CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-37 Raadsinformatiebrief Nationaal Programma Landelijk Gebied-Stikstof.pdf - bijlage 4.pdf

Oordeelsvormende vergadering 20 september 2022, gemeente LosserBij agendapunt: Raadsinfo 2022-37 Nationaal Programma Landelijk Gebied Stikstof23.299 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bijlage 4 bij raadsinfomatie brief juni 2022

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Directoraat-generaal Agro

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Prinses Irenestraat 6 2595 BD DEN HAAG

Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001858272854000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/lnv

Datum Betreft

10 juni 2022 Perspectieven voor agrarische ondernemers

Ons kenmerk DGA / 22247429

Geachte Voorzitter, Met deze brief informeer ik uw Kamer, zoals toegezegd, over hoe ik richting en steun wil geven aan het toekomstperspectief voor agrarische ondernemers. Dit is meer dan ooit nodig, nu de veranderopgave waar de landbouwsector1 voor staat ongekend groot is. Door innovatief ondernemerschap is de Nederlandse land- en tuinbouw letterlijk en figuurlijk groot geworden. Hoogwaardige productie van voedsel gaat samen met een hoog niveau van kennis, technologie en innovatie. De Nederlandse landen tuinbouw is hier wereldwijd toonaangevend mee geworden – we mogen trots zijn op wat de landbouw, maar ook de toeleverende en verwerkende industrieën en de kennisinstellingen hebben gepresteerd om Nederland als agro-kennisland op de kaart te zetten en zo een belangrijke bijdrage te leveren aan de mondiale voedselvoorziening. Tegelijk is de afgelopen jaren steeds scherper duidelijk geworden dat de landbouw in Nederland door de intensieve wijze waarop we hoge producties realiseren de grenzen heeft bereikt – en in veel gevallen heeft overschreden - van wat de leefomgeving aankan. We staan nu voor de immense opgave de biodiversiteit te herstellen en de uitstoot van ammoniak en broeikasgassen naar de lucht en van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen naar het water substantieel te verminderen. De aanpak hiervan duldt geen uitstel.

Het gaat daarbij niet om het bijschaven van de scherpe randjes, maar om een gehele transitie van het landbouw- en voedselsysteem. Daarvoor zijn ambitieuze doelen vastgelegd, veelal binnen onontkoombare (Europese) wettelijke kaders. De integrale, deels gebiedsoverstijgende, maar vooral gebiedsgerichte aanpak voor stikstof, water, klimaat en natuur die het kabinet wil volgen om de grote opgaven aan te pakken, zal onvermijdelijk leiden tot ingrijpende aanpassingen in het landelijk gebied en de agrarische sector. Want de generieke, nationale opgaven worden vertaald naar doelen op gebiedsniveau en werken zo uiteindelijk door naar de schaal van individuele landbouwbedrijven. De komende maanden wordt de wijze waarop de verschillende doelen en maatregelen in de gebiedsprogramma’s geïntegreerd en onontkoombaar vastgelegd gaan worden, verder uitgewerkt. Onderdeel van het Waar in deze brief wordt gesproken over de landbouw en agrariër wordt veelal ook gedoeld op tuinbouw en tuinbouwers. 1

Pagina 1 van 49

Directoraat-generaal Agro

eerlijke verhaal is de pijnlijke boodschap dat niet alle agrariërs door kunnen met hun agrarische onderneming. Zeker niet in alle gebieden. En niet elke agrariër kan door op de manier waarop hij of zij al jaren gewend is om te werken. Niet alles kan overal en het kan niet meer zoals het altijd ging. Het landbouw- en voedselsysteem, gericht op het vergroten van de productie tegen zo laag mogelijke (kost)prijs, is voor de toekomst niet houdbaar. Het is een gezamenlijke opdracht om in ons land de agrarische productie in evenwicht te brengen met de omgeving waarin die voedselproductie plaatsvindt.

Ons kenmerk DGA / 22247429

De landbouw heeft toekomst in ons land, maar die landbouw zal er fundamenteel anders uit moeten gaan zien dan nu. Maar door de agrariërs in staat te stellen om deze uitdagingen aan te gaan, kan de sector hier uiteindelijk sterker door worden. Dit vind ik wezenlijk, want de landbouw verdient toekomst. Die toekomst is er niet als geen rekening wordt gehouden met de impact van klimaatverandering en als de productie leidt tot uitputting van de bodem en het grond- en oppervlaktewater, en schade aan ecosystemen. En het omgekeerde geldt evenzeer: een krachtige landbouwsector, die economisch sterk genoeg is om de omslag naar de kringlooplandbouw te maken, is een voorwaarde en een deel van de oplossing voor het realiseren van de natuur- en milieudoelen. Want de landbouw is niet alleen onmisbaar voor voedselproductie, maar voorziet de samenleving ook van manieren om biodiversiteit te versterken, koolstof vast te leggen, het water vast te houden, de landschappelijke kwaliteit, de culturele identiteit en ons erfgoed recht te doen, en een gezonde leefomgeving voor mens en dier te bieden. Ik ben ervan overtuigd dat de sector opnieuw sterker en toekomstbestendig kan worden, mits wij – overheid en samenleving - de agrariërs in staat stellen om de uitdagingen aan te gaan. Dat is in Nederland en ook op veel andere plaatsen in de wereld bepalend voor de verduurzaming van het voedselsysteem.

Agrarische activiteit geeft de omgeving, waar veel Nederlanders wonen, werken en leven, zijn typerende cultuurhistorische, landschappelijke kenmerken. De sector heeft zich de afgelopen decennia steeds aangepast aan veranderende wensen vanuit de maatschappij. Mij staat een landbouwsector voor ogen die maatschappelijke waardering krijgt voor de wijze waarop deze ons voedsel produceert en het landschap onderhoudt. Agrariërs zijn bovendien dé deskundigen die weten wat wel en niet mogelijk is om een transitie van de landbouw mogelijk te maken. Hun daadkracht, vakmanschap, flexibiliteit, ondernemerschap en innovatieve kijk op oplossingen verdienen trots en waardering. Ik heb er vertrouwen in dat zij ook de komende grote veranderingen aankunnen, als zij de tijd en de ruimte krijgen om zich aan te passen. Ik zie kansen voor de agrofoodsector als geheel om bij te dragen aan duurzame voedselproductie, aan een groene en gezonde economie, aan ons landschap en aan een landelijk gebied dat ook sociaal-cultureel gezien vitaal is. Het toekomstperspectief ziet er voor iedere boer en voor elk bedrijf anders uit. Dat perspectief hangt af van persoonlijke ambities en de mogelijkheden of beperkingen in de omgeving, met name die van het water- en bodemsysteem en de nabijheid van kwetsbare natuur.

Maar de richting die het uit moet is voor de hele agrarische sector eensluidend en is in het coalitieakkoord bevestigd: we gaan de omslag maken naar kringlooplandbouw. Bij kringlooplandbouw werken de landen tuinbouw binnen de grenzen van natuur en klimaat, en dragen bij aan Pagina 2 van 49

Directoraat-generaal Agro

biodiversiteit en waterkwaliteit. De noodzaak daartoe is onverminderd actueel en de realiteit is nog steeds dat we in Nederland ecologische grenzen zo ver overschrijden dat dit niet houdbaar is. Deze omslag zal alle agrariërs raken, voor velen met ingrijpende gevolgen. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied staat op hoofdlijnen wat waar kan, binnen de onontkoombare doelen voor biodiversiteit en stikstof, klimaat en waterkwaliteit. Uit onder meer de regionale stikstofdoelen volgt dat in bepaalde gebieden op korte termijn forse veranderingen nodig zijn en het perspectief voor landbouw dus beperkt is. Elders legt de omgeving minder beperkingen op.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Deze transitie moeten wij maken in een tijd waarin we wereldwijd worden geconfronteerd met een alarmerende verslechtering van de voedselzekerheid van miljoenen mensen. De oorlog in Oekraïne, weersextremen en de Covid-19 pandemie hebben de wereldvoedselmarkt zwaar geraakt. Daar ondervinden vooral de meest kwetsbare landen en bevolkingsgroepen de gevolgen van. Tegen de achtergrond van deze situatie realiseren we ons eens te meer de betekenis en waarde van een stabiele, duurzaam producerende agrosector voor de voedselzekerheid. We beseffen extra sterk hoe urgent de omslag naar weerbaardere voedselsystemen is. Hoewel deze omslag iedere boer zal raken, doen we dit niet zonder perspectief te bieden. Het is daarom niet de vraag óf de land- en tuinbouw in Nederland perspectief heeft, maar hóe dit perspectief vorm gegeven kan worden, wat agrarische ondernemers, met name de jonge ondernemers, nodig hebben om met vertrouwen de toekomst in te gaan en hoe we hen als overheid hierbij kunnen ondersteunen.

