2022-37 Raadsinformatiebrief Nationaal Programma Landelijk Gebied-Stikstof.pdf - bijlage 4.pdf
Tekst van het document
Directoraat-generaal Agro
maatregel om besmettingen te voorkomen. Belangrijke punten die we in de EU adresseren zijn de effectiviteit van preventieve vaccinatie om de dreiging het hoofd te bieden en het voorkomen van handelsbelemmeringen tussen lidstaten en met derde landen. Ik blijf me zowel nationaal als internationaal waar mogelijk inzetten voor een goede acceptatie van producten van gevaccineerde dieren. Daarbij zal ik blijven uitdragen dat producten van gevaccineerde dieren net zo veilig zijn als van niet-gevaccineerde dieren.
Ons kenmerk DGA / 22247429
2.2 Duurzaam economisch perspectief voor de landbouw op gebiedsniveau De gebiedsgerichte aanpak is cruciaal om te komen tot de noodzakelijke transitie van de landbouw, omdat rekening gehouden kan worden met de opgaven en omstandigheden die passen bij de gebiedsomstandigheden. Leidend voor de gebiedsgerichte aanpak zijn de op voorhand gestelde kaders, die deze aanpak dus niet vrijblijvend maken. Een succesvolle gebiedsgerichte samenwerking kenmerkt zich vervolgens door een bottom-up proces. Met mijn collega de minister voor Natuur en Stikstof heb ik afgesproken dat het toekomstperspectief voor de landbouw volwaardig wordt meegenomen in de gebiedsgerichte aanpak en dat gebiedsprocessen als geslaagd kunnen worden gezien als de agrariërs die blijven, een langjarig economisch perspectief hebben. Naast stimulerende en faciliterende instrumenten is bij de gebiedsgerichte aanpak in de gebieden met de grootste opgaven ook ruimtelijke differentiatie in regelgeving nodig als resultante van het proces om het doelbereik te vergroten. Daarvoor is het van belang dat het Rijk duidelijk is over de kaders, wetten en regels en er gezamenlijk met de provincies, ketenpartijen en de gebiedspartners een toekomstvisie komt over de sleutelrol van de landbouw in het gebied, als onderdeel van het gebiedsproces.
Hierbij denk ik aan de bijdrage aan de regionale economie en leefbaarheid, de productie van voedsel, grondstoffen en hernieuwbare energie, natuur- en landschapsbeheer en andere ecosysteemdiensten, recreatie en zorg. De ontwikkelmogelijkheden moeten passen binnen de opgaven voor het gebied maar ook voldoende zekerheid bieden voor het verdienvermogen, de bedrijfseconomische continuïteit en financierbaarheid van investeringen na het uitvoeren van de gebiedsplannen. Om dit te borgen heb ik met de minister voor Natuur en Stikstof afgesproken om in het NPLG op te nemen dat een sociaaleconomische impactanalyse voor de landbouw onderdeel van het gebiedsplan moet zijn. Hieruit moet blijken hoe rendabel het perspectief is voor de blijvers (in verschillende deelsectoren). Voor deze impactanalyse zal in overleg met de provincies, sectorpartijen en kennisinstituten een kader en aanpak worden opgesteld.
Zoals door de minister voor Natuur en Stikstof aangekondigd in de Hoofdlijnenbrief, is het belangrijk dat de provincies de gebiedsprocessen zorgvuldig inrichten en borgen, zodat de te zetten stappen voorspelbaar zijn en alle te betrekken gebiedspartijen, waaronder agrarische ondernemers en ketenpartijen, een volwaardige positie in deze processen hebben. Naar aanleiding van de motie Boswijk17 zal de minister voor Natuur en Stikstof u later dit jaar informeren op welke concrete wijze de positie van de boer in de gebiedsprocessen 17
Kamerstuk 35 925, XIV, nr. 105 Pagina 19 van 49
Directoraat-generaal Agro
geborgd wordt, zodat zij zowel praktisch als met gebruikmaking van de juiste ondersteuning kunnen deelnemen aan de gebiedsprocessen. Hierbij kan overigens ook goed de kennis, expertise en ervaringen van de agrarische collectieven worden benut. Ik doe een dringend beroep op agrarische ondernemers om actief en constructief deel te nemen aan de gebiedsprocessen, want daarmee is het perspectief van de landbouw als geheel en dat van de individuele bedrijven het beste gediend.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Verder is het voor ondernemers cruciaal dat het Rijk vooraf duidelijkheid verschaft over de te behalen (kwantitatieve) doelen. Als bijlage bij de startnotitie NPLG heeft de minister voor Natuur en Stikstof voor de stikstofopgave een richtinggevend doel weergegeven per gebied, evenals een totaaldoel per provincie. In samenhang met de stikstofopgave wordt in het najaar van 2022 (presentatie hoofdlijnen NPLG) de regionale doorvertaling van de aanvullende doelen weergegeven. Dat geldt ook voor de uitwerking van de keuzes die moeten worden gemaakt voor onder meer gebruik van bodem en water. Uiterlijk op 1 juli 2023 zijn de brede gebiedsprogramma’s voor alle provincies en inliggende gebieden gereed. Op dat moment zullen ook de doelen definitief worden vastgesteld. Aan het einde van dat gebiedsproces moeten alle activiteiten, die zijn opgenomen in een getoetst en goedgekeurd gebiedsplan en die vergunningplichtig zijn, ook een passende vergunning krijgen. Op deze wijze borgen het Rijk en de provincies dat het perspectief van de agrarische sector onderdeel is van de gebiedsgerichte aanpak. Dat betekent ook dat het kabinet blijft zoeken naar mogelijkheden om PAS-melders zo snel mogelijk te legaliseren, in ieder geval binnen de daarvoor gestelde termijnen.
De minister voor Natuur en Stikstof zal, zoals aangekondigd in de Hoofdlijnenbrief, nog voor de zomer uw Kamer informeren over de stappen die gezet worden om meer zekerheid en duidelijkheid te bieden bij de bestaande instrumenten van toestemmingverlening. Daarbij is het de inzet om het beleid en instrumentarium van toestemmingverlening aan te scherpen en te verduidelijken. Bij de verkenning van de verschillende mogelijkheden moeten de leidende principes over zekere inzet van ruimte, het voorkomen van feitelijke depositiestijging bij salderen en bijdrage aan controleerbaarheid zijn geborgd. Deze kaders zijn uitgebreider uiteengezet in de Hoofdlijnenbrief. De minister voor Natuur en Stikstof heeft de provincies gevraagd in hun gebiedsplannen in bredere zin in beeld te brengen hoe de verschillende opgaven en beoogde maatregelen zich verhouden tot de gewenste ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen in de gebieden. Conform de motie-Eppink18 is Wageningen Research gevraagd te onderzoeken wat er bekend is over (het behoud van) leefbaarheid in het landelijk gebied, de rol van de publieke voorzieningen daarin en welke rol de overheid hierin kan spelen. Het resultaat van dit onderzoek kan dienen als inspiratie voor de gebiedsplannen en ander beleid in het landelijk gebied.
Daar waar de Rijksoverheid wetten maakt, zullen deze worden getoetst op praktische uitvoerbaarheid in de land- en tuinbouw via een agrarische praktijktoets, conform de motie Boswijk c.s.19
18 19
Kamerstuk 35 925, XIV, nr. 72 Kamerstuk 35 398, nr. 21 Pagina 20 van 49
Directoraat-generaal Agro
2.3 Financiële ondersteuning door de overheid Het kabinet stelt tot en met 2035 ruim € 24 miljard beschikbaar in een Transitiefonds voor het realiseren van de doelstellingen op het vlak van natuur, stikstof, water en klimaat en de daarvoor benodigde transitie in de landbouw en het landelijk gebied. De minister voor Natuur en Stikstof is fondsbeheerder. Het fonds voorziet in middelen voor instrumenten voor blijvende agrariërs om zich economisch en ecologisch duurzaam aan te passen aan de eisen en omstandigheden die voortvloeien uit het gebiedsproces. De verduurzaming van de landbouw naar kringlooplandbouw is immers een randvoorwaarde voor het succesvol behalen van de opgaven. Het gaat dan bijvoorbeeld over innovatieve stalsystemen en het versterken van ondernemerschap en innovatie. Voor blijvers zijn ook de middelen voor financiële afwaardering van grond van groot belang. Het fonds voorziet ook in financiële middelen waarmee stoppen van agrarische ondernemingen op een verantwoorde manier wordt mogelijk gemaakt.
