende luchtkwaliteit, niet afzonderlijk getoetst hoeven te worden op de grenswaarden. Op Rijksniveau is de definitie van ‘in betekenende mate’ vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In deze AMvB, te zien als luchtkwaliteitseisen, is vastgelegd dat projecten die leiden tot een toename van (concentratie-)grenswaarden van een stof met meer dan 3%, in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling. Onder deze 3% grens is dus sprake van NIBM. Deze 3%-grens is voor een aantal veel voorkomende situaties reeds gekwantificeerd. Zo is in relatie tot woningbouw de NIBM-grens gekoppeld aan 1.500 woningen, waarbij sprake is van één ontsluitingsweg.
Besluit ‘Gevoelige Bestemmingen’ (BGB) Het BGB is vastgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Tot deze ‘gevoelige bestemmingen’ behoren verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen zijn in dit opzicht geen gevoelige bestemmingen. Het BGB richt zich op bescherming van mensen, die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom gelden op grond van dit besluit onderzoekzones, waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Deze zones zijn aan weerszijde 300 meter breed bij rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen. Toetsing erven Slinge en Haboer Om de bijdrage van ruimtelijke- en/of verkeersplannen op de luchtkwaliteit te kunnen vaststellen en daarmee inzicht te krijgen of deze bijdrage wel/niet als NIBM kan worden aangemerkt, heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil in 2008 de NIBM-tool ontwikkeld. Opgemerkt wordt dat de NIBM-tool een worst-case benadering hanteert bij het berekenen van de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Om de bijdrage van de twee nieuwe erven op de luchtkwaliteit te bepalen is de NIBM-tool toegepast.
Voor het aantal extra verkeersbewegingen van en naar deze erven is daarbij uitgegaan van gemiddeld 67 verkeersbewegingen per dag (conform CROW3: Erve Slinge 42 + Erve Haboer 25) per dag. Het via de NIBM-tool berekende resultaat is weergegeven in figuur 5.9. Figuur 5.9: NIBM-tool 2022: bijdrage extra verkeer nieuwe erven op luchtkwaliteit.
3 Crow-gebruiksfunctie ‘Koop, huis, vrijstaand’: verkeersgeneratie per woning 8,2 verkeersbewegingen. Voor ‘Koop,
appartement, goedkoop’ is de verkeersgeneratie per woning 5,6 verkeersbewegingen (cijfers zijn gemiddelde waarden).
46
De ontwikkelplannen voor de erven Slinge en Haboer kunnen als NIBM-ontwikkelingen worden benaderd. Besluit ‘Gevoelige Bestemmingen’ (BGB) Gezien de afstand tot de N342 is het BGB niet van toepassing op de twee nieuwe erven. Conclusie Het aspect Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.8
Externe veiligheid Externe Veiligheid (EV) betreft het beperken van de kans op, en het effect van, een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag en/of de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen) dan wel het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen en spoorwegen). Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving. Essentie hierbij is het beheersen van risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen, al dan niet gerelateerd aan nutsvoorzieningen. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er nabij kwetsbare bestemmingen, zoals woningen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Toetsing erven Slinge en Haboer Op basis van de algemeen gehanteerde Risicokaart kan worden geconstateerd dat zich in de omgeving van de twee nieuwe erven twee potentiële risicobronnen bevinden (zie figuur 5.10). Het betreft daarbij een tankstation (’t Singraven), gelegen op circa 1.100 meter ten noorden van Erve Haboer, en een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) voor het transport van vloeibare brandstoffen, gelegen ten oosten van de kern Beuningen op een afstand van circa 500 meter van Erve Slinge.
Op grond van zowel de afstand tot de twee nieuwe erven als de reeds aanwezige woonfuncties in het tussenliggende gebied en nabij deze risicobronnen, kan worden gesteld dat er vanuit deze bronnen geen aanvullend EV-risico uitgaat naar de twee nieuwe erven. Figuur 5.10: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl)
Erve Haboer
Erve Slinge
Conclusie Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
47
5.9
Milieueffectrapportage In de Wet milieubeheer en het hieraan verbonden Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan een ruimtelijke plan, dat voorziet in een (grootschalige) ontwikkeling met (belangrijke) nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapprt (MER) moet worden opgesteld. De activiteiten waarvoor een MER moet worden opgesteld zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Conform het Besluit m.e.r. kan een plan/project m.e.r.(beoordelings)plichtig kan zijn op (met name) de volgende manieren: ˗ Een plan/project is m.e.r.-plichtig als er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 van deze onderdelen. ˗ Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor woningbouw is in het Besluit m.e.r.
een koppeling gelegd met de omschrijving onder D-11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (drempelwaarde), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: ˗ Oppervlakte van 100 hectare of meer, ˗ Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of ˗ Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vormvrije m.e.r.-beoordeling4 genoemd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt uitgevoerd middels een zogenoemde ‘Aanmeldingsnotitie’, waarin aandacht moet worden besteed aan twee onderdelen: ˗ Een beschrijving van de voorgenomen activiteit c.q. ontwikkeling, met name een beschrijving van de fysieke kenmerken van de activiteit en een beschrijving van de locatie hiervan, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn. ˗ Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijkste gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is.
Voorliggende Toelichting geeft inhoudelijk invulling aan de aspecten, zoals die aan de orde komen in een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Aanvullend op het voorliggende bestemmingsplan is voor de realisatie van de nieuwe erven Slinge en Haboer een separate Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Op grond van de onderzoeken en analyses, zoals weergegeven in deze Toelichting, wordt in de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling geconcludeerd dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten.
4
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-
richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat m.e.r. altijd noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten.
48
6
JURIDISCHE TOELICHTING
6.1
Algemeen Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks‐ en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw‐ en gebruiksmogelijkheden.
6.2
Toelichting op de bestemmingen Agrarisch -2 De bestemming Agrarisch – 2 is van toepassing op zowel de erven Slinge en Haboer als (delen van) het Ommetje Beuningen. Gelet op Erve Haboer is deze bestemming ook van toepassing op het perceel aan de Borgbosweg, waar ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan de Lemenschuur staat, die verplaatst dient te worden naar de locatie Erve Haboer. De nieuwe locatie van de te verplaatsen schuur is daartoe aangeduid als ‘specifieke vorm van wonen – Lemenschuur’. In de regels is het feit dat ter plaatse van deze aanduiding uitsluitend de te verplaatsen Lemenschuur is toegestaan, gewaarborgd. Ook is voor de maatvoeringeisen verwezen naar de maatvoering van de bestaande, te verplaatsen schuur. Verkeer – Onverhard De bestemming Verkeer – Onverhard betekent dat de betreffende gronden, waartoe ook het Ommetje Beuningen wordt gerekend, met name bestemd zijn voor onverharde wegen en paden, infrastructurele voorzieningen, zoals bruggen, dammen en/of duikers en bermsloten, bermen en beplanting. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Wonen De bestemming Wonen is van toepassing op de erven Slinge en Haboer. Binnen Erve Slinge reguleert deze bestemming de bouw van 7 burgerwoningen (1 ééngezinswoning en 6 starterswoningen) naast de reeds aanwezige boerderijwoning.
