Toelichting vast te stellen bestemmingsplan
Tekst van het document
Anderzijds vormt het handboek voor de gemeente een toetsingskader voor landschappelijkeinpassingsplannenen plannen voor landschappelijke kwaliteitsverbetering.
J
Legenda Jonge ontginningsgronden E3 Oude ontginningsgronden H Halfopen cultuurlandschap ■I Bosrijke natuurgebieden O Gemeentegrens
Afbeelding 9: uitsneden landschappenLoon op Zand Halfopen cultuurlandschap Het halfopen cultuurlandschap bevindt zich voornamelijk in de schil rond de Loonse en Drunense Duinen en bestaatuit een agrarisch cultuurlandschap met een kleinschalige kamertjesstructuur, ook wel coulissenlandschap genoemd. Het gebied kenmerkt zich door een mozaïek van onregelmatig verkavelde landbouwgronden, verspreide buurtschappen en een organisch wegenpatroon met bochtige wegen. Het landschapbestaatuit oude bouwlanden, weides, bosschages, houtwallen en -singels, (bloemrijke) akkerrandenen bomenrijen en -
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 26 van 54 vastgesteld 2023
lanen. In het gebied komen van oudsher veel grondgebonden melkveehouderijen voor, maarin de laatste jaren zijn boomkwekerijen in het gebied in opkomst. Het coulissenlandschap is een aantrekkelijken afwisselend landschapmet verschillende vormen van recreatieve routes. Het landschapin dit gebied is van groot belang voor de natuurwaarden en de biodiversiteit in de gemeente. Het gebied is voor de gemeente echter ook van belang vanwege de aantrekkelijkheid voor wandelaarsen fietsers. Kenmerkende landschapselementen Kenmerkende landschapselementen van het coulissenlandschap zijn: Bosschages en struweel(hagen); Houtwallen en houtsingels; BomenrijenAlanen; Solitaire bomen; Hoogstamfruitboomgaarden aansluitend op de erven; Poelen (mits de grondwaterstand dit toelaat); Akkerranden met bloemen, kruiden, grassen en granen. Het Brabantslandschapheeft in samenwerking met initiatiefnemer een landschappelijkeinpassing uitgewerkt. In Bijlage 2 is de landschappelijkeinpassing weergegeven. Bij de landschappelijkeinpassing is ingezet op: ^ Het in stand houden en kwalitatiefverbeteren van het kleinschalige landschap; ^ Het stimuleren van natuurinclusieve landbouw (een combinatie van landbouw en natuurbeheer); ^ Verfraaiingvan de aankledingvan het gebied en het landschaprijker maken zowel in beeld als in ecologisch opzicht; ^ Het realiseren van heggen langs de wegen.
Op basis van het landschappelijkinpassingsplankan geconcludeerd worden datde locatie op een verantwoorde wijze landschappelijkis ingepast. 5.1.2 Kwaliteitsverbetering vanhet landschap Regeling ‘kwaliteitsverbetering vanhetlandschap ’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maaktin het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijkekwaliteit. Dit staatin artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. De gemeente Loon op Zand is aangesloten bij het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant.Afsprakenover kwaliteitsverbetering zijn gemaaktin het AfsprakenkaderKwaliteitsverbetering van het landschapin de regio West-Brabant. De regio heeft in het afsprakenkader drie categorieën onderscheidden: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijkeinvloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschapwordt geëist; Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijkeinvloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aanhet buitengebied zijn gebonden, of plaatsvindenin hiervoor aangewezengebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaatsin de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen.Deze categorie is niet limitatief; Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren.
De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. In de bijlage ‘Categorie-indeling niet-planmatigeontwikkelingen uit de notitie Toepassingsbereik’ zijn opsommingen gegeven van activiteiten die bij verschillende categorieën behoren.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 27 van 54 vastgesteld 2023
Voor de beoogde ontwikkeling is een robuust landschappelijkinpassingsplanopgesteld door het BrabantsLandschap.In Bijlage 2 is het landschappelijkinpassingsplanweergegeven. Uit de waardeveranderingblijkt datde waardevan de bestemming toeneemt met C34.440,In relatie tot de gewenste ontwikkeling moet 200Zo geïnvesteerd worden in het landschapten opzichte van de waardevermeerdering. Op onderhavige locatie moet derhalve C 4.095,20,-geïnvesteerd worden in het landschap. Uit de landschappelijkeinpassing blijkt dat hier ruimschoots aanvoldaan wordt. Daarbijis rekening gehouden met een verkleining van het bouwvlak en een afwaarderingvan grond ten behoeve van landschappelijke inpassing. Initiatiefnemer wil onder verwijzing naarBijlage 2 in totaalC17.266,06investeren. Het vastte stellen bestemmingsplan voorziet verder in extra investeringen om uit oogpunt van ecologie een ontwikkelingsslag te maken. Er worden in datverband twee bijenhotels ter plaatsevan de bedrijfslocatie en nabij het perceel geplaatst.Daarnaast komt er een zwaluwtil in verband met natuurlijke insectenbestrijding op de locatie. In de kwaliteitsberekening zijn geen kosten opgenomen voor het uitvoeren van het natuurinclusieve akker met o.a. bloemen en kruiden, alsmede de onderhoudskosten voor bestaandebomen op het perceel. De feítelijke investeringen liggen daarom feítelijk nog hoger.
De aanlegen instandhouding van deze landschappelijkeinpassing wordt feítelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een voorwaardelijke gebruiksbepaling in de regels van het bestemmingsplan. 5.2
Natuur
Bij elk ruimtelijk plandient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaaktin gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk planmag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. 5.2.1 Wetnatuurbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kadervan de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezenmet een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Gebiedsbescherming Het Natura 2000 netwerk bestaatuit gebieden die zijn aangewezenonder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypendie vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naamvoor deze gebieden is "Natura 2000-gebied". Het plangebied maaktgeen deel uit van een Natura 2000-gebied. In Bijlage 4 is een voortoets uitgevoerd om te onderzoeken of de beoogde activiteiten significant negatief zijn.