Dat is waar deze brief in hoofdzaak over gaat: ik bouw voort op de ingezette koers naar kringlooplandbouw en heb ook aansluiting gezocht bij de maatschappelijke initiatieven zoals het Versnellingsakkoord ‘Een duurzaam evenwicht’ (Bouwend Nederland, LTO Nederland, Natuurmonumenten, Natuur & Milieu, VNO- NCW en MKB Nederland) en Coalitie Toekomstbestendige Melkveehouderij (LTO Nederland, NAJK, Rabobank en NZO). Ik spits dit in deze brief toe op de vraag wat (jonge) ondernemers nodig hebben om te investeren in de toekomst en wat zij daarbij van mij mogen verwachten. Ik beschrijf binnen welke kaders de landbouw zich moet ontwikkelen en welke perspectieven ik daarbij voor verschillende sectoren zie, afhankelijk van onderscheiden gebiedstypen. Ik werk dit uit in verschillende ontwikkelrichtingen die ondernemers kunnen kiezen, waarbij ik per ontwikkelrichting aangeef met welke inzet (instrumentarium) ik ondernemers ondersteun om hun eigen pad te kiezen. Dit laatste blijft cruciaal: als minister wil en kan ik niet op de stoel van de ondernemer zitten door voor te schrijven hoe zijn of haar land- en tuinbouwbedrijf er in 2040 precies uit moet zien. Mijn rol is aan te geven welke doelen bereikt moeten worden en ondersteuning te bieden bij de investeringen en aanpassingen die hiervoor nodig zijn.

De landbouwsector is al eeuwen de belangrijkste scheppende kracht van het Nederlandse landschap en zorgt voor sociale samenhang in het buitengebied; daar ben ik trots op en ik wil er alles aan doen wat in mijn vermogen ligt om dit zo te houden. Ik weet dat we kunnen vertrouwen op de kracht van het agrarisch ondernemerschap. Daarom wil ik via doelsturing agrariërs en tuinders ruimte bieden om zelf te bepalen hoe zij hun bedrijfsvoering willen inrichten. Kringlooplandbouw is geen opgelegde blauwdruk, maar zal per Pagina 3 van 49

Directoraat-generaal Agro

sector, per gebiedstype en per bedrijf verschillend worden ingevuld. De doelen van het beleid2 en de vertaling daarvan naar prestatie-indicatoren op bedrijfsniveau bepalen concreet welke prestaties van agrarische ondernemers worden verwacht.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Tijdens het (versnellen van) de transitie naar een duurzaam voedselsysteem moeten agrarische ondernemers zelf kunnen bedenken door welke keuzes ze hun bedrijf duurzamer en klaar voor de toekomst kunnen en willen maken. Daarvoor moet allereerst duidelijk zijn binnen welke kaders bedrijfsontwikkeling mogelijk is, aan welke doelen en normen een ondernemer moet voldoen, en op welke termijn. Dit vraagt vaak aanpassingen en investeringen in de bedrijfsvoering van agrarisch ondernemers. Investeringen die (de eerste jaren) niet altijd rendabel zijn en/of risicovol zijn. En welke ondersteuning kan de agrariër dan verwachten? Het toekomstperspectief voor de landbouw wordt volwaardig meegenomen in de gebiedsgerichte aanpak. Daarbij worden de gebiedsprocessen pas als geslaagd gezien als de agrariërs bedrijfseconomisch perspectief voor de lange termijn hebben. Tot slot, en dat is misschien wel het belangrijkste, heeft de agrariër niet als enige de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de omslag naar kringlooplandbouw. Een boer kan zijn of haar bedrijfsvoering alleen duurzaam veranderen als de hele keten verandert. De vraag naar duurzamere producten en of de agrariërs daar de juiste prijs voor krijgen, bepalen het echte perspectief.

Daarom moeten álle schakels in de agrofoodketen medeverantwoordelijkheid nemen, dus ook eigenaren van landbouwgrond, banken en andere financiers, toeleveranciers, afnemers, voedselverwerkers, distribiteurs en transporteurs. En natuurlijk ook de consument, zowel in Nederland als in het buitenland. Ook van hen verwacht het kabinet een niet-vrijblijvende bijdrage op de kortste termijn, zowel individueel als gezamenlijk. De tijd van op elkaar wachten en naar elkaar verwijzen is voorbij. 1. Perspectief met kringlooplandbouw 1.1 Opgaven die geen uitstel dulden Veel agrariërs maken al de omslag naar duurzamere productievormen – kringlooplandbouw - maar het is nodig te versnellen. Agrariërs verdienen daarbij ondersteuning. Zij moeten niet alleen uitzicht hebben op een duurzaam verdienmodel voor de lange termijn, maar hebben ook concrete ondersteuning nodig om de vereiste omslag op de korte termijn te maken. Dit moet ondersteuning zijn die goed aansluit bij de praktische gevolgen van de opgaven waar de landbouw voor staat. Deze gevolgenwerken op gebiedsniveau verschillend uit maar raken iedere agrarische ondernemer.

We moeten alles doen om zorgvuldig om te gaan met grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen, schadelijke uitspoeling naar water, schadelijke uitstoot naar de lucht en schadelijke neerslag in de bodem terug te dringen en productiewijzen te omarmen die gezond zijn voor mens en dier en de kwaliteit van de biodiversiteit en de bodem versterken. Zoals gezegd, we hebben bij de aanpak van deze opgaven geen tijd te verliezen. Kringlooplandbouw heeft zo een bredere betekenis Zie bijlage bij Tweede resultatenoverzicht realisatieplan visie Waardevol en verbonden Kamerstuk 35 570-XIV78 2

Pagina 4 van 49

Directoraat-generaal Agro

dan alleen het sluiten van nutriëntenkringlopen op verschillende schaalniveaus. Ik zie kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw, biologische landbouw en regeneratieve landbouw als elkaar overlappende en versterkende begrippen en richtingen. Steeds staat centraal bij de voedselproductie: het verminderen van milieudruk én het bijdragen aan natuur en landschap: natuurlijke processen staan zoveel mogelijk aan de basis van de bedrijfsvoering en de kringlopen van grondstoffen en hulpbronnen worden op een zo laag mogelijk schaalniveau gesloten. Dierwaardige veehouderij is een onderdeel van kringlooplandbouw. De transitie naar dierwaardige veehouderij geeft invulling aan dierenwelzijn en diergezondheid binnen de kringlooplandbouw.

Ons kenmerk DGA / 22247429

De natuurlijke draagkracht van een gebied zal veelal bepalen welke ontwikkeling voor de daar gevestigde bedrijven mogelijk is. We werken er naartoe dat akkerbouw, veehouderij en tuinbouw optimaal gebruik maken van grondstoffen uit elkaars ketens die niet geschikt zijn voor humane consumptie en van reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en voedingsketens. Daarnaast streven de bedrijven naar maximale benutting van natuurlijke processen, zoals natuurlijke methodes om plagen te bestrijden en de bodemkwaliteit te verbeteren. Ook het verrijken van de biodiversiteit past hierbij, bijvoorbeeld door het inzaaien van kruidenrijke graslanden en het beheer van houtwallen. Dit vraagt ruimte en adequate ondersteuning voor ondernemers om nieuwe wegen in te slaan – ruimte en ondersteuning die de overheid, de markt en de samenleving gezamenlijk moeten bieden. In lijn met het coalitieakkoord Omzien naar elkaar zal kringlooplandbouw verder worden uitgewerkt voor de landbouw, in het bijzonder voor voer, mest en bodem. Er zal daarbij ook worden aangegeven wat dit betekent voor het pachtbeleid en voor dierenwelzijn. De hoofddoelen van kringlooplandbouw - voer, mest en bodem - kunnen door sectoren worden vertaald naar een goede landbouwpraktijk door gebruikmaking van de kpi-systematiek (zie 1.2). De kritische prestatie-indicatoren zijn afgeleid van de hoofddoelen van kringlooplandbouw.

