CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Vaststellen Buitengebied Schaapskooiweg 2 Overdinkel

Oordeelsvormende vergadering 9 april 2024, gemeente LosserBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Buitengebied Schaapskooiweg 2 Overdinkel31.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De uitbreiding van het aantal camperplaatsen en glampingtenten voorziet dan ook specifiek in de uitbreiding van het aantal

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

26

verblijfsplaatsen voor de 'rustig groene' en 'ingetogen aqua' recreant. De ontwikkeling levert een bijdrage aan de (verblijfs)recreatieve mogelijkheden in de gemeente Losser en de recreatieve potentie van het gebied. Het voornemen past derhalve binnen de uitgangspunten van de nota 'Verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018'. 3.3.3

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Losser heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Losser heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Dinkelland en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets

Figuur 3.10: Uitsnede cascokaart Schaapskooiweg 2 Overdinkel (bron: Atlas van Overijssel)

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

27

Aan de noordzijde van het plangebied zijn twee stroken groen aangeduidt, welke onderdeel uitmaken van de Casco. Dit zijn de bomenrijen langs de oprijlaan. De voorgenomen ontwikkeling tast deze kenmerken niet aan omdat de ruimtelijke en fysieke ingrepen geen betrekking hebben op gronden die onderdeel uitmaken van het casco.

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

28

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de uitbreiding van de (verblijfs)recreatieve mogelijkheden op het perceel van de Schaapskooiweg 2 mogelijk gemaakt. Er is sprake van een activiteit die op grond van onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is.

Het plan gaat namelijk over een activiteit benoemd in kolom 1 lijst D, namelijk de aanleg en uitbreiding van een permanent kampeerterrein. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet direct binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen (maar wel aansluitend) en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Echter, per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan. De aanmeldnotitie m.e.r.

is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden, is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

29

4.2

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Losser aan de Schaapskooiweg 2 in Overdinkel. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend agrarische functies aanwezig. Daarnaast liggen er verspreid in de omgeving enkele woonpercelen. Gesteld kan worden dat het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. Bij het realiseren van een nieuwe bestemming danwel nieuwe functie dient gekeken te worden of de nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

30

Een kampeerterrein behoort op grond van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering tot milieucategorie 3.1, waarvoor een grootste richtafstand geldt van 50 meter voor het aspect geluid. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De meest nabijgelegen woningen zijn gelegen aan de Welpeloweg 43 (ten zuidoosten van het plangebied) en de Invalsweg 9 (ten noordwesten van het plangebied). De afstand van de bestemming 'Recreatie - Kampeerterrein' tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de woningen bedraagt respectievelijk minimaal 130 meter en 200 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand die geldt. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de uitbreiding van de (verblijfs)recreatieve mogelijkheden van de schaapskooiweg 2 in Overdinkel mogelijk gemaakt. Recreatief nachtverblijf (verblijfsrecreatie) wordt als milieugevoelige functie aangemerkt.

De dichtstbijzijnde milieubelastende objecten zijn een autodealer/garagebedrijf ten westen van het plangebied aan de Hoofdstraat 24a te Overdinkel en het agrarische bedrijf aan de Welpeloweg 43 te Overdinkel. Een autodealer/garagebedrijf valt op grond van de VNG-uitgave onder 'handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven', waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter in verband met het aspect 'geluid'. De afstand van dit bedrijf tot het plangebied, gemeten van bestemmingsvlak tot perceelsgrens van de Schaapskooiweg 2, bedraagt 470 meter. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan de richtafstand die geldt. Het agrarisch bedrijf aan de Welpeloweg 43 betreft een intensieve veehouderij waar melkvee wordt gehouden, waarvoor het aspect 'geur' maatgevend is. In paragraaf 4.3 wordt nader op het aspect geur ingegaan en aangetoond dat het plan voldoet aan de geldende (afstands)normen. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Met de voorgenomen ontwikkeling worden de (verblijfs)recreatieve functies op het perceel uitgebreidt. De camperplaatsen op het perceel worden uitgebreid van 25 plaatsen naar 49 plaatsen en er worden 6 glampingtenten gerealiseerd. Daarnaast wordt de vergunning voor