Om dit in beeld te brengen zijn voor de gewenste inrichting de te verwachten stikstofdeposities ter plaatsevan Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprakeis van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er is derhalve geen sprakevan een significant negatief effect op gevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. Gezien de afstandtot het dichtstbijzijnde gebied leidt de beoogde ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging,
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 28 van 54 vastgesteld 2023
verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Er is derhalve geen sprakevan significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparteparagrafenneergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaathier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten planten en dieren voor.
De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaalddat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaathet primairom soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetastworden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsenc.q. groeiplaatsen aangetastof verstoord worden. Gelet op de aardvan het initiatiefdient met name bepaaldte worden of ter plaatsevan de nieuw te realiseren uitbreiding beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantastingvan de gunstige staatvan instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Het bestaandebouwvlak wordt intensief gebruikt Vanwege het intensieve gebruik van het bouwvlak en omliggende functies vinden er te veel verstoringen plaatsom te dienen als voortplantings-, vast rust en/of verblijfplaats.Vanwege dit gebruik zijn hier ook geen beschermde of bijzondere soorten te verwachten. Ter volledigheid kan door middel van de effectenindicator van Alterra gekeken worden of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormen voor de beschermde soorten. De resultaten van deze scan zijn opgenomen in Afbeelding 10. De ruimtelijke ingreep betreft het realiseren van nieuwe bebouwing bij bestaandebebouwing. Uit de scan volgt datde aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van hoofdstuk de Wet natuurbescherming onwaarschijnlijk is. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kadervan de Wet natuurbescherming.
3 van
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 29 van 54 vastgesteld 2023
Effecten indicator soorten 1 Locatie
2 Activiteiten
3 Indicatie
Zoek en selecteer een locatie op postcode, of zoom
in op de kaarten teken de grenzen van Het plangebied: zet punten
en sluit afmet een dubbel-klik.
Postcode
ļ
|
veldstraat
1 Locatie
Geef een voor
2 Activiteiten
3 Indicatie
v/elke QLO-activiteitfen] u een indicatieven effecten wilt ontvengen,
Top-10 activiteiten
Alle activiteiten
Q Slopen en/of asbestvemijderen Q Inrichting of mîjnbouv/werk oprichten of veranderen (Milieu] Q Bijbehorend
bouwwerk bouwen
O Kappen D Overig bouwwerk bouwen Q Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening O Dakkapelplaatsen O Woning bouwen O Nieuw kozijn plaatsenof bestaandkozijn of gevelpaneel veranderen Q Uitrit aanleggen of veranderen
Toon effecten
Locatie: 5,0136/51,6374
Oppervlakte:2,3 ha
Disclaimer ľ1 De dekkingsgraadvan waarnemingenuit de NDFF per locatie wisselt sterk. Als er geen waarnemingenuit de NDFF zijn, kunnen er dus wél beschermde soorten
voorkomen.
Een gebruiker is zelf verantwoordelijk om (eventueel met
hulp van de gemeente] te achterhalen of er daadwerkelijkbeschermde soorten ) Beschermde soorten
in het plangebiedvoorkomen.
die naarverwachting geen schadelijke effecten ondervinden, worden niet in de uitvoer getoond.
De informatie uit de effectenrndicator soorten
is generiek. Om vastte stellen of een activiteit in de praktijk
daadwerkelijkschadelijk is, is meer specifieke informatie nodig over de betreffende activiteit,de werldocatie en over het voorkomen
van beschermde soorten
in en rond het plangebied.
Activiteiten 0 Slopen en/of asbest verwilderen 0
Bijbehorend
bouwwerk
bouwen
0 Handelen ín strijd met regels ruimtelijke ordenin g 0 Uitrit aanle go en of veranderen 0 Inrichtin g of miinbouvvwerk
tn het door
oprichten
of veranderen (Milieu ]
u geselecteerde qebìed komen
.'ettelijk beschermde soorten
binatìe met de geselecteerde activiteitfenj, g
rbij schadelijke effecten v/orden vervracht.
Afbeelding 10: Uitsnede effectenindicator Alterra 5.2.2 Natuurnetwerk Nederland(NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaakklein en liggen veelal ver uit elkaar.Hierdoor hebben bepaaldeorganismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruitgaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 30 van 54 vastgesteld 2023
Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaatsbelangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaandenatuurgebieden, waaronderde 20 Nationale Parken; - Gebieden waarnieuwe natuur aangelegdwordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzenen nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waardenvan die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in het NNN aan.Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaaldenatuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant(NNB) Vanaf2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant(NNB).
Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 900Zo van het Natuur Netwerk Brabantwordt gevormd door bestaandenatuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naarhet andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staanin het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2022. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Omgevingsverordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart‘Natuur en Landschap ’ is binnen het plangebiedgeen NNB aanwezig,zie Afbeelding 11. Verder wordt de afstandvan de bedrijfsactiviteiten ten aanzienvan het dichtstbijzijnde NNB vergroot. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2022.
I
[ Besluītgebīed
Structuur
- Natuur Netwerk Brabant
Structuur
- Groenblauwe mantel
Aanduiding - Natuur Netwerk Brabant- ecologische
riňWt* ____ Afbeelding 11: Uitsnede themakaartnatuur en landschap
verbīndīngszone
Aanduiding - Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant ļļļ Aanduiding - Behoud watersystemen
en herstel
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 31 van 54 vastgesteld 2023
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedweten overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staanregels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staatwatcultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daartoezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezigedan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988datgaatover de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaatom: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid In 2017 heeft Vestigia voor de gemeente Loon op Zand nieuwe kaartengemaaktvoor het archeologiebeleid van de gemeente. Op onderstaande uitsnede is onderhavige locatie weergegeven.