Met betrekking tot Erve Haboer regelt deze bestemming de bouw van 3 woningen, waarvan 1 woning de vanuit de Borgbosweg te verplaatsen Lemenschuur betreft. Uitgangspunt voor de regelgeving van de woonbestemming is het Beeldkwaliteitsplan Landgoed Singraven (2 oktober 2018). De beoogde maatvoering en situeringeisen zijn opgenomen in de regels. Voornoemde aspecten, met inbegrip van voorgenomen massa en materiaalgebruik, zijn in augustus 2018 door Het Oversticht getoetst in het kader van welstandstoetsing en akkoord bevonden. De bestemming maakt woningen met inpandige dan wel vrijstaande bijgebouwen mogelijk. Belangrijk gegeven vanuit het Beeldkwaliteitsplan is dat per erf sprake is van een afgebakend aantal gebouwen en van een specifieke situering daarvan. Op de verbeelding zijn de hoofdgebouwen begrensd door een bouwvlak, de bijgebouwen door een functieaanduiding
49
‘bijgebouwen’. Functioneel gezien kunnen bijgebouwen, zoals garages en bergingen, deel uitmaken van een hoofdgebouw. Het hoofdgebouw moet zich binnen het bouwvlak bevinden. Inhoud, goot‐ en bouwhoogte alsmede de dakhelling van het hoofdgebouw is vastgelegd in de bouwregels. De bouwvlakken dan wel functieaanduiding zijn ruim om de voorgenomen bebouwing gelegd. Hiermee wordt enige flexibiliteit in situering geboden. Bovendien is in de algemene regels een afwijkingsmogelijkheid van de maatvoeringeisen opgenomen, van maximaal 10%. Dubbelbestemmingen In dit bestemmingsplan zijn een aantal dubbelbestemmingen opgenomen, te weten: Waarde – Archeologie 2, Waarde - Natuur en landschap en Waarde – Landgoed. Deze dubbelbestemmingen zijn van toepassing op basis van de regeling binnen het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Losser. De drie dubbelbestemmingen zijn volledig overgenomen uit het betreffende bestemmingsplan, ter continuering van de bescherming van de betreffende waarden dan wel het waarborgen van de samenhang van het Landgoed Singraven.
50
7
UITVOERBAARHEID
7.1
Maatschappelijke haalbaarheid Deze partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 2013 doorloopt de in de Wro vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Het ontwerpbestemmingsplan en de bijbehorende stukken hebben voor een periode van zes weken (met ingang van 21 december 2023) voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn vijf zienswijzen ingekomen op het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een reactie in de Nota van zienswijzen, welke als bijlage aan dit bestemmingsplan is toegevoegd. De zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing van de toelichting op het bestemmingsplan. Daarnaast is er een wijziging doorgevoerd in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 van de bijgevoegde Nota van zienswijzen worden de wijzigingen ten opzichte van het bestemmingsplan weergegeven. Na vaststelling van het bestemmingsplan zal de besluitvorming over het verlenen van de benodigde omgevingsvergunningen plaatsvinden. Binnen de hieraan gekoppelde procedure bestaat voor een ieder de mogelijk om te reageren op het op dat moment voorliggende besluit.
Middels de wettelijke en procedurele vereisten is de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen gewaarborgd. Communicatie en overleg Binnen het voorliggende proces van plan- en besluitvorming hebben de plannen voor de erven Slinge en Haboer in overleg met zowel de gemeente Losser als de provincie Overijssel nader vorm gekregen. Daarnaast heeft de Stichting Edwina van Heek de plannen ook voorgelegd aan en besproken met de Dorpsraad Beuningen. De Dorpsraad heeft daarbij aangegeven content te zijn met de voorgenomen woningbouwplannen en annexe voorzieningen. In de fase tussen het voorliggende ontwerpbestemmingsplan en het (door de gemeenteraad) nog vast te stellen bestemmingsplan zal nog een informatieavond voor de bewoners van Beuningen en andere belanghebbenden/-stellenden worden georganiseerd.
7.2
Economische uitvoerbaarheid Realisatie van de nieuwe erven Slinge en Haboer vindt plaats voor rekening en risico van initiatiefnemer. Private partijen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en dragen in beginsel het risico en de kosten van planontwikkeling en -realisatie. Eventuele planschade wordt middels een privaatrechtelijke overeenkomst verhaald op initiatiefnemer. Stichting Edwina van Heek zal als initiatiefnemer een overeenkomst met betrekking tot planschade aangaan met de gemeente Losser. Tussen de Stichting Edwina van Heek en de gemeente Losser is een overeenkomst Kwaliteitsimpuls groene omgeving (Rood voor Groen) opgesteld en door beide partijen ondertekend. In deze overeenkomst zijn onder meer afspraken gemaakt over de uitvoering van de investering ruimtelijke kwaliteit (projectenlijst) en de benodigde planologische maatregel (bestemmingsplanherziening).
51
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening Rood voor Groen Singraven NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph01-0401
57
Bijlage 1
Nieuwe bouwlocaties Singraven
bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening Rood voor Groen Singraven NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph01-0401
58
LANDGOED SINGRAVEN Mogelijke nieuwe bouwlocaties op Singraven in het kader van Rood voor Groen
Datum: 2 augustus 2013
cundall
TUIN & LANDSCHAPSONTWERP
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 1
COLOFON Opdrachtgevers Boerderij en Landschap Contact persoon: Klaas Telgenhof Postbus 15 3870 DA Hoevelaken Landgoed Singraven Stichting Edwina van Heek Contact persoon: Kees Jan Meijer Molendijk 37 7591 PT Denekamp Opdrachtnemer Cundall Tuin- en Landschapsontwerp Jessica Cundall, Landschapsontwerper ba Schoneveldsdijk 3 7251 LE Vorden 0630256970 In samenwerking met Gemeente Dinkelland Contact persoon: Daniëlle Bonenkamp Gemeente Losser Contact persoon: Antoon Nijland Het Oversticht Contact personen: Ingrid Nij Bijvank-van Herel Provincie Overijssel Contact personen: Marrit Klompe, Saskia van Hell
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 2
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 3
INHOUDSOPGAVE
I. INLEIDING........6 2. CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK…....7 3. VISIES EN BELEID........14 4. ZONERING VAN HET LANDGOED…….16 5. UITWERKING VAN DE GEKOZEN LOCATIES…….22 6. OVERZICHT…….37 7. UITKOMST/CONCLUSIES…….38 8. MOGELIJKE AANVULLENDE LOCATIES…….39 9. SLOTWOORD…….47
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 4
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 5
1. INLEIDING 1.1 Landgoed Singraven Landgoed Singraven, gelegen in gemeentes Dinkelland en Losser, is een van de parels van Twente en is de trots van de dorpen Denekamp en Beuningen, waaraan het landgoed grenst. De inwoners van Denekamp en Beuningen beschouwen het landgoed als hun achtertuin en hebben veel nostalgische herinneringen vanuit hun jeugd op het landgoed. Het is duidelijk dat het landgoed zeer gewaardeerd wordt door de omgeving als een recreatief park met hoge cultuurhistorische- en natuurwaarden. Niet alleen het huis Singraven, een monumentaal pand, maar ook het landschap van noordoost Twente, benoemd tot ‘Nationaal Landschap’ en de veelal karakteristieke boerderijen op Singraven, behoren tot de cultuurwaarden van het landgoed. De rivier de Dinkel, welke op een natuurlijke wijze door de lengte van het landgoed stroomt, is onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur van de provincie Overijssel. De Dinkel, samen met de gemengde bossen van het landgoed en de broekbossen ‘De Mors’ en ‘Voele Broek’ hebben een hoge natuurwaarde; landgoed Singraven maakt onderdeel uit van de samenhangende structuur van natuurgebieden in de provincie Overijssel.
