Bestemmingsplan Buitengebied Deppenbroekweg 1 Losser
Tekst van het document
Het maximaal geluidsniveau (LAmax) bedraagt op 30 meter uit de grens van de inrichting ten hoogste 65 dB(A) in de dagperiode en voldoet daarmee aan de richtwaarde van 65 dB(A). Hierbij dient de overgang tussen de nieuwe hallen en het buitenterrein glad te worden uitgevoerd. De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder bedraagt 41 dB(A) en voldoet daarmee aan de richtwaarde van 50 dB(A). Op basis hiervan kan worden gesteld dat Handelsonderneming Kienhuis met betrekking tot het aspectgeluid gelijkwaardig is aan een categorie 2 bedrijf. Het volledige onderzoek kan gevonden worden in Bijlage 4 Akoestisch onderzoek industrielawaai. Het dichtstbijzijnd gevoelig object, Deppenbroekweg 12A, bevindt zich op een afstand van ongeveer 42 meter (gemeten van bestemmingsvlak tot bedrijfswoning).
Figuur 12. Afstand tot dichtstbijzijnd gevoelig object (bron: ruimtelijkeplanne.nl).
31
Hiermee wordt wel aan de onderbouwde gewijzigde richtafstand van 30 meter voldaan. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object door realisatie van een kantoor in de vervangende nieuwbouw. Hiermee is het mogelijk dat omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. In de navolgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een groothandel in bouwmaterialen.
Een dergelijke inrichting veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ontwikkeling van een groothandel in hout en bouwmaterialen. Daarnaast vindt fouragehandel plaats, worden caravans gestald en worden hobbymatig paarden gehouden. Er is sprake van voormalige agrarische bebouwing die niet optimaal geschikt is voor een groothandel in hout- en bouwmaterialen. Om die reden is sprake van vervangende nieuwbouw in een zelfde oppervlakte als de bestaande legale bebouwing. Aan de Deppenbroekweg 12 bevindt zich een rundveehouderij. Dit bestemmingsplan maakt niet meer mogelijk dan nu reeds is toegestaan. Het bestemmingsplan zorgt er niet voor dat geurgevoelige objecten dichter bij Deppenbroekweg 12 mogelijk zijn dan nu reeds mogelijk is.
Daarbij is het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf gelegen op een afstand van ruim 130 meter (gemeten van het het emissiepunt van de stal tot de grens van het gevel van het bedrijfsgebouw aan de Deppenbroekweg 1). Daarmee wordt ruimschoots aan de vaste afstand van 50 meter voor geur voldaan en kan geconcludeerd worden dat de rundveehouderij geen nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat van het bedrijf van initiatiefnemer. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur worden geborgd. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur. 32
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx ).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.
In onderhavig geval is sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project. Dit betreft een worst-case situatie. In de praktijk vinden minder voertuigbewegingen plaats.
33
Tabel 1. Resultaten berekening NIBM-tool (bron: InfoMil). Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van luchtkwaliteit. Daarmee is een verdere toetsing aan het woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. 34
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een groothandel in hout en bouwmaterialen. Tevens is er sprake van een vergunde fouragehandel. De groothandel in hout en bouwmaterialen leidt mogelijk tot een toename van de geluidsbelasting aan de omgeving. Om te onderzoeken of ter plaatse van omliggende gevoelige objecten de geldende normen uit de Wgh worden overschreden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat: Toetsing gelijkwaardigheid categorie 2 bedrijf Volgens paragraaf B5.2 van de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering” dient de geluidsbelasting van Handelsonderneming Kienhuis te worden getoetst op een afstand die overeenkomt met de richtafstand van de maximaal toelaatbare milieucategorie. In deze situatie is maximaal milieucategorie 2 toelaatbaar en is getoetst op een richtafstand van 30 meter. De resultaten zijn onderstaand weergegeven. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt op 30 meter uit de grens van de inrichting ten hoogste 43 dB(A) in de dagperiode en voldoet daarmee aan de richtwaarde van 45 dB(A). Het maximaal geluidsniveau (LAmax) bedraagt op 30 meter uit de grens van de inrichting ten hoogste 65 dB(A) in de dagperiode en voldoet daarmee aan de richtwaarde van 65 dB(A). Hierbij dient de overgang tussen de nieuwe hallen en het buitenterrein glad te worden uitgevoerd. De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder bedraagt 41 dB(A) en voldoet daarmee aan de richtwaarde van 50 dB(A). Toetsing Activiteitenbesluit Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning van derden bedraagt 38 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan het geluidsvoorschrift volgens het Activiteitenbesluit van 50 dB(A) in de dagperiode.