Op dit moment wordt er gewerkt aan het afwegingskader en de vereisten voor toekenning van middelen uit het fonds, waarbij zal worden gekeken naar een goede balans tussen landelijke en gebiedsspecifieke maatregelen en waarbij wordt getoetst of er voldoende sprake is van een integraal beleidspakket dat op een doelmatige manier bijdraagt aan het realiseren van de kabinetsdoelstellingen op het vlak van natuur, stikstof, water en klimaat en de daarvoor benodigde transitie in de landbouw en het landelijk gebied. Dit ten behoeve van het, vooruitlopend op de instellingswet, in gang zetten van de in deze brief genoemde maatregelen en de daarvoor benodigde middelen.
Ons kenmerk DGA / 22247429
De doelstellingen van het kabinet worden nader uitgewerkt in de instellingswet voor het begrotingsfonds. Het streven is dat de minister voor Natuur en Stikstof en de minister van Financiën het wetsvoorstel voor de instellingswet voor dit begrotingsfonds nog dit kalenderjaar aan uw Kamer presenteren. Het Transitiefonds werkt aanvullend op de reguliere inzet van de middelen en de instrumenten van het nieuwe GLB (2023-2027) die doelgericht en ook gebiedsgericht worden ingezet op het ondersteunen van agrariërs die actief bijdragen aan de gewenste transitie in de landbouw. 2.4 Internationale context We moeten ons realiseren dat de transitie naar kringlooplandbouw plaatsvindt binnen de context van de Europese en mondiale markt, waar de concurrentie scherp is en waar de bereidheid om te betalen voor verduurzaming begrensd is. Maar ook deze internationale omgeving is volop in beweging: er is een mondiale transitie van het voedselsysteem nodig voor het klimaat, voor behoud en herstel van biodiversiteit en om de wereld te helpen zichzelf te voeden. Het verdienvermogen en de bedrijfseconomische continuïteit van de Nederlandse land- en tuinbouw op internationale markten kan onder druk komen staan. Het is daarom van belang om het verdienvermogen van de Nederlandse land- en tuinbouw op internationale markten te versterken.
Dit kan door voort te bouwen op de al in gang gezette inzet op export van kwalitatief hoogwaardige, duurzame producten in plaats van focus op grote volumes. Export en import zijn een middel en geen doel op zich. Tegelijkertijd bieden buitenlandse markten een uitgelezen kans voor het agro-bedrijfsleven om een concrete bijdrage te leveren aan de mondiale transitie, met hoogwaardige producten én met kennis en kunde. Pagina 21 van 49
Directoraat-generaal Agro
Duurzaamheid mag zich niet uit de markt prijzen, maar moet zich juist ín de markt prijzen. Nederland zal zich in WTO-verband daarom blijven richten op het door handel bevorderen van milieu- en biodiversiteitsdoelstellingen en in de relevante multilaterale fora waarin we actief zijn, maakt Nederland zich hard voor het verankeren van hoge normen op het gebied van klimaat, biodiversiteit, dierenwelzijn, plantgezondheid, bescherming van consumenten en eerlijke handel in voedingsmiddelen.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Bij het onderhandelen over handelsverdragen tussen de EU en derde landen zet Nederland in op zo hoog mogelijke standaarden met betrekking tot verduurzaming en dierenwelzijn. Dit omdat de Nederlandse agrariër extra duurzaamheidsinspanningen moet verrichten, en hun producten in sommige gevallen moeten concurreren met geïmporteerde producten van producenten die niet altijd aan dergelijke hoge milieu-, arbeid- of dierenwelzijnsregels hoeven te voldoen Overigens hebben veel Nederlandse ondernemers ook baat bij handelsverdragen, aangezien daarmee markttoegang wordt verkregen in landen die veel importbarrières hebben en importtarieven omlaag gaan, ook voor duurzame producten uit Nederland.
3. Ontwikkelrichtingen voor de agrarische ondernemers Agrarische ondernemers willen hun bedrijf toekomstbestendig ontwikkelen. Niet alleen voor hun eigen toekomst en die van hun kinderen, maar ook voor de dieren op hun bedrijf en de leefomgeving waar het bedrijf van afhankelijk is en invloed op heeft. De omslag naar kringlooplandbouw vraagt wat van alle agrarische ondernemers en het vraagt van ketenpartijen dat zij de omslag op het boerenbedrijf duurzaam mee mogelijk maken. Toekomstperspectief voor agrariërs vraagt zicht op concrete mogelijkheden voor nieuwe verdienmodellen voor een rendabele bedrijfsvoering en een redelijk inkomen. Er is geen blauwdruk voor de transitie naar kringlooplandbouw, maar er is wel een aantal hoofdrichtingen voor ontwikkeling te onderscheiden, namelijk technische innovatie, landschappelijke innovatie (extensiveren), omschakelen naar nieuwe producten of diensten en bedrijfsverplaatsing. Omdat iedere ondernemer uniek is en een eigen pad kiest, zal hij of zij niet één (standaard)richting kiezen, maar via een afgewogen mix tot een optimale keuze komen. Daarbij geldt de voorwaarde dat de doelen op gebiedsniveau moeten worden gehaald en dat de kringloophoofddoelen van voer, mest en bodem worden gerespecteerd .
In dit hoofdstuk beschrijf ik zo concreet mogelijk de verschillende ontwikkelrichtingen en het (Rijks)instrumentarium dat agrarische ondernemers kan helpen om de ontwikkeling naar kringlooplandbouw te maken en/of te versnellen. Ik heb mij laten inspireren door wat ik al zie gebeuren in de sector: de innovaties die plaatsvinden en het toekomstperspectief dat die ontwikkelingen bieden. Het bestaande instrumentarium kan vanzelfsprekend worden ingezet voor de transitie naar kringlooplandbouw. In sommige gevallen moeten we bestaande instrumenten aanpassen, bijvoorbeeld door gebiedsspecifieke inzet mogelijk te maken of door gebruik te maken van het Transitiefonds om budgetten te verhogen. Ook zullen we enkele nieuwe instrumenten moeten ontwerpen. Dat zal overigens een voortdurend proces blijven waarin we ook op basis van de gebiedsplannen het instrumentarium en de mix ervan en de bedragen voor die Pagina 22 van 49
Directoraat-generaal Agro
mix weer zullen herijken. Daar waar de transitie veranderingen vraagt, zal ook het instrumentarium vanuit de overheid moeten blijven meebewegen. Daarnaast hebben provincies ook instrumenten beschikbaar en zullen zij in de gebiedsplannen beschrijven met welke aanvullende maatregelen zij agrarische ondernemers ondersteunen.
Ons kenmerk DGA / 22247429
3.1 Voorbereiden op de transitie: ondersteuning van agrarische ondernemers op het erf Agrarische ondernemers staan niet alleen voor bedrijfsmatige keuzes, maar ook voor belangrijke persoonlijke keuzes op het gebied van werk, wonen, en de toekomst van het gezin. Daarom wil ik de agrarische ondernemers ondersteuning bieden bij het maken van de juiste keuze voor hun bedrijfsvoering. De afgelopen jaren heeft LNV al verschillende instrumenten aangeboden om de ondernemer hierin te begeleiden. Ik wil daarmee doorgaan en waar nodig en mogelijk de inzet vergroten. SABE-regeling De SABE20-regeling heeft al duizenden agrariërs en tuinders bereikt met onafhankelijke adviezen, bedrijfsplannen en cursussen om te komen tot duurzame bedrijfsaanpassingen. Naast adviseurs met inhoudelijke expertise op het gebied van onder andere brongerichte emissiereducerende maatregelen, duurzaam bodembeheer en natuurinclusieve landbouw, zijn er ook adviseurs die kunnen helpen bij persoonlijke ontwikkeling en duurzame ontwikkeling van het bedrijf, stimuleren van samenwerking met producentenorganisaties of telersverenigingen, het starten, overnemen of beëindigen van een landbouwbedrijf of het versterken van het toekomstperspectief en het inkomen van agrarisch ondernemers.