Categorie 2 a
Categorie 2 b Categorie 3
Categorie 4 Categorie 5
Afbeelding 12: Uitsnede archeologische
beleidskaart
Volgens deze geactualiseerde archeologische verwachtingen kaartis het zuidwestelijke deel gelegen in de zone ‘archeologische waarde,bewoningscluster ’. In gebieden met een ‘archeologische waarde, bewoningscluster ’ is archeologisch onderzoek benodigd indien grondwerkzaamheden plaatsvindendie groter zijn dan 100 m2 en dieper gaandan 30 centimeter.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 32 van 54 vastgesteld 2023
Het overgrote deel van het plangebied- het gedeelte waarinwerkzaamheden plaatsvinden- is gelegen in een zone van ‘hoge verwachting ’. In gebieden met een hoge verwachting is archeologisch onderzoek benodigd indien grondwerkzaamheden plaatsvindendie groter zijn dan 500 m2 en dieper gaandan 50 centimeter. Maatregelcategorieën gemeente Loon Archeologisch
Verkorte
waardevol
omschrijving
gebied
op
Maximaal verstoringsoppervlak (m2) Diepte (cm)
Omschrijving
kaart1 AM K-terrein,
r
wette lijk
Wette lijk be schermde archeologische
monumenten
Gebied/terrein van archeologische
waarde(AMK-
beschermd 2a
Archeologische waarde Archeologisc
2b
terreinen, waaronder ook de historische he
waarde, be woningsc luster
3
Ą
5
Hoge verwachting
(verdichting historische
waarde
Gebied/terrein met een hoge archeologische verwachting Gebied/terrein met een middelhoge verwachting
Lageverwachting
Verstoring door Water
dorpskernen)
bebouwing)
Middelhoge
bebouwing vrij
Gebied/terrein van archeologische
verwachting
Geen verwachting/ vrij
op Zand
archeologische
Gebied/terrein met een lage archeologische verwachting Gebied/terrein waargeen bodcmarchicf (meer) aanwe/īgis (verstoord,afgerond Water
AMZ-proces l/m 2011)
altijdvergunnningplichting
(via Rijksdienst
voor het Cultureel Erfgoed)
(n.v.L)
100
30
100
30
İOÜ
50
5.000
50
10.000
50
geen ondersoeks verplichting
-
geen ondersoeks verplichting
Afbeelding 13: Geactualiseerde vrijstellingsoppervlakten en -dieptes gemeente Loon op Zand (2016). De onderzoeksplicht geldt bij overschrijding van het maximaleverstoringsoppervlak in combinatie met een overschrijding van de diepte. Gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaardezijn in het bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 1’. Binnen deze bestemming zijn tevens de terreinen van hoge archeologische waardeen de archeologische monumenten opgenomen. In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprakeis van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting mag uitsluitend gebouwd worden indien: a. bouwwerken ter vervanging van bestaandebouwwerken, waarbijde bestaandeoppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,5 m; b. bouwwerken waarbijgrondwerkzaamheden plaatsvindenmet een oppervlaktevan minder dan 100 m2 voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,5 m.
5.3.3 Archeologietoets Om bovenstaande reden zijn in voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie 2’ opgenomen. Deze dubbelbestemmingen bepalendat, voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend ten behoeve van de bouw van de geplande bebouwing, uit archeologisch onderzoek moet blijken dat als gevolg van de werkzaamheden geen archeologische waardenworden aangetast. Initiatiefnemer is voornemens om de bodem niet verder te verstoren dan 50 centimeter onder het maaiveldten behoeve van de realisatievan de loodsen. Voor de beoogde verharding is de verstoring niet meer dan 20 centimeter. Dit zal latervolgen uit de aanvraag omgevingsvergunning bouw.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 33 van 54 vastgesteld 2023
Echter indien initiatiefnemer onverhoopt toch voornemens archeologisch onderzoek aangeleverdte worden. De geldende archeologische
is om dieper te gaanbouwen dient alsnog een
dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie
2’ blijft derhalve van toepassing.
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijkkader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waardenvoortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manierwaaropmet in de grond aanwezigeof te verwachten monumenten rekening is gehouden. Datwordt veranderd in: met de in het gebied aanwezigecultuurhistorische waardenen in de grond aanwezigeof te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandachtvoor cultuurhistorische waardenvoortaan in het planproces naarvoren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pasna afloop van het planproces worden getoetst aande regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbijis de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aanhet begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waardenin de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzenvan nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aante wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aaneen beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aanGedeputeerde Staten worden gevraagd.Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaatom monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantalversoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aanof bij beschermde monumenten. Samengevatkomen die versoepelingen er op neer, datvoor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aanbeschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben.
Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waardeneen duidelijke plaatste geven aanhet begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaatom ondergeschikte wijzigingen aaneen monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels enregelsin deprovinciale Interimomgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie ’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waardenin bestemmingsplannen te beschermen. Een en andervoor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naarhet kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. De planlocatieis niet gelegen in een gebied met cultuurhistorische waarden,ook zijn op de planlocatieen op korte afstandvan de planlocatiegeen complexen van cultuurhistorisch belang gelegen. Gezien het vorenstaande blijkt dat bij uitvoering van het plangeen afbreuk gedaanwordt aanwaardevolle cultuurhistorische waardenin de omgeving.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 34 van 54 vastgesteld 2023
Veldstraal
Complex van cultuurhistorisch
Archeologische
belang
landschappen
Cultuurhistor'sche
waardevol geb’ed
Cultuurhistor ’sche landscheppen
Afbeelding 14: Uitsnede cultuurhistorische 5.4
kaart,rode omkadering betreft het plangebied
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer Uitwerking van het aspectmobiliteit is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2016 - 2025. In dit plan is de visie vastgelegd over hoe de bereikbaarheid in de gemeente Loon op Zand wordt gefaciliteerd, maarook de visie op parkerenen verkeersveiligheid. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een oordeel gegeven te worden van de verkeersaantrekkende werking, gevolgen voor mobiliteit en infrastructuur. Onderhavig principeverzoek leidt tot een (beperkte) toename van het aantalverkeersbewegingen. Initiatiefnemer is voornemens om de bestaandeinrit te behouden voor privégebruik. Voor het beoogde gebruik van het bedrijf wordt een nieuwe inrit gerealiseerd op de Zijstraat.Deze straatis beter ingericht voor het ontsluiten van het bedrijf en leidt tot minder verkeersbewegingen nabij de omliggende woningen. De verkeersafwikkeling van het bedrijf bestaatin hoofdzaak uit het verlaten van de locatie in de ochtend, voor het uitvoeren van werkzaamheden op de locatie van opdrachtgever, én aanhet eind van de dag terugkeren naarde inrichting. Verder vinden er bewegingen plaatsom op een circulaire wijze de bedrijfsvoering uit te voeren. Afhankelijk van de werkzaamheden én het soort in te zetten machine/werktuig komen de voertuigen, ook gedurende de tussenliggende periode op de bedrijfslocatie (heen en weer).
De voertuigen verlaten de inrichting via de Zijstraat.De Zijstraatwordt geclassificeerd als erftoegangsweg type II. De inrichting van de weg wordt bepaalddoor het type erftoegangsweg. Bij erftoegangsweg type II, met een verhardingsbreedte van 2,50 tot 4,50 m, wordt geen of plaatselijkkantmarkeringtoegepast. Op dit type erftoegangswegen is landbouwverkeer toegestaan en is de maximaleintensiteit 6.000 motorvoertuigen per etmaal.Kenmerkend voor erftoegangswegen is datalle verschillende soorten verkeersdeelnemers over dezelfde weg worden afgewikkeld. De functie van de omliggende wegen zijn nooit veranderd; deze is altijd al bedoeld geweest om alle soorten verkeersdeelnemers afte wikkelen. Gemiddeld zijn er circa 16 vervoersbewegingen per dag voor zwaarverkeer (totaal). Qua capaciteitis de impactqua intensiteit op de omgeving laag. Door goede (reeds aanwezige)gedragsregels voor de werknemers ten aanzienvan het rijden op de openbare weg, zijn adequate maatregelengenomen om belemmeringen en verkeersonveilige situaties,
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 35 van 54 vastgesteld 2023
zoveel als mogelijk, te voorkomen. Doordat initiatiefnemer en diens medewerkers ook belangrijke gebruikers zijn van de wegen in de omgeving van de bedrijfslocatie, zijn ook zij verantwoordelijk voor het naleven van de verkeersregels en actiefsturen op verkeersveilig handelen. Initiatiefnemer laatpersoneel cursussen volgen middels toolboxen. In Bijlage 3 Bijlage 1: Plattegrondtekening Bijlage 2: Landschappelijkeinpassing Bijlage 3is een voorbeeld van een toolbox weergegeven. Het aspectmobiliteit geeft geen belemmering voor uitvoering
van onderhavig plan.
5.4.2 Parkeren De gemeente Loon op Zand heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplanvastgesteld. De nota ‘Uitwerking Parkeerbeleid Loon op Zand’ geeft aanwelke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Alle parkeervoorzieningen van initiatiefnemer zijn aanwezigop de planlocatie. het is niet mogelijk c.q. wenselijk om langs de weg te parkeren.Het uitoefenen van een cultuurtechnisch loonbedrijf betreft een extensieve bedrijfsvoering. Echter op basis van kerncijfers van CROW neemt de parkeervraag toe door de uitbreiding (loods van 2.500 m2). De geldende norm voor de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief ’ is 1,1 pp per 100 m2 bvo (incl. bezoekers). Dit resulteert in een toename van (afgerond) 25 parkeerplaatsen op eigen terrein. Bedrijven Kantoor zonder baliefunctie Kantoor met baliefunctie Bedrijf, arbeidsintensief, bezoekersextensief Bedrijf, arbeidsextensief, bezoekersextensief Garagebedrijf (reparatie, verkoop) Bedrijfsverzamelgebouw
100 m' BVO 100 m' BVO 100 rrť BVO 100 m' BVO 100 m' BVO 100
BVO
Werk 1,5 1,6 1,7 0,6 14
Bezoek 0,1 0,4 0,1 0,1 0,2
Werk 1,9 2,3 2,2 1,0 4,8 1,6
Bezoek 0,1 0,6 0,1 0,1 0,3 0,3
Werk 2,3 2,8 2,2 1,1 4,8 1,6
Bezoek 0,2 0,7 0,2 0,1 0,3 0,3
Werk 2,3 2,8 2,2 1,1 4,8 1,6
Bezoek 0,2 0,7 0,2 0,1 0,3 0,3
Afbeelding 15: Uitsnede parkeervoorzieningen Aan de voorzijde komen 2 ruime parkeerplaatsen waaropminimaal25 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Het aantalparkeerplaatsen is echter een zware overschatting voor de feitelijke parkeerbehoefte van initiatiefnemer. 5.5
Water
5.5.1 Wetgevingen beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewateren grondwater. Ook verbetert de Waterwetde samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarinwaterbelangenspelen. De watertoets bewaaktde waterkwaliteiten waterkwantiteit.Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspectenzijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit,verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op allewateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. WaterschapBrabantseDelta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haarbeheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits-en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantalgebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwetalle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit,waterkwaliteiten waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naarde legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaartzijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 36 van 54 vastgesteld 2023
Sinds 1 maart2015 hanteert waterschapBrabantseDelta onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbijhet verhard oppervlaktoeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantsewaterschappen ’. Voor een toename van het verhard oppervlaktussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak(m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: -
Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon Voorkomen van vervuiling van water;
-
Schoon 1. 2. 3.