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

31

de plattelandskamers planologisch vertaald in het bestemmingsplan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft invloed op gevoelige functies. De glampingtenten, welke met de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd worden, zijn vaste kampeermiddelen. Dit, gezien deze verbonden staan met de grond. Aan de glampingtenten zijn geen beperkingen gesteld aan de verblijfsduur, er kan het hele jaar gebruik worden gemaakt van deze verblijfsvoorziening. Uit jurisprudentie is gebleken dat tenten door deze kenmerken als geurgevoelig object aangewezen kunnen worden (uitspraak 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:422 en uitspraak 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2779). Campers zijn verplaatsbare verblijfsobjecten, welke alleen voor eigen gebruik geplaatst worden op de daarvoor aangewezen camperplaatsen. Campers zijn niet voor een vaste seizoensplaats aanwezig. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de aanwezigheid, en daarmee het gebruik, zodanig beperkt van duur is dat deze niet permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Reeds hierom heeft de rechtbank geoordeeld dat toercaravans (en daarmee campers) niet kunnen worden aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wgv (uitspraak van 26 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5607).

Gezien er met de voorgenomen ontwikkeling volgens de bovenstaande jurisprudentie zowel een geurgevoelig objecten als een niet-geurgevoelig objecten worden gerealiseerd, wordt het plan hieronder getoetst aan de afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied is gelegen in en rondom agrarische bestemmingen. In de directe omgeving van het plangebied zijn drie agrische bedrijven gelegen. Het betreft een gemengd veehouderijbedrijf aan de Welpeloweg 43 te Overdinkel waar melkvee, jongvee en varkens worden gehouden, een melkveehouderijbedrijf aan de Ruhenbergerweg 17 te Overdinkel, een een kalverhouderij aan de Ruhenbergerweg 21 (intensieve veehouderij) en een intensief vleeskalverenbedrijf aan de Invalsweg 9 te Overdinkel. Voor het houden van melkvee gelden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij vaste afstanden van 50 meter buiten de bebouwde kom. De afstand tussen het agrarisch bouwvlak van het bedrijf aan de Welpeloweg 43 en Ruhenbergerweg 17 betreft respectievelijk 68 meter en 96 meter waardoor ruimschoots aan deze afstand wordt voldaan. Echter, voor wat betreft de varkens bij het bedrijf Welpeloweg 43 gelden geen vaste afstanden maar geuremissienormen. De afstand van de glampingtenten tot aan het agrarisch bouwvlak bedraagt ten minste 118 meter. Gelet op deze afstand wordt verwacht dat de geurnormen niet worden overschreden.

Voor het agrarisch bedrijf aan de Ruhenbergerweg 21 te Overdinkel gelden geen vaste afstanden op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Op dit agrarisch bedrijf worden immers vleeskalveren tot 8 maanden en vleeskalveren tot 12 maanden worden gehouden waarvoor geuremissienormen zijn vastgesteld (A4 diercategorie vleeskalveren tot circa 8 maanden en A6 diercategorie overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie)). De afstand van het bouwvlak waarbinnen de dierenverblijven gebouwd mogen worden tot het plangebied Schaapskooiweg 2 (bestemming 'Recreatie - Kampeerterrein') bedraagt minimaal 640 meter. De afstand tot de geurgevoelige objecten (glampingtenten) waarvoor de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - glampingtenten' is opgenomen bedraagt 700 meter. Op basis van deze afstand wordt gesteld dat een verwachting van de overschrijding van de geurnormen niet aan de orde zal zijn waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf geldt dat deze niet worden beperkt door de uitbreiding van de recreatieve mogelijkheden op het perceel Schaapskooiweg 2 te Overdinkel. Immers, in de directe omgeving van het agrarisch bedrijf aan de Ruhenbergerweg 21 zijn meerdere woningen gelegen op een afstand van minder dan 400 meter.

Dat betekent voor de voorliggende ontwikkeling dat de bestaande woningen op een dusdanig korte afstand zijn gelegen dat zij maatgevend zijn voor de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf. Het plan legt geen extra beperkingen op de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf. Voor het agrarisch bedrijf aan de Invalsweg 9 te Overdinkel gelden eveneens geen vaste afstanden op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Voor vleeskalveren gelden vastgestelde geuremissienormen. De afstand van de glampingtenten tot aan het agrarisch bouwvlak van de Invalsweg 9 bedraagt 170 meter. Gelet op de onderlinge afstand wordt gesteld dat een overschrijding van de geurnormen niet te verwachten is. Voor de

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

32

uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf is de woning aan de Invalsweg 7 maatgevend. Immers, een omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op het geurgevoelig object toeneemt. Het aspect 'geur' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Als gevolg van de uitbreiding van het aantal camperplaatsen en de glampingtenten is door Kruse Milieu een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (projectcode 23045516, d.d. 21 juli 2023) op twee terreindelen met een omvang van circa 1.200 m2 en 3.800 m2.