Voor ondernemers die liever deelnemen aan een cursus biedt het hoger agrarisch onderwijs cursussen aan op het gebied van stikstof, natuurinclusief ondernemen in de landbouw, en precisielandbouw, gefinancierd via de SABE regeling. Steun voor jonge agrariërs De landbouw in Nederland heeft alleen perspectief als jonge ondernemers vertrouwen hebben in een toekomst als boer of tuinder. Het baart mij zorgen dat dit voor veel potentiële bedrijfsopvolgers geen vanzelfsprekendheid is, waardoor de continuïteit van veel bedrijven in de land- en tuinbouwsector onzeker is geworden. Bedrijven met een goed continuïteitsperspectief moeten overgenomen kunnen worden zodat deze bedrijven zich verder kunnen ontwikkelen. We ondersteunen jonge agrariërs hierbij middels het Jonge boerenfonds.21 In dit kader onderstreep ik ook het belang van de huidige bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) die in de agrarische sector ondersteunend werkt bij overname. De regeling verkleint immers de belemmering die belastingheffing kan vormen voor bedrijfsoverdrachten. Ook met het GLB-NSP worden jonge agrariërs en tuinders ondersteund. Om bedrijfsovername of -start door jonge landbouwers te stimuleren starten we in de nieuwe GLB-periode met een nieuwe interventie, namelijk de ‘Vestigingssteun’. Jonge landbouwers kunnen daardoor op het moment van overname of bedrijfsstart in aanmerking komen voor subsidie.
Ik zet mij ervoor in om hiervoor een substantieel steunbedrag per overname/bedrijfsstart beschikbaar te maken, 21
Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 70 Pagina 23 van 49
Directoraat-generaal Agro
om impact van deze maatregel zo groot mogelijk te maken. Daarnaast zullen vernieuwende samenwerkingsprojecten worden ondersteund die gericht zijn op het vergemakkelijken van bedrijfsopvolging. Tenslotte kan ik u melden dat ik met het NAJK en andere partijen samenwerk met het oogmerk om te komen tot een Kenniscentrum Bedrijfsovername. Een dergelijk centraal punt waar kennis over bedrijfsopvolging en het overnameproces samenkomen zal bedrijfsopvolgers en overdragers kunnen ondersteunen bij een succesvol overnameproces.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Samenwerkingsverbanden Het belang van samenwerkingsverbanden van onderop waarin agrarische ondernemers met andere stakeholders kunnen experimenteren met maatregelen op het gebied van stikstof, klimaat, water, biodiversiteit en dierenwelzijn kan ik niet genoeg benadrukken. De echte veranderingen in de landbouw gebeuren door de beslissingen die aan de keukentafel op het boerenerf genomen worden en vervolgens met collega’s vertaald in een innovatie of samenwerking. Ik ondersteun die samenwerking met het GLB. Bij de samenwerking wil ik in het bijzonder noemen het Europees Innovatie Platform en specifiek de samenwerkingscategorie. Deze kunnen een perspectief bieden voor de gebiedsgerichte opgaven in bijvoorbeeld veenweiden en rond stikstofgevoelige N2000 gebieden. Deze projecten omvatten niet alleen de samenwerking in strikte zin, maar ook de maatregelen die in dat verband uitgevoerd worden. Ook is er een versterkte inzet op LEADER. Daarnaast initieer en ondersteun ik de samenwerking in en tussen producentenorganisaties. Samenwerking voor kwaliteitsregelingen, waaronder biologische landbouw en versterking van dierenwelzijn, kan een belangrijke steun zijn voor opbouw en stimulering van duurzame ketens.
Platform ‘Groeien naar morgen’ Agrarische ondernemers die willen verduurzamen zijn vaak geïnteresseerd in en hebben baat bij de praktijkervaringen van ondernemers die hen al zijn voorgegaan. In het platform en de voorlichtingscampagne ‘Groeien naar morgen’ zijn ondernemers uit de hele agrofoodsector zelf aan het woord over hoe zij aan verduurzaming werken, waar zij tegenaan lopen en hoe zij hier oplossingen voor vinden. Dit kan andere ondernemers inspireren en op weg helpen in de zoektocht naar de beschikbare ondersteuningsregelingen voor (de omslag naar) duurzaam ondernemen en kringlooplandbouw. Verbetering informatievoorziening In overleg met de provincies en organisaties in de gebieden wordt gekeken welke behoeftes aan informatievoorziening, bewustwording en ondersteuning er verder zijn. Dit is aanvullend op de inzet die voor kennis en innovatie in het GLB-NSP beschikbaar is. Ook zijn dankzij de Sabe-regeling tientallen praktijkleernetwerken gestart waarin agrariërs samenwerken aan verduurzaming en kennis hierover delen. Voorts zal ik de Regelhulp Kringlooplandbouw verder ontwikkelen op inhoudelijke behoeften, actualiteit en gebruiksgemak. Deze Regelhulp biedt agrariërs en tuinders de mogelijkheid om kennis te verzamelen, inspiratie op te doen en maakt helder welke subsidieregelingen voor transitie-opgaven er zijn.
Hierbij wordt samengewerkt met de provincies om mogelijkheden die de overheid biedt aan ondersteuning zo volledig mogelijk te kunnen presenteren. De regelhulp wordt gekoppeld aan het Groen Kennis Net (GKN).
Pagina 24 van 49
Directoraat-generaal Agro
3.2 Aandacht voor agrariërs die vrijwillig stoppen Het staat vast dat in de omgeving van zeer overbelaste Natura 2000-gebieden, veenweidegebieden met een vernattingsopgave en in de kwetsbare beekdalen op de hoge zandgronden ingrijpende keuzes gemaakt moeten worden om de milieubelasting voldoende te reduceren. Binnen de gebiedsgerichte aanpak is er niet voor alle agrariërs toekomst. Maar: er zullen meer agrarische ondernemers doorgaan dan stoppen. We zien in de agrarische sector een autonome trend van een afname van het aantal ondernemers. Deze trend zal zich de komende jaren voortzetten. De redenen om te stoppen kunnen heel divers zijn: er zijn bedrijven zonder bedrijfsopvolger, bedrijven die economisch niet rondkomen, waardoor het onmogelijk wordt investeringen te financieren. Of bedrijven kunnen of willen hun bedrijfsvoering niet zodanig aanpassen dat die past bij scherpe ecologische opgaven in het gebied, bijvoorbeeld door de nabijheid van een Natura-2000 gebied.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Tot nu toe leidt de afname van het aantal ondernemers niet of nauwelijks tot een afname van de productiecapaciteit omdat die in veel gevallen wordt overgenomen door andere ondernemers. Maar met name in de gebieden waar de druk op het milieu en de natuur heel groot is, zal de productiecapaciteit moeten afnemen. Dat geldt vooral voor de veehouderij, al kan bedrijfsbeëindiging ook binnen de plantaardige sectoren een realistisch scenario zijn met name voor het realiseren van waterkwaliteitsdoelen. De kaders die op gebiedsniveau bepalen welke ruimte er voor de landbouw blijft, volgen uit het NPLG, waarvoor de minister voor Natuur en Stikstof eerste verantwoordelijkheid draagt. Wij trekken dan ook samen op om waar nodig of gewenst is agrariërs te ondersteunen bij de beëindiging van hun bedrijf. Bedrijfsbeëindiging is een ingrijpende beslissing. Niet alleen voor de ondernemer, maar voor het hele gezin, de familie en de omgeving. Het is een emotionele stap, waar doorgaans een lang en intensief proces aan vooraf gaat. Het is tegelijkertijd ook een beslissing die om een rationele financiële afweging vraagt. Stoppen moet immers financieel haalbaar zijn.
