CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-37 Raadsinformatiebrief Nationaal Programma Landelijk Gebied-Stikstof.pdf - bijlage 4.pdf

Oordeelsvormende vergadering 20 september 2022, gemeente LosserBij agendapunt: Raadsinfo 2022-37 Nationaal Programma Landelijk Gebied Stikstof23.299 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ons kenmerk DGA / 22247429

Daarnaast is in het NSP een maatregel ‘Gebiedsgerichte samenwerking ter versterking van de aanpak Veenweide en Natuurherstel stikstof’ opgenomen. Het is de bedoeling dat met deze maatregel tot en met 2027 € 223 miljoen EUmiddelen wordt ingezet voor 20.000 ha grondwaterstand verhogende maatregelen in kustvlakteveen en voor 40.000 ha extensiveringsmaatregelen in overgangsgebieden Natura 2000. Deze middelen komen bovenop de bestaande programma’s, zoals de strategische aanpak stikstof. Gedacht kan worden aan minder melk en minder mest per hectare, andere mestsoorten, extra weidegang en aan extensivering in de akkerbouw. Uitgangspunt is dat opbrengstderving wordt gecompenseerd. Het is de ambitie een groter gebied met extensiveringsmaatregelen in veenweidegebieden en overgangsgebieden Natura 2000 te realiseren, in aanvulling op de in het NSP voorziene regeling. Ik wil daarom bezien of het mogelijk is middelen uit het Transitiefonds te koppelen aan de beoogde NSP-regeling Gebiedsgerichte samenwerking. Door het toevoegen van middelen aan het GLB kan de inzet van de in het NSP beschikbare interventies, zoals investering en het ANLb, worden geïntensiveerd en versneld. Een andere mogelijkheid is via het gedeeltelijk afwaarderen van grond.

Er kunnen aanvragen worden ingediend voor het maken van een polderplan, bedrijfsplannen, coördinatie- en samenwerkingskosten en daarnaast gaat het om uitrol van maatregelen zoals beheervergoeding en niet-productieve investeringen. De aanvrager is vaak een collectief of ander samenwerkingsverband van grondeigenaren. Hierbij is het doel om de gronden langjarig aan te bieden aan agrariërs. Het zou kunnen dat dit het beste kan via de huidige liberale pacht, die een maximale looptijd van zes jaar heeft, of dat het vanwege duurzaamheidswensen verstandig is om de pachtwetgeving op dit punt aan te passen. Dit is er mede van afhankelijk of de gebiedsgerichte aanpak het noodzakelijk maakt dat duurzaamheidseisen door verpachters kunnen worden neergelegd in pachtcontracten. Het voornemen is hoe dan ook om nieuwe pachtcontracten uit te reiken aan duurzame agrariërs in een gebied. Overheden hebben een voorbeeldfunctie bij het duurzaam beheren en verpachten van grond.

Pagina 37 van 49

Directoraat-generaal Agro

Zowel het Rijksvastgoedbedrijf als Staatsbosbeheer werken daarom aan de omschakeling naar duurzamere pacht.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Kennis en innovatie Ik wil agrariërs ondersteunen om extensiveringsmogelijkheden verder op te schalen. Van belang daarbij is dat zij van elkaar kunnen leren. Hiervoor wil ik ruimte bieden in pilots en experimenten, en door gerichte inzet van communicatie en kennisverspreiding. Zo kan het lerend vermogen door input uit de praktijk versterkt worden. Belangrijk is dat het vertrouwen van agrariërs in extensievere vormen van landbouw groeit en dat de overheid aantoont dat naast voedselproductie ook het leveren van publieke diensten een goed verdienmodel oplevert. Grondbank. financieel afwaarderen van grond en landschapsgrond Met de minister voor Natuur en Stikstof heb ik afgesproken dat zij de instrumenten grondbank, het financieel afwaarderen van grond en landschapsgrond uitwerkt tot concrete voorstellen in overleg met medeoverheden, maatschappelijke partners en agrariërs. Met een grondbank vergemakkelijken we de instap voor jonge boeren en het vinden van ontwikkelruimte. De grondbank helpt, in samenwerking met regionale grondbanken, zowel agrariërs die stoppen als agrariërs die willen blijven Zo kan de grondbank de vrijkomende grond uitgeven om de blijvende agrariërs te ondersteunen bij het extensiveren, verplaatsen en omvormen van hun bedrijf. Hiermee ondersteunt de grondbank concreet de extensivering die nodig is alsook het versterken van de natuur.

Dit als onderdeel van integrale gebiedsprocessen. Onze inzet hierbij is om de toegang tot de nationale grondbank te laten verlopen via de provincie als regisseur van de gebiedsprocessen ten behoeve van de transitie van het landelijk gebied. In de uitwerking wordt antwoord gegeven op vragen als hoe de grond uit de grondbank het beste uitgeven kan worden (in eigendom en/of in pacht), welke (duurzaamheids)voorwaarden (zoals minder bemesting, beweiding, vruchtwisseling) aan de uitgifte van grond worden verbonden en hoe die langjarig kunnen worden geborgd. De minister voor Natuur en Stikstof zal bij de uitwerking de uitvoering van de aangenomen motie-Boswijk c.s.32 betrekken, die vraagt om een werkwijze te ontwikkelen waarbij agrariërs terreinbeherende organisaties kunnen oprichten voor natuur, landschap en duurzame langjarige pacht. Ook betrekt zij hierbij de motie-Boswijk33, die de regering verzoekt om een voorstel uit te werken voor landschapsgrond en hierin te betrekken hoe de bestemming geregeld wordt, hoe een optimale balans gevonden wordt tussen natuur en agrarisch gebruik en hoe het verdienmodel voor de boer er uit kan komen zien. Ook uw Kamer buigt zich hierover op 9 juni in een rondetafelgesprek. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord vastgelegd dat een tussenvorm van natuur- en landbouwgrond wordt gecreëerd in de vorm van landschapsgrond.