Drempel- en streefwaarden kunnen concreet maken wat ‘goede landbouwpraktijk’ is. Daarmee zal ik dan ook uitvoering geven aan de motie-De Groot en Boswijk3, waarin wordt verzocht om uitwerking van kringlooplandbouw in termen van operationele doelen en het formuleren van een goede landbouwpraktijk. Met kpi’s wordt op veel plaatsen in het land al volop praktijkervaring opgedaan, m.n. in zuivel en akkerbouw en binnenkort ook in andere sectoren. In november 2022 zal ik uw Kamer met een brief informeren over deze verdere uitwerking van kringlooplandbouw en met welke acties hieraan gevolg zal worden gegeven. De perspectieven voor agrariërs verschillen per sector en per gebied.4 In de ‘Ruimtelijke ordeningsbrief’5 die onlangs aan uw Kamer is gestuurd wordt aangegeven dat goede landbouwgrond beter ruimtelijk beschermd moet worden zodat de beste landbouwgrond voor de landbouw kan worden behouden. Het bodem- en watersysteem vormt bij de beoordeling een belangrijk uitgangspunt. Denk aan vitale bodems, onder andere organisch stofgehalte, beschikbaarheid van (grond)water en het anticiperen op de toename van verzilting van bodems en Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 107 Zie Perspectieven voor landbouw in een gebiedsgerichte benadering. Essay op verzoek van ministerie van LNV door Martin Scholten, Martha Bakker & Roel Jongeneel (Wageningen University & Research), 15 oktober 2021.

5 Kamerstuk 34 682, Nr. 92 3 4

Pagina 5 van 49

Directoraat-generaal Agro

Ons kenmerk oppervlaktewater. Vervolgens moet dit ook op gemeentelijk niveau worden DGA / 22247429 6 vastgelegd. Dit komt tegemoet aan de motie Boswijk c.s. . Op de hier omschreven gronden kan tegen de meest gunstige voorwaarden, ecologisch duurzaam, hoogwaardig, dierwaardig en economisch profijtelijk worden geproduceerd. We vinden hier afwisselend grondgebonden akkerbouw, vollegrondsgroenteteelt en tuinbouw, en melkveehouderij. Ook hier staat de landbouw voor de opgave te voldoen aan natuur-, milieu- en klimaatdoelen. Het gaat hierbij niet alleen om het reduceren van stikstof en herstel van de natuur, maar ook om kaders die zijn gesteld rond mest, gewasbeschermingsmiddelen, CO2 en om dierwaardigheid en preventie van zoönosen (zie paragraaf 2, rekenschap geven van andere doelen). Landbouw heeft in deze gebieden voorrang boven gebruiksfuncties die niet of minder afhankelijk zijn van omgevingsfactoren, zoals zonneparken, distributiecentra of datacentra. Hier zijn heldere planologische kaders voor nodig: op Rijksniveau in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en bij provincies en gemeenten in hun respectievelijke omgevingsvisies of deelprogramma’s. Zo blijven bedrijven in deze gebieden competitief, ook op internationale markten.

Voor een overzicht van voor de landbouw relevante doelen verwijs ik u naar de bijlage ‘Structurerende keuzes en doelen’ bij de Startnotitie NPLG7 die u gelijktijdig met deze brief hebt ontvangen van de minister voor Natuur en Stikstof. Sommige doelen zijn al wettelijk vastgelegd, bijvoorbeeld in de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn. Andere zijn in eerdere trajecten interbestuurlijk afgesproken, bijvoorbeeld verschillende natuurdoelen. Daarnaast bevat het overzicht doelen, die nog gebiedsgericht moeten worden vertaald, zoals het klimaatdoel voor de landbouw. De landbouw heeft immers niet alleen de opgave om de stikstofuitstoot te verminderen, maar heeft ook een forse bijdrage te leveren aan de realisatie van de nationale klimaatdoelen. We zullen toe moeten naar een landbouw waarvan de onvermijdelijke broeikasgasuitstoot zo laag mogelijk is; 2050 is het jaar waarin Nederland klimaatneutraal wil zijn. Om die ambitie te realiseren zijn nu al op de korte termijn, richting 2030, flinke stappen nodig, ook in de landbouwsector. Bepaald is dat de landbouw een indicatief restemissiedoel van 18,9 Mton broeikasgassen (CO2 eq.) in 2030 heeft. In het coalitieakkoord is opgenomen dat van de benodigde reductie indicatief 5 Mton CO2-eq wordt bereikt met de integrale gebiedsgerichte aanpak.

Dit is een scherp doel, en het kabinet realiseert zich dat de impact hiervan op de sector groot is. Echter, om het 2050 doel te realiseren is nog veel meer nodig in de landbouwsector. Daarom is het van groot belang om maatregelen, die nu getroffen gaan worden, te bezien in het licht van de lange termijnopgave klimaatneutraliteit in 2050. In juli 2023 zullen de regionale doelstellingen voor natuur, stikstof, klimaat en water definitief worden vastgesteld en landen in de gebiedsprogramma’s van de provincies. In het beleidsprogramma klimaat en energie8 heeft het kabinet aangekondigd met welke maatregelen het klimaatdoel binnen bereik wordt gebracht. De uitvoering van het Klimaatakkoord waarin de nadruk ligt op techniek en innovatie, is niet Kamerstuk 33 037, nr 391 Startnotitie NPLG 8 Kamerstuk 32 813, nr. 974 6 7

Pagina 6 van 49

Directoraat-generaal Agro

Ons kenmerk voldoende. Voor de glastuinbouw zijn klimaatmaatregelen, waaronder fiscale DGA / 22247429 maatregelen, onderdeel van een samenhangend pakket waarover de Kamer is geïnformeerd op 22 april 2022.9 De rest van de landbouw loopt mee via de integrale, gebiedsgericht aanpak waarin maatregelen die raken aan de omvang van de veestapel onvermijdelijk zijn om het klimaatdoel te halen. Op sommige plekken kan dit door te extensiveren, op andere plekken door veehouderijen te beëindigen. Dit draagt ook dit bij aan de stikstofopgave. Daarbij is vrijwilligheid een belangrijk uitgangspunt is. Maar er moeten ook escalatiemechanismen zijn en vooraf moet duidelijk zijn wanneer en onder welke voorwaarden dwingend instrumentarium wordt ingezet. In het kader van het NPLG zijn de provincies en het rijk gezamenlijk aan zet om in de gebiedsgerichte aanpak in samenspraak met de betrokkenen in de gebieden te kijken wat er nodig is. Het Rijk gaat door met de uitvoering van het Klimaatakkoord en werkt algemeen beleid uit, bijvoorbeeld beleid waarbij agrariërs kunnen meedoen aan regelingen om stallen brongericht en integraal (ammoniak, methaan, geur en fijnstof) te verduurzamen. Naar verwachting kunnen bedrijven binnenkort gebruik maken van een regeling voor hoogwaardige mestverwerking (productie van kunstmestvervangers).

Ook wordt er gewerkt aan oplossingen om de methaanuitstoot via voer- en managementmaatregelen te verminderen (bijvoorbeeld project van DSM/FrieslandCampina).

