BP Buitengebied partiële herziening Rood voor Groen Singraven
Tekst van het document
Conclusie generieke beleidskeuzes Realisatie van de erven Slinge en Haboer alsmede de aanleg en instandhouding van het Ommetje Beuningen zijn in overeenstemming met de generieke beleidskeuzes van de provincie Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven (de ‘waar’ vraag) Ter beantwoording van de vraag ‘waar’ een initiatief het best past of ontwikkeld kan worden heeft de provincie ontwikkelingsperspectieven opgesteld, waarbij onderscheid is gemaakt tussen perspectieven voor de Groene en de Stedelijke Omgeving. Ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving De provincie ziet de Groene Omgeving, ofwel het grondgebied buiten de steden, dorpen en hoofdinfrastructuur, als een mozaïek van woon-, werk-, beleef- en natuurlandschappen, waar diverse beleidsambities goed samen gaan. Binnen de Groene Omgeving onderscheidt de provincie drie ontwikkelingsperspectieven:
24
˗ ˗ ˗
Zone ‘Ondernemen met Natuur en Water’. Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap. Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap.
Ontwikkelingsperspectieven voor de Stedelijke Omgeving Met Stedelijke Omgeving worden de stedelijke netwerken, steden, dorpen en hoofdinfrastructuur bedoeld. In deze omgeving gaat het de provincie onder andere om het behouden/vergroten van de kwaliteit van woonomgevingen en werklocaties, het behouden en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit en het versterken van de natuur in de stad. Binnen de Stedelijke Omgeving onderscheidt de provincie drie ontwikkelingsperspectieven: ˗ Stedelijke netwerken als motor. ˗ Steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus. ˗ Hoofdinfrastructuur: vlot en veilig. Toetsing erven Slinge en Haboer Op de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie maakt Erve Haboer deel uit van de Groene Omgeving en is Erve Slinge deels in de Groene en deels in de Stedelijke Omgeving gelegen. Vanuit hun positionering zijn voor Erve Haboer en het oostelijk deelperceel van Erve Slinge het ontwikkelingsperspectief ‘Ondernemen met Natuur en Water (ONW)’ van toepassing en geldt voor het westelijk deelperceel van Erve Slinge het perspectief ‘Steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus’ (zie figuur 4.3). Figuur 4.3.: Uitsnede Ontwikkelingsperspectievenkaart.
Erve Haboer
Erve Slinge
Steden en dorpen als veelzijdige woonmilieus Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN) Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) buiten het NNN
Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) buiten het NNN Binnen de provincie Overijssel is een groot oppervlak aan natuur afgesplitst van het NNN; de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW). Binnen deze zone hanteert de provincie als ambitie om ruimtelijke ontwikkelingen bij te laten dragen aan een kwaliteitsimpuls voor natuur, landschap en water. Landgoederen maken lokaal deel uit van de zone ONW, waardoor hier mogelijkheden zijn om natuur-, cultuurhistorische- en economische waarden te combineren. Voor de zone ONW geldt dan ook het ‘ja, mits’-beleid: ja, er is ruimte voor ontwikkelingen, mits deze bijdragen aan een kwaliteitsimpuls voor landschap, natuur en water. Feitelijk is hier sprake van
25
een focus op de KGO, waarbij deze kwaliteitsimpuls ook kan worden ingezet bij het herstel van cultuurhistorisch erfgoed. Vertrekpunt bij de planvorming voor de nieuwe erven is om een kwaliteitsimpuls te geven aan zowel het landschap, de natuur, de cultuurhistorie en het economisch voortbestaan. Het principe van ‘Rood voor Groen’ is daarmee vanaf het begin van de planvorming, via verschillende studies, sturend geweest voor zowel de erfinrichting als de landschappelijke inpassing van de twee nieuwe erven. Kort samengevat kan worden gesteld dat het ‘ja, mits’-beleid voor de zone ONW voor realisatie van de nieuwe erven betekent: ja, er is ruimte voor het toevoegen van nieuwe gebouwen en is het ‘mits’ daarbij als volgt ingevuld: ˗ De nieuwe erven sluiten zoveel mogelijk aan bij het beeld van de erven die kenmerkend zijn voor Landgoed Singraven, waardoor ze als vanzelfsprekend in het landschap komen te liggen. ˗ De beplantingen op de nieuwe erven en van het omliggende landschap zijn op elkaar afgestemd, waardoor de erven op passende wijze worden verankerd in het landschap. ˗ De (toe te voegen) bebouwing gaat deels schuil achter zowel hoog als laag opgaand groen, waardoor de gebouwen een vanzelfsprekend onderdeel worden van het landschap.
˗ De (toe te voegen) gebouwen hebben verschillende bouwvolumes en kennen geen rationele oriëntatie; de gebouwen lijken vrijelijk gestrooid over het erf. Aanvullend vormen het (hoog opgaand) groen, van inheemse soortensamenstelling, waardevolle karakteristieke elementen op de nieuwe erven. Steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus De steden en dorpen buiten de drie stedelijke netwerken in Overijssel bieden een waardevolle aanvulling op het leefmilieu in deze netwerken. De dorpen vormen daarbij het kloppende hart van een plattelandsgemeenschap, bieden een aantrekkelijke woon- en werkomgeving of vormen een toeristische trekpleister waar bezoekers rust en identiteit zoeken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief, van toepassing op Erve Slinge, zijn de betreffende ontwikkelambities benoemd onder het aspect ‘Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’. De provinciale ambities binnen dit aspect brengen met zich mee dat de steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken in beginsel altijd mogen bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen. Hierdoor kunnen zij deze rol van ‘kloppend hart’ blijven vervullen. Het realiseren van burgerwoningen op Erve Slinge vormt een positieve impuls voor het aanwezige voorzieningenniveau en draagt tevens bij aan het ‘noaberschap’.
Toetsing Ommetje Beuningen Als direct gevolg van de realisatie van de erven Slinge en Haboer zal het Ommetje Beuningen worden aangelegd. Zoals eerder in deze Toelichting geconstateerd vormt het tracé van dit wandelpad geen strijdigheid met het onderliggende bestemmingplan. Getoetst aan de ontwikkelingsperspectieven uit het provinciale Omgevingsbeleid kan worden gesteld dat de aanleg en instandhouding van het Ommetje Beuningen hiermee niet in tegenspraak is en naar verwachting zelfs een meerwaarde vormt als het gaat om de beleving van de aangrenzende groene en stedelijke omgeving. Conclusie ontwikkelingsperspectieven Met de realisatie van de erven Slinge en Haboer alsmede de aanleg en instandhouding van het Ommetje Beuningen wordt op passende wijze geanticipeerd op de door de provincie geboden ontwikkelingsmogelijkheden. Gebiedskenmerken (de ‘hoe’ vraag) Bij de vraag ‘hoe’ het initiatief ingepast kan worden in het landschap spelen gebiedskenmerken een belangrijke rol. Hierbij gaat het om de ruimtelijke kenmerken van een gebied(stype), die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied(stype). Voor alle gebiedstypen in Overijssel heeft de provincie in de Catalogus Gebiedskenmerken aangegeven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en die behouden, versterkt of ontwikkeld moeten
26
worden. Bij gebiedskenmerken maakt de provincie onderscheid in vier lagen, die uiteraard niet los van elkaar staan en altijd met elkaar verbonden zijn: ˗ De natuurlijke laag. ˗ De laag van het agrarisch cultuurlandschap. ˗ De stedelijke laag. ˗ De laag van de beleving. Toetsing erven Slinge en Haboer De ‘Natuurlijke laag’ Erven Slinge en Haboer zijn beiden (deels) gelegen binnen de natuurlijke lagen ‘Dekzandvlakte en ruggen’ en ‘Beekdalen en natte laagtes’, zie figuur 4.4. Figuur 4.4: Positionering nieuwe erven binnen de ‘Natuurlijke laag’.