Het maximaal geluidsniveau (LAmax) ter plaatse van de maatgevende woning bedraagt 58 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan het geluidsvoorschrift volgens het Activiteitenbesluit van 70 dB(A) in de dagperiode. Hoewel de geluidvoorschriften met betrekking tot de maximale geluidsniveaus in de dagperiode niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten, kunnen de optredende maximale geluidsniveaus ten gevolge van de laad- en losactiviteiten wel aan de geluidsvoorschriften voldoen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid worden geborgd. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien 35
van het aspect geluid.
4.1.5 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
4.1.5.1 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geldt voor bedrijven en inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en waarvoor een risicocontour is vastgelegd. Voor dergelijke inrichtingen en bedrijven geldt een verantwoordingsplicht wanneer binnen de risicocontour van die inrichting of dat bedrijf een ruimtelijk besluit genomen wordt. De risicovolle inrichtingen en bedrijven zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
36
Figuur 13. Uitsnede Risicokaart (bron: Atlas van de Leefomgeving). Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving. Nabij de locatie zijn, zoals te zien in de voorgaande figuur, geen risicovolle inrichtingen gelegen. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen. 4.1.5.2 Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen) Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. Het externe veiligheidsbeleid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid voor externe veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
Nabij de locatie zijn geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen. 4.1.5.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
37
4.1.6 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De locatie heeft echter al een woonbestemming die gewijzigd gaat worden naar een Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven of waarbij sprake is van een gevoelige bestemming. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake meer van een inrichting met een gevoelige bestemming. Hiermee is de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
4.1.7 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.7.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het wijzigen van de woonbestemming naar een bedrijfsbestemming. Er is in de bestaande situatie reeds sprake van voormalige agrarische bebouwing waar een andere functie aan wordt toegekend. Ook is binnen de gehele woonbestemming al bedrijvigheid in de vorm van een fouragehandel toegestaan. Ter plaatsen worden de bestaande bouwwerken binnen en buiten het bouwvlak afgebroken en worden binnen het bouwvlak twee nieuwe bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is voor een groothandel in bouwmaterialen geen drempelwaarde opgenomen. Bovendien is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waardoor geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. 38
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Dinkelland) is gelegen op een afstand van ongeveer 700 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
Figuur 14. Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden (bron: AERIUS calculator). 39
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit dit stikstofdepositieonderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet zal leiden tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Het volledige stikstofdepositieonderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Naast de depositie van stikstof kunnen activiteiten die leiden tot een uitstraling van licht, geluid en/of trillingen eveneens nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die structureel een grote uitstraling van licht, geluid en/of trillingen tot gevolg hebben. Mogelijk is tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase sprake van de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Echter zullen deze effecten, gezien de grote afstand tot de betreffende gebieden, in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden.
Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde.