-
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied.Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstandenin de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebiedaansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht datde hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde Hergebruik Infiltratie/bergen Afvoer
hemelwater; worden verwerkt:
5.5.2 Watertoets Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent datschoon hemelwater, watvalt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naarde rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die getransporteerd wordt naarde rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Emissie van vervuilingen vanafhet erf is een belangrijke route waarlangsvervuilende middelen (zoals olie, vet, gewasbeschermingsmiddelen) in het milieu kunnen komen. Voor behoud van een effectief middelenpakketén om normoverschrijdingen in het oppervlaktewaterte verminderen is het belangrijk om erfemissie aante pakken. Met de o.a. de Toolbox Emissiebeperking willen Nefyto, de Unie van Waterschappen,LTO Nederland, Agrodis en Cumela gezamenlijk de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naarhet oppervlaktewater verminderen. Referentiesituatie Ter plaatsevan het plangebied is verschillende bedrijfsbebouwing voorzien. Op de locatie is sprakevan het ontstaan van 3 soorten -
Niet-verontreinigd hemelwater; Afvalwaterafkomstig van de wasplaat;
-
Huishoudelijk
afvalwater.
en voorzieningen
afvalwaterstomennamelijk:
voor buitenopslag
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 37 van 54 vastgesteld 2023
Het niet-verontreinigde hemelwater wordt separaat afgevoerd naareen infiltratiesloot. Dit nietverontreinigde hemelwater is afkomstig van daken en schone erfverharding. Het afvalwater,welke ontstaat bij het reinigen van voertuigen (waarmeegeen gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt), is aangesloten op een olie- en vetafscheider. Deze olie- en vetafscheider voldoet aande eisen zoals gesteld in de NEN 858-1 en NEN 858-2 norm en zijn voorzien van een CE-certificaat.Via de olie- en vetafscheider wordt het waterafgevoerd naarhet gemeentelijk vuilwaterriool (drukrioleringssysteem). Het huishoudelijke afvalwater wordt eveneens afgevoerd naarhet vuilwaterriool. De waterhuishouding is in de huidige situatie geregeld met een gescheiden stelsel waarbijhuishoudelijk afvalwater op het gemeentelijk drukrioleringssysteem wordt geloosd en het hemelwater afstroomt naar omliggende watergangen. Er is in de huidige situatie geen sprakevan overlast. Voorgenomen activiteit Sinds de inwerkingtreding van de beleidsregels behorende bij de Keur WaterschapBrabantseDelta d.d. 01-01-2015 is sprakegeweest van een toename aanerfverharding met versnelde afvoer van circa 8.000 m2. Compensatie Middels de Keur van WaterschapBrabantseDelta, is bepaaldbij welke ontwikkelingen mitigerende maatregengetroffen moeten worden.
Deze mitigerende maatregelenkunnen onder andere bestaanuit het treffen van een retentievoorziening. De handreiking watertoets van WaterschapBrabantseDelta schrijft voor dat bij bestemmingsplanwijzigingen mitigerende maatregelennodig zijn indien sprakeis van een toename van het verhard oppervlak. Verder zijn deze mitigerende maatregelenvan toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Voor een toename van het verhard oppervlaktussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak(m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruitvolgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3 ). De kaartAlgemene regelafvoerregenwater doorverhard oppervlak 2015geeft vervolgens aanof voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaartis gebaseerd op een combinatie van locatie specifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaartkent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aandat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor V (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aandat met de helft van de berekende capaciteitvolstaan kan worden.
Gevoeligheidsfactor (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) geeft aandat met van de berekende capaciteitkan worden volstaan. De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (in m3) s Toename verhard oppervlak (in m2 ) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De toename verhard oppervlakt.o.v. de referentiesituatie betreft 8.000 m2 aannieuwe verharding en bebouwing. Hiervan word 4.500 m2 versneld afgevoerd (2.500 m2 van daken en 2.000 m2 vanafhet erf). Deze versnelde afvoer vindt plaatsmiddels rioolbuizen naareen retentievoorziening (retentievijver). De overige 3.500 m2 wordt niet versneld afgevoerd en vloeit afnaarde omliggende gronden. Deze gronden betreffen de groenstrook. Het waterinfiltreert hier rechtstreeks in de grond, dit mede om verdroging van de groenstrook tegen te gaan.Er wordt expliciet geen hemelwater geloosd op het drukriool. Een compensatie is noodzakelijk voor een toename van het verhard oppervlaktussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2. Het toename aanverhard oppervlakmet een versnelde afvoer betreft derhalve 4.500 m2.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 38 van 54 vastgesteld 2023
De gevoeligheidsfactor is afte leiden uit de kaartwelke bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap,in dit geval BrabantseDelta, verdeeld in drie categorieën. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is sprakevan een gevoeligheidsfactor 1.