Haboer
Slinge Beekdalen en natte laagtes Dekzandvlakte en ruggen
De•provinciale ambitie voor het gebiedstype ‘Dekzandvlakte en ruggen’ is om de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dienen deze bij te dragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met natuurlijke, inheemse soorten. Voor het gebiedstype ‘Beekdalen en natte laagtes’ geldt als ambitie om de functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap meer betekenis te geven. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dienen deze bij te dragen aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. De gebiedskenmerken van de natuurlijke laag worden niet wezenlijk beïnvloed door de nieuwe erven. Gelet op de waterhuishouding wordt, in samenspraak met het Waterschap Vechtstromen en conform de Watertoets (zie paragraaf 4.5 van deze Toelichting), op passende wijze rekenschap gehouden met de waterbelangen. Aanvullend voorzien de ontwikkelplannen per definitie in het aanbrengen van beplanting met inheemse soorten.
De ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ Binnen de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ zijn de erven Slinge en Haboer gelegen in het ‘Oude Hoevenlandschap’ (zie figuur 4.5).
27
Figuur 4.5: Positionering nieuwe erven binnen de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’.
Haboer
Slinge
Oude Hoevenlandschap
• Kenmerkend voor het oude hoevenlandschap zijn de kampen met daaraan gelegen agrarische bedrijven. De erven liggen veelal op enige afstand van de weg, daarbij eilandjes vormend tussen de weiden. De erven kennen verschillende bouwvolumes en veel opgaande beplanting. De percelen worden veelal begrensd door houtwallen, singels en waterlopen. De provinciale ambitie is om het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Vanuit de gehanteerde ‘Rood voor Groen’ strategie in het ontwikkelproces kan worden gesteld dat de nieuwe erven bijdragen aan het behoud en de accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het omringende oude hoevenlandschap. Tevens dragen de nieuwe erven, via erfbeplanting in afstemming op de mate van openheid en kleinschaligheid, bij aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de omringende landschapselementen. Tot slot kan worden gesteld dat de ontwikkelplannen bijdrage aan het herstel c.q. vergroten van de toegankelijkheid van erven en erfroutes, met inbegrip van de aanwezige landschapswaarden. De ‘Stedelijke laag’ Binnen de stedelijke laag valt Erve Slinge (deels) onder het gebiedstype ‘Woonwijken 1955 – nu’ (zie figuur 4.6). Erve Haboer valt buiten de reikwijdte van de ‘Stedelijke laag’. Figuur 4.6: Positionering nieuwe erven binnen en t.o.v.
de ‘Stedelijke laag’.
Haboer
Slinge
Woonwijken 1955 - nu
De woonwijken van 1955 tot nu zijn in de provinciale omgevingsvisie omschreven als planmatig opgezette uitbreidingswijken, een en ander op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. Soms zijn herkenbare relicten van het oude cultuurlandschap (zoals boerderijen,
28
(zand-)wegen of beplantingsstructuren) opgenomen in de wijken. Gelet op de gewenste woonomgeving, een belangrijk aspect binnen de stedelijke laag, hanteert de provincie als ambitie om te komen tot aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus, die tevens voorzien in woonvraag. De woningbouw ontwikkelt zich daarbij primair in bestaand bebouwd gebied of in aansluiting op de kernen. Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel, maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is daarbij onderdeel van het ontwerp. Getoetst aan de erven Slinge (erve Haboer valt buiten deze stedelijke laag) kan worden gesteld dat de ontwikkelplannen voor deze twee erven in lijn met het voorgaande tot stand zijn gekomen. De ‘Laag van de beleving’ In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale aspecten bij elkaar. Deze laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe. Binnen de gebiedskenmerkenkaart ‘Laag van de beleving’ is voor de erven Slinge en Haboer het aspect ‘Donkerte’ van toepassing (figuur 4.7). Figuur 4.7: Positionering nieuwe erven binnen de ‘Laag van de beleving’.
Haboer
Slinge
Donkerte
Donkerte wordt door de provincie beschouwd als een te koesteren kwaliteit. Ambitie daarbij is om de huidige ‘donkere’ gebieden ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, terreinen en dergelijke. In lijn met de provincie ziet de gemeente ziet het als haar taak om de kwaliteit van de openbare ruimte te blijven bewaken en waar mogelijk te versterken. De gemeente vraagt de eigenaren c.q. beheerders van lichtbronnen om spaarzaam, functioneel en duurzaam te verlichten met als doel om onder meer het landelijke en groene karakter van de gemeente te behouden dan wel te versterken en om lichthinder voor mens en dier tegen te gaan. Getoetst aan de twee nieuwe erven geldt dat de verlichting op deze erven gebaseerd is op terughoudendheid en geldt hier een algemeen streven naar eenheid en eenvoud. Toetsing Ommetje Beuningen Als direct gevolg van de realisatie van de erven Slinge en Haboer zal het Ommetje Beuningen worden aangelegd. Zoals eerder in deze Toelichting geconstateerd vormt het tracé van dit wandelpad geen strijdigheid met het onderliggende bestemmingplan.
Getoetst aan de ontwikkelingsperspectieven uit het provinciale Omgevingsbeleid kan worden gesteld dat de aanleg en instandhouding van het Ommetje Beuningen hiermee niet in tegenspraak is en naar verwachting zelfs een meerwaarde vormt als het gaat om de beleving van de aangrenzende gebiedskenmerken en -kwaliteiten. Conclusie gebiedskenmerken Realisatie van de erven Slinge en Haboer alsmede de aanleg en instandhouding van het Ommetje
29
Beuningen leiden niet tot een nadelige invloed op de door de provincie Overijssel onderscheiden gebiedskenmerken en de hier hierbinnen te koesteren kwaliteiten. Conclusie provinciaal beleid Realisatie en ingebruikname van de erven Slinge en Haboer alsmede de aanleg en instandhouding van het Ommetje Beuningen zijn in lijn met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
4.3
Regionaal beleid Regionale Woonvisie en Regionale Woonagenda Twente 2015-2025 Gemeenten en provincie hebben in 2014 de Regionale Woonvisie Twente vastgesteld met daarin de gezamenlijke ambities en een regionale visie op wonen. Vervolgens hebben de gemeenten, waaronder Losser, en de provincie gezamenlijk in 2015 een traject doorlopen, waarin de overeengekomen ambities en visie hebben geleid tot woonafspraken op concrete thema’s, waaronder wonen en zorg. Tot de speerpunten van het beleid behoren het komen tot een voldoende en gevarieerd woningaanbod en het creëren van differentiatie in woonmilieus. Als het gaat om het kwaliteitsaspect ‘Buiten wonen in het landelijk gebied en kleine kernen’ stelt het regionale woonprogramma dat het hier gaat om woonmilieus die zowel de provincie als de regionale gemeenten willen koesteren en kwaliteiten die men zoveel mogelijk wil behouden. Hierop aansluitend stelt de regio dat door de dalende bevolkings- en huishoudenontwikkeling nog slechts een beperkt aantal woningen aan de woningvoorraad hoeft te worden toegevoegd om te voorzien in de lokale behoefte. Datgene wat nog gebouwd wordt als aanvulling of vervanging moet ‘raak’ zijn.