De Stichting Edwina van Heek geeft via de visie “De toekomst van het landgoed Singraven” (26 maart 2010, opgesteld door Boerderij en Landschap in opdracht van het bestuur van de Stichting Edwina van Heek) aan het landgoed te willen versterken opdat de maatschappelijke betekenis ervan wordt vergroot. De daarvoor benodigde investeringen zullen niet kostendekkend zijn, waardoor nieuwe economische dragers nodig zijn. Om de belevingswaarde en openheid van het landgoed, die voor de versterking nodig zijn, te vergroten, om bestaande natuur te kunnen handhaven, om nieuwe natuur te kunnen creëren en het cultuurhistorische landschap te kunnen behouden en te versterken, zijn nieuwe investeringen noodzakelijk. De Stichting Edwina van Heek zoekt additionele economische dragers, en de Rood voor Groen strategie biedt hiervoor mogelijkheden.
1.2 Doelen van dit rapport en leeswijze Het hoofddoel van dit rapport: Mogelijke nieuwe bouwlocaties op Singraven (onder)zoeken en beoordelen of zij wel of niet haalbaar kunnen worden ontwikkeld. In het rapport ‘De Toekomst van Landgoed Singraven’ worden al twee mogelijke locaties voor nieuwbouw aangereikt. Het gaat om de locatie Olde Sonderhues (in voorgaande rapporten ‘Erve Loman’ genoemd) en de uitbreiding van Erve Slinge. Deze studie is er op gericht om de mogelijkheden van rood op het landgoed Singraven nader te onderzoeken. De locaties voortvloeiend uit dit rapport zijn mogelijke aanvullingen op de locaties Olde Sonderhues en Erve Slinge. Op landgoed Singraven zijn in de afgelopen eeuw veel historische erven verdwenen. Deze oude locaties vormen nu dan ook de basis voor het onderzoek naar mogelijke nieuwe bouwlocaties. Door een cultuurhistorisch onderzoek worden de verdwenen erven geïnventariseerd en onderzocht. De verdwenen locaties worden in de context van de verschillende landschapstypes en het erfgoed geplaatst: In welke landschappen bevinden de verdwenen erven zich, en hoe is deze situatie bepalend voor nieuwe rode ontwikkelingen? Vervolgens wordt het verschillende beleid en de visies waarmee de nieuwe ontwikkeling te maken krijgt besproken.
Daarna worden deze locaties daarop beoordeeld: Op welke wijze passen de locaties binnen de randvoorwaarden van de verschillende visies en het beleid? De locaties die als gevolg van deze studie in beeld komen als mogelijke bouwlocatie, worden verder geïnventariseerd: Op welke manier passen de locaties in het huidige landschap?
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 6
2. CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK In dit hoofdstuk worden alle verdwenen erven, de verschillende landschapstypes en alle erfgoed in kaart gebracht. Als uitgangspunt hiervoor zijn historische kaarten en de gedigitaliseerd kadasterkaarten uit 1832 genomen. De resultaten staan op nieuwe kaarten die te zien zijn op pagina’s 12 en 13. Het cultuurhistorische onderzoek richt zich in dit hoofdstuk op de gevolgen die de diverse landschapstypes en het erfgoed hebben voor de mogelijke nieuwe locaties. De vraag: In welke landschap(pen) bevinden de verdwenen erven zich, en hoe zijn die bepalend voor nieuwe rode ontwikkelingen? wordt hier beantwoord.
2.1 De verschillende perioden en daaruit voortkomende landschappen van Singraven De landschappelijke ontwikkeling van Singraven levert een rijk en soms complex verhaal op. Door in de loop der tijd havezaten aan te kopen is Singraven gegroeid tot een landgoed van circa 465 hectare groot. De vier havezaten Singraven, Harseveld, Beugelskamp en Borg Beuningen vormen tezamen het huidige landgoed Singraven. Het cultuurlandschap van het landgoed heeft zich ontwikkeld al vanaf de 14 eeuw, het moment waarop de naam ‘Singraven’ voor het eerst wordt vermeld. Sindsdien heeft Singraven diverse eigenaren gehad – elke met hun eigen visie – en mede daardoor hebben vele veranderingen plaatsgevonden in het landschap. Om beter te kunnen manoeuvreren door de verschillende perioden en daaruit voortkomende landschappen van Singraven volgt op de volgende pagina’s een korte geschiedenis. De belangrijkste perioden en dito landschappen worden hierin uitgebreid toegelicht.
2.1.1 Het ontwikkelen van het oude hoevenlandschap en het maten- en flierenlandschap
2.1.2 Toename areaal bos vooral op heide en broek gebieden
2.1.3 De ingrijpende periode van W.F.J. Laan
2.1.4 Beheersvisie van Laan wordt voortgezet door de Stichting Edwina van Heek
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 7
2.1.1 Het ontwikkelen van het oude hoevenlandschap en het maten- en flierenlandschap Oorspronkelijk kwamen ontwikkelingen in het landschap voornamelijk tot stand vanuit het oorspronkelijke, natuurlijke, landschap waardoor er een sterke relatie tussen de natuur, de erven en het agrarische landschap ontstond. Het oude hoevenlandschap en het maten- en flierenlandschap zijn hier voorbeelden van; oude cultuurlandschappen die als eerste in cultuur werden gebracht rond circa 1200. Het oude hoevenlandschap bevindt zich op hoger gelegen dekzandvlaktes en ruggen. Dit landschap kent op zichzelf een microreliëf: op de hogere gelegen ruggen - de kampen - werden granen verbouwd en in de relatief lagere, vochtige gronden bevonden zich de weilanden. Door jaar op jaar de kampen te bemesten werd de bouwlaag dikker en het hoogteverschil tussen de kampen en weilanden nog groter. Ook loofbos en hakhoutbospercelen bevinden zich in dit landschap. De boerenerven zijn gekoppeld aan de kampen, en dus aan het oude hoevenlandschap. Het organische en complexe patroon van kampen, weilanden, bospercelen, erven, houtwallen, singels en boomrijen creëren een kleinschalig en afwisselend landschap. De doorkijkjes van weiland naar akker of naar een boerderij die helft achter een kamp verscholen ligt, maken dit landschap nog boeiender.