Verschillende factoren spelen daarbij een rol, waaronder de hoogte van de vergoeding waarvoor een ondernemer in aanmerking komt, de pensioenvoorziening, de schuldenlast die op het bedrijf rust en het economisch potentieel van de locatie na bedrijfsbeëindiging. Het is belangrijk dat we ondernemers die overwegen te stoppen, helpen en ondersteunen bij hun beslissing. Dit is belangrijk voor de betreffende individuele ondernemer, maar ook in het kader van de gebiedsprocessen. Ik wil vooropstellen dat het hier in eerste instantie gaat om een vrijwillige keuze. Vanuit het Rijk zetten wij hierbij in op een ruimhartige financiële ondersteuning om agrarische ondernemers die overwegen te stoppen de mogelijkheid te geven dat op korte termijn te doen. Ik wil daarnaast onderzoeken op welke wijze ik ondernemers nog meer kan faciliteren. Daarbij kijk ik breder dan de veehouderij. Ook binnen de plantaardige sectoren spelen de doelen voor milieu, natuur en klimaat immers een rol bij de keuzes van ondernemers om hun bedrijf voort te zetten. Concrete instrumenten voor ondersteuning van bedrijfsbeëindiging Er zijn momenteel twee maatregelen in voorbereiding voor bedrijfsbeëindiging, te weten de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de tweede Pagina 25 van 49
Directoraat-generaal Agro
tranche van de Maatregel Gerichte Aankoop en beëindiging (MGA-2). Vanuit de structurele aanpak is voor de Lbv in ieder geval een bedrag van € 700 miljoen beschikbaar, voor de MGA-2 is een bedrag van € 250 miljoen beschikbaar. Zoals de minister voor Natuur en Stikstof in haar Hoofdlijnenbrief heeft aangegeven, onderzoekt zij of en hoe hiertoe aanvullende middelen uit het fonds, onder meer vooruitlopend op de gebiedsprocessen, kunnen worden ingezet.
Ons kenmerk DGA / 22247429
De Lbv is een vrijwillige subsidieregeling bedoeld voor veehouderijen in sectoren met productierechten en waarvan de totale stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en overbelaste Natura 2000-gebieden een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. Veehouders die voldoen aan de voorwaarden kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding van 100% van het waardeverlies van de productiecapaciteit (gebaseerd op de leeftijd en oppervlakte van de stallen) en van het definitief door te halen productierecht. De vergoeding voor latere subsidieregelingen zal lager zijn. Hiertoe is besloten vanwege de noodzaak om op een zo kort mogelijke termijn zoveel mogelijk stikstofwinst te boeken. Het is uiteindelijk aan veehouders zelf om te bepalen of en wanneer ze een aanvraag indienen. Het streven is om de Lbv voor het einde van dit jaar, nadat de formele staatssteunprocedure is afgerond, open te stellen voor aanvragen. Hiermee is invulling gegeven aan de motie Boswijk c.s22. De bedoeling van de MGA is dat provincies een vergoeding kunnen verstrekken voor de beëindiging van veehouderijen waarvan de stikstofdepositie op een specifiek overbelast Natura 2000-gebied wordt overschreden. Ondernemers uit alle veehouderijsectoren kunnen in aanmerking komen, maar het initiatief ligt bij de provincies. Provincies benaderen veehouders hiervoor gericht.
Mede in het licht van de motie-De Groot en Van Otterloo23 nemen wij bij de invulling van de regelingen de noodzaak om verplaatsing te faciliteren mee. Hierbij houden wij ook rekening met het instrumentarium onder 3.3.5 in deze brief. Voor beide maatregelen is op 10 mei jongstleden een publieke consultatie gestart. Ten behoeve van spoedige implementatie is informeel overleg gestart met de Europese Commissie. Dit overleg loopt nog. Afhankelijk van de uitkomsten van de consultatie en de informele en formele trajecten bij de Europese Commissie kunnen de maatregelen vooruitlopend op de gebiedsplannen worden ingezet. Fiscale aspecten Wanneer een veehouder zijn onderneming voor de inkomstenbelasting beëindigt, betekent dit - net als voor iedere ondernemer die zijn onderneming beëindigt – dat in beginsel belasting verschuldigd is over de stakingswinst. Wel zijn er enkele faciliteiten beschikbaar voor ondernemers die de fiscale gevolgen van bedrijfsbeëindiging verzachten. Te denken valt aan de stakingsaftrek ter grootte van maximaal € 3.630 (bedrag in 2022) en het - onder voorwaarden - uitstellen van belastingheffing over de stakingswinst indien de opbrengst wordt aangewend voor een fiscaal gefaciliteerde oudedagsvoorziening (stakingslijfrente).
Daarnaast kan onder voorwaarden een herinvesteringsreserve worden gevormd of gebruik worden gemaakt van de faciliteit van artikel 3.64 Wet inkomstenbelasting 2001. 22 23
Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 104 Kamerstuk 35 600 nr. 45 Pagina 26 van 49
Directoraat-generaal Agro
Dit houdt kortgezegd in dat de stakingswinst (boekwinst) die toerekenbaar is aan een specifiek bedrijfsmiddel, waarvan de ondernemer verwacht in de nabije toekomst een soortgelijke investering te zullen doen in het kader van een (andere) onderneming, kan worden gereserveerd waardoor niet direct hoeft te worden afgerekend. Specifiek voor agrariërs geldt verder nog de landbouwvrijstelling. Deze vrijstelling geldt voor de positieve of negatieve waardeveranderingen van landbouwgronden bij voortzetting van de agrarische bestemming.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Flankerend beleid Belangrijk is dat er naast specifieke instrumenten gericht op beëindiging, ondersteuning is bij het maken van de keuzes voor de toekomst. Ik denk daarbij aan instrumenten gericht op omscholing, nieuwe werkzaamheden (sociaaleconomisch plan) en sociaalemotionele begeleiding. In dit verband heb ik interessante concrete voorstellen ontvangen, zoals een projectvoorstel voor een driejarig programma 2022-2024 van LTO-Noord en Zorg om Boer en Tuinder (ZOB) (met verzoek om (co)financiering door LNV). ‘De mens achter de ondernemer’ (2022 – 2024), waarin aandacht voor: gezond en zelfbewust ondernemerschap; mentale fitheid; onafhankelijke landelijke loketfunctie; en Landelijk Platform Agrozorg. 3.3 Perspectief voor agrariërs die blijven Er zullen meer agrarische ondernemers zijn die hun bedrijf voortzetten dan die hun bedrijf beëindigen, zij zullen ook in de toekomst een sleutelrol blijven vervullen in het landelijk gebied. Zij zorgen voor voedselproductie, werkgelegenheid, kennis en innovatie. En niet minder belangrijk: de agrarische sector is al eeuwen een beeldbepaler én beheerder van het Nederlandse landschap. En zorgt voor sociale samenhang in het buiengebied en levert maatschappelijke diensten als natuurbeheer, zorg en recreatie. In het advies Naar duurzame toekomstperspectieven voor de landbouw24 benoemt de SER zeven transitiepaden voor verduurzaming.
Geïnspireerd door dit advies en na overleg met een aantal betrokken partijen, onderscheid ik vier richtingen voor ontwikkeling naar kringlooplandbouw: landschappelijke innovatie (extensiveren), omschakelen naar nieuwe producten of diensten, technische innovatie, en bedrijfsverplaatsing. Deze ontwikkelrichtingen zijn bedoeld als illustratie van de mogelijkheden en niet bedoeld als blauwdruk of beperkende richtingen. Er zijn vele combinaties binnen verschillende ontwikkelrichtingen mogelijk en er zijn ook vast perspectiefvolle activiteiten die buiten deze paden vallen. Niet alle ontwikkelrichtingen zullen in alle gebieden mogelijk zijn. Welk pad gekozen wordt, is uiteindelijk een keuze die de agrarische ondernemer zelf maakt, binnen de gebiedsbepaalde- context van het halen van de onoverkomelijke doelen. Dat is ruimte voor ondernemerschap. Uiteraard zal ik naar aanleiding van de ervaringen en wensen in de gebiedsgerichte aanpak regelmatig de hoofdrichtingen en de instrumenten die daaronder vallen evalueren en aanpassen. 3.3.1 Maatregelen die relevant zijn voor alle ontwikkelrichtingen
24
Kamerstuk 35 600, nr. 43
Pagina 27 van 49
Directoraat-generaal Agro
Ons kenmerk De ondernemerschapsagenda DGA / 22247429 Ik wil benadrukken dat we niet bij nul beginnen om ondersteuning te bieden aan agrariërs die op uiteenlopende wijze plannen maken voor hun bedrijf. Er ligt al een stevige Agrarische Ondernemerschapsagenda, waarop we kunnen voortbouwen. Met deze agenda heeft het ministerie zich de afgelopen jaren ingezet om agrariërs te helpen de transitie naar een duurzame landbouw te maken en daarmee een goed inkomen te kunnen verdienen door het creëren van de juiste randvoorwaarden. De agenda richt zich op het stimuleren van ondernemerschap, het belonen van publieke diensten, het versterken van de marktmacht van agrariërs en het bevorderen van een gelijker speelveld. Als onderdeel van deze agenda zijn de afgelopen jaren tal van activiteiten en maatregelen vormgegeven. Voorbeelden zijn het Omschakelprogramma Duurzame Landbouw, de Wet Oneerlijke Handelspraktijken, de oprichting van een geschillencommissie, de agro-nutri monitor, het aanpassen van de Mededingingswet en de inzet om binnen het Nationaal Strategisch Plan duurzaamheidsinspanningen te belonen.