Tegen deze achtergrond schetsen de regionale gemeenten, woningcorporaties, markt en andere partners in de Regionale Woonagenda Twente 2021-2025, vastgesteld op 18 februari 2021, hun prioriteiten voor de komende jaren op Twentse woningmarkt. Om de forse woningbouwambitie in Overijssel te halen, kent Twente daarbij een flinke versnellingsopgave. Figuur 4.8: Woningbouwopgave regio Twente.
In kwantitatief opzicht is in de regionale woonagenda de ambitie opgenomen om 60.000 woningen toe te voegen. Deze ambitie is provinciebreed en gericht op het snel oplossen van de woningnood in grote delen van de provincie en in verschillende segmenten. De ambitie is opgebouwd uit de volgende elementen: ˗ De beschikbare woningbehoefteprognoses tot 2030. ˗ Het naar voren halen van de woningbehoefte die ontstaat na 2030. ˗ Een extra impuls om bij te dragen aan het oplossen van de actuele woningnood in Nederland. Op basis van voornoemde elementen vult de regio Twente circa 1/3 deel van de provinciale ambitie, de regio West Overijssel circa 2/3 deel. De druk op WestOverijssel is immers groter door een toenemende trek vanuit de Randstad en andere landsdelen. Op basis van prognoses van de huishoudensgroei tussen 2020 en 2030 en benodigde ruimere programmering
30
is een behoefte van ruim 15.000 woningen te verwachten tot 2030. Dit aantal wordt gedefinieerd als de lokale behoefte. Daarnaast heeft Twente een extra woningbouwambitie/-opgave op basis van onder andere de (gedeeltelijke) inloop van het huidige woningtekort (circa 3%), de krapte op de woningmarkt, de verstedelijkingsopgaven en de toenemende migratiestromen vanuit de Randstad en andere landsdelen. Deze extra ambitie c.q. opgave bedraagt voor Twente circa 5.000 tot 7.000 woningen tot 2030. Binnen de woningbouwopgave, zoals opgenomen in de Regionale Woonagenda Twente, bedraagt het aandeel voor de gemeente Losser in totaal 590 woningen (zie figuur 4.8). Toetsing erven Slinge en Haboer Het toevoegen van 10 woningen, waaronder 6 voor starters, brengt met zich dat de beoogde ontwikkeling van de erven Slinge en Haboer voor een substantieel deel voorziet in betaalbare woningen voor een belangrijke aandachts- c.q. doelgroep binnen de regionale woonvisie. Hiermee kan worden gesteld dat de voorliggende ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief past binnen de heersende behoefte aan woningen binnen de regio Twente. Kort samengevat kan worden gesteld dat elke woning binnen de nieuwe erven Slinge en Haboer ‘raak’ is. Conclusie regionaal beleid Realisatie van de erven Slinge en Haboer is in lijn met het woonbeleid van de regio Twente.
4.4
Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Losser In maart 2023 stelde de gemeenteraad van Losser de Omgevingsvisie vast. De Omgevingsvisie beschrijft het toekomstbeeld voor de gemeente en gaat over zaken als wonen, werken en samen leven in Losser. In de Omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat zij verder gaat werken aan een gemeente waar het voor jong en oud prettig wonen is. Daarbij wordt ingezet op een gevarieerd woningaanbod. Met het oog op de vergrijzing is het van belang om de ouderen te voorzien van passende woonruimte, maar geeft de gemeente specifiek aan dat zij ook de jongeren wil behouden in haar gemeente. De gemeente denkt daarbij aan het aanbieden van een kwalitatief en kwantitatief goed aanbod van woningen voor starters. Op dit moment gaat de gemeente voor de komende 10 jaar (conform Woonvisie 2021-2030) uit van een groei van 665 huishoudens. Elk bouwplan toetst de gemeente aan zowel de (bouwtechnische) kwaliteitscriteria als inpassing in de bestaande ruimtelijke structuur. Daar waar buitenstedelijk gebied wordt gebruikt voor woningbouw moet dit passend zijn in het landschap en moeten natuurwaarden zoveel als mogelijk is behouden blijven. Ten aanzien van laatstgenoemde aspecten heeft de gemeente de ambitie om de beekdalen als functionele en ruimtelijk dragende structuren van het landschap meer betekenis te geven.
Ruimte voor water en continuïteit van het (water)systeem zijn in dit kader leidend. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dragen deze bij aan onder meer de dynamiek van en samenhang binnen het waterc.q. beeksysteem en vergroting van de beleefbaarheid van het water. Wijzend naar het dal van de Dinkel geeft de gemeente aan dat hier ook een belangrijke recreatieve doelstelling ligt, gericht op vergroting van de beleving van het gebied door middel van kanoën, fietsen en wandelen. Fiets‐ en wandelverbindingen aansluitend op de recreatiegebieden zijn daarvoor gewenst. Ook is het gewenst dat vanuit de dorpen gemakkelijk een rondje langs de Dinkel gewandeld kan worden. Aansluitend geeft de gemeente aan trots te zijn op de aanwezige fraaie landgoederen. In de Omgevingsvisie is dan ook opgenomen dat de gemeente ruime mogelijkheden zal bieden om de economische basis onder de landgoederen binnen haar gemeente te versterken. Bij het zoeken naar een passende activiteit geeft de gemeente veel vrijheid aan landgoedeigenaren met dien
31
verstande dat milieu- en duurzaamheidsdoelstellingen en landschappelijke waarden niet worden aangetast. Tot slot wordt in de Omgevingsvisie, onder Koers en keuzen voor Wonen binnen het Gebiedskompas voor Beuningen, geconstateerd dat er vanuit Beuningen vraag is naar de realisatie van starterswoningen. Specifiek is in de omgevingsvisie benoemd dat Stichting Edwina van Heek (Landgoed Singraven) 10 woningen wenst toe te voegen. Het betreft de toevoeging van 3 vrijstaande woningen ter plaatse van erve Haboer en 7 woningen ter plaatse van erve Slinge (1 nieuwe vrijstaande woning en 6 starterswoningen). Toetsing erven Slinge en Haboer In lijn met de toetsing aan de gebiedskenmerken (de hoe vraag binnen het provinciale beleid) kan ook hier worden gesteld dat de nieuwe erven Slinge en Haboer geen belemmeringen vormen voor de landschaps- en natuurwaarden van de beekdalen en natte laagtes. Gelet op de aanwezige vraag naar woningen komen de ontwikkelplannen voor erven Slinge en Haboer zowel kwalitatief als kwantitatief tegemoet aan de gemeentelijke ambities en doelstellingen op dit vlak, mede bevestigd door het feit dat de beoogde woningen concreet in de omgevingsvisie zijn benoemd. Toetsing Ommetje Beuningen Als direct gevolg van de realisatie van de erven Slinge en Haboer zal het Ommetje Beuningen worden aangelegd.