Het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten beschreven. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 9 inspectiegaten gegraven en 13 boringen verricht. Er zijn 2 inspectiegaten en 3 boringen verdiept. Vervolgens zijn er 2 diepe boringen afgewerkt met een peilbuis (PB 11 en PB 20). Gebleken is dat de bodemopbouw ter plaatse van de bovengrond globaal uit zeer fijn, zwak siltig, zwak grindig zand met wortelresten bestaat. De bodemopbouw ter plaatse van de ondergrond bestaat globaal uit matig grof, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn ter plekke van de kuilvoerplaten bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van puin, keramiek en plastic. Ter plekke van het weiland zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen Door de veldwerker zijn, zowel ter plekke van de kuilvoerplaten als ter plekke van het weiland, visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de opgeboorde bodem. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld 1.52 m-mv.

Resultaten analyse Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Kuilvoerplaten op voormalig agrarisch erf: de bovengrond (BG - 01 en BG - 03) is niet verontreinigd; de bovengrond (BG - 02) is zeer licht verontreinigd met PCB; de ondergrond (OG - 01) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 11) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink; mengmonster MM FF - 01 bevat geen asbest; mengmonster MM FF - 02 bevat geen asbest. Weiland: de bovengrond (BG - 11) is zeer licht verontreinigd met PCB; de bovengrond (BG - 12) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG - 11) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 20) is licht verontreinigd met barium. Conclusie In de bovengrond (BG - 02 en BG - 11) en in het grondwater ( PB 11 en PB 20) zijn enkele (zeer) licht verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar paragraaf 4.3 en 4.4. In de overige mengmonsters van de boven- en ondergrond (BG - 01, BG - 03, BG - 12, OG - 01 en OG - 11) zijn geen

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

33

verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 02 is geen asbest aangetoond. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik ten behoeve van verblijfsrecreatie. Daarnaast wordt opgemerkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de kapschuur en voormalige stal in het kader van de omgevingsvergunningsprocedure ten behoeve plattelandskamers in maart 2021 zijn onderzocht (zie Bijlage 4). De conclusie daarvan was als volgt: In de bovengrond (BG I en BG III) zijn enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG II), de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB 1) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF - A en MM FF - B en het materiaalmonster dat is aangetroffen in MM FF - 01 is asbest aangetoond. Voor de inspectiegaten uit het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is het niet mogelijk om een asbestgehalte te berekenen.

Op basis van de indicatieve concentratieberekening wordt aangenomen dat de gewogen asbestgehalten lager zijn dan de toetsingswaarden voor een nader asbestonderzoek. Het aangetroffen asbestfragment in het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 betreft mogelijk een toevalstreffer en aangenomen wordt dat de bodem niet (sterk) verontreinigd is met asbest. De gewogen asbestgehalten in de druppelzones MM FF - A en MM FF - B zijn lager dan de interventiewaarde. De toplaag ter plekke van de voormalige druppelzones is niet (sterk) verontreinigd met asbest. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder kunnen onder andere vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen niet aangemerkt worden als geluidsgevoelig object, waardoor het plan voor de uitbreiding van het aantal camperplaatsen en glampingtenten geen betrekking heeft op de realisatie van een nieuw geluidgevoelig object.

Hoewel er geen nieuw geluidsgevoelig object wordt mogelijk gemaakt neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van een recreatieterrein sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (ABRS 1 mei 2019, no. 201801643/1/R1). Dit was ook aan