De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor een aantal soorten die in de omgeving en mogelijk in het plangebied voorkomen zoals haas, konijn, vos, gewone pad en een aantal muizen geldt provinciale vrijstelling voor aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen. Door de aanwezigheid van geschikte nestplaatsen voor huismus en de aanwezigheid van huismus op het erf, kan de aanwezigheid van nesten niet worden uitgesloten. Door het aangetroffen nest van boerenzwaluw of huiszwaluw kan de aanwezigheid van deze nestplaatsen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar huismus, boerenzwaluw en huiszwaluw is noodzakelijk om het gebruik van het plangebied in kaart te brengen. Op basis van het veldbezoek, de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de overige in de omgeving voorkomende soorten zijn van (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde soorten, vaste rust- en verblijfplaatsen uit te sluiten. 40
Nader onderzoek naar deze soorten is daarom ook niet nodig. Wel geldt ten alle tijden de zorgplicht voor de aanwezige flora en fauna (bijlage 1). Daarnaast moeten werkzaamheden waarbij veel geluid en trilling vrijkomt buiten het broedseizoen worden uitgevoerd om het verstoren van actieve nesten van vogels in nabijgelegen bomen, struiken en akkers te voorkomen. Nader onderzoek naar nesten van huismus (Vogelrichtlijn): Onderzoek vindt plaats door in de periode vanaf april tot half mei tweemaal onderzoek te doen conform het Kennisdocument van de huismus (BIJ12, 2023b). Nader onderzoek naar nesten van boeren- en huiszwaluw (Vogelrichtlijn): Onderzoek vindt plaats door in de periode 10 mei t/m 20 juni een onderzoeksronde te doen waarbij wordt gelet op de aanwezigheid van paartjes en verse nesten (SOVON telrichtlijn, 2023). Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. Conclusies en nader ecologisch onderzoek 2024 Huismus Tijdens de onderzoeksrondes naar huismus zijn 15 tot 30 huismussen binnen het plangebied waargenomen. In totaal zijn er veertien verschillende nestplaatsen van huismus vastgesteld: Eén nest in loods 1; Eén nest in loods 2; Vier nesten in loods 4; Zes nesten in de woning; Eén nest in de houtopslag. In loods 3 zijn geen nesten van huismus aangetroffen.
De aanwezige huismussen gebruiken de hagen aan de voorzijde van het plangebied tegen de Deppenbroekweg aan als foerageergebied en als kwetterplek. De hagen hebben een belangrijke functie voor het leefgebied van de huismus. De hagen zijn essentieel foerageergebied vanwege de beperkte alternatieve foerageerplekken in de omgeving. Boerenzwaluw en huiszwaluw Tijdens het onderzoek naar boerenzwaluw en huiszwaluw is een populatie van circa zes boerenzwaluwen waargenomen. Er zijn drie actieve nestplaatsen van boerenzwaluw aangetroffen met op minimaal één van de nesten juvenielen. Er zijn geen huiszwaluwen waargenomen tijdens het onderzoek. De beoogde ingrepen hebben een aantastend effect op de populatie huismus en boerenzwaluw. Voor de beoogde ingrepen aan de Deppenbroekweg 1 te Losser is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig voor: het aantasten van veertien nestplaatsen van huismus en mogelijk essentieel foerageergebied; het aantasten van drie nestplaatsen van boerenzwaluw. De omgevingsvergunning zal voor de sloop van de gebouwen worden aangevraagd. De conclusies staan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg omdat er enkel sprake is van het wijzigen van het gebruik van de locatie. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting.
41
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 990 meter.
Figuur 15. Uitsnede kaart NNN (bron: Atlas van de Leefomgeving). De locatie is niet binnen 250 meter van een NNN gebied gelegen. Gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen ontwikkelingen in een NNN gebied en/of binnen 250 meter van een NNN gebied plaatsvinden zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
42
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De gemeente Losser heeft de archeologische verwachtingen vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. De locatie is gelegen in een gebied zonder dubbelbestemming archeologie. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Lage indicatieve verwachting'.
Figuur 16. Uitsnede archeologische verwachtingskaart (bron: Gemeente Losser). Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
43
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Figuur 17. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Overijssel). Gezien de locatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Deppenbroekweg. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee is geen 44
sprake van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van groothandel in hout- bouwmaterialen en fouragehandel. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Groothandel in hout- en bouwmaterialen Op een representatieve dag komen er 30 klanten met personenauto’s en bestelauto’s met of zonder aanhanger bij de inrichting. In dit onderzoek is er van uitgegaan dat hiervan 50% een bestelauto betreft. Tevens komen er 5 personeelsleden met personenauto’s en 5 overige bestelauto’s (pakketdiensten etc.) bij de inrichting. Op basis van het voorgaande komen er 20 personenauto’s en 20 bestelauto’s bij de inrichting. Dit zijn 80 verkeersbewegingen per dag. Op een representatieve dag komt er één vrachtwagen bouwmaterialen aanvoeren. Dit zijn 2 verkeersbewegingen per dag. Dit betekent totaal 82 verkeersbewegingen per dag Fouragehandel Per dag vertrekt er 1 vrachtwagen voor de fouragehandel. Dit betekent 2 verkeersbewegingen. Totaal 84 verkeersbewegingen per dag. Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het Waterschap Vechtstromen (hierna: het waterschap). De digitale watertoets is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting.