Legenda Gevoeligheidsfactor
|1 1/2 1/4
Afbeelding 16: Uitsnede kaart‘Gevoeligheidsfactor ’ Keur WaterschapBrabantseDelta De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3 /ha) welke de hoeveelheid water aangeeftdie onder maatgevendeomstandigheden daadwerkelijkop het watersysteemterecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd.Deze is door het waterschapvastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario ’s. Dit is een vastgegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Betekent datde volgende rekensom gemaaktkan worden. Benodigde compensatie = 4.500 m2 x 1 x 0,06 = 270 m3 . Bepaling minimale oppervlakte watercompensatie Op basis van de actuele grondwatertrap blijkt datter plaatsevan de beoogde watercompensatie het waterbergend vermogen 0,90 meter bedraagt,uitgaande van de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG). Grondwatertrap Gemiddeld Hoogste Grondwatertrap(2010)
0 - 22 22 -4Ū
6C - 80
02 -100 '22-122 '22-140
'-2 - 1lůū
'02-200 222 - 2:2
i- 2:2
Afbeelding 17: Uitsnede Keurkaart BrabantseDelta
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 39 van 54 vastgesteld 2023
Beoogde retentievoorziening Omdat het waterbergend vermogen ter plaatsevan de beoogde waterberging c.q. retentievijver 0,9 m1 per 1 m2 bedraagt,moet minimaal270 m2 aanvolledig waterbergend vermogen gerealiseerd worden. Initiatiefnemer is voornemens om een retentievijver met een omvang van 270 m2 te realiseren. Hierdoor wordt ruimschoots voldoende watercompensatie. 5.5.3 Watergangenen keringen Zoals te zien in de afbeelding zijn nabij de planlocatiewatergangengelegen. Het betreffen Bwatergangen. Er zijn geen A-watergangen en/of C-watergangen bij de locatie gelegen. Ook is de locatie niet in overige aandachtsgebiedengelegen. Werkzaamheden in de betreffende watergangen of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning en/of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de wateraan-en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen.Met deze zone wordt handmatig en/of machinaalonderhoud van de watergangvanafde kant mogelijk gemaakt.Voor A-watergangen is die strook 5 meter breed, gemeten uit de insteek. Voor Bwatergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Er zal ook een nieuwe inrit (dam met duiker) gerealiseerd worden. Hier is volgens de keur een watervergunning voor nodig.
Voor de realisatievan de inrit zal dan ook een waterwetvergunning worden aangevraagd. De beoogde landschappelijkeinpassing wordt op minimaal1 meter van de insteek van de sloot gerealiseerd en komt daardoor niet in de beschermingszone van een watergangte liggen. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen watergangenworden geschaad.
Vastgestelde Legger Oppervlaktewaterlichamen Categorie B waterloop
CQjÍ.TIİ. Veldstraat
Afwijkend Aangelande Aangelande
Afbeelding 18: Uitsnede legger WaterschapBrabantseDelta
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 40 van 54 vastgesteld 2023
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaatdaarbijmeestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatiefvoor de omgeving en omwonenden? Maarook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de planlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspectenaanbod: Bedrijven en milieuzonering Geluid - Industrielawaai Bodem Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid 5.6.1 Bedrijvenen milieuzonering Een belangrijke factor voor het behouden en verbeteren van de kwaliteitvan de leefomgeving is een juiste afstemming tussen bedrijvigheid, wonen, recreëren en natuur. In de ruimtelijke ordening wordt daarom rekening gehouden met de milieuhinder van bedrijven/activiteiten ten opzichte van milieugevoelige functies. SBI - 016 - 024 - 773 - 4312
activiteit Dienstverlening akker-fluinbouw (b.o. > 500 m2) Dienstverlening aanbosbouw Verhuur van machines Z werktuigen Grondverzet
milieucategorie 3.1 3.1 3.1 3.1
afstand 50 mtr 50 mtr 50 mtr 50 mtr
Gezien de aardvan de activiteiten van het bedrijf is, uitgaande van de richtlijn, een milieucategorie 3.1 van toepassing. Bij deze categorie hoort, op grond van het criterium geluid , een afstandseisvan 50 meter. Dit toetsingscriteria geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In essentie zijn de afstandenzoals opgenomen in de brochure een goed vertrekpunt voor het beoordelen van concrete situaties. Kleinere afstandendan de indicatieve milieuzones zijn mogelijk indien dit wordt gemotiveerd op basis van de feítelijke en ‘vergunde ’ situatie (maatwerk). Het motiveren van een aangepaste afstandkan op basis van: 1. Gevoeligheid: een andere gevoeligheid van de omgeving dan aangehouden bij de indicatieve milieuzones. De richtlijnen zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit rustig woongebied of rustig buitengebied. Indien de omgevingskwaliteit afwijktvan een van deze twee gebiedstypen, dan kan een aanpassingvan de afstandonderbouwd worden. 2. Representativiteit: een bedrijfsactiviteit kan afwijken van een datvan een gemiddeld moderne activiteitzoals bedoeld in de bedrijvenlijst. Dit kan door een verschil in grootte en gebruiksintensiteit, maarook in de mate waarininvloed van de activiteit is begrensd door maatregelenom de milieuhinder te beperken. Uitgaandevan het karaktervan de omgeving van initiatiefnemer, waardiverse functies aanwezigzijn (o.a.
wonen, niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten, agrarische activiteiten), is het legitiem om dit gebied als ‘gemengd gebied’ aante merken. Qua representativiteitbestaatde hoofdactiviteit uit de dienstverlening ten behoeve van in hoofdzaak loonwerken. De duur van de activiteiten binnen de inrichting zijn dagelijks relatiefbeperkt, bestaandeuit het starten van de machines, verlaten locatie, aankomst locatie, voorbereidende werkzaamheden volgend werk (bijv. aam/afkoppelenmachines of parkeren).