Extensievere en innovatievere vormen van veehouderij en akkerbouw dragen bij aan vermindering van de druk op het milieu en het klimaat. De melkvee- en rundveebedrijven ontwikkelen zich tot een grondgebonden sector in 2032 die alle mest op het eigen bedrijf kunnen plaatsen (of op de grond van een collega in een samenwerkingsverband, zie verder 2.1). De plantaardige teelten werken binnen de kaders van een teeltsysteem waarin duurzaam gebruik van de bodem uitgangspunt is. Deze teelten volgen een geïntegreerde gewasbeschermingsstrategie met nagenoeg geen emissies naar het milieu. Hoewel ik niet alles verwacht van een zware inzet op technische innovaties, biedt voor bepaalde veehouderijbedrijven een integrale brongerichte aanpak zeker ook kansen. Daarbij worden emissies van schadelijke stoffen in bestaande stalsystemen en nieuwe stalconcepten zoveel mogelijk voorkomen en wordt eventueel de stallucht nog door een nageschakelde techniek gezuiverd. Naast managementmaatregelen (onder andere via het veevoer) is de kern van deze aanpak de toepassing van (een combinatie van) technieken waarmee verse mest frequent en snel uit de stallen wordt afgevoerd, de mest wordt gescheiden in een dikke en een dunne fractie en vervolgens met methaanemissiebeperkende technieken wordt verwerkt tot waardevolle meststoffen zoals kunstmestvervangers en bodemverbeteraars.

Bepaalde veehouderijsectoren (zoals varkens, pluimvee, vleeskalveren) produceren in Nederland (veelal) los van de grond. Voor deze sectoren is de opgave om de druk op de leefomgeving te minimaliseren door te zorgen voor emissiearme bedrijfsvoering, zuinig gebruik van grondstoffen en energie, hergebruik van reststromen en – voor wat betreft de veehouderij - het leveren van hoogwaardige meststoffen. De intensieve veehouderij heeft daarmee ook een rol in het landbouwsysteem en het is belangrijk dat daarvoor voldoende locaties 9

Kamerstuk 32 627, nr. 39 Pagina 7 van 49

Directoraat-generaal Agro

beschikbaar blijven. Daarnaast moet de veehouderij dierwaardig zijn en houdt men rekening met dier- en volksgezondheid.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Daarnaast zijn er ook nieuwe vormen van landbouw die voor innovatieve ondernemers perspectief kunnen bieden, zoals de teelt van biogrondstoffen voor de bouw en andere industriële toepassingen, agroforestry, zilte teelten, verwerking op het eigen bedrijf en afzet binnen een korte keten, de productie van eiwitten uit andere bronnen zoals algen, et cetera. Productieve investeringen (ontwikkelingsgericht) en niet-productieve investeringen (milieugericht) kunnen effectief worden gecombineerd, denk aan precisielandbouw, stroken- en mengteelten en andere vormen van ecologische plaagbestrijding, mestverwaarding, diervriendelijke stallen en circulaire oplossingen met betrekking tot gebruik van grondstoffen voor bemesting en diervoeding. Akkerbouwers en veehouders werken samen, bijvoorbeeld in duurzame gewasrotaties van voedselen voedergewassen en de uitwisseling van reststromen (gewasresten en mest). Om deze nieuwe vormen van landbouw tot een succes te maken is inzet van alle ketenpartijen nodig. Daarin wordt nu al door meerdere ondernemers in de agrofoodsector geëxperimenteerd, vaak met mooie resultaten. In gebieden waar de kaders knellen, zal de landbouw hoe dan ook extensiever ingericht moeten worden met meer aandacht voor het beheer van natuur en landschap.

Denk hierbij aan de nabijheid van kwetsbare Natura 2000-gebieden, het tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden en aan uitspoeling vanuiten verdroging van zandgronden. Het zwaartepunt zal hier meer op multifunctionele en regeneratieve vormen van landbouw liggen, waarin bedrijven aandacht voor biodiversiteit, water- en bodemkwaliteit en waterberging combineren met andere activiteiten, zoals agrotoerisme, productie van hoogwaardige streekproducten en het leveren van zorg. Naast agrarische productie heeft de levering van publieke diensten hier een belangrijke rol. Bedrijfsvergroting kan daarbij zeker aan de orde zijn, want voor extensivering is ruimte nodig, met behoud van landschappelijke waarden. De manier van werken waarmee de Nederlandse landbouw wereldwijd groot is geworden, is in de afgelopen decennia door overheid, wetenschap, industrie, handel, bankwezen en consumenten gezien als de beste manier. Daarom is het niet gepast de ‘veranderlast’ eenzijdig op de schouders van agrariërs te leggen. Ja, we vragen forse aanpassingen van ondernemers in de agrarische sector, maar de kosten of pijn die daarmee gepaard gaan, moeten worden gedeeld.

In de vele gesprekken, die ik de afgelopen tijd met ondernemers en vertegenwoordigers uit de landbouwsector heb gevoerd, is me op het hart gedrukt dat agrariërs het juist ook in de fase van verandering niet redden als de overheid geen richting en ruimte biedt en helpt waar het kan. We vragen veel, maar het vermogen om te investeren in een duurzame stal of in grond ontbreekt vaak en zal er ook niet komen als er voor de lange termijn geen gezond toekomstperspectief is. Dat drukt zwaar op ondernemers. Voor hen is het in de eerste plaats belangrijk om duidelijke kader te stellen waar ze van op aan kunnen en in de tweede plaats de juiste voorwaarden te scheppen waardoor zij – agrariërs én ketenpartijen – binnen die kaders voor hun bedrijf perspectief kunnen ontwikkelen.

Pagina 8 van 49

Directoraat-generaal Agro

Ons kenmerk Van ketenpartijen (toeleveranciers, banken en afnemers, tot en met de DGA / 22247429 consument) verwacht ik een voortrekkersrol. Er zijn veel voorbeelden van initiatieven die laten zien dat deze verwachting gerechtvaardigd is. Inmiddels wordt 1 op de 5 euro in de retail uitgegeven aan een duurzaam product10 en het aandeel voedselproducten dat onder duurzaamheidskeurmerk wordt verkocht, groeit sterk. Ik zie innovatieve ontwikkelingen in tal van sectoren die leiden tot nieuwe producten en marktconcepten, die veelbelovende perspectieven bieden, ook voor agrarische ondernemers. Ketenpartijen hebben juist voor de omslag naar kringlooplandbouw de sleutel in handen. Denk aan het verwerken van reststromen, maar ook in uiteenlopende rollen als veredelaars, leveranciers en verwerkers hebben zij mogelijkheden en belang om agrariërs en tuinders te helpen om te verduurzamen, bijvoorbeeld door zuinig gebruik van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, grondstoffen en reststromen. Ik verwacht dat ketenpartijen en agrarische brancheorganisatie over de hoofddoelen van kringlooplandbouw - voer, mest, bodem, dierenwelzijn- in bijv. in private kwaliteitssystemen afspraken maken met hun leveranciers en leden.

Er zijn ook al veel agrariërs die laten zien dat het goed mogelijk is om in goede balans met de leefomgeving gewassen, vlees, eieren en zuivel te produceren. Zij verdienen een goede boterham met een productiewijze waarbij milieubelastende inputs van buiten het bedrijf en emissies vanuit het bedrijf laag zijn, de bodemen waterkwaliteit onder het bedrijf hoog is, de biodiversiteit op en om erf en landerijen floreert en de dieren een hoge staat van welzijn ervaren. Dankzij hun kennis, kunde en creativiteit hebben zij duurzaam perspectief ontwikkeld. Hun kennis, ervaring en werkplezier werken aanstekelijk: ik wil stimuleren dat andere ondernemers ook in beweging komen, door ze te helpen met de juiste instrumenten en financiële middelen maar bijvoorbeeld ook door het inzetten van coaching en onafhankelijk bedrijfsadvies. Juist ook jonge agrariërs moeten ondersteuning ervaren als zij besluiten moeten nemen waar zij vele jaren mee vooruit moeten. Daarom komt er in het toekomstig GLB-NSP een extra ondersteuning voor jonge landbouwers wanneer zij willen investeren in modernisering of verduurzaming van hun bedrijf. In een divers landbouwland ga ik geen blauwdruk van bovenaf neerleggen voor individuele ondernemers. Zij moeten zo veel mogelijk zelf ‘aan het stuur’ kunnen zitten als het gaat om het bepalen van de richting waarin zij hun bedrijf willen ontwikkelen.