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

34

de orde in de uitspraak 201304510/1/R1 (ECLI:NL:RVS:2014:216. In deze uitspraak stelt de Afdeling ook voorop dat een recreatiewoning, hoewel het geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wet geluidhinder, aangemerkt kan worden als een object dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening tegen geluidhinder bescherming behoeft, nu hier regelmatig mensen zullen verblijven en waar blootstelling aan geluid kan leiden tot hinder. De Afdeling oordeelt dat de raad dan ook dient te beoordelen of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd bij de voorziene recreatiewoningen. De camperplaatsen en de glampingtenten zijn gelegen op een afstand van 240 meter van de Ruhenbergerweg waarvoor een maximumsnelheid geldt van 60 km per uur. De Ruhenbergerweg betreft een ontsluitingsweg die de aanliggende woon- en (agrarische) bedrijfspercelen ontsluit. Gelet op het karakter van de Ruhenbergerweg en de onderlinge afstand van de weg tot aan de recreatieve overnachtingsmogelijkheden wordt geconcludeerd dat een aanvaardbaar leefklimaat gegarandeerd kan worden. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De voorgenomen ontwikkeling maakt de uitbreiding van een kampeerterrein mogelijk. De camperplaatsen op het perceel worden uitgebreid van 25 plaatsen naar 49 plaatsen en er worden 6 glampingtenten gerealiseerd.

Daarnaast is middels een verleende omgevingsvergunning de verbouw van de kapschuur naar zes plattelandskamers toegestaan. Om te onderzoeken of het plan al dan niet in betekenende mate bijdraagt aan de

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

35

luchtverontreining wordt de verkeersgeneratie van alle recreatieve mogelijkheden op het perceel meegenomen bij de berekening (worst-case). De recreatieve mogelijkheden betreffen derhalve 49 camperplaatsen, 6 glampingtenten en 6 plattelandskamers. Zoals in paragraaf 4.11 is beschreven bedraagt de totale maximale verkeersgeneratie als gevolg van het plan 161 verkeersbewegingen per dag. Er zal voor het perceel geen tot weinig sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 1 procent gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven.

Figuur 4.2 : Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Daarnaast kan de uitbreiding van de recreatieve mogelijkheden niet worden aangemerkt als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.

In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations,

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

36

en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart, plangebied aangeduid met rode ster (bron: risicokaart.nl)

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

37

Toets Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de uitbreiding van de (verblijfs)recreatieve mogelijkheden op het perceel Schaapskooiweg 2 in Overdinkel vergroot naar 49 camerplaatsen en zes glampingtenten. Het kampeerterrein is derhalve bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen, waardoor de ontwikkeling een gevoelige bestemming is in het kader van externe veiligheid. Uit de inventarisatie blijkt dat de dichtstbijzijnde risicobron is gelegen ten noordwesten van het plangebied op ongeveer 1.800 meter en betreft een LPG-tankstation aan de Broekhoekweg 42 te Losser. Voor een LPG-tankstation geldt een invloedsgebied van 150 meter. Op basis van de afstand van het plangebied tot aan de dichtstbijzijnde risicobron geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8

Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn:

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

38

de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.

Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast.

Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watertoetsproces Op 13 juni 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 6 Watertoets. Uit de digitale watertoets is de normale procedure gekomen, waardoor er contact is gezocht met het waterschap Vechtstromen. Het waterschap heeft hierbij benoemd dat de uitbreiding van de camping klimaatneutraal uitgevoerd dient te worden en dat het hemelwater niet sneller dan de oude situatie mag worden afgevoerd. Daarnaast legt het waterschap de nadruk op een juiste verwerking van huishoudelijk afvalwater van de camping. Met de voorgenomen ontwikkkeling wordt er rekening gehouden met klimaatneutrale uitvoering. De verharding neem met de voorgenomen ontwikkeling toe in de vorm van toegangswegen en parkeerplaatsen. Echter blijft er in het plangebied, gezien de landelijke omgeving, voldoende groen aanwezig om het hemelwater op te vangen. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal kampeerplaatsen met 24 camper- en 6 glampingplaatsen toe. De camperplaatsen worden niet gekoppeld aan het riool.

Het afvalwater van de wel op het rioolaangesloten kampeermiddelen kan door het bestaande riool worden opgevangen. Daarnaast is in de huidige situatie op het kampeerterrein al een loosplek voor huishuidelijk afvalwater aanwezig. Het aspect 'water' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Overstromingsrisicoparagraaf Op basis van de Risicokaart is het plangebied voor een deel gelegen in 'blauw getint gebied'. De blauw getinte gebieden betreffen onbeschermde gebieden in bijvoorbeeld een beekdal.