45
4.5.1 Voorgenomen activiteit De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het wijzigen van de woonbestemming naar een bedrijfsbestemming. Er is in de bestaande situatie reeds sprake van voormalige agrarische bebouwing waar een andere functie aan wordt toegekend. Ter plaatsen worden de bestaande bouwwerken binnen en buiten het bouwvlak afgebroken en worden binnen het bouwvlak twee nieuwe bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Het verhard oppervlakte zal hierdoor gelijkt blijven. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast.
Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. 4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.
46
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Losser. Hiermee wordt het project financieel haalbaar geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Losser en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen en/of op de gemeentelijke website. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 december 2023 t/m 24 januari 2024 ter inzage gelegen. Hierop zijn geen zienswijzen ingediend.
47
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Doel en reikwijdte
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.
het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
6.2
Onderdelen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 48
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 49
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
6.3
Voorliggend bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming: 'Bedrijf', waarbij de functie fouragehandel, hobbypaarden en een groothandel in bouwmaterialen worden neergelegd. Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro). Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
50
Bijlagen bij de toelichting
51
Bijlage 1
Situatietekening bestaande situatie
52
bestaande situatie 1:500
J A
I
A
A
A
H
A
G F
B
C E K D A
legenda A Stellingen B Houtbewerkingsruimte C Opslag (bedrijfsgebouw) ca. 209[m2]
D Mestplaat ca. 119 [m2] E Bedrijfsgebouw ca. 723[m2] F Bedrijfsgebouw ca. 669[m2]
G Schuur t.b.v. woning ca. 99[m2] J Stal ca. 27[m2] H Overkapping t.b.v. woning ca. 46[m2] I Woning ca. 101[m2]
= te verwijderen
Bijlage 2
Situatietekening gewenste situatie
54
nieuwe situatie 1:500
P P I P P P
H G F 0 2000 0 1700
E D
J
0 4700
7000
0 2000
A C
00
00
0 4045
30
15 5
75 00
B
legenda A Houthandel en bouwmaterialen ca. 209[m2] D Houthandel en bouwmaterialen ca. 627[m2] E Schuur t.b.v. woning ca. 99[m2] B Mestplaat ca. 119 [m2] (verplaatst) C Bouwmaterialen, hout- en fouragehandel ca. 809[m2] F Overkapping t.b.v. woning ca. 46[m2]
G Woning ca. 101[m2] H Stal ca. 27[m2] I Parkeerplaatsen 2,5x5[m]
J
= laden en lossen
Bijlage 3
Landschappelijk inrichtingsplan
56
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek industrielawaai
58
Rapport: 20232094 Akoestisch onderzoek Handelsonderneming Kienhuis B.V. Deppenbroekweg 1 Lossen Datum: 21 september 2023
Opdrachtgever: Handelsonderneming Kienhuis B.V. Deppenbroekweg 1 7582 RD Losser Contactpersoon : dhr. D. Temberge
Uitgevoerd door: Ingenieursbureau Spreen Annerweg 34d 9471KV Zuidlaren t: 050 4090290 e: info@bureauspreen.nl Contactpersoon : Ing. W. Spreen
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt doormiddel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
INHOUDSOPGAVE
1 1.1 1.2
INLEIDING................................................................................................................................... 3 Aanleiding en doelstelling............................................................................................................ 3 Situatie......................................................................................................................................... 3
2 2.1 2.2 2.3 2.4
WETTELIJK KADER ................................................................................................................... 4 Gelijkwaardigheid categorie 2 bedrijven...................................................................................... 4 Geluidsvoorschriften Activiteitenbesluit....................................................................................... 5 Indirecte hinder ............................................................................................................................ 5 Beoordeling.................................................................................................................................. 6
3 3.1 3.2