Uiteraard passend in de opgaven die er zijn om de gebiedsdoelen te behalen. Rijk en provincies gaan er op sturen dat zeker wordt gesteld dat de doelen en opgaven in de gebieden worden gehaald (“de som moet kloppen”). Zie hiervoor ook de startnotitie NPLG van de minister voor Natuur en Stikstof. Ondernemers kunnen kiezen voor technische innovatie, landschappelijke innovatie in de vorm van extensivering, het omschakelen naar nieuwe producten of diensten (verbreden of vernieuwen van het bedrijfsmodel zoals multifunctionele landbouw), verplaatsen of stoppen. Vaak zal het gaan om een combinatie van deze richtingen. We bieden ondernemers perspectief als we hen in staat stellen om toekomstgerichte keuzes te maken in het vertrouwen dat er ook op termijn voldoende basis is voor een solide verdienmodel, rendabele bedrijfsvoering en bedrijfscontinuïteit. We hebben een heel scala aan (financiële) instrumenten die 10

www.iriworldwide.com Keurmerken rapport 2021

Pagina 9 van 49

Directoraat-generaal Agro

agrariërs daarbij ten dienste staan. In hoofdstuk 3 van deze brief zet ik verder uiteen welk (rijks)instrumentarium al beschikbaar is en hoe we dat aanpassen of aanvullen om het (beter) geschikt te maken in het kader van de integrale, gebiedsgerichte aanpak.

Ons kenmerk DGA / 22247429

De overheid kan niet alle problemen van agrariërs oplossen of overnemen, maar ik wil in deze zeer turbulente tijden wel zorgen voor individuele ondersteuning bij de verschillende ontwikkelrichtingen die ondernemers voor zichzelf uitstippelen. Maatwerk, daar komt het op aan. En ruimte om te experimenteren, daar waar het kan. Hierdoor ontstaat perspectief. In dit verband koester ik de inzet die de afgelopen jaren door de zogeheten experimenteergebieden voor kringlooplandbouw is gepleegd om, in samenwerking met mijn ministerie, op gebiedsniveau en in ketenverband de verduurzaming van de landbouw te versnellen. Uw Kamer heeft er op aangedrongen deze werkwijze de komende jaren voort te zetten en daarbij “helderheid te verschaffen over randvoorwaarden als experimenteerruimte, inhoud, methodiek en monitoring voor de experimenteerregio’s”.11 Ik ga graag in op hun uitnodiging om LNV te committeren aan de aanpak in de experimenteergebieden en daartoe meerjarige afspraken te maken om gezamenlijk het noodzakelijke vernieuwingsproces voortvarend te kunnen voortzetten en hiervoor budget vrij te maken. Daar waar uitzonderingen op EU-regelgeving nodig zijn, zal ik mij daar voor inzetten.

Maar ik wil ook eerlijk zijn: experimenteerruimte is er alleen, als we op koers liggen bij het halen van de ecologische doelen die in harde -kwantitatief vastgelegde- EUnormen (bijvoorbeeld op het gebied van waterkwaliteit) vastliggen en er een veilige marge is om via experimenten aan oplossingen te kunnen werken. 1.2 Perspectief op langere termijn: Vertalen van doelen naar bedrijfsniveau en kpi’s Veel agrarische ondernemers zijn gemotiveerd om bij te dragen aan de lange termijndoelen voor milieu, dier en klimaat om daarmee de landbouw toekomstbestendig te maken. Door de hoge intensiteit van de productie op een beperkte oppervlakte kent de landbouw in Nederland een hoge milieudruk. De regelgeving om die milieudruk te verminderen, veelal met Europese regels als basis, ligt vast in voorschriften die weinig tot geen handelingsvrijheid voor ondernemers bieden. Ondernemers vinden dat er daardoor onvoldoende rekening gehouden wordt met hun vakmanschap en bedrijfsomstandigheden en ervaren regelgeving als complex. Dit zou de broodnodige innovatie om te verduurzamen voor ondernemers eerder hinderen dan stimuleren. Naast ondersteuning bieden, is de rol van de overheid daarom ook – waar mogelijk - belemmeringen wegnemen.

Bij de omschakeling van hun bedrijfsvoering kunnen landbouwers immers stuiten op belemmeringen uit bestaande wet- en regelgeving of knelpunten die samenhangen met de interpretatie of toepassing ervan in praktijk. Concreet gaat het om belemmeringen die een obstakel vormen voor: het sluiten van kringlopen van grondstoffen en hulpbronnen op een zo laag mogelijke schaal; Motie Van Campen cs (Kamerstuk 35 925 XIV, Nr. 35) over voortzetting van de inzet in en samenwerking met de experimenteergebieden voor kringlooplandbouw. 11

Pagina 10 van 49

Directoraat-generaal Agro

Ons kenmerk het verminderen van verspilling van biomassa in het gehele DGA / 22247429 voedselsysteem; het reduceren van emissies (uitspoeling van fosfaat en nitraat naar grond- en oppervlaktewater, uitstoot van broeikasgassen); het bevorderen van biodiversiteit en natuurherstel; het verminderen van energieverbruik en gebruiken van zoveel mogelijk hernieuwbare energie. Voor zover het belemmeringen betreft die voortvloeien uit nationale stelsels en regels, worden deze aangepakt in het kader van de herbezinning van het mest- en afvalstoffenbeleid. Het bevorderen van circulariteit is het beoogde uitgangspunt voor toekomstige mest- en afvalstoffenregelgeving. Voor het wegnemen van belemmeringen uit EU-regels, is actie van de Europese Commissie en veelal medewerking van de andere lidstaten vereist. Hier heb ik initiatieven voor genomen.

Op termijn zou de beperkte handelingsvrijheid weggenomen of verlicht kunnen worden als meer ruimte zou ontstaan voor ‘bedrijfsgerichte doelsturing’. Dit is een vorm van sturing die individuele ondernemers prikkelt, in staat stelt en ruimte geeft om binnen bepaalde grenzen zó te handelen dat zij publieke doelen op overtuigende wijze doelmatig helpen realiseren. Het mes snijdt hier aan twee kanten: het draagt bij aan realisatie van het publieke belang van verduurzaming van landbouw en voedsel én het biedt ondernemers meer vrijheid en verantwoordelijkheid als het gaat om de wijze waarop zij hun bedrijf verduurzamen. Meer bedrijfsgerichte doelsturing brengt ook nieuwe uitdagingen met zich mee; het vraagt veel van alle betrokken partijen en kan haaks staan op staande beleidskaders die niet zo maar te veranderen zijn. Het vereist van de overheid dat het de doelen duidelijk maakt op bedrijfsniveau, eventueel vastgelegd in een gebiedsgerichte aanpak, en de ontwikkeling van een betrouwbaar handhavingsen meetinstrumentarium. Van agrarische ondernemers vereist het dat ze werk maken van de grotere handelingsruimte die hun geboden wordt en dat zij zich committeren aan de op bedrijfsniveau te realiseren doelen en aan de verantwoording die daarbij hoort.

Het zal van de politiek vergen dat de focus meer komt te liggen op het vaststellen en monitoren van de doelen (het wat), en aanvaarden dat de wijze van realisatie (het hoe) aan het veld wordt overgelaten. Hiervoor is pas volledig ruimte als we op koers liggen bij het halen van de ecologische doelen en er een veilige marge is om aan oplossingen te kunnen werken die niet in (EU-)voorschriften vastliggen. Doelsturing zal niet altijd mogelijk zijn en zeker geen volledige handelingsvrijheid geven, eenvoudigweg omdat er altijd (en soms nog sterk beperkende) randvoorwaarden van overheden en andere partijen in het spel zullen zijn. Bovendien zou meer doelsturing in sommige gevallen aanpassingen of uitzonderingen van de Europese regelgeving vergen, waarvoor de beslissingsbevoegdheid niet bij onszelf ligt. Ook aanpassing van nationale regelgeving is een tijdrovend traject van lange termijn. Voor zover aanpassingen in wetgeving mogelijk zijn is doelsturing op korte termijn voor een aantal beleidsthema’s (bijvoorbeeld waterkwaliteit, dierenwelzijn) vooralsnog niet mogelijk. Het kabinet blijft zich hiervoor uiteraard wel inzetten. Pagina 11 van 49