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

39

Deze gebieden overstromen wanneer de waterstand in het nabijgelegen water sterk stijgt. Voorbeelden daarvan zijn hoge waterafvoer in rivieren en beken door extreme neerslag. Om de kans voor overstromingen in te schatten zijn in de risicokaart 'kansenkaarten' opgenomen. Overstromingen met een grote kans kunnen meer dan 1 keer in een mensenleven gebeuren. Overstromingen met een middelgrote kans kunnen waarschijnlijk hooguit 1 keer in een mensenleven gebeuren. Het plangebied is voor een deel aangeduid als 'middelgrote kans' en voor een deel als 'grote kans'. In figuur 4.4 en figuur 4.5 is de waterdiepte bij respectievelijk een grote kans en middelgrote kans op overstromingen weergegeven.

Figuur 4.4: Maximale waterdiepte 'grote kans' (bron: Atlas leefomgeving, 2021)

Figuur 4.5: Maximale waterdiepte 'middelgrote kans' (bron: Atlas leefomgeving, 2021) Bij een overstroming met een grote kans geldt dat de bestaande woning en de

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

40

kampeerplekken niet onder water staan. Een deel van de plattelandskamers krijgt te maken met een waterdiepte van circa 0,5 tot 1 meter. Bij een dergelijke waterdiepte geldt dat men nog bereikbaar is voor hulpdiensten (militaire voertuigen), auto's kunnen zelf niet meer rijden. Men wordt geadviseerd om tijdens overstromingen zichzelf in veiligheid te brengen. Aangezien de Schaapskooiweg hoger is gelegen is men relatief snel in veiligheid. Bij een overstroming met een middelgrote kans ontstaat een waterdiepte van minder dan 0,5 meter ter plaatse van de kampeerplekken waardoor mensen die hulp nodig hebben nog te voer bereikt kunnen worden. Bij de plattelandskamers loopt de waterdiepte op tot maximaal 1 meter diep. Voor de camperplekken geldt dat campers verrijdbaar zijn en bij een eventueel overstromingsrisico tijdig gewaarschuwd moet worden waardoor men in staat is om zichzelf vroegtijdig in veiligheid te brengen. Voor de glampingtenten geldt dat men eveneens gewaarschuwd moet worden zodat men tijdig kan vertrekken. Bij de middelgrote kans geldt de locaties bij de maximale waterdiepte te voet bereikbaar zijn. Bij de plattelandskamers wordt aan de achter- en zijkant een keerwand geplaatst die de plattelandskamers in het geval van een overstroming moet beschermen tegen instromend water.

Voorts geldt voor onderhavig plan dat er geen nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt binnen het overstroombaar gebied. Het plan voorziet in de uitbeiding van de (verblijfs)recreatieve mogelijkheden waarbij de bezoeker haar hoofdverblijf elders heeft. Er wordt daarmee niet voorzien in nieuwe stedelijke functies: functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen. Hoewel het plangebied in een overstromingsgebied is gelegen zijn de overstromingsrisico's en de daarmee gepaard gaande waterdiepte relatief laag. In het plangebied zijn voldoende vlucht- en evacuatiemogelijkheden indien een overstroming zich voordoet waardoor men snel in veiligheid is. De Schaapskooiweg (toegangsweg) en het naastgelegen perceel zijn immers op hogere gronden (essen) gelegen waar het overstromingsrisico nihil is.

4.9

Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming is door Natuurbank Overijssel ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning voor de plattelandskamers een quickscan natuurwaarden uitgevoerd om de wettelijke consequenties ten aanzien van beschermde natuurgebieden en flora en fauna te onderzoeken. Als gevolg van de omgevingsvergunning voor de plattelandskamers werden immers verbouwwerkzaamheden aan een kapschuur en een voormalige stal (waarin onder andere de receptie van en dagrecreatie plaatsvindt) uitgevoerd. De uitgevoerde quickscan natuurwaarden wordt in dit bestemmingsplan opgenomen, zie Bijlage 7. Toetsing Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd).

De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een 'goede ruimtelijke ordening' als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Het plangebied ligt buiten de gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. In onderstaande figuur 4.6 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

41

Figuur 4.6: ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Natuurbank Overijssel) De invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling is lokaal en heeft enkel betrekking op het voormalige agrarische bedrijfsperceel. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Natura 2000-gebied 'Dinkelland'.