Hieronder volgt een opsomming van de kenmerken en waarden van erven in het oude hoevenlandschap. Landschappelijke relatie De erven liggen verankerd in het landschap aan de randen van de kampen. Hierdoor wordt de overgang tussen laag en hoog benadrukt. De beplantingen op de erven en de beplantingen van het omliggende landschap gaan in elkaar over. Dit verankert het erf nog meer in het landschap en het erf krijgt daardoor een rafelige silhouet. De beplanting in het landschap versterkt het verschil tussen hoog en laag door de contouren van het landschap te volgen, bijvoorbeeld langs de rand van een kamp. Bovendien verschilt het type beplanting van natte en droge gedeeltes waardoor het verschil tussen hoog en laag verder wordt benadrukt. De erven zijn met elkaar verbonden door een netwerk van paden en (zand)wegen. Beplanting markeert deze routes en vormt een visuele groene link tussen de erven, waardoor de erven als een geheel in het landschap worden verankerd.
Erfstructuur
De erven zijn van oorsprong kleinschalig. Het erf Auskamp bijvoorbeeld, van oorsprong een van de belangrijkste erven op Singraven, bestond uit een woonhuis, een huurmanshuis (dit was gelegen op enige afstand van het erf, en is later een erf op zichzelf geworden), een schuur en een bakhuis. (Tegenwoordig bestaat het erf Auskamp uit een woonhuis, twee kleinere schuren en een groep grotere schuren.)
De gebouwen hebben verschillende bouwvolumes.
De gebouwen kennen geen rationele oriëntatie; de gebouwen lijken los gestrooid over het erf.
De erven kennen een duidelijke structuur en bestaan uit een achtererf, een voorerf en een zijerf.
Hoogstam fruitboomgaarden en eikengaarden zijn karakteristieke elementen
Historische topografische kaarten uit 1775 (De Hortinger kaart) en 1835 laten dit oude cultuurlandschap duidelijk zien. Rondom de vier havezaten Singraven, Harseveld, Beugelskamp en Borg Beuningen was het land sterk bebost (het Sterrenbos bestaat al) en is het oude hoevenlandschap duidelijk aanwezig. Veel land is al ontgonnen.
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 8
Het maten- en flierenlandschap bevindt zich in de lagere gronden van de beekdalen. Dit laag gelegen, natte landschap werd oorspronkelijk als hooiland gebruikt. De verschillende percelen werden omringd door een grillige structuur van heggen en houtwallen. Samen met de akkerbouw en weilanden van het oude hoevenlandschap maakten de hooilanden deel uit van het gemengd boerenbedrijf. Historische topografische kaarten uit 1775 (De Hortinger kaart) en 1835 laten dit oude cultuurlandschap op Singraven duidelijk zien. Het maten- en flierenlandschap is gelegen in de beekdalen van de Dinkel en de Omdinkel. Daar buiten ligt land dat nog niet ontgonnen is. Dit onontgonnen land noemde men de ‘woeste gronden’ en waren natte of droge broekgebieden en heidevelden. De heidevelden en broekgebieden van Singraven waren kleinschalig en sterk verweven met de andere landschapstypes. De meer uitgestrekte woeste gronden waren gelegen ten westen van de vier havezaten en ten oosten van Denekamp, toen nog een klein dorp.
2.1.2 Toename areaal bos vooral op heide- en broekgebieden Met de opkomst van ontwateringsystemen en kunstmest aan het einde van de 19 eeuw kon men de natuur sturen zoals men dat wilde; land wat oorspronkelijk ongeschikt was voor de landbouw we rd ontgonnen. In 1858 wordt Singraven geërfd door een Hendrik Jan Roessingh. Hij heeft veel liefde voor Singraven en hij plant veel bomen op de kleine heidevelden en vooral in de broekgebieden. Dit is typerend voor die periode. Landgoedeigenaren waren vooruitstrevend met de ontginning van ‘de woeste gronden’ door bos aan te planten. Een topografische kaart uit 1905 laat de toename van bos zien op het landgoed. Veel bomen ten zuiden en ten zuidwesten van Singraven zijn aangeplant op wat vroeger broek- en heidegebied was: Voele Broek wordt aangeplant in rechte kavels, afgewisseld met zeer smalle stroken weiland (deze rationele opbouw is tegenwoordig nauwelijks nog herkenbaar). Ook het bos rond Erve Loman neemt toe. Tevens wordt de Hertenbaan door Roessingh aangelegd.
2.1.3 De ingrijpende periode van W.F.J. Laan In 1922 wordt Singraven geërfd door Willem Frederik Jan Laan. Het beheer van Singraven wordt de levenstaak van Laan, vol passie en op deskundige wijze zet hij de ontwikkeling van het landgoed voort. Zijn passie ligt vooral in de bosbouw en met adviseurs op dit gebied bouwt hij een bosareaal op dat destijds als voorbeeld gold de bosbouw. Laan verdubbelt het areaal bos door bos aan te planten op de waardevolle landbouwgrond van het oude hoevenlandschap, op grote gedeelten van het maten- en flierenlandschap en op de enkele heidevelden die toen nog bestonden. Vooral in de gebieden Harseveld, de Hagelmeien, de Schiphorstmeien en wat nu bekend is als het “Nieuwe Werk” worden bomen aangeplant. Ook bij Erve Loman neemt de omvang van het bos verder toe. In 1924 wordt landgoed Beugelskamp gekocht (het huis wordt afgebroken) en ook dit gebied wordt met bos aangeplant. De aangeplante bossen zijn kleinschalig van formaat en kennen een grote diversiteit aan soorten. Een topografische kaart uit 1955 laat de door W.F.J. Laan aangeplante bospercelen zien. Ook zichtbaar op de kaart is het gegroeide dorp Denekamp en het ontstaan van het buurtschap Beuningen in het buitengebied. Laan had niet alleen aandacht voor het vergroten van het bosareaal op Singraven maar ook voor de aanplant van speciale collecties van bomen.