Zoals eerder in deze Toelichting geconstateerd vormt het tracé van dit wandelpad geen strijdigheid met het onderliggende bestemmingplan. Getoetst aan de gemeentelijle omgevingsvisie - en impliciet hierin genoemd - kan worden gesteld dat de aanleg en instandhouding van dit Ommetje invulling geeft aan deze visie. Toekomstvisie Duurzaam Losser 2040 In de visie ‘Duurzaam Losser 2040’ geeft de gemeente aan in 2040 volledig energieneutraal te willen zijn. Dat wil zeggen dat alle energie die wordt verbruikt afkomstig is uit duurzame energiebronnen. De toekomstagenda richt zich daarbij op de volgende hoofdthema’s en ambities: ˗ Een groen, gezond en leefbaar Losser. ˗ Een klimaatbestendig Losser. ˗ Een energieneutraal Losser. ˗ Een circulaire economie in Losser. Toetsing erven Slinge en Haboer De ambities uit de gemeentelijke toekomstvisie zijn in de ontwikkeling en realisatie van de erven Slinge en Haboer geïmplementeerd door (onder meer) het inrichtingsplan voor deze erven te richten op het zoveel als mogelijk toepassen van halfverhardingen en het van het riool afkoppelen van het dakwater en het verhard oppervlak. Hiermee wordt de natuurlijke inzijging van water in de bodem bevorderd. Daarnaast vormt het planten van bomen en het aanbrengen van groen een verdere bijdrage aan de totstandkoming van een klimaatbestendig Losser.
Met de bouw van gasloze woningen wordt vervolgens een toekomstgerichte bijdrage geleverd aan een energieneutraal Losser. Woonvisie 2021–2031 Ter actualisatie van de Woonvisie 2016 en verder heeft de gemeente Losser op 6 juli 2021 de Woonvisie 2021-2031 vastgesteld met daarin de uitgangspunten, ambities en voornemens voor de periode tot 2031. Met het geactualiseerde woonbeleid wil de gemeente voorzien in voldoende, geschikte huisvesting van haar inwoners, jong en oud. Ambitie is tevens om een bijdrage te leveren aan het inlopen van de woningtekorten, zoals die in de Regionale Woonagenda Twente 2021-2025 zijn benoemd. In februari 2021 heeft de gemeente Losser ingestemd met deze regionale woonagenda. Daarmee is het een belangrijk actueel kader voor de gemeentelijke Woonvisie geworden. In de ruimtelijke strategie van Woonvisie en Woonagenda wordt de gemeente Losser aangeduid als ‘buiten wonen’, waar het wonen nauw verbonden is met het Overijsselse landschap, het dorpse leven, natuur en landbouw. Dat betekent echter geen
32
stilstand: de Woonagenda ziet dat woningbouw en soms ook transformatie nodig zijn om te voldoen aan de woningbehoefte, terwijl deze tevens ingezet kunnen worden als vliegwiel om de vitaliteit van woonmilieus te versterken. In haar woonvisie richt Losser zich op een adequate huisvesting van alle doelgroepen binnen de hele gemeente. Daarbij is er extra aandacht voor groepen met minder kansen op de woningmarkt en is dat voor de gemeente reden om primair te sturen op starters, jonge gezinnen en 55 plussers. Ten aanzien van de vooruitzichten op de samenstelling van de bevolking voor de langere termijn constateert de gemeente dat deze mogelijk onzeker zijn, maar dat dat niet geldt voor de periode tot 2031. De woonvisie sorteert dan ook niet voor op bevolkingsdaling. Aansluitend stelt de gemeente dat zij uiteraard wel te maken krijgt met een vergrijzing van de bevolking, maar wil zij ook de jongeren en starters zoveel als zij willen voor de gemeente behouden. Daarvoor koerst de gemeente in eerste instantie op doorstroming, in het besef dat het streven naar doorstroming veelal niet leidt tot het tijdig vrijkomen van voldoende beschikbare en betaalbare woningen. Daarom wil de gemeente ook voor starters bouwen.
Als het gaat om nieuwbouw is in de Woonvisie opgenomen dat in de periode 2021-2031 in totaal 665 woningen aan de gemeente toegevoegd dienen te worden, gemiddeld zo’n 65 tot 70 per jaar. Dit aantal van 665 woningen is met inbegrip van 150 woningen die op grond van de Regionale Woonagenda Twente noodzakelijk zijn voor het inlopen van de woningtekorten. Deze woningen deelt de gemeente vooralsnog naar rato toe aan de verschillende kernen. Ten aanzien van de kern Beuningen stelt de gemeente dat er beperkt ruimte is voor nieuwe woningen. Specifiek worden hier de locaties Lomanskamp en Landgoed Singraven genoemd. Er is plancapaciteit voor maximaal 33 woningen, waarvan 12 op basis van harde plancapaciteit. De (anno 2021) berekende behoefte is maximaal 25 woningen en geldt er vanaf dat moment een noodzaak om meer plancapaciteit hard te maken. Anno 2023 geldt die noodzaak in beginsel nog steeds, maar geldt ook dat er inmiddels plannen zijn vastgesteld die voorzien in de toevoeging van in totaal 8 woningen in de kern Beuningen. Met de voorgenomen 7 woningen op Erve Slinge, gerekend tot de kern Beuningen, is dus nog sprake van een resterende behoefte van circa 10 woningen.
Toetsing erven Slinge en Haboer In lijn met de toetsing aan de regionale woonvisie en -programma kan ook ten aanzien van de gemeentelijke ambities en doelstellingen op dit vlak worden gesteld dat de voorliggende ontwikkelingen zowel kwalitatief als kwantitatief hierbinnen passen. Kort samengevat kan ook hier worden gesteld dat elke woning binnen de nieuwe erven Slinge en Haboer, concreet benoemd in de Woonvisie, als ‘raak’ kan worden beoordeeld. Conclusie gemeentelijk beleid Realisatie en ingebruikname van de erven Slinge en Haboer alsmede de aanleg en instandhouding van het Ommetje Beuningen zijn in lijn met de ambities, doel- en taakstellingen uit zowel het ruimtelijk- als het woonbeleid van de gemeente Losser.