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 41 van 54 vastgesteld 2023
Gezien het omgevingskenmerk “gemengd gebied”, is een aanpassingvan de richtafstand van 50 meter naar30 meter verdedigbaar.Voor initiatiefnemer is het echter noodzakelijk dat er sprakeis van een acceptabelwoon- en leefklimaatter plaatsevan de omliggende woningen voor het aspectgeluid. De dichtstbijzijnde woning (m.u.v. de woning op de Veldstraat13) is gelegen op circa 80 meter van de beoogde bedrijfsbestemming. Dit betreft de woning op de Paalstraat 45. De woning op de Veldstraat13 zal minimaal30 meter vanafde beoogde liggen. Op basis van het vorenstaande kan derhalve geconcludeerd richtafstanden op basis van de VNG.
bedrijfsbestemming komen te
worden datvoldaan wordt aande
Initiatiefnemer heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat met toepassing van de juiste voorwaarden sprakeis van een acceptabelwoon- en leefklimaat. In Bijlage 5 is het akoestisch onderzoek weergegeven. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat er op grond van de geluidemissie vanwege de toekomstige bedrijfsvoering op akoestische gronden geen problemen c.q. geluidhinder te verwachten valtter plaatsevan de geluidgevoelige objecten. Conclusie Op grond van het aspect‘milieuzonering ’ zijn er overeenkomstig belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
een goede ruimtelijke ordening geen
5.6.2 Bodem Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt datde bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Wanneer een toekomstige functie mogelijk wordt belemmerd door de bodemkwaliteit (denk bijvoorbeeld aaneen groentetuin op een voormalige vuilstortplaats), zal een verkennend bodemonderzoek moeten aantonen of dit daadwerkelijkhet geval is. In het kadervan een goede ruimtelijke ordening is het daarom van belang om te kijken of de toekomstige functie van het gebied niet in strijd is met de kwaliteitvan de bodem. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd. Het toekomstig gebruik van de gronden wordt ingericht als loods. Humane risico ’s gerelateerd aaneventuele bodemverontreiniging zijn niet in het geding. In Bijlage 6 is het historisch onderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Op basis van het bovenbeschreven historisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit op het perceel negatief beïnvloed is sinds het bodemonderzoek in 1995. Of het grondwater nog plaatselijknikkel bevat in matig of sterk verhoogde gehalten (zoals in 1995) is niet bekend. Aangezien deze verhogingen te beschouwen zijn als onverklaarbareverhoogde achtergrondgehalten, wordt onderzoek naarnikkel in het grondwater niet nodig geacht.
Op grond van de van toepassing zijnde milieuregels moet worden voldaan aaneen verwaarloosbaar bodemrisico voor de milieurelevante activiteiten. Conclusie In relatie tot de Wet bodembescherming, Activiteitenbesluit en het Besluit bodemkwaliteit is op voorhand geen onevenredige uitvoering van dit planaande orde.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 42 van 54 vastgesteld 2023
5.6.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmeede nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan.De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking ’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspectenin ogenschouw moeten worden genomen: - Wordt er een onevenredige inbreuk gemaaktop de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? Is ter plaatsevan het plangebiedeen goed woon- en verblijfklimaatgegarandeerd? Het wettelijk kader(Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en Activiteitenbesluit milieubeheer) schrijft voor op welke wijze het bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij uitbreidt of wijzigt. Indirect heeft deze geurwetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de ‘omgekeerde werking ’ genoemd.
De reden hiervoor is duidelijk, een geurnorm is bedoeld om personen te beschermen tegen geurhinder, dus omgekeerd moet het bevoegd gezag ook geen nieuwe situaties toestaan waarbijpersonen zichzelf blootstellen aanovermatige geurhinder. Voor de toetsing van het aspectveehouderijen en geur kan overigens ook gebruik worden gemaaktvan de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering ’, zoals toegelicht in voorgaande paragraaf. De veehouderijendichtheid rondom het plangebied is relatieflaag.Op Afbeelding 19 is de ligging van het plangebiedweergegeven, met de aanwezigeveehouderijen. De VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering ’ hanteert voor veehouderijbedrijven in beginsel een maximalerichtafstand van 200 meter voor het aspectgeur (100 meter in gemengd gebied, als hier van toepassing). Binnen 200 m rondom het plangebied is enkel de melkrundveehouderij aanZijstraat1 vergund. De rand van het bouwvlak van dit bedrijf is gelegen op circa 110 meter tot de rand van het beoogd bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ en 40 meter ten opzicht van de bestemming ‘Wonen ’. Daarer sprakeis van een melkrundveehouderij gelden minimaalvereiste afstandenvan 50 en 25 meter tot respectievelijk de emissiepunten en de stallen. In onderhavige situatie is er sprakevan bestaandegeurgevoelige objecten, waaronderde bestaande bedrijfswoning. Deze objecten blijven ongewijzigd behouden.
De nieuwbouw van de bedrijfsloods vindt, bezien vanuit de veehouderij, achter de bestaandewoning plaats.De ontwikkeling heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het aanwezigebedrijf. Bovendien wordt een ruimschoots afdoende afstand^ 50 m) gerespecteerd tussen de stallen van het bedrijf en de bestaande geurgevoelige objecten op onderhavige bedrijfslocatie
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 43 van 54 vastgesteld 2023
-Veldstraat
iPaalstraat —6
Veehouderijbedrijven
1(1 Hl ē ţ ĩf f t st ft Afbeelding 19: Kaartligging veehouderijbedrijven, plangebiedglobaal rood omkaderd weergegeven. (Bron: KaartbankProvincie Noord-Brabant o.b.v. Web-BVB Brabant.) Woon- en leefklimaat Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting verstaanals gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is daarmeeeen goede graadmetervoor hinder ten gevolge van veehouderijbedrijven. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant(ODZOB) heeft kaartenopgesteld met betrekking tot de fysieke leefomgeving, op basis van de bij hen beschikbare data.Een van deze kaartenheeft betrekking op de achtergrondbelasting van geur ten gevolge van de aanwezigeveehouderijbedrijven. Een uitsnede van deze kaartis bijgevoegd in. Hieruit volgt datde kwaliteitvan de leefomgeving, bezien vanuit het aspect geur van veehouderijen ‘zeer goed ’ is (0 - 3 OUEZm3 ). Er wordt dus ruimschoots voldaan aande provinciale en gemeentelijke streefwaardevan een achtergrondbelasting van maximaal20 OUE/m3 . Voor dit aspectis derhalve sprakevan een aantoonbaaraanvaardbaar woon- en leefklimaat
Achtergrondbelasting geur maart 2022 kwaliteitleefomgeving | zeer goed 0-3 I goed 3-7 H redelijk goed 7-13 matig 13-20 Tamelijkslecht 20-28
M slecht 28-35 :ēer i echt ēiē-ēC extreem ī ęcht-c-t
Afbeelding 20: Uitsnede kaartachtergrondbelasting geur veehouderijen maart2022. Planlocatie globaal rood omkaderd weergegeven
in OUEZm3 ODZOB, peildatum
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 44 van 54 vastgesteld 2023
5.6.4 Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatievan diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarinonder andere grenswaardenvoor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevendestoffen waarde concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaardenliggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten,bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aande luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het NationaalSamenwerkingsprogrammaLuchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aaneen schonere lucht waarbijruimte wordt geboden aannoodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aanluchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden.Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.