Hij legt het arboretum aan en plant bovendien een collectie Thuja’s op de kamp van Olde Sonderhues. Beide collecties van bomen zijn bijzonder erfgoed geworden. Daarnaast laat Laan Leonard Anthony Springer een park aanleggen in de Engelse stijl. Het park kenmerkt zich door golvende bosranden en losse boomgroepen. Door het park loopt De Dinkel. Het park vormt een ‘plateau’ voor het huis Singraven en zorgt voor een natuurlijke overgang tussen de tuinen en het omliggende landschap. De aanplant van de bossen en de bomen collecties gebeurt tegelijk met het slopen van diverse boerenbedrijven. Veel boerderijen zijn gesloopt ten behoeve van de bosbouw. Uiteraard zijn deze erven niet meer te vinden op de topografische kaart uit 1955. Veel van de resterende boerderijen werden opnieuw gebouwd of gemoderniseerd; het onderhoud van het landgoed en boerderijen was voor Laan van
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 9
groot belang. De gesloopte boerenbedrijven bevonden zich allemaal in het oude hoevenlandschap. Het zijn deze verdwenen erven die mogelijke nieuwbouw locaties kunnen worden. Deze erven staan aangegeven op de kaarten op pagina’s 12 en 13, op kaart 1 in de context van de ‘oorspronkelijke’ landschapstypes en op kaart 2 in de context van het huidige landschap, en verder bestaand en bijzonder erfgoed, waaronder de bomen collecties van Laan.
2.1.4 Beheersvisie van Laan wordt voortgezet door de Stichting Edwina van Heek In 1956 neemt De Stichting Edwina van Heek de taak van het beheer van Singraven over van W.F.J. Laan. Prioriteit voor Laan was dat het beheer en de exploitatie van zijn zorgvuldig opgebouwde landgoed op dezelfde manier voortgezet zou worden door de volgende generaties. Daarom besloot hij Singraven over te dragen aan de Stichting Edwina van Heek. De Stichting heeft in de laatste 50 jaar haar toezeggingen waargemaakt door Singraven volgens de visie van Laan te beheren. Er hebben vervolgens geen opmerkelijke veranderingen in het landschap plaatsgevonden.
2.2 Het huidige landschap als resultaat Het resultaat van deze lange en ook soms complexe geschiedenis is het landschap zoals dat er vandaag, anno 2012, uitziet. Onderdelen van de verschillende landschappen uit de verschillende perioden uit de geschiedenis zijn allemaal terug te vinden in het huidige landschap, hoewel niet altijd in hun oorspronkelijke staat. Oude cultuurlandschappen hebben ruimte moeten maken voor meer recente landschappen en erfgoed. Hieronder volgt een opsomming van de verschillende landschapstypes in hun huidige staat. Het oude hoevenlandschap is deels intact maar ook deels verdwenen door de ingrijpende beheersvisie van Laan. Voornamelijk rondom de bestaande havezaten – Kasteel Singraven en Borg Beuningen – is dit landschap nog steeds grotendeels te ervaren, alleen zijn karakteristieke elementen, zoals houtwallen, verloren gegaan. Waar de havezaten gesloopt zijn – Harseveld en Beugelskamp – is dit landschapstype grotendeels weggedrukt door de bebossingacties van Laan. Het maten- en flierenlandschap heeft weinig van zijn oorspronkelijke karakteristieken behouden. Tegenwoordig is een groot gedeelte van dit landschap bebost. Laan is ook grotendeels verantwoordelijk voor deze bebossing. Omdat de gebieden de Schiphorstmeien, de Hagelmeien en Obbenkotter gedeeltelijk bebost zijn hebben ze zich ontwikkeld tot belangrijke rustgebieden voor natuur.
De nattere broek- en heidegebieden, ‘de Mors’ en ‘Voele Broek’, zijn in verschillende perioden aangeplant met bos. Tegenwoordig vormen ze een aaneengesloten moerassig broekbosgebied en worden als de meest belangrijk natuurhabitatten op Singraven beschouwd. Het landschap en erfgoed van Laan De bossen van Laan kennen een grote natuurwaarde en zijn navenant belangrijke stiltegebieden waardoor ze een positieve toevoeging aan het landgoed Singraven zijn. De collectie Thuja’s is gaaf en is waardevol erfgoed. Het arboretum is intact maar onderhoud is nodig om zijn toekomst veilig te stellen. Het arboretum is een belangrijk element op Singraven dat na revitalisering voor het publiek wordt opengesteld.
2.3 De gevolgen van de landschappelijke ontwikkeling voor nieuwbouw Dat het beheer van Laan enorme gevolgen heeft gehad voor het landschap op Singraven is duidelijk: door zijn bebossingacties zijn veel van de waardevolle boerenerven en oude cultuurlandschappen – ontwikkeld door eeuwenoud beheer – verloren gegaan. Op het eerste gezicht lijken deze gevolgen misschien nadelig te zijn maar er staat tegenover dat de ‘nieuwe’ landschappen (het bos) en het ‘nieuwe’ erfgoed van Laan op hun buurt hun eigen unieke en belangrijke waarde hebben gekregen.
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 10
Nieuwe ontwikkelingen dienen in zowel de oude cultuurlandschappen als het erfgoed van Laan op een zorgvuldige wijze geïntegreerd te worden. Omdat alle verdwenen erven zich in het oude hoevenlandschap bevinden ligt de versterking of het gedeeltelijke herstel van dit landschapstype in de naaste omgeving van de nieuwe erven voor de hand. Maar helaas is het niet op elke locatie zo simpel door te schrijven: ‘herstel het waardevolle oude hoevenlandschap’. Omdat veel van de locaties van de verdwenen erven zijn bebost door W.F.J. Laan zou herbouw van deze erven betekenen dat gedeelten van de inmiddels ontstane waardevolle bossen zouden moeten verdwijnen. Er moet dus een zorgvuldig overweging plaats vinden naar wat verantwoord is en wat meer waarde toevoegt aan het landgoed op de langere termijn. Wordt het oude hoevenlandschap hersteld, of is behouden van het erfgoed van Laan prioriteit? Per locatie dienen voorstaande vragen te worden gesteld en overwegingen te worden beoordeeld. Uitwerking hiervan gebeurt in hoofdstuk 5. Belangrijk is te beseffen dat, ook als de ontwikkelingen negatieve gevolgen hebben voor sommige elementen, de ontwikkeling van rood eveneens de redding kan betekenen voor andere elementen; opbrengsten van het nieuw rood worden gebruikt om bestaande elementen beter te onderhouden en/of te vernieuwen en uit te breiden.