Figuur 4.7: Ligging plangebied t.o.v. Natura-2000 gebied (bron: Atlas van Overijssel) De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

42

Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De kwalificerende soorten voor Natura 2000-gebied Dinkelland zijn allen vissen en die zijn gebonden aan aquatische systemen, zoals beken en stilstaande wateren. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een negatief effect op deze soorten. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Om te onderzoeken of het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden voor de aanlegfase (bouwen sloopfase) en de gebruiksfase. De AERIUS-berekening en rapportage zijn opgenomen als Bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten van de aanleg- en gebruiksfase weergegeven. Resultaten aanlegfase De totale NOx-emissie in de aanlegfase bedraagt in totaal 13,2 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,3 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Resultaten gebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase bedraagt in totaal 18,3 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij.

Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit zowel in de aanlegfase van de ontwikkeling als in de gebruiksfase niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase is er dan ook geen sprake van een meetbare depositie. Gelet op het vorenstaande wordt een nader onderzoek derhalve niet noodzakelijk geacht. De AERIUS Calculator 2022 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator 2022 zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming De gronden in het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan de enkelbestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf) en bestaat uit weiland en reeds bestaande camperplaatsen. De agrarische gronden zijn intensief onderhouden en gemaaid waardoor de terreingesteldheid van de gronden ongeschikt is voor beschermde flora en/of fauna.

Voor de reeds vergunde plattelandskamers en receptie op het perceel is in 2021 een quickscan natuurwaarden uitgevoerd om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in de desbetreffende bebouwing te onderzoeken. Het plangebied is op 12 maart 2021 onderzocht. Hieronder wordt het resultaat weergegeven. De inrichting van het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten amfibieën een vaste rust- of voortplantingsplaats en nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen en grondgebonden zoogdieren bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Indien de interne verbouwingen plaatsvinden en de opslag buiten verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust van een beschermd amfibie beschadigd en vernield. Voor de

bestemmingsplan Buitengebied, Schaapskooiweg 2 Overdinkel NL.IMRO.0168.bp008vzp22ph04-0401

43

beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `doden' en het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de beschermde diersoorten niet af. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Voor wat betreft het planologisch omzetten van de naastgelegen gronden van de Ruhenbergerbeek geldt dat dit geen negatieve gevolgen heeft. De gronden zijn immers reeds heringericht waardoor er geen fysieke ingrepen plaatsvinden.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Conform de Wet op de archeologische monumentenzorg, wordt gekoerst op de bescherming van archeologische waarden waarbij behoud 'in situ' (in de bodem) het streven. Ten behoeve van de bescherming wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande wet- en regelgeving, zoals het instrument bestemmingsplannen. Bij deze laatste ligging de mogelijkheden in het opnemen van een vergunningstelsel of een regime voor de beoordeling van vergunningen. Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied zijn de bekende archeologisch waardevolle terreinen door middel van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie aangegeven. De begrenzing van deze terreinen is overgenomen van de Archeologische Monumentenkaart (AMK), zoals vervaardigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De waardering van de terreinen is gebaseerd op de belevingswaarde, de fysieke kwaliteit en de inhoudelijke kwaliteiten van die terreinen, waarbij toetsing en beoordeling plaatsvinden op basis van schoonheid, herinneringswaarde, gaafheid, conservering, zeldzaamheid, informatiewaarde, ensemblewaarde en representativiteit.

Het bestemmingsplan voor het buitengebied bestaat uit gebieden met een hoge, middelhoge en lage trefkans op archeologische vondsten. In het vigerende bestemmingsplan is voor de gebieden met een hoge en middelhoge trefkans een regeling opgenomen in de vorm van een dubbelbestemming. Voor gebieden met een hoge trefkans geldt dat een omgevingsvergunning nodig is indien werkzaamheden dieper dan 30 cm (beneden maaiveld) plaatsvinden en de oppervlakte van de ontwikkeling meer dan 2.000 m2 bedraagt. Voor gebieden met een middelhoge trefkans gelden deze bepalingen bij een oppervlakte van 2.500 m2. Toets Het plangebied kent geen dubbelbestemming ten aanzien van het aspect archeologie waardoor er een zeer lage archeologische verwachting geldt. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering omdat de uit te voeren werkzaamheden ruim binnen de 2.500m² en 30cm diep blijven. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=6f7f9b34-b6bf-45dd-a4ba-f8b763c4da93