Het Omschakelprogramma Duurzame Landbouw Voor de ondersteuning van agrariërs bij de transitie in een of meerdere van de hierboven beschreven ontwikkelrichtingen is het Omschakelprogramma Duurzame Landbouw een belangrijk instrument. Met dit programma stimuleer ik agrarische ondernemers versneld om te schakelen naar een stikstofarmere, meer extensieve en meer duurzame bedrijfsvoering, zoals natuurinclusieve of biologische landbouw. Het programma ondersteunt agrariërs bij de financiering van de benodigde investeringen en maakt het mogelijk een tijdelijke dip in de kasstroom te financieren. Middels adviesvouchers en het ondersteunen van demonstratiebedrijven wordt kennis gedeeld en worden agrariërs ondersteund bij het opstellen van een bedrijfsplan voor de omschakeling naar een meer duurzame bedrijfsvoering. De kern van het programma, het Investeringsfonds Duurzame Landbouw, is in juli 2021 van start gegaan met een pilot om ervaring op te doen met het sturen op doelen en te toetsen of het fonds aan de verwachtingen voldoet en de gewenste omschakeling op gang brengt. De pilot biedt daarmee inzichten voor de vormgeving van een definitief fonds. Gezien de belangstelling en de verduurzamingsopgave waar de sector voor staat, vind ik het van belang het Investeringsfonds door te zetten.
Maar omdat ik het fonds wil laten aansluiten op de gebiedsplannen, die in juli 2023 gereed moeten zijn, is de tijd nog niet rijp om een definitief fonds in te richten. Daarom werk ik momenteel aan de verlenging van de pilot met één jaar, tot juli 2023. Samen met provincies kijk ik in welke vorm het fonds daarna een vervolg kan krijgen zodat deze de uitvoering van de gebiedsplannen optimaal ondersteunt.
Het programma bestaat uit de volgende vier verschillende onderdelen: 1. Pilot-Investeringsfonds Duurzame Landbouw Het Pilot-Investeringsfonds is de kern van het Omschakelprogramma. Dit fonds is erop gericht om de belemmeringen die ondernemers ervaren bij de financiering van de investeringen van een omschakeling te Pagina 28 van 49
Directoraat-generaal Agro
2.
3.
4.
Ons kenmerk verminderen. Vanuit het pilot-fonds met 9 mln. fondsvermogen worden DGA / 22247429 door het Nationaal Groenfonds achtergestelde leningen verstrekt aan ondernemers die willen omschakelen. De achtergestelde lening bedraagt maximaal € 400.000, en heeft gunstige voorwaarden qua looptijd, rente en aflossingsritme. Tot nu zijn er 58 aanvragen binnengekomen bij het fonds, waarvan er 38 inhoudelijk zijn goedgekeurd door de beoordelingscommissie van deskundigen. De pilot verloopt succesvol en leert ons veel over verschillende manieren waarop er concreet in de diverse deelsectoren aan integrale omschakeling gewerkt kan worden. De werkkapitaalregeling Deze regeling beoogt de financiering mogelijk te maken van een tijdelijk liquiditeitstekort dat vaak optreedt bij de omschakeling naar meer duurzamere bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld bij een omschakeling naar biologische landbouw, waarbij vaak de productiekosten van meet af aan hoger zijn, maar de opbrengsten nog niet meestijgen omdat de producten de eerste jaren nog niet als biologisch kunnen worden verkocht. De werkkapitaalregeling maakt het mogelijk om dit tijdelijke tekort aan werkkapitaal te financieren, doordat de overheid borg staat voor een deel van de lening bij de bank. Deze regeling staat sinds 1 januari 2022 open als nieuwe module binnen het Borgstellingskrediet voor de Landbouw.
Subsidieregeling bedrijfsplannen De subsidieregeling bedrijfsplannen ondersteunt ondernemers bij het opstellen van een bedrijfsplan voor omschakeling naar een meer duurzame bedrijfsvoering. Ondernemers kunnen met deze regeling een voucher van € 6.000 aanvragen om een erkende bedrijfsadviseur in de arm te nemen voor het uitwerken van een bedrijfsplan. De regeling is in november 2021 en begin april 2022 opengesteld geweest binnen de SABEregeling. Bij beide openstellingen zijn de ruim 300 beschikbare bedrijfsplanvouchers vergeven onder de geïnteresseerde ondernemers. Ik ben voornemens om deze regeling in 2023 opnieuw open te stellen. Subsidieregeling demonstratiebedrijven Deze regeling ondersteunt inspirerende praktijkvoorbeelden van reeds omgeschakelde agrariërs om hun kennis en ervaring uit te wisselen met collega agrariërs om verdere verduurzaming te stimuleren. De regeling is in november jl. open gegaan binnen de SABE-regeling, en er zijn inmiddels ruim 23 demonstratieprojecten goedgekeurd. Deze bedrijven gaan de komende tijd aan de slag om hun kennis en ervaring te delen met collega ondernemers.
Het Omschakelprogramma is daarmee één toonaangevend instrumenten waarmee agrariërs ondersteund worden in de transitie. Het speelt in op een aantal belemmeringen die agrariërs ervaren bij de transitie, zoals het vinden van financiering bij omschakeling, de tijdelijke dip in de kasstroom en informatie over en ondersteuning bij het opstellen van bedrijfsplannen. Zoals hierboven aangegeven zal ik aankomend jaar kijken hoe deze regelingen vervolg kunnen krijgen zodat zij de gebiedsplannen optimaal ondersteunen. De specifieke ontwikkelrichtingen innoveren, extensiveren, omschakelen en verplaatsen vragen ieder echter mogelijk ook aanvullend instrumentarium. In de volgende paragrafen beschrijf ik welke instrumenten er op dit moment al zijn voor
Pagina 29 van 49
Directoraat-generaal Agro
de verschillende ontwikkelrichtingen en geef ik aan welke instrumenten er in de aankomende tijd nog worden ontwikkeld.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Versterking en borging van het kennissysteem LNV zal in nauw overleg met provincies en regiopartners sterker inzetten op de meerjarige missiegedreven kennis- en innovatieprogramma’s voor de opgaven in het kader van kringlooplandbouw, klimaatneutrale en -robuuste natuur, smart technologie en biotechnologie (daarbij inbegrepen Crispr-cas). Publiek-private samenwerkingen worden verder gestimuleerd, met een private bijdrage waar mogelijk en een publieke bijdrage waar nodig. Hiermee wordt de kennisontwikkeling gecombineerd met de in Nederland bekende en gewaardeerde Dutch Diamond; de hechte samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen (onderzoek en onderwijs), overheid, burgers en maatschappelijke organisaties. Met de ontwikkelde kennis en innovaties in de Dutch Diamond blijven we ook de koplopersrol in de wereld vervullen. Binnen de programma’s is volop aandacht voor de thema’s die volgens het coalitieakkoord voor de doorontwikkeling van kringlooplandbouw van belang zijn: voer, pacht, mest, bodem, dierenwelzijn. In het kader van kringlooplandbouw wordt gewerkt aan het zoveel mogelijk sluiten van voer-mest kringlopen, ook via samenwerking tussen veehouderij- en akkerbouwbedrijven. Duurzaam bodembeheer is nodig om ziekten tegen te gaan en om verdroging en nutriëntenuitspoeling te voorkomen. Hierop loopt een groot publiek-privaat samenwerkingsverband.