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 11
Kaart 1: De verdwenen erven in de context van de landschapstypes
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 12
Kaart 2: De verdwenen erven in de context van het huidige landschap en erfgoed
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 13
3. VISIES EN BELEID Waar in het vorige hoofdstuk de geschiedenis centraal stond ten opzichte van hoe nieuw rood op Singraven wordt ontwikkeld, staat de toekomst centraal in dit hoofdstuk. In dit hoofdstuk worden de verschillende visies en beleidsdocumenten besproken. Bepalend voor de nieuwe ontwikkelingen op het landgoed Singraven is de landgoedvisie opgesteld in 2010, de ambities in het provinciale beleid en het daaruitvoortkomende/op geënte gemeentelijke beleid. De mogelijke nieuwe locaties (de locaties van de verdwenen erven) dienen binnen de randvoorwaarden van het beleid te passen en waar mogeli jk een bijdrage te leveren aan de realisatie van de gewenste beelden. Hieronder volgt een korte opsomming van het beleid en de visies waarmee bij de nieuwe rode ontwikkelingen rekening moet worden gehouden:
3.1 Visies en beleid 3.1.1 Provinciaal Beleid: Omgevingsvisie De catalogus gebiedskenmerken onderscheid vier verschillende lagen met elk haar kwaliteitsambities: 1. Natuurlijke laag, waarbij één van de ambities is “natuur als ruggengraat: een robuust, aaneengesloten natuurlijk landschap” creëren. 2. Laag van het agrarisch cultuur landschap, waarbij de ambities zijn: “contrasten tussen de landschappen behouden en ontwikkelen”, en een “ Nieuwe samenhang creëren tussen dorp, erf en landschap.” 3. Stedelijke laag, waarbij één van de ambities is: “Brede waaier aan woon/werk en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur.” 4. Lust en leisure laag, waarbij de ambitie is een “Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap” te creëren. (bron: Omgevingsvise Overijssel, catalogus gebiedskenmerken, juli 2009, Provincie Overijssel) De nieuwe rode ontwikkelingen op Landgoed Singraven kunnen bijdragen aan het bereiken van deze kwaliteitsambities. De ontwikkelingen dienen echter wel onderschikt te zijn aan de instandhouding en versterking van de natuurgebieden binnen het landgoed, waardoor Singraven als een onderdeel van de “ruggengraat” in tact blijft. Verder kunnen de nieuwe ontwikkelingen de verschillende landschapstypes, zoals in hoofdstuk 2 beschreven, versterken.
Omdat landgoed Singraven grenst aan de dorpen Denekamp en Beuningen kunnen de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de verbetering in de samenhang tussen dorp en landschap, door een vitaal ‘mixlandschap’ te creëren. Daarbij is er de mogelijkheid om door de nieuwe (natuur)ontwikkelingen de belevingswaarde van Singraven te vergroten. In de omgevingsvisie valt landgoed Singraven in twee ontwikkelingsperspectieven uiteen: 1. Ontwikkelingsperspectief realisatie groene en blauwe hoofdstructuur - Dit geldt voor het grootste gedeelte voor het landgoed. 2. Ontwikkelingsperspectief veelzijdige gebruiksruimte – Dit geldt voor de randen van het landgoed, hier kunnen een samenhang van meerdere functies plaats vinden.
3.1.2 Provinciaal Beleid: Rood voor Groen op bestaande landgoederen (bron: Handelingskader Rood voor Groen op bestaande landgoederen, november 2008, Provincie Overijssel) In de Omgevingsvisie is het instrument ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving’ opgenomen, dat de Rood voor Groen regeling vervangt. In plaats van een regeling is ‘Rood voor Groen’ een strategie geworden, of te wel een manier van werken. De hoofdprincipes van Rood voor Groen zijn alsnog leidend voor de nieuwbouw op Landgoed Singraven en wordt daarom hieronder in het kort beschreven.
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 14
Het hoofdprincipe van de Rood voor Groen strategie is door middel van rode ontwikkelingen bestaand en nieuw groen te versterken en te ontwikkelen. Over de locatie en karakter van het nieuwe rood gelden de volgende randvoorwaarden en aandachtspunten: “De locatiekeuze voor het nieuwe rood wordt bepaald aan de hand van de (historische) ruimtelijke opbouw van het landgoed en de daarop voorkomende (ecologische) waarden.” “Hoe voegt het bouwplan zich in de tradities en karakteristieken van het bouwen in de streek, qua ordening van bouwvolumes, relatie met het landschap, erfstructuur, ontsluiting, vormentaal?” Het cultuurhistorische onderzoek, hoofdstuk 2, is bepalend voor de locaties en hoe de nieuwe ontwikkeling vorm krijgen.
3.1.3 Visie Landgoed Singraven (bron: De toekomst van landgoed Singraven, 26 maart 2010) De visie van het landgoed streeft naar een vergroting van de maatschappelijke betekenis en een duurzame exploitatie van het landgoed. Landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden worden in samenhang ontwikkeld. Om dit te realiseren heeft De Stichting Edwina van Heek uit drie scenario’s (beheersfilosofieën) het scenario ‘Landleven’ gekozen: “Landleven past het beste bij de opvatting van het bestuur over het beheer van het landgoed in de geest van de laatste particuliere eigenaar, de heer W.F.J. Laan” Het beheren van Singraven als één economisch geheel is een leidend thema in de Landleven beheersfilosofie. Dit is een terugkeer naar de idealen van oorspronkelijk landgoedbeheer. De verschillende economische activiteiten op Singraven, bijvoorbeeld de twee nog werkende agrarische bedrijven en de horeca bedrijven, zullen in nauw verband geëxploiteerd worden. Om daarnaast de landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden in samenhang te ontwikkelen wordt er naar een duidelijke zonering binnen het landgoed gestreefd: Er “ wordt sterk ingezet op een duidelijke zonering binnen het landgoed.
Doel is om de meer dynamische activiteiten te bundelen en zoveel mogelijk in de randen van het landgoed onder te brengen waardoor in het rustige middengebied de omstandigheden voor natuurontwikkeling worden verbeterd.” Het doel om de randen te ontwikkelen als een dynamisch landschap waardoor het merendeel van het landgoed als natuur wordt behouden en ontwikkeld, sluit aan op de doelen van het provinciale beleid.
3.1.4 Samenvatting De verschillende visies en het beleid sluiten aan op elkaar; er zijn duidelijke doelen of streefbeelden die de nieuwe ontwikkeling niet alleen binnen het landgoed kan helpen realiseren, maar ook op gemeentelijk en provinciaal niveau.
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 15
4. ZONERING VAN HET LANDGOED
De landgoedvisie geeft aan het landgoed te willen verdelen in duidelijke zones. Gewenst is dat dynamische activiteiten vooral aan de randen van het landgoed plaatsvinden waardoor er meer ruimte in het middengebied ontstaat voor natuurontwikkeling. Om voort te borduren op de landgoedvisie en de doelstelling om tot een duidelijke zonering te komen, worden de overgebleven gebieden van het landgoed ook verdeeld in zones. Hierdoor zijn in totaal vier zones ontstaan:
Zone 1: Het middengebied van het landgoed - Alle ruimte voor natuur - Extensief agrarisch cultuurlandschap Zone 2: De kern van het landgoed Zone 3: De noordelijke rand van het landgoed Zone 4: De dynamische randen van het landgoed
De zones zijn op kaart 3 aangegeven, zie pagina 17. De zones worden vervolgens uitgebreid toegelicht. Aan de hand van de kaart wordt het duidelijk in welke zone de potentiële nieuwe rode locaties (de verdwenen oude erven) zich bevinden. Elke nieuwe ontwikkeling dient zich aan de (gewenste) identiteit van de zone aan te passen en waar mogelijk te versterken. Ook is het mogelijk dat geen nieuwe rode ontwikkeling gewenst is om een zone te versterken. In hoofdstuk 4 wordt de vraag beantwoord: Op welke wijze passen de locaties binnen de randvoorwaarden van de verschillende visies en beleid?