Directoraat-generaal Agro

Kortom, doelsturing oogt vanuit meerdere perspectieven aantrekkelijk, maar is geen panacee voor alle beleidskwalen. De uitstoot van emissies wordt niet als vanzelf minder door doelsturing, maar alleen door minder inputs en beter management. Voorwaarde is bovendien dat op valide wijze doelbereik bedrijfsgericht kan worden aangetoond (=gemeten en gerapporteerd). Dit is allesbehalve eenvoudig, want het vergt met name veel en voldoende betrouwbaar analyse-, reken- en meetwerk wat op dit moment in veel gevallen nog niet mogelijk is. Meer meten of ánders meten, zie ik tegelijk wel als een veelbelovende mogelijkheid om de agrarische ondernemer op termijn meer perspectief te bieden op doelsturing op bedrijfsniveau. Binnen het programma Nationaal Kennisprogramma Stikstof wil ik hiervoor een apart programma inrichten, in de wetenschap dat er nog veel uitwerking nodig is in techniek, maar ook voor wat betreft de toepasbaarheid in de praktijk en de ontwikkeling van datalogistiek. Ik zal daarbij ook rekening houden met het advies dat de Kwartiermaker Innovatiegezant nog voor de zomer zal uitbrengen over het instellen van een regieorgaan voor versnelling van innovaties op het gebied van mestverwerking en stallen.

Het in te richten programma ‘Meten op bedrijfsniveau’ koppelt lopende kennisprojecten aan fieldlabs en praktijkprojecten, en de opgedane kennis zal ook op termijn zijn weg vinden naar een aantal pilots in diverse sectoren en regio’s. Dit zal niet van vandaag op morgen het antwoord zijn op alle opgaven en knelpunten waar ondernemers voor staan, maar ik zie dit voor de lange termijn wel als de richting waarin we de oplossing moeten zoeken.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Een vorm van doelsturing waarmee nu al praktijkervaring wordt opgedaan, is het belonen van prestaties van agrariërs op basis van kritische prestatie-indicatoren (kpi’s). Kpi’s bieden agrariërs een integraal en lange termijnperspectief op duurzaamheidsopgaven: door prestaties te belonen worden economie en ecologie met elkaar verbonden. Een goed werkende KPI-aanpak biedt ondernemersvrijheid omdat het de geleverde prestaties centraal stelt en doelsturing dichterbij brengt. Zowel in sectoren (met name de melkveehouderij) als in gebieden/provincies zijn hiermee de afgelopen jaren ervaringen opgedaan en de komende tijd worden er op initiatief van en met steun vanuit mijn ministerie op ongeveer twintig plaatsen in het land pilots opgezet om hier meer praktijkervaring mee op te doen, in de hoop en verwachting dat de toepassing van kpi’s de komende jaren verder kan worden opgeschaald. Met name in gebieden waar de opgaves voor natuur en stikstof, water en klimaat groot zijn, zal beloning voor maatschappelijke diensten een belangrijk onderdeel moeten zijn van het verdienmodel. Bij het toekomstige GLB, met name het nieuwe instrument van de ecoregeling, is hierop geanticipeerd. De komende GLB periode zal worden gebruikt om dit verder te verfijnen

Kpi’s bieden in principe de mogelijkheid tot een stapeling van beloningen , door verschillende partijen: privaat waar mogelijk, publiek waar noodzakelijk, en op basis van afrekenbare prestaties. De Biodiversiteitsmonitoren voor de melkveehouderij en de akkerbouw en de kritische prestatie-indicatoren voor kringlooplandbouw, die aansluiten op bestaande duurzaamheidsafspraken in de markt, kunnen hierbij als leidraad dienen. Uitgangspunt hierbij is dat het gaat om de toepassing van een ‘brede’ set kpi’s, waarmee verduurzaming op bedrijfsniveau Pagina 12 van 49

Directoraat-generaal Agro

integraal wordt gestimuleerd. Ook met de pilot van het Investeringsfonds Duurzame Landbouw doe ik ervaring op met doelsturing in de praktijk. Aansluitend hierop noem ik ook graag de uitwerking van kpi’s (voerkwaliteit, mest, bodemkwaliteit, dierenwelzijn etc), waarbij drempel- en streefwaarden concreet maken wat dan een goede landbouwpraktijk is. De verdere uitwerking van de kpi-systematiek vraagt vanzelfsprekend zorgvuldige besluitvorming, waarbij afstemming plaatsvindt met de sector en uw Kamer, en op basis van de praktijkervaringen met regelmaat onderzoek plaatsvindt naar de uitwerking in de praktijk.

Ons kenmerk DGA / 22247429

In samenspraak met gebieden en sectoren en met kennis vanuit verschillende onderzoeksinstellingen is het afgelopen jaar al een kernset kritische prestatieindicatoren voor kringlooplandbouw opgesteld. Het is de bedoeling deze – eerst via pilots, daarna via opschaling – in de praktijk door te ontwikkelen en steeds bredere toepassing te geven. Het betreft de volgende thema’s en kpi’s: Stikstofbalans: Stikstof efficiëntie/ overschot Ammoniakemissie: Ammoniakemissie (forfaitair) Fosfaatbalans: Fosfaatoverschot Herkomst inputs: Eiwit eigen land Broeikasgasemissies: Broeikasgasemissie Milieubelasting: Milieubelastingspunten gewasbescherming Energiebalans: p.m. integreren met kpi broeikasgasemissie Bodem organische stof: Organische stof balans Bodemkwaliteit: Aandeel gereduceerde grondbewerking & blijvend grasland Waterkwantiteit: PM nog vast te stellen Gewasdiversiteit: Index gewasdiversiteit & Aandeel kruidenrijk grasland Natuur & landschap: Aandeel natuur & landschap Dierenwelzijn: PM nog vast te stellen Diergezondheid: PM nog vast te stellen Emissies (van ammoniak en broeikasgassen) op het land worden uitgedrukt per ha (waardoor voor elke hectare landbouwgrond in principe dezelfde benadering kan worden toegepast) en emissies in de stal (die niet van toepassing zijn voor de plantaardige productie) per dier.

Op termijn zie ik verdere stappen richting doelsturing voor me, zoals ik aangaf in de brief die u onlangs van mij ontving over de Afrekenbare Stoffenbalans12. Met een ASB lijkt een lichte doelsturing mogelijk, met regulerende heffingen, gebaseerd op het bestuursrecht, waarmee bijvoorbeeld gestuurd kan worden op de uitvoering van managementmaatregelen zoals voer- en mestgebruik. Hiertoe moet nog wel verdere uitwerking plaatsvinden, met name door het verbeteren van de meet- en datakwaliteit. Dat ga ik samen met de sector oppakken. De mate en de snelheid waarmee doelsturing op onderdelen van het LNV beleid kan worden toegepast hangt dus met twee ontwikkelingen samen: technologische ontwikkeling (wat kan gemeten worden) en collectieve vermindering van de milieubelasting door de landbouw. De technologische ontwikkelingen gaan snel, maar hoe snel is nu niet te voorspellen. Mijn verwachting is dat de milieubelasting 12

Kamerstuk 32 813 nr 1037 Pagina 13 van 49

Directoraat-generaal Agro

flink zal verminderen met het ingezette gebiedsgerichte beleid op het gebied van stikstof, water en klimaat en met de uitvoering van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn.

Ons kenmerk DGA / 22247429

2. Kaders waarbinnen de transitie van de landbouw plaats gaat vinden De transitie naar kringlooplandbouw is niet alleen nodig vanuit het oogpunt van de integrale gebiedsgerichte aanpak die beoogt de problematiek op het gebied van stikstof, water, klimaat en natuur op te lossen. In deze paragraaf beschrijf ik enkele andere belangrijke elementen, doelen en normen waarmee agrariërs in deze transitie ook rekening moeten houden of aan moeten voldoen, om tot een langjarig duurzaam perspectief voor hun onderneming te komen. Het gaat samengevat om de volgende kaders: Rekenschap geven van andere doelen -meer specifieke landelijke normendie al gelden of op korte termijn aanstaande zijn. De volwaardige plek van de landbouw in de vormgeving en uitvoering van de gebiedsgerichte aanpak. Financieel kader Internationale context 2.1 Rekenschap geven van andere doelen De minister voor Natuur en Stikstof heeft u in haar Hoofdlijnenbrief13 geïnformeerd over de hoofdlijnen van de gecombineerde aanpak van natuur, water en klimaat in het landelijk gebied, en van het bredere stikstofbeleid. Voor agrarische ondernemers zijn er, als zij toekomstplannen maken voor hun bedrijf, ook andere gerelateerde belangrijke doelen, kaders en normen waarbinnen zij op hun bedrijf rekening mee moeten houden.