Ook dierenwelzijn is in het kennis- en innovatiebeleid een belangrijk thema. Talent en ondernemerschap zijn cruciaal voor een duurzaam perspectief in de landbouw. De transitieopgave vraagt extra inzet voor zowel het opleiden als het levenslang ontwikkelen van ondernemers. Het ontwikkelen van ondernemerschapscompetenties en creativiteit gebaseerd op het denken en handelen vanuit nieuwe waardecreatie en verdienmodellen wordt gefaciliteerd via het Groenpact . Dat vraagt een andere mind-set met meer focus op consumenten, transparantie en samenwerking in waardenketens en bijvoorbeeld ook innovatieve (bio)monitoring. Ik besteed daarbij extra aandacht aan de (door)ontwikkeling van digitale competenties, waar in het Versnellingsprogramma Digitalisering en Technologisering een extra impuls aan wordt gegeven. De vernieuwing van opleiding en scholing voor groen ondernemerschap wordt samen met de partners van Groenpact verder uitgewerkt. Ook heeft de Green Deal ‘Natuurinclusieve Landbouw Groen Onderwijs’ dit voorjaar een vervolg gekregen. Hiermee worden lessen uit onderzoek en praktijk over de natuurinclusieve landbouw structureel ingebracht in alle lagen van het onderwijs en in het cursorisch onderwijs in het kader van Leven Lang Ontwikkelen.
Zo krijgen huidige en toekomstige werkers in het groene domein gelegenheid om kennis te ontwikkelen waarmee zij in hun dagelijks werk kunnen bijdragen aan het duurzame perspectief van de landbouw.
Een deel van de waardevolle innovaties die nu in de praktijk worden toegepast, getest of opgeschaald zijn ontstaan in innovatiecompetities. Met programma’s als SBIR (Small Business Innovation Research) daag ik studenten, startups en Pagina 30 van 49
Directoraat-generaal Agro
ondernemers uit om met meer van dit soort onverwachte innovatieve producten en diensten te komen die bijdragen aan oplossingen voor stikstof, klimaat, waterkwaliteit en versterking van biodiversiteit.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Kennisvertaling en kennisverspreiding De transitie naar kringlooplandbouw vraagt om inzicht en overzicht van beschikbare en nog te ontwikkelen kennis, zowel op inhoud als op proces. Dit is onontbeerlijk om verdere stappen te kunnen zetten en te komen tot (nieuwe) oplossingen voor de opgaven in het landelijk gebied. Met het programma Kennis op Maat levert het ministerie een bijdrage aan de vertaling van kennis naar informatie die agrarische ondernemers aanspreekt en inspireert om innovaties in de praktijk te brengen. Ik zal deze aanpak verder versterken en verbreden naar andere kennisinstellingen. Daarnaast investeer ik in een kennisfaciliteit voor de ondersteuning van provincies en departementen bij de uitvoering van gebiedsplannen. Deze kennisfaciliteit bundelt kennis, en vertaalt en ontsluit deze om een lerende beleidsaanpak op proces en inhoud mogelijk te maken. De ontwikkelde kennis en innovatie en een overzicht van alle kennisverspreidingsactiviteiten wordt via Groen Kennisnet digitaal, zo veel mogelijk open access en op een aansprekende manier beschikbaar gesteld.25 Fieldlabs, pilots en demonstratiebedrijven Daarnaast zal ik blijven investeren in kennisverspreidingsactiviteiten zoals fieldlabs en demonstratiebedrijven, waar bedrijven, kennisinstellingen, overheid en maatschappelijke partijen samen experimenteren en innovaties in de praktijk toepassen.
Voorbeelden van bestaande initiatieven waarin ik investeer zijn de Boerderij van de Toekomst in Lelystad en de Nationale Proeftuin Precisielandbouw (NPPL). Hierbij wordt enerzijds kennis ontwikkeld op een proeflocatie, en worden tegelijkertijd ook nieuwe werkwijzen en technologieën getest op het boerenerf. Zo worden nieuwe teeltmethoden ontwikkeld waar technologie en ecologie samen komen. ‘Boerderijen van de toekomst’ kunnen innovaties op het gebied van teeltsystemen, digitalisering, precisietechnologie en robotisering regio-specifiek ontwikkelen en testen. Pilots gericht op digitale innovaties zoals Artificial Intelligence, robotisering, big data en precisietechnieken wil ik verder opschalen. Hiermee worden de duurzaamheidsdoelen voor de landbouw voorzien van praktische handelingsperspectieven. Binnenkort gaan de eerste demonstratiebedrijven van start als inspiratie voor agrarische adviseurs en collega-agrariërs. Op termijn zullen demobedrijven ook openstaan voor de toekomstige agrarische ondernemers en hun docenten. Voortdurende evaluatie en een lerende aanpak De complexe beleidsopgaven waar we voor staan vragen niet alleen een nieuwe beleidsaanpak maar ook een andere aanpak van de evaluatie van dit beleid. In een lerende evaluatie wordt al tijdens de beleidsontwikkeling en uitvoeringsfase geëvalueerd in plaats van achteraf.
Omdat veel partijen betrokken zijn die kunnen leren van elkaars ervaringen zal het onderzoek hiervoor samen met bedrijven, kennisinstellingen en stakeholders worden uitgevoerd. Het ministerie richt zich tevens op de uitbreiding van (openbaar) beschikbare (satelliet)data om biodiversiteit en landschapselementen te monitoren en heeft daarbij oog voor Van 2019-2021 heeft het ministerie van LNV het Groen Kennisnet laten doorontwikkelen tot het digitaal kennisplatform voor kennis in de groene sector: https://groenkennisnet.nl 25
Pagina 31 van 49
Directoraat-generaal Agro
bruikbaarheid van deze data voor agrarische bedrijfsvoering, handhaving en beleidsevaluatie.
Ons kenmerk DGA / 22247429
3.3.2 Inzet op technische innovatie Een deel van de opgaven op het gebied van stikstof, water, klimaat en natuur kan worden aangepakt met innovatieve, technische oplossingen. Met technische innovatie alléén zullen niet overal alle doelen kunnen worden gehaald. Maar door middel van investeringen in techniek, stallen of aanpassingen in de bedrijfsvoering (managementmaatregelen) kunnen emissies naar het milieu wel worden verminderd. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen gesloten systemen (intensieve veehouderij, glastuinbouw) en open systemen (melkveehouderij, akkerbouw, vollegrondsgroenteteelt). Het kan bijvoorbeeld gaan om emissiearme stallen, bewerking en verwerking van mest tot kunstmestvervangers, bodemverbeteraars en hernieuwbare energie, of om de toepassing van precisietechnieken voor onder andere bemesting en gewasbescherming. Ook kan worden gedacht aan innovaties op het gebied van teelten van eiwithoudende gewassen, Artificial Intelligence (AI), satellietdata, nieuwe meeten monitoringstechnieken en robotisering. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid is er bijvoorbeeld voor AI-toepassingen in de landbouw een substantieel groeipotentieel, en kan AI tevens bijdragen aan perspectief voor de landbouw. Dergelijke technische innovaties zijn steeds vaker afhankelijk van data.
Data om systemen aan te sturen, analyses te kunnen uitvoeren en scenario’s door te rekenen. De agrarische sector heeft hier de afgelopen jaren spectaculaire vooruitgang in geboekt. Voorbeelden zijn autonoom draaiende kassen en de softwaresystemen die deze aansturen, stal- en melkrobots en daarnaast hightech foodproducten. In de Digitaliseringsvisie26 heeft mijn ambtsvoorganger op hoofdlijnen geschetst hoe digitale technologie optimaal kan worden ingezet voor de stikstof-, water- en klimaatopgaven. Deze hoofdlijnen worden op dit moment uitgewerkt in het actieprogramma digitalisering, waarin gebiedsgerichte én gebiedsoverstijgende acties concreet vorm krijgen. De randvoorwaarden die in de digitaliseringsvisie zijn benoemd, gelden daarbij als leidend kader. De versterking van de datapositie van ondernemers is daarbij een punt van aandacht (in navolging van de motie-Boswijk)27. Het is nodig om digitale competenties en cyberweerbaarheid van ondernemers te versterken, er zijn duidelijke afspraken nodig over datadelen tussen bedrijven en tussen bedrijven en overheden en is standaardisering van data en data-infrastructuren in de landbouw noodzakelijk. Innovatie is in de praktijk niet altijd eenvoudig. Het advies van de door mijn ambtsvoorganger ingestelde Taskforce Versnelling Innovatieproces Stalsystemen schetst dit ook.