33
5
OMGEVINGSASPECTEN
5.1
Ecologie Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. In de Wnb is nog steeds sprake van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als het gaat om soortenbescherming kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogel- en de Habitatrichtlijn voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Tot slot is in 2019 via de Wnb de impact van stikstofdepositie in Natura2000-gebieden explicieter opgenomen in het proces van planologische besluitvorming. Toetsing erven Slinge en Haboer Gebiedsbescherming: ligging ten opzichte van Natura 2000 en NNN De erven Slinge en Haboer zijn niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is voor beide erven het gebied Dinkelland. Ten opzichte van Erve Slinge bedraagt de afstand tot dit gebied circa 900 meter. Ten opzichte van Erve Haboer bedraagt deze afstand circa 1.200 meter. Figuur 5.1: Ligging nieuwe erven t.o.v.
Natura2000-gebieden (bron: provincie Overijssel).
Haboer
Slinge Dinkelland
De erven Slinge en Haboer zijn eveneens niet gelegen binnen de grenzen van het NNN. Tussen Erve Slinge en het meest nabijgelegen NNN-perceel bedraagt circa 150 meter. De planlocatie voor Erve Haboer (het zuidelijke deelerf) grenst weliswaar aan het NNN, maar maakt er geen deel vanuit. De provincie Overijssel hanteert geen externe werking bij het NNN, waardoor extra toetsing van (met name) erve Haboer niet noodzakelijk is. Desalniettemin wordt indirecte beïnvloeding door bijvoorbeeld lichtuitstraling, met name vanuit erve Haboer, zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperkt door de lichtbronnen te baseren op terughoudendheid (bijvoorbeeld zo veel mogelijk naar beneden gericht licht) en bij plaatsing een algemeen streven naar eenheid en eenvoud te hanteren. Een en ander mede afgestemd op het zoveel mogelijk borgen van de belevingswaarde ‘Donkerte’ in deze omgeving. Volledigheidshalve geldt dat de erven landschappelijk worden ingericht, waarbij rekening wordt gehouden met de groene omgeving en de reeds aanwezige landschaps- en natuurwaarden, waaronder die van het NNN.
34
Figuur 5.2: Ligging nieuwe erven t.o.v. NNN (bron: provincie Overijssel).
Haboer Slinge
Natura2000 versus stikstofdepositie In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld om economische ontwikkelingen te kunnen verbinden met het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten voor Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in dit programma. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter beslist dat het PAS niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een toename van stikstof ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder (recreatie)woningbouw, die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Nu het ecologisch onderzoek (de ‘passende beoordeling’) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat het project of plan op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds voornoemde uitspraak niet meer worden gebruikt.
Op 9 oktober 2019 verscheen vanuit BIJ12, de uitvoeringsorganisatie voor de 12 provincies, de publicatie dat nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld voor het verlenen van vergunningen op grond van de Wnb. Concreet kunnen er vanaf 11 oktober 2019 weer vergunningen verleend worden. Toestemming voor stikstofgerelateerde activiteiten wordt weer mogelijk, zolang de activiteiten niet leiden tot een stijging en in veel gevallen feitelijk tot een daling van stikstofbelasting. Kern van de nieuwe regels is dat door het wegvallen van het PAS nu van tevoren moet worden aangetoond dat emissie en depositie met zekerheid afnemen of niet stijgen. Tot slot is op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer 3 resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft onder meer de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering maakte een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling gold voor de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten.
Op 2 november 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Porthos voornoemde partiële vrijstelling van tafel geveegd. Dit betekent dat bij het maken van een stikstofberekening (AERIUS) voor de gebruiksfase van projecten, tevens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten meegenomen zullen moeten worden. Om voor afzonderlijke projecten het effect op Natura 2000-gebieden aan te tonen is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Met dit rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof/ammoniak en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De
35
uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof en ammoniak. In april 2023 zijn de AERIUS-berekeningen uitgevoerd inzake het voornemen tot realisatie van de nieuwe erven Slinge en Haboer. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2022. Voor de aanlegfase is gerekend met het rekenjaar 2024, ervan uitgaande dat de ruimtelijke procedure dan is afgerond. Voor de gebruiksfase is gerekend met het rekenjaar 2025, ervan uitgaande dat de aanlegfase een doorlooptijd heeft van een jaar. De AERIUS-berekeningen geven aan dat met de realisatie van de erven Slinge en Haboer zowel NOx als NH3 vrijkomt. Door uitvoering van de AERIUS-berekeningen met toepassing van intern salderen (het rekening houden met de referentiesituatie) blijkt echter dat er zowel in de aanlegals gebruiksfase geen resultaten zijn gevonden. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx en NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Realisatie van de erven Slinge en Haboer leidt daarmee niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De Wnb vormt voor het aspect stikstof dan ook geen belemmering voor deze planvorming.
De AERIUS-berekeningen en bijbehorende rapportage, uitgevoerd door Ad Fontem BV, zijn als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Soortenbescherming In de periode juni-oktober 2018 is binnen de percelen van de erven Slinge en Haboer in het kader van de Wnb een quickscan flora en fauna uitgevoerd teneinde inzicht te krijgen in de (potentiële) aanwezigheid van beschermde soorten. Zowel binnen het plangebied voor Erve Slinge als Erve Haboer heeft het ecologisch onderzoek niet de (potentiële) aanwezigheid aangetoond van beschermde plantensoorten (flora) en ook niet, al dan niet in de vorm van vaste verblijfsplaatsen of jaarrond beschermde nesten, van beschermde vogels, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (fauna). Ten aanzien van vleermuizen zijn aanwijzingen aangetroffen in de bestaande woonboerderij op Erve Slinge dat vleermuizen mogelijk gebruik maken van dit gebouw om er te verblijven. Wanneer er sprake is van (al dan niet partiële) sloop van deze woonboerderij dan wel substantiële ingrepen aan dit gebouw, waarbij (met name) gevel- en/of dakconstructies worden vervangen, is nader onderzoek naar vleermuizen mogelijk aan de orde. Het plangebied voor Erve Slinge betreft overigens geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en er zullen door de voorgenomen realisatie van dit nieuwe erf geen essentiële vliegroutes verloren gaan.
Binnen het plangebied voor Erve Haboer zijn geen vaste verblijf- en/of voortplantingsplaatsen van vleermuizen zijn waargenomen. Ook hier zal de realisatie van het nieuwe erf geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes voor vleermuizen verloren gaan. De rapportage van de ecologische quick-scan, uitgevoerd door EcoTierra, is als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Op basis van een eerste conceptversie van het voorliggende bestemmingsplan ontving de gemeente Losser op 24 november 2022 een eveneens eerste advies van de Omgevingsdienst Twente (OD) inzake het ecologisch deelaspect soortenbescherming. In dit advies komt de OD met name tot de volgende bevindingen en conclusies: ˗ Er is sprake van een kerkuilenkast bij de te verplaatsen lemen schuur. In de QuickScan van 2018 is geconstateerd dat deze niet bezet was. Aangezien voor vogels met een jaarrond beschermd nest voor een QuickScan maximaal drie jaar als geldigheidsduur wordt gehanteerd is het uitvoeren van een actualisatie met betrekking tot de kerkuilenkast noodzakelijk. ˗ Voortschrijdende inzichten hebben geleid tot een wijziging van het plangebied voor erve Slinge. Met name is het oostelijk erfdeel ten opzichte van de situatie in 2018 iets groter geworden en daardoor niet volledig onderzocht.