Landschapsgrond kan bijvoorbeeld als buffer dienen tussen Natura 2000-gebieden en landbouwgrond. Om Natura 2000-gebieden te beschermen, maar ook juist om landbouwgronden te beschermen.

32 33

Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 147 Kamerstuk 35 830, nr. 17 Pagina 38 van 49

Directoraat-generaal Agro

In het Transitiefonds is eveneens budget gereserveerd voor financiële afwaardering van grond. Los van de grondbank kan agrarische grond financieel worden afgewaardeerd en in eigendom van de agrariër blijven of er kan aan de grondeigenaar of de pachter een vergoeding worden gegeven voor het verlies aan opbrengend vermogen veroorzaakt door verduurzaming. Hoe we hiermee precies zullen omgaan, komt ook terug in de bovengenoemde uitwerking.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Natuurbeheerpakketten voor agrariërs Een belangrijke aanvullende impuls voor extensivering wil ik mogelijk maken door extra (natuur)beheerpakketten mogelijk maken, zoals extra leefgebieden open grasland en open akker, stimulering agroforestry (inclusief voedselbossen) en extra areaal groenblauwe dooradering (bijvoorbeeld landschapselementen). Ook wil ik in het Nationaal Strategisch Plan van het GLB de mogelijkheid opnemen dat we de beheercontracten met collectieven automatisch verlengen of langjarige contracten aanbieden (bijvoorbeeld twaalf in plaats van zes jaar). Ik zal hierover met provincies afspraken maken. Hierdoor maken we het voor agrariërs aantrekkelijker om ANLb structureel in hun bedrijfsvoering op te nemen en onderdeel te laten zijn van het verdienmodel. Het budget hiervoor is gereserveerd in het Transitiefonds onder de titel versterking natuurinclusieve landbouw. Ik wil dit zoveel mogelijk koppelen aan de nieuwe GLB-systematiek, ook om de uitvoering overzichtelijk te houden. De vergoedingen in deze pakketten versterken het verdienvermogen voor agrariërs en daarmee het perspectief. De komende maanden wil ik dit samen met betrokken maatschappelijke partijen en provincies uitwerken.

3.3.4 Omschakelen: kiezen voor nieuwe producten of diensten Bij het overstappen naar andere vormen van productie kan een agrarisch ondernemer bijvoorbeeld denken aan omschakelen naar biologische landbouw, het telen van eiwitgewassen of het verbouwen van biogrondstoffen. Daarnaast kan er worden gekozen voor het aanbieden van andere diensten, zodat een multifunctioneel bedrijf ontstaat. De keuze voor nieuwe producten of diensten draagt bij bodemkwaliteit, vermindering van gewasbeschermingsmiddelen, natuurherstel, stikstofreductie en klimaat en waterkwaliteit. Het zorgt voor een versterking van de sociale en economische kwaliteit van het platteland en kan ook zorgen voor positieve effecten voor de agrariër zelf. Het toevoegen van nieuwe teelten of teeltconcepten aan het bouwplan of het verlenen van nieuwe diensten vraagt een substantiële omslag in de bedrijfsvoering. Het is daarom van belang dat er een verdienmodel ontstaat voor de teeltsystemen en gewassen die aan het bouwplan worden toegevoegd en voor de nieuwe diensten die worden geleverd. Multifunctionele landbouw en korte keten Onder multifunctionele landbouw verstaan we de verzameling van bedrijfsvormen waarbij agrarische productie wordt gecombineerd met het leveren van diensten aan de samenleving: zorglandbouw, boerderijeducatie, boerderijverkoop, agrarische kinderopvang, agrarisch natuurbeheer.

Ook het gastvrijheidsdomein (vrijetijdseconomie) biedt kansen voor alternatieve activiteiten en kan een bijdrage leveren aan de herinrichting van gebieden. Deze multifunctionele takken leveren nu al voor veel bedrijven een waardevolle bijdrage aan het verdienmodel.

Pagina 39 van 49

Directoraat-generaal Agro

Uit recent onderzoek van Wageningen Economic Reseach34 blijkt dat de omzet van multifunctionele landbouw inmiddels is gestegen tot naar schatting ruim een miljard euro in 2020. Deze sector draagt vanwege het karakter van de diensten (bijvoorbeeld zorg, natuur, recreatie) ook bij aan de economische ontwikkeling en de maatschappelijke en ecologische kwaliteit van een gebied. In het Platform Multifunctionele Landbouw werk ik samen met partijen aan het stimuleren en het verder door ontwikkelen van deze waardevolle vormen van agrarische bedrijvigheid.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Ook korte ketens kunnen agrariërs en tuinders in een gebied perspectief en een nieuw verdienmodel bieden. In de Nationale Samenwerking Korte Keten werk ik samen met de provincies aan het stimuleren en ondersteunen van de productie in korte ketens. De gezamenlijke ambitie van de provincies en LNV is om ondernemers zodanig te faciliteren dat zij kunnen komen tot een verdubbeling van de marktomzet van consumptie uit de korte keten in 2024 naar € 4,4 miljard. Biologische landbouw De extensieve en grondgeboden werkwijze van biologische landbouw zorgt voor een vermindering van stikstofuitstoot, draagt bij aan verbetering van de biodiversiteit, legt een minder grote druk op de bodem en het verbetert de waterkwaliteit door verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en mest en de afwezigheid van het gebruik van kunstmest. Het biologische keurmerk is een EU-keurmerk op basis van EU-verordeningen. Dat zorgt voor homogeniteit, consumentenvertrouwen en een bewezen goed verdienmodel voor biologische agrariërs. Met de Europese Green Deal, Farm-toFork en Biodiversiteitsambities streeft de EU naar 25% biologisch areaal in de EU in 2030. Nederland steunt dit streven en wil hier een bijdrage aan leveren. Daartoe wordt een nationaal actieplan opgesteld gericht op vergroting van het biologisch areaal in Nederland.