Het testen en ontwikkelen van innovaties kost tijd en in de praktijk worden knelpunten ervaren. De Taskforce doet in haar advies aanbevelingen om de drempels die de versnelling van innovatie hinderen weg te nemen, onder andere via een nog in te stellen regieorgaan dat zich in ieder geval 26 27
Bijlage bij Kamerstuk 35 570 XIV, nr. 79 Kamerstuk 21 501-32, nr. 1325 Pagina 32 van 49
Directoraat-generaal Agro
richt op het organiseren, ondersteunen en evalueren van pilots om de innovatie te versnellen. Het advies van de Kwartiermaker, die voorafgaand aan het instellen van een regieorgaan en het aanstellen van een innovatiegezant (Motie-Lodders28) is aangesteld, moet hier ook meer handvatten voor geven. Dit advies is recent afgerond, ik zal uw Kamer hier separaat nader over informeren.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Aandacht vraagt dat de onrendabele top van investeringen in nieuwe technologie groot kan zijn, waarmee de investering een lange terugverdientijd heeft. De onrendabele top zit in het verschil tussen een financiële investering en de financiële waarde die dezelfde investering direct na aankoop heeft. Dit levert een risico op voor ondernemers en zet het verdienvermogen onder druk. Ik wil de inzet op technische innovatie daarom ondersteunen door financieel bij te dragen. Dit kan in de vorm van verlaging van de kostprijs van nieuwe technologieën door innovatie en ontwikkeling te ondersteunen, maar ook door investeringssubsidies of fiscale regelingen in te zetten. Voor agrariërs is het ook cruciaal dat voordat zij overgaan tot een investering in een bepaald nieuw stalsysteem, er duidelijkheid is dat zij met de emissiearme stalsystemen blijvend kunnen voldoen aan de vergunningseisen in relatie tot de Wnb-vergunning. Naast stimulerende en faciliterende instrumenten, is in de structurele aanpak stikstof van 2020 een aanscherping van de wettelijke (landelijke) normen voor de emissie van ammoniak uit nieuwe stallen per 2025 voorzien.29 Voor bestaande bedrijven gaat dan een nader te bepalen overgangsperiode gelden.
Naar aanleiding van de gedifferentieerde aanpak en de versnelling en intensivering die daarbij noodzakelijk is, wordt een versnelling van de in 2020 aangekondigde aanscherping verkend. Hierover ben ik momenteel in gesprek met betrokkenen. Concrete instrumenten voor ondersteuning van inzet op innovatieve technische oplossingen Emissiebeperkende stalsystemen via Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) We ondersteunen veehouders bij onderzoek en ontwikkeling van innovatieve stalen managementmaatregelen met de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv). Het doel van deze regeling is het ontwikkelen en toepassen van integrale, brongerichte emissie-reducerende maatregelen in zowel bestaande als nieuwe stallen, gericht op stikstof/ammoniak, broeikasgassen en voor zover relevant voor de betreffende dierlijke sector op geur en fijnstof. Daarnaast is het verbeteren van dierenwelzijn en brandveiligheid een vereiste. De innovatiemodule van de Sbv is inmiddels drie keer opengesteld. Ook wil ik veehouders ondersteunen bij investeringen in de benodigde stalaanpassingen. Op dit moment is een nieuwe openstelling van de investeringsmodule van de Sbv in voorbereiding. Deze openstelling is in het derde kwartaal van 2022 voorzien.
Wij zijn voornemens hierbij gebruik te maken van de financiële middelen die beschikbaar zijn binnen de structurele aanpak stikstof voor stalmaatregelen (€ 280 miljoen voor de periode 2023-2030).
28 29
Kamerstuk 35 570, XIV, nr.23 Kamerstuk 35 334, nr 82 en antwoorden Kamervragen van Boswijk en Van Campen 2022D16776 Pagina 33 van 49
Directoraat-generaal Agro
Zekerheid over de toekomst begint met rechtszekerheid. Diverse onderdelen van Ons kenmerk DGA / 22247429 het instrumentarium voor Wnb-toestemmingverlening worden momenteel getoetst in rechterlijke procedures (bijvoorbeeld gebruik Rav-factoren, beweiden, bemesten en aantonen van additionaliteit toevoegen). Er bestaat daardoor geregeld onduidelijkheid en onzekerheid bij initiatiefnemers en bevoegde gezagen over verleende vergunningen, aanvragen voor nieuwe initiatieven en de houdbaarheid van huidige procedures. Het kabinet zal daarom, zoals aangekondigd in Hoofdlijnenbrief, voor de zomer uw Kamer informeren over de stappen die gezet worden om meer zekerheid en duidelijkheid te bieden bij de bestaande instrumenten van toestemmingverlening. Daarbij is het de inzet om het beleid en instrumentarium van toestemmingverlening aan te scherpen en te verduidelijken. Bij de verkenning van de verschillende mogelijkheden moeten de leidende principes over zekere inzet van ruimte, het voorkomen van feitelijke depositiestijging bij salderen en bijdrage aan controleerbaarheid zijn geborgd. Deze kaders zijn uitgebreider omschreven in de hoofdlijnenbrief. Fiscale regelingen De fiscale regelingen MIA (Milieu-investeringsaftrek) en Vamil (Willekeurige afschrijving milieu-investeringen zijn bedoeld om voorgenomen investeringen te beïnvloeden richting het milieuvriendelijke alternatief.
Hiertoe biedt de MIA per 2022 een investeringsaftrek die kan oplopen tot 45% van het investeringsbedrag. De MIA/Vamil levert een netto voordeel voor ondernemers op van maximaal 14%. Met de Vamil kan tot 75% van de investeringskosten willekeurig worden afgeschreven. De EIA (Energie-investeringsaftrek) is een fiscale faciliteit die energiebesparing bij bedrijven beoogt te realiseren door de marktintroductie te versnellen van innovatieve bedrijfsmiddelen die energie-efficiënter zijn dan de gangbare bedrijfsmiddelen. Bedrijfsmiddelen die voor fiscaal voordeel in aanmerking komen staan vermeld op de Milieulijst (MIA/Vamil) of Energielijst (EIA). Beide lijsten worden jaarlijks geactualiseerd. Borgstelling MKB-landbouwkredieten (BL) De regeling Borgstelling MKB-landbouwkredieten (BL) richt zich op een borgstelling op kredieten verstrekt door financiers aan land- en tuinbouwbedrijven, voor nieuwe investeringen en omschakeling, met een goed continuïteitsperspectief maar een tekort aan zekerheden volgens de normale bancaire praktijk (borgstellingskredieten). De Borgstelling MKB Landbouwkredieten bestaat uit vijf onderdelen: 1. Borgstellingskrediet voor de landbouw (BL) voor agrariërs en tuinders die willen investeren maar te weinig zekerheden hebben voor een lening van de financier. 2.
Borgstellingskrediet voor de landbouw Plus (BL-Plus) voor glastuinders of veehouders die duurzaam en milieuvriendelijk willen investeren in gecertificeerde kassen (Groenlabel) en stallen (Maatlat Duurzame Veehouderij). 3. Borgstellingskrediet voor de landbouw Plus (BL-Plus) voor landbouwinnovaties, nieuwe producten (onderscheidende marktconcepten) of productieprocessen. 4. Borgstelling Vermogensversterkend Krediet (VVK) voor starters en overnemers in de land- en tuinbouw.
Pagina 34 van 49
Directoraat-generaal Agro
5.