Zo zijn er in ieder geval wettelijke normen en kaders op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen, mest, dierenwelzijn, (dier)gezondheid (inclusief zoönosen en luchtkwaliteit), bodem en klimaatadaptatie. Hoe deze normen en kaders uitwerken per bedrijf is niet in zijn algemeenheid te zeggen, dat hangt af van de bedrijfsspecifieke context. Het advies is dat agrariërs - bij het maken van plannen en het nemen van beslissingen over de transitie van hun bedrijf- deze meekoppeldoelen integraal onderdeel laten zijn van hun planvorming. Alleen zo ontstaat werkelijk perspectief voor de lange termijn. Minder gebruik en emissies van gewasbeschermingsmiddelen In het coalitieakkoord is de ambitie opgenomen om acties op het gebied van geïntegreerde gewasbescherming en het realiseren van Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen te intensiveren. In het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 staat de transitie naar weerbare planten (resistente rassen) en teeltsystemen, de verbinding tussen landbouw en natuur en het terugdringen van emissies centraal. Daarmee neemt de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen af en wordt invulling gegeven aan het realiseren van de waterkwaliteitsdoelen (conform de Kaderrichtlijn Water) en biodiversiteitsdoelen.

Het doel is dat agrarische ondernemers in 2030 alternatieven voor chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruiken (bijvoorbeeld de mechanische bestrijding van onkruiden), rekening houden met en gebruik maken van biodiversiteit (bijvoorbeeld natuurlijke bestuivers en 13

Kamerstuk 33 576 nr. 265 Pagina 14 van 49

Directoraat-generaal Agro

natuurlijke vijanden), een weerbare bodem hebben en waar gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nodig is, zoveel mogelijk laag-risicomiddelen gebruiken. Als agrarische ondernemers toch chemische gewasbeschermingsmiddelen moeten inzetten om ziekten, plagen en onkruiden te bestrijden, gebeurt dat nagenoeg zonder emissie naar het milieu (bijvoorbeeld door toepassing van innovatieve emissiebeperkende spuittechnieken) en nagenoeg zonder residuen op producten. In het kader van toekomstbestendig landgebruik moet worden voorkomen dat agrariërs in de transitie van hun bedrijf gewassen gaan telen die veel of vaak chemische gewasbeschermingsmiddelen nodig hebben en zeer emissiegevoelig zijn.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Het Rijk zal de agrarische sector ondersteunen via stimulering en financiering van innovatie, zoals precisielandbouw, waarnemingssystemen, mechanische en fysische bestrijding, en de inzet van biologische bestrijders. Ik maak dankbaar gebruik van het aanbod van de stuurgroep voor het uitvoeringsprogramma om de kennisoverdracht naar agrarische ondernemers te bevorderen. Daarnaast faciliteer ik praktijkprogramma’s en experimenten voor nieuwe veredelingstechnieken. Er wordt bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) meer personele capaciteit ingezet ten behoeve van snellere beoordeling van laag-risicomiddelen (conform de motie De Groot-Boswijk14). En via het Deltaprogramma Agrarisch Waterbeheer wordt kennisontwikkeling en verspreiding gestimuleerd. Ook komt hulp beschikbaar voor digitalisering en monitoring, waarmee inzicht wordt verkregen of de emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar het milieu daadwerkelijk afnemen en of de biodiversiteit herstelt. Het kabinet blijft zich in Europees verband inzetten voor nieuwe verdelingstechnieken (New Breeding Techniques), zoals Crispr-Cas, waarbij geen soortgrenzen worden overschreven. Tot slot dienen ook de ketenpartijen het gebruik van resistente rassen en het gebruik van minder chemische middelen te stimuleren via (financiële) afspraken met hun telers (zie 4).

Mestregelgeving Met mestregelgeving beoog ik de af- en uitspoeling van nutriënten vanuit landbouwgronden naar het grond- en oppervlaktewater terug te dringen. Dit zorgt voor verbetering van de waterkwaliteit, zodat wordt voldaan aan de eisen van de Nitraatrichtlijn en aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water voor wat betreft de bijdrage vanuit de landbouw. Daarnaast heeft het mestbeleid effect op de ammoniakuitstoot. Op dit moment vergt het halen van deze doelen van alle agrariërs nog een flinke inspanning en ik verzoek de agrariërs -als zij in deze transitie nadenken over de toekomst van hun bedrijf - goed rekenschap te geven van de uitdagingen op het gebied van mest. De benodigde maatregelen zijn vastgelegd in het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en het bijbehorende addendum. Het gaat onder andere om verplichtende maatregelen op het gebied van duurzame bouwplannen, waar (blijvend) grasland, rustgewassen en vanggewassen een substantieel onderdeel van uitmaken. Daarnaast zijn de teeltvrije zones van belang. In die zones mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt waardoor ook wordt bijgedragen aan het terugdringen van emissies van die middelen naar het milieu. Met 14

Kamerstuk 27 858, nr. 539

Pagina 15 van 49

Directoraat-generaal Agro

sectororganisaties wordt onderzocht of een specifieke maatwerkaanpak de beoogde waterkwaliteitsdoelen kunnen bereikt. Er komt wetgeving om een volledig grondgebonden melkvee- en zoogkoeien- en weidekoeienhouderij in 2032 te realiseren, waarbij alle mest op het eigen bedrijf moet worden geplaatst (of op de grond van een collega in een samenwerkingsverband). Volledige grondgebondenheid heeft tot gevolg dat elk melk- en rundveehouderijbedrijf (zoog- en weidekoeien) het aantal dieren in evenwicht brengt met de beschikbare hectares eigen grond of beschikbare grond van andere bedrijven in de buurt. Daarbij hoort in mijn visie een aandeel (permanent) grasland. Mestbeleid, duurzaam bodembeheer en bodemvruchtbaarheid gaan hand in hand. Over de inhoud en de uitwerking (bijvoorbeeld ‘wat is grondgebondenheid?’) ontvangt u in september 2022 een brief.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Ook zeer relevant voor de agrarische praktijk zijn de ontwikkelingen op het punt van het verkrijgen van een nieuwe derogatie van de gebruiksnorm in de Nitraatrichtlijn (maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar) en het verzoek van Nederland aan de Europese Commissie om hoogwaardige mestverwerkingsproducten die voldoen aan de Europese renure-criteria te mogen aanwenden als kunstmest(vervanger) in plaats van als dierlijke mest. Ik zet mij er onverminderd voor in, echter het verkrijgen van deze derogatie en een landenspecifieke oplossing voor renure-criteria is niet vanzelfsprekend. Ik zal uw Kamer de komende maanden informeren over het verloop van de gesprekken met de Europese Commissie en de besprekingen in het Nitraatcomité. Duurzaam bodembeheer De bodem is ons kapitaal voor voedselzekerheid nu en in de toekomst. Daarom heb ik de minister voor Natuur en Stikstof verzocht de provincies te wijzen op het belang van het bevorderen van een goede bodemkwaliteit bij het opstellen van gebiedsplannen. Nederland heeft ongeveer 1,85 miljoen hectare landbouwgrond, die deels intensief gebruikt wordt voor hoogwaardige agrarische productie.