Ook in het toekomstig GLB krijgt ondersteuning van de biologische landbouw specifiek aandacht, bijvoorbeeld door biologische bedrijven maximaal te laten profiteren van de ecoregeling. Een aantal provincies is al actief aan de slag met het bevorderen van biologische landbouw. Zo heeft Noord-Brabant de ambitie om de biologische landbouw te laten groeien tot minimaal 15% in 2030 en 25% in 2040. Vraag en aanbod van biologische producten moeten in balans zijn om te zorgen voor een goed verdienmodel. Bij een afname van de vraag ten opzichte van het aanbod zal de prijs dalen en daarmee het verdienvermogen van de agrariër. Een toename van de vraag ten opzichte van het aanbod zal bijdragen aan het verdienvermogen van de agrariër. Dit zal ervoor zorgen dat meer agrariërs gemotiveerd zullen zijn om over te schakelen naar een biologische vorm van landbouw en daarmee tot een groei van het biologisch areaal leiden. Gezien de huidige omvang van het Nederlandse biologische landbouwareaal (3,8% in 2019) is een gericht stimuleringsbeleid om zowel het aanbod van als de vraag naar biologische producten te vergroten dringend nodig.

Meulen, van der, H.A.B. et al., 2022. Kijk op multifunctionele landbouw; Omzet 2007-2020. Wageningen, Wageningen University & Research, Rapport 2022-030. 26 pp. https://edepot.wur.nl/568136 34

Pagina 40 van 49

Directoraat-generaal Agro

Ik wil met relevante ketenpartijen concrete, bindende afspraken maken over betere plaatsing van producten in de schappen, betere informatievoorziening van keten en burgers en het breder beschikbaar maken van biologische producten in afzetkanalen (zie paragraaf 4).

Ons kenmerk DGA / 22247429

In paragraaf 3.3.1 ging ik in op de werkkapitaalregeling binnen het Omschakelprogramma, die het mogelijk maakt om in de fase van omschakeling naar de biologische productiewijze het tijdelijke tekort aan werkkapitaal te financieren, doordat de overheid borg staat voor een deel van de lening bij de bank. Daarnaast kunnen agrariërs die omschakelen naar biologische landbouw en op zoek zijn naar financiering voor hun investeringen ook gebruikmaken van het Pilot-Investeringsfonds binnen het Omschakelprogramma. Van de 38 bedrijfsplannen die tot nu toe zijn goedgekeurd door de beoordelingscommissie in het Pilot-Investeringsfonds, zijn er 14 bedrijven die gaan omschakelen naar biologisch. Dat laat zien dat het pilot-fonds tot nu toe ook goed toegankelijk is voor bedrijven die willen omschakelen naar biologisch. Aanvullend op deze financiële instrumenten wil ik omschakelaars bijstaan door een landelijke helpdesk op te zetten waar biologische agrariërs expertise en ondersteuning kunnen krijgen voor en tijdens de omschakelperiode. Tot slot: het vertrouwen in het biologische assortiment en het biologische keurmerk (SKAL) moet hoog blijven. Met de groeiende biologische productie is daarom ook versterking van het controlesysteem nodig om het vertrouwen in het keurmerk overeind te houden en om de dienstverlening aan de biologische keten te optimaliseren.

Eiwitgewassen: Nationale eiwitstrategie (NES) In de Nationale Eiwitstrategie (NES) wordt aangegeven hoe Nederland in 2030 voor een groot deel uit eigen bronnen voorziet in de nationale eiwitvoorziening voor consumenten en de veestapel en daarmee haar huidige afhankelijkheid van importen van soja kan verminderen. Op 3 juni 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd35 over de verdere uitwerking van deze strategie. In de voorliggende brief geef ik nog een paar nieuwe belangrijke ontwikkelingen mee die deze uitwerking ondersteunen en benadruk ik het belang van deze strategie voor het perspectief van de agrariërs. De teelt van eiwitgewassen draagt bij aan de verbetering van bodem- en waterkwaliteit, duurzaam bodembeheer, stikstofbinding en daarmee tevens aan vermindering van het gebruik van (kunst)mest. Dit is essentieel voor de omschakeling naar kringlooplandbouw. Het kabinet zet daarom binnen de NES in op vergroting van het teeltareaal van eiwitrijke vlinderbloemige gewassen. Daarvoor werk ik met medeoverheden, maatschappelijke organisaties en ketenorganisaties momenteel aan een Green Deal Eiwitgewassen. Een voorbeeld is Fascinating! dat regionale boeren in Noord-Nederland ondersteunt met kennis over teeltplannen en inzet op hoge verwaarding van eiwitten, onder meer uit vlinderbloemigen.