Gezien de huidige inrichting (grasland) van het niet onderzochte deel zijn er ter plaatse geen specifieke beschermde soorten en/of verblijfplaatsen te verwachten. Er is geen aanvullend onderzoek nodig voor dit deel.
36
˗ ˗
˗
Met betrekking tot de te slopen paardenstal op erve Slinge dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar nest en verblijfplaatsen van huismussen. Verbouwing/renovatie van de woonboerderij op erve Slinge maakt (nog) geen onderdeel uit van het plan. Indien deze werkzaamheden wel gaan plaatsvinden moet op grond van de Wnb een ontheffing worden aangevraagd voor vleermuizen en huismussen. Beide erven vormen een potentieel functioneel leefgebied voor algemene zoogdieren en amfibieën. Deze benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten ook vaste (winter) rust- en/of voortplantingsplaats. Conform de Wnb is het verboden deze beschermde soorten te doden of te vangen en de voortplantings- of rustplaats te beschadigen, vernielen of weg te nemen. In de provincie Overijssel geldt een vrijstelling voor de verbodsbepalingen voor vangen en voor beschadigen, vernielen of wegnemen van voortplantings- en rustplaatsen; niet voor het doden. Indien dit niet voorkomen kan worden moet er een ontheffing of een Verklaring van geen bedenkingen worden aangevraagd.
Resumerend komt de OD in haar reactie op 24 november 2022 tot de conclusie dat voor de uitvoerbaarheid van het plan voor het onderdeel soortenbescherming van de Wnb geen belemmering vormt. Daarnaast geldt dat de zorgplicht vanuit de Wnb altijd van toepassing is. Deze voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In juli 2023 is op erve Slinge het nader onderzoek naar nest-/verblijfplaatsen van huismussen afgerond, een en ander conform het onderzoeksprotocol en kennisdocument voor de Huismus. Dit onderzoek, uitgevoerd door EcoTierra, heeft geresulteerd in de constatering dat binnen het plangebied voor realisatie van erve Slinge geen nest-/verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn. Ten aanzien van de kerkuilenkast bij de te verplaatsen lemen schuur zijn bij nader onderzoek, uitgevoerd door EcoTierra, geen uitwerpselen en/of braakballen bij en rondom deze lemen schuur aangetroffen. Op grond hiervan wordt de conclusie getrokken dat de kerkuil geen verblijfplaats (meer) heeft in deze lemen schuur. Tot slot heeft in maart 2024 op Erve Haboer een actualisatie van de quickscan flora en fauna plaatsgevonden, uitgevoerd door EcoTierra, om te bepalen of de conclusie uit 2018 ook in 2024 gehanteerd kan worden.
Kort samengevat was voor erve Harboer de conclusie dat er geen nader onderzoek noodzakelijk was en dat er geen gevolgen waren aangaande de Wnb. Wel was de zorgplicht van toepassing. De quickscan van 2024 dat de conclusie uit 2018 nog vigerend is. Er zijn in de bomen rondom geen nesten van roofvogels of uilen te zien. Het karakter van het plangebied is nog hetzelfde, namelijk weiland. Er zijn geen gevolgen aangaande de Omgevingswet (Ow) te verwachten. In de Ow is ook de zorgplicht van toepassing. Er is zelfs een specifieke zorgplicht, die onder andere Rode lijstsoorten meer moet beschermen. De verwachting is echter dat door de beoogde ingrepen de Staat van Instandhouding (SvI) van Rode lijstsoorten niet wordt aangetast. Ommetje Beuningen Behalve dat op Erve Slinge en Erve Haboer ecologische onderzoeken hebben plaatsgevonden is op 15 mei 2024 ook het tracé van het Ommetje Beuningen onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Het betreffende Getoetst aan de wet- en regelgeving voor beschermde gebieden heeft de quickscan natuurwaardenonderzoek Ommetje Beuningen, uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, geleid tot de constatering dat het wandelpad gedeeltelijk ligt in gebied dat tot het NNN behoort. Het ligt daarentegen niet binnen Natura 2000-gebied. Toetsing van het plan aan beleidsregels voor bescherming van het NNN is niet nodig. Een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied, kan op voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek is niet nodig.
37
Getoetst aan de wet- en regelgeving voor beschermde soorten toont het uitgevoerde onderzoek aan dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied (hier: tracé Ommetje Beuningen) ongeschikt maken als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. In het plangebied nestelen vermoedelijk vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën mogelijk een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen mogelijk een verblijfplaats. Tot slot geeft de rapportage van de quickscan aan dat het wandelpad handmatig wordt vrijgemaakt van kruidenrijke vegetatie en jonge houtige opslag. De rapportage stelt verder dat, mits deze werkzaamheden uitgevoerd worden buiten de voortplantingsperiode van vogels, overtreding van een verbodsbepaling van de Omgevingswet (onderdeel flora- en fauna-activiteit) uitgesloten kan worden. Resumerend wordt op basis van de uitgevoerde quickscan natuurwaardenonderzoek Ommetje Beuningen geconcludeerd dat nader onderzoek of het aanvragen van een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet nodig is. Als gevolg van het gebruik van het wandelpad door wandelaars, neemt verstoring toe. Dit leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Nader onderzoek is niet nodig.
Conclusie Het aspect Ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.2
Bodem Het bodembeleid in Nederland heeft als doel te voorkomen dat als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging onaanvaardbare risico’s ontstaan voor de gebruikers van deze bodem. De Wet bodembescherming stelt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt daarbij als het ware de benodigde bodemkwaliteit. Toetsing erven Slinge en Haboer In de periode september-oktober 2018 is door Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd binnen de percelen van de twee nieuwe erven. Doel van dit onderzoek was om de milieuhygiënische kwaliteit van bodem op deze locaties te bepalen en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren, welke consequenties kunnen hebben voor de beoogde ontwikkelingen. De integrale rapportages van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (VBO) zijn voor de twee afzonderlijke nieuwe erven als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Het onderzoek heeft voor beide erven aangetoond dat zowel in de boven- als ondergrond geen relevante bodemparameters zijn aangetroffen in een significant verhoogd gehalte. Conclusie van het VBO is dan ook dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de bestemmingswijziging en de geplande herinrichting van de locaties. Conclusie Het aspect Bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.3
Water Het aspect Water betreft met name de waterhuishouding van het plangebied en omgeving. Het gaat dan met name op de wijze waarop waterstromen in een gebied verlopen. Daarbij kan het gaan om de kringloop van het water in de natuur of om het afwateringssysteem, bestaande uit sloten, kanalen, meren en dergelijke. Waterhuishouding omvat daarnaast ook de (technische) organisatie van het afvoeren van regen- en afvalwater alsmede de zuivering daarvan. Bij nieuwe
38
ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om aan te geven óf en in welke mate een ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied. Met name de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van waterbeheersing, zijnde ‘vasthouden – bergen – afvoeren’ (in die volgorde), zijn van belang. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken; ˗ Beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de kwaliteit van het water. Hierbij staat de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ centraal. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; ˗ Voorkomen van verspreiding van verontreinigingen. Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishouding van het begin af aan mee te nemen in de planvorming. Om dat te waarborgen is de Watertoets in het leven geroepen. Het doel van de watertoets is het bewerkstelligen van een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en ruimtelijke plannen. De watertoets is met name van toepassing bij bouwplannen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en een versnelde afvoer van (hemel)water het gevolg is.
Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem en wordt dit systeem meer belast. Om deze belastingtoename te reduceren hebben veel waterschappen vastgelegd dat er in dergelijke situaties compenserende voorzieningen moeten worden aangebracht. Deze plicht brengt met zich mee dat een versnelde (hemel)waterafvoer, als gevolg van een toename aan verharding, moet worden gecompenseerd. Dit dient dan te gebeuren door het aanbrengen van een vervangende voorziening, bijvoorbeeld in de vorm van nieuw te graven oppervlaktewater. De compensatiemaatregel is van toepassing bij een toename van verhard oppervlak vanaf een bepaalde drempelwaarde, door het Waterschap Vechtstromen gesteld op 1.500 m2. Toetsing erven Slinge en Haboer Relevante aspecten binnen deze waterparagraaf zijn met name de toename van het verhard oppervlak en de gewenste drooglegging van de woningen (afstand vloerpeil tot de hoogste grondwaterstand). Toename verhard oppervlak De toename van het verhard oppervlak is voor elk nieuw erf minder dan 1.500 m2 en blijft daarmee onder de drempelwaarde, zoals gesteld door het waterschap.
Concreet zijn voor de verschillende (deel)erven binnen Slinge en Haboer de volgende maatvoeringen van toepassing als het gaat om nieuw bebouwd oppervlak: ˗ Erve Slinge (oostelijk deelerf): bebouwd oppervlak 6 woningen en parkeerschuur bedraagt respectievelijk circa 228 + 228 + 55 m2 met een totaal bebouwd oppervlak van circa 511 m2. ˗ Erve Slinge (westelijk deelerf): bebouwd oppervlak 1 nieuwe woning bedraagt circa 242 m2. ˗ Erve Haboer (noordelijk deelerf): bebouwd oppervlak 2 woningen en parkeerschuur bedraagt respectievelijk circa 200 + 125 + 70 m2 met een totaal bebouwd oppervlak van circa 395 m2. ˗ Erve Haboer (zuidelijk deelerf): bebouwd oppervlak woning (Lemenschuur) en parkeerschuur bedraagt respectievelijk circa 140 + 55 m2 en is het totaal bebouwd oppervlak circa 195 m2. Bij elkaar opgeteld bedraagt het oppervlak van de nieuw te bouwen woningen op de erven Slinge en Haboer circa 1.343 m2. Daar waar sprake is van erfverharding rondom de woonpercelen betreft het voornamelijk halfverharding, goed waterdoorlatend derhalve. Aanleghoogte van de bebouwing Bodemonderzoek, uitgevoerd binnen erven Slinge en Haboer (Lycens 2018), heeft op Erve Slinge aangetoond dat de grondwaterstand zich daar bevindt op een diepte van 1,0 à 1,7 m-mv. Op Erve
39
Haboer is de grondwaterstand op een diepte van 1,3 à 1,5 m-mv waargenomen. De waargenomen grondwaterstanden kunnen worden toegerekend tot het eerste watervoerend pakket en daarmee worden beschouwd als hoogste grondwaterstanden. In het kader van de grondwaterzorgplicht houdt de gemeente voor de ontwatering van woningen, om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen, de volgende waarden aan: ˗ Woningen met kruipruimte en tenminste 1,00 meter onder vloerpeil: ontwateringsdiepte mhv – 0,80 meter. ˗ Woningen zonder kruipruimte en tenminste 0,50 meter onder vloerpeil: ontwateringsdiepte mhv – 0,30 meter. Voor de toekomstige woningen op de nieuwe erven Slinge en Haboer zijn in het kader van de grondwaterzorgplicht de volgende uitvoeringen van toepassing: ˗ Erve Haboer: Lemenschuur wordt woonhuis zonder kruipruimte. ˗ Erve Haboer: nieuwe woningen worden met kruipruimte gebouwd. ˗ Erve Slinge: nieuwe woningen worden met kruipruimte gebouwd. Op basis van de waargenomen grondwaterstanden binnen de planlocaties kan worden gesteld dat realisatie van de woningen, een en ander zoals beoogd, inpasbaar is binnen de gestelde waarden voor drooglegging.
Mocht de gewenste droogleggingswaarde eventueel niet realiseerbaar zijn, dan wordt het (plaatselijk) ophogen van (een deel van) het bouwvlak, voorafgaand aan de bouw van de beoogde woningen, gezien als een concrete en door de initiatiefnemer te realiseren optie. Waterafvoer Het ontwikkelplan voor de twee nieuwe erven voorziet in het opvangen en infiltreren van hemelwater op eigen erf. Het te borgen hemelwater bestaat in hoofdzaak uit de oppervlakte van de dakvlakken. Deze worden opgevangen middels grindstroken en drains. Daarnaast een klein deel klinkerbestrating. Het overgrote deel van de bestrating bestaat uit halfverharding en grasbetonblokken (parkeren). Ten aanzien van de afvoer van het vuilwater worden Erve Haboer en Erve Slinge beide voorzien van een nieuw drukriool. In afstemming met de gemeente zal worden bepaald waar een aansluiting op het omliggende vuilwaterriool wordt gemaakt. Conclusie Het aspect Water vormt in beginsel geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.4
Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorische waarden Met cultuurhistorische waarden wordt bedoeld het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee mede sturend geworden in de ruimtelijke ordening. In het kader van het aspect cultuurhistorie wordt zowel ingegaan op de zichtbare cultuurhistorische waarden als op het erfgoed onder de grond (archeologie). Toetsing erven Slinge en Haboer Het Landgoed Singraven kent als historische buitenplaats een hoge cultuurhistorische waarde. De status van historische buitenplaats gaat verder dan enkel de opstallen en kan een historische buitenplaats een deel vormen van een landgoed.
40
Historische buitenplaats: definitie volgens Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE) Een historische buitenplaats is aangelegd en kan zij kan een deel vormen van een landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buiten- of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met een of meer van de buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met een of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen en ornamenten. De samenstellende onderdelen, een ensemble vormend, van terreinen (met beplanting), lanen, waterpartijen en -lopen, gebouwen, bouwwerken en ornamenten zijn in opzet en ontwerp van tuin en park en het (utilitair) gebruik historisch en architectonisch met elkaar verbonden en vormen zo een onlosmakelijk geheel.