Behoud en verbetering van onze landbouwbodems is van groot belang om dit hoge niveau op de lange termijn te kunnen behouden en tegelijkertijd ook doelen zoals biodiversiteit, een goede waterkwaliteit, de klimaatopgaven en andere ecosysteemdiensten te realiseren. Duurzaam beheerde bodems dragen bij aan het behalen van de klimaatopgave door een extra vastlegging van 0,5 Mton CO2-eq per jaar in landbouwbodems vanaf 2030. De bodems staan echter onder druk als gevolg van bodemverdichting, uitspoeling en achteruitgang van de weerbaarheid. Zonder de omslag naar duurzaam beheerde bodems wordt onze huidige en toekomstige voedselproductie, de inkomstenbron voor ondernemers en andere functies die de bodem vervult, bedreigd. Duurzaam bodembeheer vormt een essentiële basis voor de transitie naar kringlooplandbouw maar is een grootschalige en complexe opgave. De agrarische ondernemer heeft maatregelen en instrumenten nodig om duurzaam bodembeheer toe te passen op het bedrijf. Na een periode van intensieve kennisontwikkeling is het nu zaak deze opgedane kennis te verspreiden en de juiste oplossingen aan te reiken aan agrariërs en andere betrokken actoren. In het kader van toekomstbestendig landgebruik moet bijvoorbeeld worden voorkomen dat agrariërs die omschakelen naar andere gewassen, gewassen gaan Pagina 16 van 49

Directoraat-generaal Agro

telen die de bodemgezondheid verslechteren. Omdat het benutten van de landbouwbodems gebiedsafhankelijk is, zullen de problemen, uitdagingen, mogelijkheden en kansen op het gebied van duurzaam bodembeheer op gebiedsniveau geconcretiseerd moeten worden. Provincies spelen hierin een belangrijke rol, een aantal provincies is daar al actief mee bezig. Met de inzet van middelen uit het Transitiefonds kan dit gebiedsgericht worden opgeschaald en versneld.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Om de ondernemers in de land- en tuinbouw perspectief te bieden beter met weersextremen, zoals droogte en wateroverlast, en verzilting te kunnen laten omgaan heeft mijn ministerie samen met de landbouwsector, overheden en verzekeraars het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw ontwikkeld en begin 2020 aan uw Kamer aangeboden. De focus ligt op het benoemen van handelingsopties voor de ondernemer, ketenpartijen en overheden en het met de betrokken partijen invullen van randvoorwaarden, zodat zij deze opties kunnen uitvoeren. Denk hierbij aan het verbeteren van de bodemkwaliteit en zoetwaterbeschikbaarheid. Door bijvoorbeeld water- en bodemmaatregelen toe te passen, dragen agrariërs bij aan de doelen van hun bedrijf met bedrijfscontinuïteit als toekomstperspectief, maar kunnen zij ook een positieve rol spelen in regionale opgaven, zoals het in samenwerking met waterschappen en collega’s meer in balans brengen van het bodem- en watersysteem. Daarnaast kunnen aanpassingen in rassen, gewassen en teelt- en veehouderijsystemen in combinatie met innoveren, extensiveren en/of verplaatsen perspectieven bieden aan agrarische bedrijven en regio’s, mede omdat de land- en tuinbouw op die manier onderdeel van oplossingsrichtingen in een gebied kan zijn.

Dit vraagt om een klimaatadaptieve gebiedsgerichte aanpak waarin oog is voor het perspectief voor de ondernemer passend bij de regionale opgaven. Dierwaardige veehouderij De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) heeft in een zienswijze (2021)15 geadviseerd om te kiezen voor een dierwaardige veehouderij en daarvoor zes leidende principes geformuleerd: respect voor de intrinsieke waarde van het dier, goede voeding, goede gezondheid, een goede omgeving, ruimte voor natuurlijk gedrag en een positieve emotionele toestand. Deze zienswijze past bij mijn doelstelling om te ontwikkelen richting een veehouderij waarin dieren aan hun behoeften kunnen voldoen. Het bevorderen van de ontwikkeling en het gebruik van diergericht ontworpen stallen maakt onderdeel uit van mijn aanpak, evenals het verbeteren van het marktperspectief en verdienmodellen voor een dierwaardige veehouderij. Ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij vormt tevens de basis van mijn inzet in Europees verband in het kader van de herziening van de EU-regelgeving op het gebied van dierenwelzijn, waarover ik u afgelopen april heb geïnformeerd16. De Europese Commissie zal eind 2023 een voorstel presenteren voor betere Europese dierenwelzijnsregelgeving.

In het coalitieakkoord heeft het kabinet, in navolging van de zienswijze van de RDA de (nationale) ambitie vastgelegd om te komen tot een dierwaardige veehouderij in balans met de volksgezondheid. Dierwaardigheid is een belangrijk onderdeel van de kringlooplandbouw. Om invulling te geven aan die ambitie tref ik 15 16

Zienswijze Dierwaardige Veehouderij | Zienswijze | Raad voor Dierenaangelegenheden (rda.nl) Kamerstuk 28 286 nr 1255 Pagina 17 van 49

Directoraat-generaal Agro

momenteel voorbereidingen voor het traject om te komen tot een convenant met diersectoren, ketenpartijen, maatschappelijke organisaties en andere stakeholders. Ik heb een verkenner aangesteld om in kaart te brengen hoe betrokken stakeholders aankijken tegen dit convenant en welke wensen zij hebben ten aanzien van proces en inhoud. Deze verkenner heeft recent advies uitgebracht. We starten nu het convenanttraject en de daarvoor noodzakelijke gesprekken. De uitkomsten van het convenant vormen mede de basis van wetgeving die deze kabinetsperiode gereed zal zijn. Voor het zomerreces informeer ik uw Kamer over de aanpak dierwaardige veehouderij. Daarin zet ik uiteen welke doelstellingen ik heb en welke stappen ik daartoe zal zetten.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Vermindering van zoönoserisico’s Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. De coronapandemie heeft ons indringend laten ervaren hoe ingrijpend de impact van een zoönose kan zijn. Het kabinet zet zich in om de risico’s van een volgende, soortgelijke pandemie, te verkleinen en stuurt daarom deze zomer het Actieplan voor versterking van het Zoönosenbeleid aan uw Kamer. Vanwege de mogelijk ernstige gevolgen van zoönosen is het noodzakelijk om te zorgen dat het risico op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen wordt verkleind. Op 6 juli 2021 heeft een expertgroep onder leiding van de heer Bekedam het rapport Zoönosen in het vizier uitgebracht met een groot aantal aanbevelingen op het terrein van preventie, signalering, monitoring, surveillance en respons van zoönosen. Er wordt gewerkt aan een Actieplan voor versterking van het Zoönosenbeleid worden opgesteld. In het actieplan zal worden aangegeven wat er in Nederland al gedaan wordt op het gebied van preventie, signalering en respons. Vervolgens wordt aangegeven waar het beleid wordt versterkt en welke acties daar bij horen. Enkele van de aanbevelingen van de expertgroep gaan over het beperken van zoönosenrisico’s in veedichte en waterrijke gebieden.

De situatie rondom de dierziekte hoogpathogene vogelgriep, een potentiële zoönose, waarbij ook waterrijke en veedichte gebieden worden getroffen, benadrukt het belang van een integrale aanpak. Experts in menselijke en veterinaire gezondheid brengen op dit moment bestaande modellen en kennis van en inzichten in eerdere dierziekte- en zoönose-uitbraken bijeen. In deze analyse worden zo veel mogelijk aspecten betrokken die invloed hebben op de mate van transmissie van ziektekiemen tussen bedrijven. Daarnaast vraag ik deskundigen om een specifieke risicobeoordeling voor pluimveebedrijven in relatie tot vogelgriep. Deze beoordeling ziet op meerdere factoren, waaronder locatie (waterrijke en veedichte gebieden) en bedrijfstype. Beide risicobeoordelingen zijn deze zomer gereed. De uitkomsten van deze inhoudelijke expertbeoordelingen worden betrokken in de integrale aanpak gericht op verkleining en beheersing van zoönosenrisico’s vanuit de Nederlandse veehouderij. Dit dient te worden meegenomen in de plannen die worden gemaakt in de gebiedsgerichte aanpak. In verband met het grote aantal uitbraken van hoogpathogene vogelgriep (HPAI) en het beeld dat HPAI virussen jaarrond in de wilde vogels aanwezig lijkt te zijn wordt gewerkt aan het verkennen van mogelijkheden van vaccinatie als extra Pagina 18 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=31205acc-e74a-4e96-b489-b294fb6e5a74