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 16
Kaart 3: Zones binnen het landgoed
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 17
4.1 Zone 1: Het middengebied van het landgoed De landgoedvisie geeft aan een duidelijke zonering binnen het landgoed te willen realiseren waarbij de omstandigheden voor natuurontwikkeling verbeterd worden. Natuur(ontwikkeling) is op het hele landgoed van belang, maar heeft in het middengebied van het landgoed vooral prioriteit. Tot dit gebied behoren veel van de lagere gronden van het landgoed: de “Stille Westkant” (de Schiphorstmeien en de Hagelmeien) en de broekbossen (De Mors en Voele Broek). Samen vormen de verschillende gebieden één aaneengesloten natuurgebied. De habitats met de hoogste natuurwaarden binnen dit geheel zijn De Mors en Voele Broek. Er lopen weinig openbare paden door deze zone, vooral in vergelijking met de noordelijke en de dynamische randen van het landgoed. Voor de recreant is het middengebied van het landgoed veel meer gesloten om de natuur nog meer de kans voor ontwikkeling te geven. Omdat erven bij voorkeur gevestigd waren op de hogere gelegen gronden en niet in de laagtes, komt er van oorsprong weinig bebouwing in deze zone voor. Een paar van de verdwenen erven bevinden zich net op de grens tussen deze lagere gronden van Singraven en de hogere gronden van Denekamp, bijvoorbeeld het erf Haafkes en de locaties rondom Beugelskamp.
De twee andere (half) verdwenen erven van deze zone,Schiphorst en Freudenhuis, bevinden zich aan de randen van de paar solitaire kampen die net eilanden waren in dit lagere gebied. Sinds de sloop van de erven zijn de locaties Beugelskamp, Freudenhuis en Haafkes bebost geraakt en de locaties maken nu deel uit van een aaneengesloten bosgebied met een hoge natuurwaarde. De kamp en het weiland van Schiphorst zijn intact gebleven en zijn voor agrarische doeleinden in gebruik. De agrarische gronden van Singraven liggen verspreid over het landgoed en de kwaliteit en het beheer van de agrarische gronden varieert van gebied tot gebied. Bijvoorbeeld, op de kampen naast de erven Auskamp en Loman wordt er intensiever op geboerd dan op de weilanden van de lagere gelegen gronden. Hoewel deze lagere gronden minder productief zijn hebben ze een hoge natuurwaarde en zijn van (even) groot belang voor landgoed Singraven. Waar de agrarische sector zich aan heeft moeten passen aan natuurlijke omstandigheden is er sprake van een ‘extensief agrarisch cultuurlandschap’. Opmerkelijk is dat, hoewel de kamp naast Schiphorst van oorsprong van hogere agrarische kwaliteit is, te vergelijken met de kampen naast Auskamp en Loman, hij wat betreft het hedendaagse beheer behoort tot het extensief agrarisch landschap. Dit zou verklaard kunnen worden door een samenspel van diverse redenen.
Het zou kunnen zijn dat omdat het erf verdwenen is, de grond ‘links is blijven liggen’, of doordat de kamp een klein, solitair eiland is midden in een lager gelegen gebied, het makkelijker ‘opgenomen’ wordt in het beheer van het gebied. Over deze hele zone heeft natuurontwikkeling een hoge prioriteit maar door het verschil in grondgebruik (bos en agrarische gronden) kan de zone onderverdeeld worden in twee gebieden: ‘alle ruimte voor natuur’ en ‘extensief agrarisch cultuurlandschap’. Omdat de erven Beugelskamp, Freudenhuis en Haafkes deel uit maken van een aaneengesloten bosgebied behoren ze tot het gebied ‘alle ruimte voor natuur’. Schiphorst is het enige verdwenen erf in deze zone dat zich nog steeds in een agrarisch landschap bevindt waardoor hij tot de zone ‘extensief agrarisch cultuurlandschap’ behoort. Hieronder wordt voor elk gebied overwogen of nieuwbouw wenselijk is. Alle ruimte voor natuur In verband met de ontwikkeling van de natuur is de woonfunctie in deze zone van ondergeschikt belang en wordt bouwen op deze locaties afgeraden. Om op deze locaties te kunnen bouwen zou bos gekapt moeten worden en dit is in strijd met de visie van deze zone.
Daarbij gelden, voor elke individuele locatie, de volgende overwegingen: Beugelskamp: De verdwenen havezate Beugelskamp ligt – samen met een aantal daarbij horende erven/gebouwen – voor de helft ingeklemd tussen de belangrijkste natuurhabitats, De Mors en Voele Broek. Omdat deze verdwenen locaties tegen de belangrijkste natuurgebieden van Singraven aanliggen, is
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 18
nieuwbouw op deze locaties af te raden. Aan de oostkant van de verdwenen locaties loopt de ringweg van Denekamp (en een rotonde). Eventuele toekomstige bewoners zullen wellicht ook nog eens te kampen krijgen met geluidsoverlast van optrekkende auto’s. Om deze redenen vallen ook de locaties bij Beugelskamp af als mogelijke bouwlocaties. Freudenhuis: Het hoofd reden om hier niet te bouwen is dat de locatie bebost is. Het verwijderen van het bos doet te veel inbreuk op de boshabitat in dit gebied. Haafkes: De locatie is zeer slecht toegankelijk. Nieuwbouw is daarom niet gewenst. Extensief agrarisch cultuurlandschap Waar in het vorige gebied sprake is van een visie uitsluitend gericht op natuur(ontwikkeling) spelen in dit gebied, naast de wens voor natuurontwikkeling, ook agrarische doeleinden een rol. Door het agrarische karakter van dit gebied zijn erven en dus nieuwbouw meer passend. De enige locatie waar eventueel nieuwbouw gerealiseerd zou kunnen worden is op het enige verdwenen erf in dit gebied, Oude Schiphorst. Hieronder wordt overwogen of nieuwbouw op deze locatie wenselijk is. Schiphorst en Oude Schiphorst: Schiphorst is een verdwenen erf maar oude Schiphorst (het lijftuchthuis van het erf Schiphorst) bestaat nog in de vorm van een vervallen schuur. Van het oorspronkelijke ensemble zijn verder weilanden, de ‘Schiphorstkamp’ en een eikengaard overgebleven.