Fascinating! is ook een goed voorbeeld van hogere verwaarding van reststromen uit onder meer aardappeleiwit en 35 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/06/03/nationale-eiwit-strategie

Pagina 41 van 49

Directoraat-generaal Agro

bietenblad en dat bijdraagt aan het verdienmodel voor boeren. Ook is voorlichting aan consumenten een onderdeel.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Via het toekomstig GLB, met name in de ecoregeling, wordt eveneens ingezet op het stimuleren van eiwithoudende gewassen. Opschaling van de teelt vraagt ook om het verstevigen van het verdienmodel van de teler. Dit vergt niet-vrijblijvende afspraken met ketenpartijen en ketenactiviteiten om vraag en aanbod binnen Nederland met elkaar te verbinden. Ook is voorlichting aan consumenten nodig. Ik zal onderzoeken in hoeverre ik de teelt van in Nederland geteelde eiwitten en plantaardige oliën zoals koolzaadolie kan stimuleren via inkoopprogramma’s en catering bij overheden. Daarnaast ondersteun ik de ontwikkeling van alternatieve eiwitten voor mens en dier zoals productieketens voor microalgen, schimmels en gisten, veredeling van suikerbieten en producten op basis van fermentatie. Nederland heeft op dit gebied een sterke positie. Door hieraan een impuls te geven ontstaat perspectief voor nieuwe verdienmodellen. Bovendien draagt de inzet op alternatieve eiwitten bij aan vermindering van de CO2-uitstoot, Als onderdeel van de Nationale eiwitstrategie is ook een belangrijke rol weggelegd voor de veevoersector. Deze staat voor een belangrijke opgave, want de sector stelt dat de CO2-voetafdruk van de voornaamste dierlijke producten voor 65 tot 85% bestaat uit de CO2-voetafdruk van het diervoeder.

Dit geeft de sector de verplichting om maximaal bij te dragen aan de verduurzaming van veevoerproductie. Om de milieuvoetafdruk te verlagen, moet worden ingegaan op het meer kringloopwaardig maken van het veevoer en daarmee de dierlijke productie. Denk hierbij aan: Het terugdringen van het gebruik van grondstoffen die in concurrentie zijn met humane voedingsmiddelen en het verminderen van de afhankelijkheid van soja. Met het vergroten van het aandeel laagwaardige restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie en het vergroten van het gebruik van voormalige voedingsmiddelen in veevoer worden al belangrijke stappen gezet. Dit levert een bijdrage in de voedselvoorziening, namelijk het omzetten van eiwitten uit reststromen, die niet humaan geconsumeerd kunnen worden, in voor mensen benutbare dierlijke producten. Ook draagt dit bij aan het minimaliseren van water- en landgebruik voor de dierlijke productieketen. Het overschakelen naar Europese (duurzame) eiwitten, waardoor de productie van Europese eiwitten wordt aangejaagd. Tevens levert dat een belangrijke bijdrage in het verwaarden van de in Europa geproduceerde eiwitten, die worden geteeld op landbouwgronden die door de kwaliteit niet gebruikt kunnen worden in foodtoepassingen.

Ik heb onlangs met de sector gesproken over hun bijdrage inzake het bovenstaande en daarbij geconstateerd dat de sector zich eenduidig uitspreekt in de ambitie om een bijdrage te leveren aan de transitie naar kringlooplandbouw en dat zij ook al goede initiatieven nemen. De sector focust op het vergroten van het aandeel co-producten, voormalige voedingsmiddelen, het reduceren van het risico op ontbossing en de ambitie om meer eiwithoudende grondstoffen uit Europa te betrekken. Ik ga met de sector afspraken maken over eenduidige indicatoren, op Pagina 42 van 49

Directoraat-generaal Agro

basis waarvan de kringloopprestatie van het geleverde voer kan worden beoordeeld. Hierbij zal rekening worden gehouden met hierboven genoemde doelen. De planning is dat we met behulp van een eerste monitoring begin 2023 kwantitatieve doelstellingen kunnen vaststellen om koersvast verder op te trekken. Hier trekken we nadrukkelijk samen in op.

Ons kenmerk DGA / 22247429

In december 2022 zal ik uw Kamer informeren over de voortgang en daarbij ook hoe ik invulling ga geven aan de drie aangenomen moties36 die hier betrekking op hebben. De motie-Van der Plas over het gebruik van insecten als diervoeder37 heb ik reeds beantwoord in de genoemde Kamerbrief over de Nationale Eiwitstrategie. Gewassen telen als biogrondstof De afgelopen jaren zien we belangrijke ontwikkelingen in de teelt van gewassen voor biogrondstoffen. Voor bestaande teelten kan het gaan om bijvoorbeeld vlas, hennep en voor nieuwe teelten om bijvoorbeeld sorghum, olifantsgras en lisdodde. Van deze teelten passen er verschillende in de vruchtwisseling op akkerbouwbedrijven, waaronder vlas en sorghum. Lisdodde is een natte teelt die past in veenweidegebieden. Hennep en olifantsgras passen zowel binnen de akkerbouw als in gebieden met melkveehouderij. Deze teelten kennen een mogelijke toepassing in de bouw als biocomposiet en isolatiemateriaal. Voor onder meer vlas, hennep en sorghum geldt dat dit dubbeldoelteelten zijn; naast biogrondstoffen kunnen er uit deze teelten ook grondstoffen voor voedsel worden gewonnen. Bij dubbeldoelteelten draagt de gedeeltelijke benutting als biogrondstoffen bij aan het totale rendement van de teelt.