Borgstelling Plus werkkapitaal bij omschakeling naar duurzame landbouw (BL-ODL) om het liquiditeitstekort in de omschakeljaren bij omschakeling naar een integraal duurzame agrobedrijfsvoering (naar biologische bedrijfsvoering of andere omschakeling getoetst voor de pilot Investeringsfonds Duurzame Landbouw) te overbruggen.
Ons kenmerk DGA / 22247429
Subsidieregeling hoogwaardige mestverwerking Dit betreft het stimuleren van investeringen die verwerking van dierlijke mest tot kunstmestvervangers mogelijk maakt, via een subsidie op de bouw van een mestverwerkingsinstallatie. Deze regeling gaat naar verwachting binnenkort open. Regeling groenprojecten De Regeling groenprojecten heeft tot doel om kapitaal van particuliere spaarders en beleggers aan te trekken en deze beschikbaar te maken voor de financiering van innovatieve projecten die het milieu- en natuurbeleid ten goede komen. De regeling is interessant voor ondernemers die financiering zoeken voor investeringen in innovatieve, duurzame technieken die door het innovatieve en duurzame karakter extra kosten en risico’s met zich meebrengen en daardoor moeilijk te financieren zijn. Erkende projecten komen via groenfondsen, na toetsing door RVO, in aanmerking voor een groenverklaring. Op 1 juni 2022 treedt de Regeling groenprojecten 2022 in werking. POP en Leader Binnen het lopende, verlengde derde PlattelandsOntwikkelingsProgramma (POP3+) van het GLB, is voor de jaren 2021 en 2022 een focus aangebracht in de beleidsdoelen stikstof, klimaat, biodiversiteit en kringlooplandbouw. Het programma eindigt aan het eind van dit jaar. Provincies en het Rijk zullen nog dit jaar hun laatste POP-maatregelen openstellen.
Het gaat in dit verband om de POP-maatregelen investeringen en samenwerking. Onder het NSP moet het mogelijk worden dat LEADER30 als interventie kan worden ingezet voor gebiedsgerichte aanpak. Voor de akkerbouw zijn in het NSP-maatregelen opgenomen die agrariërs ondersteunen bij de toepassing van de emissiearme mestuitrij- en precisiebemestingsapparatuur. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie-Van Campen over dit onderwerp.31 Actieprogramma digitalisering Om technologie toe te kunnen passen zijn de juiste competenties vereist en is een kennis- en innovatie-infrastructuur nodig om de technologie te kunnen (door)ontwikkelen. Deze inzet draagt bij aan het versterken van het toepassen van innovaties zoals precisielandbouw en robotisering waarvoor data-uitwisseling essentieel is. Digitalisering draagt ook bij aan bedrijfsmanagement gericht op emissiereductie en natuurversterking, en is ondersteunend aan monitoring en evaluatie van de aanpak in de gebieden. Daarom ga ik investeren in (1) een overkoepelend actieprogramma waarin stakeholders via casussen concreet werken LEADER is een onderdeel van POP3, dat door de Europese Unie wordt gefinancierd vanuit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.
De regeling is bedoeld voor samenwerkingsverbanden tussen (overheids)organisaties, (landbouw)ondernemers of particulieren op het platteland die met veel enthousiasme en op een eigen originele wijze hun eigen leef- en werkomgeving willen verbeteren. 31 Kamerstuk 28 625, 301 30
Pagina 35 van 49
Directoraat-generaal Agro
aan het inzetten van digitalisering ten behoeve van maatschappelijke opgaven; (2) versterking van digitale innovaties in regionale agritech fieldlabs en gebiedsgerichte samenwerking op digitalisering; (3) opschaling van en pilots voor data-gedreven agrotechnologie en nieuwe data-gedreven teeltsystemen, bijvoorbeeld via het Kennisprogramma AI in relatie tot satellietdata via patroonherkenning; (4) digitale biodiversiteitsmonitoring, natural capital accounting en open access data; (5) een samenwerkingsprogramma digitalisering tussen de verschillende Topsectoren om kennisdeling te verbeteren en nieuwe ontwikkelingen versneld uit te werken en (6) digitale competentieversterking van agrarisch ondernemers o.a. via leerplatforms.
Ons kenmerk DGA / 22247429
3.3.3 Landschappelijke innovatie: extensiveren Bij extensiveren gaat het om het verminderen van het aantal dieren per hectare of in een stal. Vaak gaat extensivering samen met technische innovatie. In de plantaardige sector kan dat door een ruimere vruchtwisseling met meer maaigewassen. Extensivering maakt ook agrarisch natuur- en landschapsbeheer, het versterken van groenblauwe dooradering en aanleggen van bufferstroken langs sloten mogelijk. In veenweidegebieden, Natura 2000-gebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de kwetsbare beekdalen en overgangsgebieden rond Natura2000-gebieden zijn de opgaven het grootst. Agrariërs hebben hier te maken met meer bedrijfsbeperkingen of minder ontwikkelingsmogelijkheden. Extensivering van de bedrijfsvoering is dan de meest geëigende route. Om extensivering te stimuleren zal de overheid verschillende instrumenten inzetten. Agrariërs moeten ook kansen gaan zien om te extensiveren. Voorlichting, leernetwerken en kennisontwikkeling zijn daarvoor belangrijk. Uiteindelijk gaat het om het bieden van langjarige zekerheid: extensieve agrariërs moeten een goed verdienmodel kunnen realiseren. Veel agrariërs laten zien dat dit kan, dus ik wil andere agrariërs stimuleren om deze goede voorbeelden te volgen.
Het inkomen van de boer kan onder druk komen te staan door een lagere productie, terwijl de kostenbesparing (door lagere inputs) dit onvoldoende compenseert. Daarnaast blijven de kosten voor grond gelijk of nemen zelfs toe. Dit veroorzaakt een inkomensgat. Extensievere productie geeft wel mogelijkheden voor het creëren van meerwaarde en dus een hogere prijs per product, door middel van een hoger niveau van dierenwelzijn of omschakelen naar biologische productie. Ook zijn er mogelijkheden voor het leveren van publieke diensten zoals koolstofvastlegging, waterbergend vermogen, natuurbeheer of een mooi landschap. Het is aan de overheid om een bijdrage te leveren aan het structureel belonen van publieke diensten zodat deze nieuwe verdienmodellen interessant worden voor de agrarische ondernemer. Door combinaties van het omschakelen naar biologische bedrijfsvoering, onderscheiding door natuurinclusiviteit, een multifunctioneel bedrijf of meer inzet op natuur- en landschapsbeheer kan verdienvermogen ontwikkeld worden. Het afwaarderen van de grondwaarde moet in sommige gevallen een onderdeel zijn van de aanpak. De keten en consument moeten een belangrijke bijdrage leveren door het bieden van een meerprijs. Concrete instrumenten voor ondersteuning van extensivering Pagina 36 van 49
Directoraat-generaal Agro
In de bestaande voorlichtings- en kennisprogramma’s is aandacht voor extensivering. Binnen de SABE-regeling kunnen agrariërs gebruik maken van onafhankelijke adviezen, bedrijfsplannen en cursussen, onder andere op het thema natuurinclusieve landbouw. Waar nodig zal ik dit versterken. Met het GLBNationaal Strategisch Plan willen we extensivering van de landbouw met diverse regelingen gaan ondersteunen, zoals het ANLb, de gebiedsgerichte interventies veenweiden en overgangsgebieden N2000 en de ecoregeling. Het ANLb vormt een succesvolle maatregel voor agrarisch natuurbeheer die we in het huidige GLB al kennen en die wordt uitgevoerd door agrarische collectieven. Het areaal met beheersovereenkomsten is momenteel meer dan 80.000 ha. In het nieuwe GLB neemt het beschikbare budget van € 80 miljoen toe naar € 120 miljoen zodat we meer overeenkomsten kunnen afsluiten. Met het ANLb helpen we agrariërs onder andere om doelsoorten, zoals boerenlandvogels, in stand te houden. De ecoregeling is een nieuw instrument. Agrariërs kunnen eco-activiteiten kiezen die zij willen toepassen op hun bedrijf, en krijgen daarvoor een vergoeding. Een aantal van deze activiteiten is gericht op extensivering, zoals extra weidegang en onderhoud van houtwallen.