BEDRIJFSSITUATIE ................................................................................................................... 6 Algemeen..................................................................................................................................... 6 Representatieve bedrijfssituatie .................................................................................................. 6
4 4.1 4.2
GEHANTEERDE UITGANGSPUNTEN ...................................................................................... 7 Rekenmodel................................................................................................................................. 7 Gehanteerde geluidsvermogenniveaus....................................................................................... 7
5 5.1 5.2 5.3 5.4
BEREKENING GELUIDSBELASTING ........................................................................................ 9 Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ................................................................................... 9 Maximale geluidsniveaus ............................................................................................................ 9 Indirecte hinder .......................................................................................................................... 10 Beste beschikbare technieken................................................................................................... 10
6
RESUME ................................................................................................................................... 11
Figuren: 1. situatie met beoordelingspunten 2. objecten 3. geluidsbronnen 4. geluidsbronnen maximale geluidsniveaus 5. langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus 6. geluidsbronnen indirecte hinder 7. geluidsbelasting indirecte hinder
Bijlagen: 1. beoordelingspunten 2. objecten 3. geluidsbronnen 4. geluidsbronnen maximale geluidsniveaus 5. langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus 6. maximale geluidsniveaus 7. geluidsbronnen indirecte hinder
2
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doelstelling
Handelsonderneming Kienhuis B.V. exploiteert ter plaatse een groothandel in hout en bouwmaterialen. Daarnaast vindt fouragehandel plaats. De locatie is in 1987 aangekocht als agrarisch bedrijf met een agrarische bestemming waarna is gestart met een fouragehandel en een handel in 2e-hands hout. De locatie heeft nadien bij een algehele herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming ‘Wonen’ met aanduiding ‘agrarisch hulpbedrijf’ gekregen. Bij de laatste herziening van het bestemmingsplan Buitengebied in 2013 is vervolgens de bestemming ‘Wonen’ met aanduiding ‘fouragehandel toegestaan’ toegekend. De handel in 2e-hands hout is in de loop der jaren overgegaan in een groothandel in hout- en bouwmaterialen. De fouragehandel is ook nog aanwezig op het perceel. Het voornemen is de bestaande situatie te legaliseren waarin de bedrijfsbestemming wordt toegekend aan de locatie. Met dit bestemmingsplan wordt de groothandel in hout- en bouwmaterialen en de fouragehandel geregeld. Uitsluitend de bestaande legale bebouwing zal worden gebruikt voor deze bedrijvigheid. De overige bebouwing op het perceel zal worden verwijderd. Een deel van de bestaande gebouwen zal worden gesloopt en worden herbouwd.
Dit geluidsonderzoek dient om te onderbouwen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor het onderdeel geluid en dat het bedrijf van Kienhuis vergelijkbaar is met een categorie 2 bedrijf. De inrichting valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit onderzoek zijn de geluidsbelastingen tevens getoetst aan de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit.
1.2
Situatie
De huidige inrichting is gesitueerd aan de Deppenbroekweg 1 te Losser. In afbeelding 1.1 is de situatie weergegeven. De dichtstbijzijnde woning van derden is aan de noordzijde op een afstand van circa 93 meter van de bedrijfshallen gelegen. Afbeelding 1.1: huidige situatie
3
Op het terrein worden drie nieuwe hallen gerealiseerd. Momenteel worden ook op het buitenterrein bouwmaterialen opgeslagen. In de toekomstige situatie zullen alle bouwmaterialen binnen worden opgeslagen. In dit onderzoek is het uitgangspunt gehanteerd dat er geen opslag op het buitenterrein plaats zal vinden. In afbeelding 1.2 is de toekomstige indeling van het terrein met drie nieuwe bedrijfshallen (H) weergegeven. Afbeelding 1.2: toekomstige situatie