Deze gewassen kunnen bijdragen aan een verbreed bouwplan, die -als zij op de juiste bodem worden geteeld- veel minder emissie- en uitspoelingsgevoelig zijn. Daarmee dragen zij direct bij aan de doelen op het gebied van stikstof en water, want: minder bemesting, minder gewasbeschermingsmiddelen en betere bodem. De teelt van deze gewassen is daarom als ‘rustgewas’ opgenomen in de huidige ecoregeling. In de komende periode worden meer activiteiten onder de ecoregeling toegevoegd en worden activiteiten mogelijk specifieker gemaakt (bijvoorbeeld op een specifiek gewas of regio gericht). Daarnaast biedt het GLB in pijler 2 mogelijkheden om , onder de interventie Samenwerking, voor de verwerking van teelten voor biogrondstoffen keteninitiatieven te ondersteunen die bijdragen aan het rendement van telers. Waar nodig zal ik deze mogelijkheid benutten om nieuwe ketens voor biogrondstoffen te stimuleren. Ook het Omschakelfonds biedt ondersteuningsmogelijkheden voor dergelijke initiatieven. Om te zorgen dat de teelt van biogrondstoffen een volwaardige rol kan krijgen binnen de bouwplannen van agrariërs is langjarige leveringszekerheid tegen aanvaardbare prijzen noodzakelijk.

Om een overstap aantrekkelijk te maken moet de prijs die agrariërs betaald krijgen voor de productie van biogrondstoffen vanzelfsprekend op een gezonde manier concurreren met de traditionele gewassen die verbouwd worden. Om de afzet van biogrondstoffen te stimuleren is het nodig om afspraken te maken met verschillende gebruikssectoren in de economie.

Motie Boswijk, Tweede Kamer 21 501 32, nr. 1301; Motie Boswijk/De Groot, Tweede Kamer 35 925 XIV nr 148, Motie De Groot, Tweede Kamer 35 925 XIV nr 134. 37 Kamerstuk 21 501 32, nr. 1417 36

Pagina 43 van 49

Directoraat-generaal Agro

Voor het stimuleren van de inzet van biogrondstoffen van Nederlandse teelten voor woningbouw en isolatie van bestaande woningen, ga ik in gesprek met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Ons kenmerk DGA / 22247429

De langjarige vastlegging van koolstof in biogrondstoffen kan worden verwaard met behulp van koolstofcertificaten. Hiermee ontstaat een aanvullend verdienmodel voor bestaande en nieuwe teelten. Ik zal deze mogelijkheid ondersteunen, waarbij ik wil onderzoeken of het mogelijk is dat de vastgelegde koolstof meegenomen kan worden in de klimaatopgave voor de landbouwsector. De Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK) is momenteel bezig met het ontwikkelen van een methodedocument ‘Hennep voor langdurige koolstofvastlegging in hennepproducten’. Dit zal mogelijk uitgebreid worden naar andere gewassen. Zodra het methodedocument is vastgesteld, kunnen er projectplannen worden ingediend bij SNK en kan SNK vervolgens koolstofcertificaten uitgeven die verhandelbaar zijn op het Platform CO2-neutraal. Voor de teelt van deze gewassen zou mogelijk een eenmalige afwaardering van de grondwaarde nodig kunnen zijn, als er structureel een agrarisch-extensiever grondgebruik komt. Dat kan niet overal, maar op sommige plekken, bijvoorbeeld in overgangsgebieden rond N2000 gebieden, zou dit behulpzaam kunnen zijn.

Uiteraard dient een afwaardering gecombineerd te worden met juridisch vastgelegde beperkingen aan het gebruik van die grond, die zijn gericht op een fors lagere milieudruk, bijvoorbeeld door beperking aan de soorten teelten, minder gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en duurzaam bodembeheer. Het ligt voor de hand dit te betrekken bij de uitwerking van de categorie landschapsgrond (zie 3.3.3). Het is aan de provincies, in de gebiedsprocessen, om per gebied vast te stellen welke gronden hiervoor in aanmerking komen. 3.3.5 Bedrijfsverplaatsing Voor agrarische ondernemers die economisch goed presteren, maar die hun bedrijfsvoering niet in overeenstemming met de opgave voor het gebied kunnen brengen, kan bedrijfsverplaatsing een optie zijn. Bedrijfsverplaatsing is geen makkelijk proces en vergt een maatwerkaanpak bij het opstellen van de gebiedsplannen en een afgestemde aanpak met provincies met vrijvallende gunstig gelegen bedrijfslocaties. In het NPLG zal dit nadere uitwerking krijgen. Het ligt het meest voor de hand dat die situatie zich voordoet in kwetsbare gebieden waar de opgaven voor de ecologische doelen groot zijn (zoals in de zones rondom zwaarbelaste stikstofgevoelige natuurgebieden, in de veenweidegebieden met een vernattingsopgave of in kwetsbare beekdalen) of bijvoorbeeld in waterrijke en veedichte gebieden.

In de praktijk zal een ondernemer zijn bedrijf vrijwel altijd verplaatsen naar een bestaande, gunstig gelegen bedrijfslocatie binnen of buiten het gebied, waar een andere agrarische ondernemer stopt. Voorkomen moet worden dat de bedrijfsverplaatsing leidt tot verplaatsing van ammoniak- en broeikasgasemissies. Voor verplaatsers zullen op nieuwe locaties scherpe milieunormen moeten gelden, die voorkomen dat de nieuwe ondernemer teeltwijzen toepast die leiden tot verslechtering van de kwaliteit van water, bodem en lucht. Om de meerwaarde van bedrijfsverplaatsingen voor de milieu- en natuurkwaliteit zo groot mogelijk te Pagina 44 van 49

Directoraat-generaal Agro

laten zijn, zal op de nieuwe locatie geïnvesteerd moeten worden in innovatieve emissiearme stallen, extensivering of omschakeling. Verplaatsen zal dus in de regel samenvallen met één van de andere ontwikkelrichtingen.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Het kabinet vindt het belangrijk dat we bij dit alles weten te voorkomen dat agrarische ondernemers zelf met alle betrokken overheden contact moeten zoeken om deze verplaatsingspuzzel te leggen. Daarom heb ik met de minister voor Natuur en Stikstof afgesproken dat de benodigde samenwerking tussen de overheden om verplaatsing mogelijk te maken verder wordt uitgewerkt in het kader van de uitwerking van de nationale grondbank. Een van de doelen van de te ontwikkelen grondbank is om bedrijfsverplaatsingen te faciliteren. Op de langere termijn zal het kabinet, in overleg met de provincies onderzoeken of het gewenst is om voor verplaatsing van agrarische bedrijven nog meer aanvullend instrumentarium te ontwikkelen.