Projecten die "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aanluchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aande Europese grenswaardenaangeziendeze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3 0A van de grenswaardevan een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijkmoet worden gemaaktdat het project tot maximaal1,2 ug/m 3 verslechtering leidt. Voor een aantalfuncties (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. is het planop Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar deze plaatste realiseren. Hierbij kan de blootstelling aanluchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project "niet in betekenende mate" bijdraagtaande luchtverontreiniging. Er is sprakevan een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal.Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden-en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaardenbevinden. Het plangebied voorziet niet in de realisatievan gevoelige bestemmingen. Op grond van de Wet luchtkwaliteit is er daarom geen onderzoeksplicht. Aan te houden voertuigbewegingen Uitgaandevan de worst-case-scenario waarinalle voertuigen (49 lichte motorvoertuigen en 64 zware voertuigen per dag worden meegenomen, blijkt datde totale emissie fijnstof (PM10) van de verkeersbewegingen Niet In Betekende Mate bijdraagt,zie onderstaande uitsnede. Jaarvan planrealisatie Extraverkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen
[weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
Maximalebijdrage extra verkeer
NO2 in pg/m in pg/m
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate geen nader onderzoek nodig Afbeelding 21: NIBM-tool
56,6*A
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 45 van 54 vastgesteld 2023
Gezien de aardvan het bedrijfsactiviteiten, waarbijin relatie tot het plan,geen relevante significante wijzigingen optreden qua activiteiten, is in relatie tot de luchtkwaliteit geen onevenredige nadelige beperking te verwachten. Het aantalmotorvoertuigbewegingen blijft ver onder de grenzen van het Besluit NIBM. Naastde toetsing van het aspectluchtkwaliteit in het kadervan de Wet luchtkwaliteit moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst of de luchtkwaliteit ter plaatsevan het plangebied aanvaardbaar is voor de beoogde functie. Achtergrondbelasting Op onderhavige locatie worden bedrijfsmatig geen dieren gehouden, ook wordt voldaan aande eisen uit het Activiteitenbesluit. Op korte afstandvan het plangebied liggen nagenoeg geen bedrijven die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden ter plaatsevan het plangebied. Daarnaast zijn de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10), zeer fijn stof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente Loon op Zand dermate laagdatde normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is afte leiden van de GCN-kaartenvan RIVM. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied bedraagt14,48 ^g/m3 , de norm bedraagt40 ^g/m3 . De achtergrondconcentratie zeer fijnstof (PM 2,5) ter plaatsevan het plangebied bedraagt7,88 ^g/m3 , de norm bedraagt20 ^g/m3 .
De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatsevan het plangebied bedraagt11,32 ^g/m3 , de norm bedraagt40 ^g/m3 . Hieruit is te concluderen datter plaatsevan het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezigis. Fijn stof (PMIO) [ļjg/m3]
Waalwijk
Detail informatie
Locatie:
129126, 40549Ū 14.48
Gebruik van de kaart
- Openen: selecteer een jaar - Verschuiven:
Loon op Zand
een kaartlaag en
gebruik de pijltjes, of
klik en schuif - Zoomen: Į+] en [-], of: «SHIFT»klik en een rechthoek trekken - Waarde opvragen: klik in de kaart
Dongen
Afbeelding 22: Uitsnede GCN-kaartFijnstof (PM10) bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 46 van 54 vastgesteld 2023
| Fijn stof (PMĨ.5)
Z025ļgegevensj022ļvjrďownload
|
Fijn stof (PM2 r5) [Įjg/m3 ]
Detail informatie
129126, 405490
Locatie: Gridcelwaarde:
Loon op Zand Gebruik van de kaart
- Openen: selecteer een jaar - Verschuiven:
een kaartlaag en
gebruik de pijltjes, of
klik en schuif - Zoomen: [4-] en [-], of: «SHIFT»klik en een rechthoek trekker - Waarde opvragen: klik in de kaart
Afbeelding 23: Uitsnede GCN-kaartPM2,5 bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/ | Stikstofdioxide (N02)
v||2Ũ25 (gegevens 2022)
vļļ download |
Stikstofdioxide (N02) [pg/m3]
« 10
Detail informatie
129126, 405490 Grid cel'.vaarde:
11.32 Loon op Zand
Gebruik van de kaart
- Openen: selecteer een kaartlaag en een jaar - Verschuiven: gebruik de pijltjes, of klik en schuif - Zoomen: [+J en [-J, of: cSHIFT:»-
Dongen
klīk en een rechthoek trekken - Waarde opvragen: klik in de kaart
Tilburg
Afbeelding 24: Uitsnede GCN-kaartNO2 bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/ Conclusie De blootstelling aanluchtverontreiniging is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico ’s. In het kadervan een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatsevan het plangebied aanvaardbaar. Het aspectluchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplanwijziging.
Veldstraat11 en 13 - 2023, pag. 47 van 54 vastgesteld 2023