Schiphorst ligt aan de Molendijk, circa 600m ten westen van het molencomplex. De achterkant van het erf grenst aan de bossen van de Hagelmeien, een belangrijk natuurhabitat. Doordat het oorspronkelijke landschap rondom het erf intact is gebleven zou het herstel van de schuur en de nieuwbouw van één woonvolume geen afbreuk doen; geen waardevolle bos moet verwijderd worden en de Hagelmeien blijven onverstoord. In tegendeel, de reconstructie van het erf zou het landschap van deze locatie versterken. De kamp en de eikengaard zouden hun origineel functie en identiteit weer terug krijgen. Het typische Twentse beeld van een erf aan de rand van een kamp, verankerd in het landschap door een achterliggend bos en een eikengaard, zal door middel van her-/nieuwbouw weer compleet worden. Wellicht zijn er mogelijkheden om de agrarische identiteit van de kamp nog verder te versterken door traditionele akker gewas op de kamp toe te passen, wat ook een hoge natuurwaarde heeft. Wegens de ligging aan de relatieve drukke Molendijk is de locatie goed toegankelijk en ontsluiting van voorzieningen is relatief eenvoudig te realiseren. Conclusie: Omdat voor het omliggende landschap het herstel van het erf Schiphorst een waarde verhoging is, en omdat nieuwbouw de natuurdoeleinden van het extensief agrarisch landschap niet verstoort, is deze oude locatie geschikt voor nieuwbouw.
De locatie Schiphorst wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 5.
4.2 Zone 2: De kern van het landgoed In de landgoedkern hebben zich nooit erven bevonden. Ontwikkelingen in de bestaande gebouwen zullen veelal leiden tot recreatieve of educatieve bestemmingen. Te denken valt hierbij aan een landgoedwinkel. Vanwege deze redenen zijn er hier geen mogelijkheden voor nieuwbouw met een woonbestemming.
4.3 Zone 3: De noordelijke rand van het landgoed In deze zone gaat het landschap van Singraven over in het buitengebied van de omgeving. Dwars door deze zone loopt het Almelo-Nordhorn kanaal. Vanaf 1963 wordt het kanaal niet meer gebruikt door de scheepvaart. Sindsdien is het kanaal nauwelijks veranderd waardoor de natuur zich ongestoord heeft kunnen ontwikkelen: Het Almelo-Nordhorn kanaal is inmiddels een belangrijke natuur habitat geworden. Ondanks de hoge natuurwaarden van het kanaal is het kanaal opengesteld voor recreanten. Vanaf de
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 19
(zand)wegen en paden aan beide kanten van het kanaal genieten fietsers en wandelaars van de nat uur. Langs het kanaal bevinden zich een aantal woningen. Het grootste gedeelte van het landschap in deze zone, een oud hoevenlandschap, is in de laatste eeuw door Laan bebost. In het bos zijn kleine open ruimtes overgebleven. Vanwege de kleine schaal van deze open ruimtes wordt er gezocht naar kleinschalige rode ontwikkelingen. Omdat deze zone overgaat in het buitengebied van Denekamp - een gebied met verspreide erven in een agrarisch landschap - is kleinschalige ontwikkeling hier des te meer geschikt. In deze zone bevindt zich op het erf Auskamp een biologische veebedrijf. Hier zijn de weilanden en kamp wat groter van schaal. Het veebedrijf is één van twee agrarische bedrijven op landgoed Singraven en is cruciaal voor de toekomst van het landgoed. De landgoedvisie ‘Landleven’ beschouwd het landgoed als een ‘groot gemengd bedrijf’ en het veebedrijf gaat daar een belangrijke rol in spelen. Om deze reden is nieuwbouw ondergeschikt aan het veebedrijf en is afgeraden in de nabijheid van het erf Auskamp. De erven Naamloze locatie 1, Nijhuis en Pierik, locaties in de omgeving van het erf Auskamp, vallen hierdoor af als nieuwbouw locatie. Naast deze hoofdreden zijn er ook additionele redenen waarom nieuwbouw op deze locaties niet geschikt is.
Daarom volgt hieronder voor elke locatie een meer gedetailleerde beoordeling. Naamloze locatie 1: Deze voormalige bouwlocatie was gelegen in een opening in de bosrand. Tegenwoordig bevinden zich de mestplaten van het veebedrijf Auskamp in deze opening. Omdat nieuwbouw ondergeschikt is aan de agrarische bedrijven op het landgoed, is deze locatie ongeschikt. Nijhuis: Het erf Nijhuis is afgebroken in de vorige eeuw. De nabijheid van het erf Auskamp maakt deze ongeschikt als nieuwbouw locatie. Bovendien, omdat het erf Auskamp zeer vrij in het landschap ligt, genesteld aan de rand van een kamp, zou nieuwbouw op deze locatie dit bijzondere ensemble mogelijk verstoren. Pierik: Het erf “Pierik”, ook “Olde Rikkink” genoemd, was gelegen ten noorden van het bestaande erf Auskamp en was van oorsprong een “huurmanshuis” (lijftuchthuis). De nabijheid van het erf Auskamp maakt dit verdwenen erf ongeschikt als een nieuwbouw locatie. Bovendien, omdat deze locatie inmiddels bebost is, zou veel bos gekapt moeten worden om voldoende licht en ruimte te creëren. De ontsluiting van deze locatie ligt niet voor de hand waardoor de economische haalbaarheid van deze locatie onzeker is. Al met al is deze locatie ongeschikt als nieuwbouw locatie. Met de uitzondering van de verdwenen erven rondom het erf Auskamp kunnen in principe in deze zone nieuwe rode ontwikkelingen gerealiseerd worden.
Er wordt hieronder per locatie kort beschreven of op de overige individuele locaties rode ontwikkeling gewenst is. Grobbe: Het kleine perceel, nu weiland, waar het voormalige erf was gelegen is nog intact, evenals het weiland wat ten noorden hiervan ligt (de andere voormalige landbouwgronden en weilanden zijn inmiddels bebost). Door de twee weilanden loopt een opengesteld zandweggetje. Nieuwbouw is mogelijk. Harseveld: De locatie van de voormalige havezate behoort nu tot een rustgebied voor de natuur. De toegankelijkheid is beperkt en de privé begraafplaats van onder nadere W.F.J. Laan ligt nabij. Vanwege deze redenen is deze locatie ongeschikt als een nieuwbouwlocatie. Naamloze locatie 2: Deze oude locatie ligt tegen de Ootmarsumsestraat aan (een zeer drukke weg) waardoor hij ongeschikt is als nieuwbouwlocatie. Conclusie: De enige locatie in deze zone geschikt voor nieuwbouw is Grobbe. Deze locatie wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 5.
Cundall Tuin- en Landschapsontwerp 2-8-2013 20