4. Wat verwachten we van ketenpartijen en de samenleving? In de inleiding van deze brief heb ik onderstreept dat de omslag naar kringlooplandbouw niet alleen een verantwoordelijkheid voor de agrarische sector is. Het perspectief voor de landbouwers wordt immers ook bepaald door de vraag naar duurzamere producten uit de markt en de juiste prijs die een boer daarvoor krijgt. Door tal van oorzaken hebben agrariërs ten opzichte van andere ketenpartijen doorgaans een zwakkere positie. Dit uit zich onder andere in het feit dat agrariërs vaak prijsnemer zijn en te maken hebben met kleine marges en dagelijkse risico’s (zoals oogstrisico’s, prijsrisico’s en financieringsrisico’s). Dit maakt investeren in duurzaamheid voor agrariërs lastig. Een boer kan alleen zijn bedrijfsvoering écht veranderen als de hele voedselketen verandert. In het coalitieakkoord is hierover het volgende afgesproken: “We zetten de transitie in naar kringlooplandbouw met een goed verdienmodel, zodat agrariërs in staat gesteld en maatschappelijk gewaardeerd worden om de benodigde verandering te realiseren, waarbij jonge agrariërs toekomst krijgen. Daarbij verwachten we een niet-vrijblijvende bijdrage van banken, toeleveranciers, de verwerkende industrie en de retail. Waar nodig worden afspraken juridisch geborgd.” Kortom: naast agrariërs zelf, hebben ook ketenpartijen en consumenten een rol en taak te vervullen.

Er is het kabinet veel aan gelegen om ongelijke machtsverhoudingen in de keten tegen te gaan. Het vorige kabinet heeft hier flinke stappen in gezet, ondergebracht in de derde pijler van de eerdergenoemde agrarische ondernemerschapsagenda. Ik noem graag: • De Wet Oneerlijke Handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, die vanaf 1 november jl. in werking is getreden. • Vanaf 1 januari 2022 is er een geschillencommissie van start gegaan die geschillen tussen een individuele leverancier en afnemer behandelt. • De mogelijkheden tot samenwerking tussen agrariërs zijn beter kenbaar gemaakt door de Mededingingswet hierop aan te passen (onder verantwoordelijkheid van EZK). De ACM zal later dit jaar een Leidraad

Pagina 45 van 49

Directoraat-generaal Agro

•

•

publiceren om deze mogelijkheden verder te verduidelijken en onder de aandacht te brengen. De heer Ferd Crone werd vorig jaar aangesteld als kwartiermaker voor een samenwerkingsambassadeur in de landbouw, naar aanleiding van de motie van het lid Geurts38. In november heeft mijn ambtsvoorganger zijn advies ‘Vertrouwen in de samenwerking door en met de landbouw’ aangeboden aan de Kamer . Via de Europese uitvoeringsverordening ‘markttransparantie’ en de Agronutrimonitor van de ACM wordt empirisch inzicht geboden in de margeverdeling en prijsontwikkeling in de (verschillende schakels van de) voedselketen voor reguliere en duurzame landbouwproducten. De overheid benut dit om te monitoren dat het verdienmodel in de verduurzaamde landbouwpraktijk goed geborgd is

Ons kenmerk DGA / 22247429

In de praktijk hebben diverse ketenpartijen al stappen gezet en zijn er goede voorbeelden waarbij ketenpartijen hun verantwoordelijkheid nemen. Denk aan concepten als ‘strategische ketensamenwerking’, waarbij supermarkten intensiever samenwerken met agrarische ondernemers en fabrikanten, of aan het initiatief ‘Waardecreatie in Ketens’ (WiK). Hierbij werken supermarkten, verwerkers, agrariërs en tuinders aan toekomstgerichte ketens. Boer en tuinder zijn een zakelijke partner met wie voor de lange termijn een onderscheidend product wordt ontwikkeld, waarvoor de consument bereid is een meerprijs te betalen. WiK is daarmee een inspirerend voorbeeld van hoe er binnen de keten al wordt gewerkt aan verwaarding en waardering voor de boer. Dergelijke initiatieven geef ik graag ruimte. Dat doe ik bijvoorbeeld met het ‘Marktprogramma Verduurzaming Dierlijke Producten’ (marktprogramma VDP). In dit programma worden marktinitiatieven van ketens voor nieuwe duurzame concepten ondersteund met kennis, onderzoek en voorlichting. Doel ervan is om de vraag naar duurzamer vlees, vis, zuivel en eieren te vergroten, met een verdienmodel voor alle partijen binnen de voedselketen – niet in de laatste plaats voor de boer.