Figuur 5.3 vormt een overzicht van Landgoed Singraven als complex rijksbeschermde buitenplaats en geeft aan welk deel als buitenplaats is beschermd. Hieruit blijkt dat de twee nieuwe erven Haboer en Slinge geen deel uitmaken van het complex rijksbeschermde buitenplaats Singraven. Figuur 5.3: Begrenzing rijksbeschermde buitenplaats Singraven.
Erve Haboer Erve Slinge (Bron: RCE, dossier Groen erfgoed).
Uit historisch kaartmateriaal valt te herleiden dat op het zuidelijke deelperceel van Erve Haboer, op de locatie van de te herplaatsen schuur, officieel een vakwerkschuur, tot het begin van de 20e eeuw bebouwing aanwezig is geweest (bron: Lycens, oktober 2018). Vanaf 1906 is de betreffende bebouwing niet meer zichtbaar. Verondersteld wordt dat het hier gaat om een voormalig erf met de te herplaatsen schuur. Conclusie Ondanks dat de twee nieuwe erven zich niet bevinden binnen de grenzen van de rijksbeschermde buitenplaats Singraven, kan worden gesteld dat de cultuurhistorische waarden via het gevoerde proces van planvorming op passende wijze zijn geborgd in de ontwikkelplannen voor deze nieuwe erven. Het herbouwen van de vakwerkschuur (Lemenschuur) op Erve Haboer kan daarbij worden gezien als het terugbrengen van cultuurhistorische waarden binnen het Landgoed Singraven. Resumerend vormt het aspect Cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan en kan de herbouw van de Lemenschuur worden gezien als een meerwaarde binnen dit aspect. Archeologische waarden Op grond van het door Nederland ondertekende Verdrag van Valletta (1992) dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden.
In navolging van het Verdrag is het Nederlandse beleid inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed gericht op het zoveel mogelijk in de bodem bewaren
41
van archeologische waarden op de locatie zelf. Het Verdrag is in 2008 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem alsmede de inpassing ervan in ruimtelijke ontwikkelingen. De Wamz is erop gericht om bodemverstoringen pas te laten plaatsvinden nadat er archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden, er is vastgesteld of het om belangrijke archeologische sporen gaat en vervolgens is vastgesteld hoe met de verkregen archeologische informatie het beste kan worden omgegaan. Het Verdrag van Valletta geeft aan dat het belangrijk is dat in de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met het belang van de archeologie. In de Wamz is daarom vastgelegd dat gemeenten bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij vrijstellingen op bestaande plannen, aan moeten geven welke archeologische waarden er in de bodem zitten en hoe de gemeente daarmee denkt om te gaan. Toetsing erven Slinge en Haboer In bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2013) is aan de twee nieuwe erven de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend. Dit betekent dat de bestemming van deze gronden mede gericht is op het behoud en de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
Meer concreet dient voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning ‘Bouwen’ onderzoek te worden gedaan naar de mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het te bebouwen oppervlak. Deze verplichting geldt niet voor bouwplannen, waarbij het bestaand bebouwd oppervlak met niet meer dan 2.000 m2 wordt uitgebreid en de bouwactiviteiten niet op een grotere diepte dan 0,3 m worden uitgevoerd. Het nieuw te bebouwen oppervlak op de twee nieuwe erven, zoals eerder beschreven in paragraaf 5.3, bedraagt in totaal respectievelijk 753 m2 (Slinge) en 590 m2 (Haboer). Dit betekent dat er geen grootschalige bodemingrepen (groter dan 2.000 m2) worden gepleegd en is nader archeologisch onderzoek daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.5
Bedrijven en milieuzonering Ruimtelijke ordening is gericht op het creëren van zowel een aangenaam woon- en leefklimaat als een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven. Een goede ruimtelijke ordening voorkomt voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bedrijven. Daarnaast biedt het bedrijven voldoende zekerheid om hun activiteiten uit te kunnen voeren. Een en ander brengt met zich mee dat weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat over locaties voor milieubelastende functies enerzijds en milieugevoelige bestemmingen anderzijds. Milieuzonering legt een relatie tussen locaties met milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen. Met name gaat het daarbij om de vraag ‘Welke afstand is aanvaardbaar tussen (nieuwe) bedrijfsactiviteiten en (nieuwe) woningen?’ Woningen gelden daarbij als het meest toegepaste voorbeeld van milieugevoelige bestemmingen. Steeds meer vormen van bedrijvigheid lenen zich overigens prima voor functiemenging. Anders gezegd: bepaalde bedrijven zijn verenigbaar met woningen in hetzelfde gebied. De (Rijks)overheid hanteert in dit verband als uitgangspunt: ‘functiemenging waar het kan, functiescheiding waar het moet’. Vanuit deze achtergrond wordt in dit bestemmingsplan aangesloten bij de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009).
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden tussen woningen en bedrijven zijn in de VNG-brochure richtafstanden opgenomen (zie figuur 5.4). Hiermee wordt aangegeven welke afstanden acceptabel zijn tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie, die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
42
Figuur 5.4: Richtafstanden versus omgevingstypen (Bron: VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’).
De ligging van erven Slinge en Haboer in het buitengebied van de gemeente Losser brengt met zich mee dat agrarische bedrijfsvoering eveneens deel uitmaakt van dit omgevingsaspect. Vanuit dit type bedrijfsvoering dient ten opzichte van geurgevoelig objecten, zoals woningen, een afstand van ten minste 50 meter te worden aangehouden, indien het object is gelegen buiten de bebouwde kom. Toetsing erven Slinge en Haboer De twee nieuwe erven bevinden zich in een omgeving, die gekenmerkt wordt door agrarisch gebruik (Erve Haboer) en woonbestemmingen met de directe nabijheid van centrumgerelateerde functies (Erve Slinge). Nabij Erve Slinge bevindt zich op een afstand van circa 100 meter een katholieke kerk en op een afstand van circa 150 meter een restaurant. Figuur 5.5: Uitsnede vigerende bestemmingen.
Haboer
Slinge
De kerk behoort conform de VNG-brochure tot milieucategorie 2 en het restaurant tot categorie 1. Geconstateerd kan worden dat zich tussen kerk en restaurant reeds een woonbestemming aanwezig is. Hiermee is reeds een ‘maatgevende afstand’ ontstaan als het gaat om het mengen van gebiedsfuncties, waaronder woningen, in deze omgeving. Kerk en restaurant bevinden zich (ruim) buiten de van toepassing zijnde richtafstanden voor de beoogde woningen op erve Slinge. Overige nabijgelegen gronden met bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten bevinden zich ten (zuid)westen van de twee nieuwe erven, op circa 300 meter afstand van Erve Haboer en op circa 450 meter afstand van Erve Slinge. Conform het vigerende bestemmingsplan zijn op deze gronden bedrijven onder de categorieën 1 en 2, dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid toegestaan. Deze afstanden vallen ruim buiten richtafstanden uit de VNG-brochure. Aanvullend kan worden geconstateerd dat in de (ruime) omgeving van de twee nieuwe erven geen gebouwen met agrarische bedrijfsvoering aanwezig zijn, met name in gebruik