Ik wil hier ook expliciet de waarde van de ambitieuze (private) duurzaamheidskeurmerken benoemen.39 De aan de keurmerken deelnemende agrariërs zorgen voor producten die voldoen aan bovenwettelijke normen, waarmee ze een grote bijdrage leveren aan de verduurzaming. Zij proberen de aarde steeds minder te belasten door te voldoen aan strengere eisen op het gebied van o.a. CO2 uitstoot, geïntegreerde gewasbescherming, bemesting, bodem en dierenwelzijn. Een keurmerk helpt de consument bij het herkennen van het duurzame product. Bovendien heeft een keurmerk een belangrijke voorbeeldfunctie: je geeft er het signaal mee af dat je als consument een product koopt dat duurzamer is geproduceerd, en daardoor een betere keuze is voor natuur, klimaat én dier. De keurmerken spelen een belangrijke rol om de transitie naar kringlooplandbouw wind in de zeilen te blazen. De eisen die aan kringlooplandbouw worden gesteld op het gebied van voer, mest, bodem, dierenwelzijn zijn hoog. De keurmerken zijn bij uitstek geschikt om deze strengere eisen, bijvoorbeeld op het gebied van kringlooplandbouw, stapsgewijs in hun certificeringsschema’s op te nemen. Het kabinet verwacht vervolgens expliciet dat de afnemer (bijvoorbeeld een 38 39

Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 81 https://www.milieucentraal.nl/eten-en-drinken/topkeurmerken-check-het-plaatje/ Pagina 46 van 49

Directoraat-generaal Agro

supermarkt) agrariërs die deelnemen aan keurmerken in financiële zin beloont voor hun inspanningen. Het kan namelijk niet zo zijn dat de extra inspanningen die de primaire producent ten behoeve van duurzaamheid pleegt, niet vergoed worden. Ik vind het van belang dat de vergoeding voor deze extra kosten billijk is. Bovenstaande initiatieven zijn heel goed en verdienen navolging, maar het is zaak om nu verder door te pakken. Daartoe richt ik me specifiek op de positie, en uiteindelijk het inkomen, van agrariërs die duurzaam (willen gaan) produceren. Ofwel: ik verwacht dat ketenpartijen op zeer korte termijn (verdere) concrete acties gaan initiëren om verduurzaming op het boerenerf financieel lonend te maken. De ketenpartijen die ik hier bedoel vormen geen helder afgebakende groep, maar omvatten in ieder geval financiële instellingen, toeleveranciers, verwerkers en retail/detailhandel. Betrokken partijen weten per keten het beste welke schakels er betrokken zijn.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Het maken van afspraken en het initiëren van concrete acties is primair de verantwoordelijkheid van de ketenpartijen zélf. Ze zullen moeten gaan over zaken als: • vergroten van het assortiment en/of aandeel duurzame producten bij voedselverwerkende en levensmiddelenindustrie en toeleveranciers, en aan het aanbod dat uiteindelijk aan de consument wordt aangeboden door bijvoorbeeld de retail en detailhandel; • toepassen van uniforme (basis) duurzaamheidseisen, in combinatie met het belonen van duurzaamheidsprestaties; • bevorderen en belonen van korte ketens; • borgen van een evenwichtige verdeling van marges en risico’s, bijvoorbeeld door transparantie van prijsinformatie, kosten en risicoverdeling in de hele keten; • bevorderen van transparantie over duurzaamheidsprestaties; • positioneren van het duurzaam Nederlands product in grootste exportlanden; • vergroten van mogelijkheden voor financiering van omschakeling naar duurzamere bedrijfsvoering. Afspraken hierover zijn niet-vrijblijvend en vragen om actie. Vandaar dat ik ketenpartijen deze zomer een stevige en scherpomlijnde opdracht zal geven om concrete acties te ondernemen, gericht op het verbeteren van het verdienvermogen van de duurzame boer. Het gaat er mij om dat er nu écht resultaten geboekt gaan worden.

Binnen de door mij gegeven kaders en doelen, kunnen ketenpartijen hun eigen creativiteit, kennis en kunde aanboren om impact te realiseren op de verbetering van de (financiële) positie van de boer. Ketenpartijen moeten vervolgens zelf laten zien hoe hun acties bijdragen aan het verbeteren van de positie van de boer in de keten. Er is mij alles aan gelegen dat ketenpartijen hun verantwoordelijkheid nemen, en daarom houd ik scherp de vinger aan de pols en draag ik ze op om mij op gezette tijden de voortgang aan te tonen. Mocht hieruit in februari 2023, na een half jaar, blijken dat acties in de praktijk onvoldoende opleveren, dat de positie van de boer niet verbetert en de duurzaamheidinspanningen van de ketenpartijen achterblijven, dan ga ik over tot het inzetten van bindend juridisch instrumentarium, inclusief wettelijke verplichtingen. Pagina 47 van 49

Directoraat-generaal Agro

De komende periode zal ik gebruiken om de benodigde wetgeving en ander instrumentarium verder uit te werken. Hierbij denk ik minimaal aan het verplicht maken van een jaarlijkse rapportage door ketenpartijen over wat ze doen om de voedselketen duurzamer te maken en agrarische ondernemers te ondersteunen in de transitie. Ik onderzoek wat de mogelijkheden zijn om bovenstaande thema’s wettelijk te verankeren. Hierbij kijk ik ook of onderdelen van initiatieven in andere lidstaten behulpzaam kunnen zijn, zoals de Franse wet EgAlim 2 (deze wet introduceert nieuwe regelgeving en transparantiemaatregelen om het verdienmodel van Franse agrariërs te verbeteren). Ook de initiatieven uit Noorwegen en Duitsland betrek ik hierbij, daar waar zij ook echt het verdienvermogen van de agrariër vergroten. In dat kader wil ik bijvoorbeeld kijken naar wettelijke waarborgen dat de duurzame producent in alle gevallen een billijke prijs betaald krijgt (bijvoorbeeld in relatie tot verkoop onder kostprijs). Ook wil ik kijken naar mogelijkheden om wettelijk te borgen dat de consument via de kassabon en/of etikettering van meer informatie wordt voorzien over duurzaamheid, de ‘echte prijs’ (oftewel true price, waarbij de kosten van externe effecten van de productie ook worden meegenomen) en/of de herkomst en slachtlocatie van het dier.

Dit is in lijn met de motie-Grinwis/Van Campen40 over het verzoek om lessen te trekken uit succesvolle voorbeelden van Europees bronbeleid uit andere sectoren. Naast het juridisch instrumentarium zal ik niet schromen om publiekelijk te communiceren over de bereidheid, acties en resultaten van (individuele) ketenpartijen om de positie van de boer in de keten te versterken. Ik daag de keten ook uit om te experimenteren. Dit helpt om te verkennen hoe de toekomstige ketenaanpak de transitie in de toekomst nog beter kan ondersteunen.

Ons kenmerk DGA / 22247429

Met deze aanpak sla ik een andere weg in dan eerder is voorgesteld in de motieGeurts41 waarin uw Kamer verzocht te komen tot een platform waar publieke en private belanghebbenden samenkomen om praktisch uitvoerbaar invulling te geven aan doelstellingen die vanuit de politiek worden geformuleerd.42 Met het door mij voorgestelde traject verwacht ik sneller tot resultaat te komen. Met deze aanpak geef ik ook uitvoering aan de motie-Bisschop43 die vraagt om met afspraken te komen met het oog op een integrale aanpak, en duidelijkheid, ruimte en een economisch en ecologisch duurzaam toekomstperspectief voor de vele gezinsbedrijven in de agrarische sector. Tot slot zijn en worden ook in Europees verband de nodige stappen gezet om duurzaam beleid te verankeren in het beleid van ketenpartijen in de verwerkende industrie en retail. Het gaat dan bijvoorbeeld om het weren van de Europese markt van producten die ontbossing tot gevolg hebben, het stimuleren van duurzaam bedrijfsbeleid en het rapporteren daarover, het bevorderen van duurzame investeringen en het toepassen van gepaste zorgvuldigheid op gebied van milieu en mensenrechten. In het kader van de Farm 2 Fork-strategie komen er op het gebied van duurzame voedselsystemen ook nog diverse Europese

Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 119 Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 81 42 Kamerstuk 35 570-XIV, nr. 32 43 Kamerstuk 35 600, nr. 43 40 41

Pagina 48 van 49

Directoraat-generaal Agro

initiatieven aan. Zo werkt de Commissie aan een juridisch raamwerk voor een duurzaam voedselsysteem (verwacht eind 2023).

Ons kenmerk DGA / 22247429

5. Tot slot Met deze brief geeft het kabinet ook opvolging aan het advies van de SER ‘Naar duurzame toekomstperspectieven voor de landbouw’. De SER stelt in dit advies dat er nu actie moet worden ondernomen voor een transitie naar een economische, ecologische en sociaal duurzame landbouw. Daarvoor is langjarig en voorspelbaar beleid nodig. Het advies stelt dat het als eerste stap nodig is dat de overheid de doelen en kaders vaststelt, inclusief duidelijkheid over de financiële middelen. De SER beveelt daarbij aan om verschillende transitiepaden uit te werken. Met deze brief schets ik de kaders voor de komende jaren, en de verschillende ontwikkelrichtingen die ik daarbij zie. De ontwikkelrichtingen zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op de door de SER geschetste transitiepaden. De SER adviseert om hiervoor een nationaal akkoordproces in te richten. Na de uitkomst van het advies van de SER heeft dit kabinet nadrukkelijk gekozen voor een gebiedsgerichte aanpak. Met deze brief heb ik een breed palet aan concrete initiatieven en voornemens geschetst waarmee ik het perspectief voor de landbouw - voor de agrariërs – duurzaam wil versterken. Hiermee geef ik richting aan de grote veranderopgave waar we gezamenlijk voor staan. De concrete uitwerking zal in de gebiedsprocessen en in samenwerking met agrariërs, ketenpartijen, provincies en andere betrokkenen vorm krijgen.

Ik blijf met hen het gesprek voeren over hoe de kaders die ik schets aansluiten op de uitwerking in de gebiedsplannen. Gaandeweg zal daarbij ongetwijfeld blijken dat aanpassingen of aanvullingen op dit pakket gewenst zijn. Ik wil het gesprek daarover met alle betrokkenen en uw Kamer graag blijven voeren. Dit vraagt een samenspel van verantwoordelijkheden en keuzes op landelijk, provinciaal en gebiedsniveau waar ik de komende periode mede vorm aan wil geven. Ik ga daarom de komende periode met ondernemers en gebieden in gesprek over wat er nodig is en zal daarmee bezien welke aanpassingen of aanvullingen nodig zijn voor het vervolg. Daarover zal ik uw Kamer in het eerste kwartaal van 2023 informeren. Zoals gemeld zal uw Kamer daarnaast op korte termijn (in september) geïnformeerd worden over de wijze waarop grondgebondenheid in de rundveehouderij zal worden gedefinieerd en (in november) over de verdere uitwerking van kringlooplandbouw op verschillende onderdelen. Deze brief vormt een begin en zeker geen eind van een transitieperiode die zeer impactvol is voor de agrariërs en de agrarische sector. Zij kunnen van mij verwachten dat ik daarbij steeds met volle inzet naast én achter hen zal staan.

Henk Staghouwer Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Pagina 49 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=31205acc-e74a-4e96-b489-b294fb6e5a74