Bijlagen toelichting ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Het zuidelijke deel van het oostelijke perceel is bebouwd met een (leegstaand) woonhuis met aanbouw en een stal (zie figuur 3). De eigenaar is bij Econsultancy niet bekend. 5
Vigerend beleid Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Loon op Zand (actualisatie 2018). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2 10.000 m en dieper dan 50 cm –mv voor het overgrote deel van het plangebied. Voor de oostelijke
4
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 5 www.ruimtelijkeplannen.nl
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 2 van 16
en zuidelijke rand van het oostelijke deelgebied is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemin2 grepen groter dan 100 m en dieper dan 30 cm –mv. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket 6 geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd. 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het westelijke deelgebied is de aanleg van een retentievoorziening gepland. In het oostelijke deelgebied zal een kassencomplex, een bedrijfsruimte en –woning, een transport- en parkeerplein, een waterbassin en containervelden worden aangelegd (zie bijlage 5). De toekomstige verstoringsdiepte is nog niet bekend. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens Geologie
7
Gegevensomschrijving Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek(Bx6)
Geomorfologie8
Terrasafzettingsvlakte, bedekt met dekzand (2M20a), dekzandvlakte (2M9) en dekzandrug of –kopje (3L5)
Bodemkunde9
Veldpodzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21)
Grondwatertrap
IV en VI
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied waar afzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden aan het maaiveld worden aangetroffen. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het 6
www.bodemloket.nl. Mulder et al., 2003. 8 Alterra, 2003. 9 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 7
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 3 van 16
verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Tijdens de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf 10.150 jaar BP), verbetert het klimaat weer, het land raakt begroeid en er treedt bodemvorming op. Erosie en sedimentatie blijven beperkt tot de beekdalen. Beekafzettingen vormen het Laagpakket van Singraven binnen de Formatie van Boxtel. Vanaf het Atlanticum vindt op grote schaal veenvorming plaats, waarbij ook grote delen van het dekzandlandschap door veen worden overdekt. Dit veen is in de loop van de Middeleeuwen veelal verdwenen door turfwinning of door oxidatie.
Volgens de paleogeografische kaarten is het plangebied 10 tussen 1500 en 500 voor Chr. door veen overdekt geraakt. Het veen is in de Late Middeleeuwen afgegraven voor turfwinning, waardoor dekzanden weer aan het maaiveld zijn komen te liggen. Volgens de turfdatabank van de provincie Antwerpen, die is gebaseerd op het werk van Leenders 11 (2012), ligt de oostelijke grens van het veengebied circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied. 12
DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd 13 door TNO. In het Dinoloket is een boring iets ten noordoosten van het plangebied bestudeerd. Hieruit blijkt dat de bovenste 8 meter van de ondergrond bestaat uit fijne zandafzettingen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het westelijke deelgebied en het noordwestelijke deel van het oostelijke deelgebied binnen een terrasafzettingsvlakte, bedekt met dekzand (2M20a). De rest van het oostelijke deelgebied ligt bijna geheel op een dekzand2 vlakte (2M9). Alleen in het uiterste noordoosten van het oostelijke deelgebied valt circa 300 m binnen een dekzandrug of –kopje (3L5) (zie figuur 4). 14
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een grote licht hellende vlakte, welke geleidelijk oploopt van noordwest naar zuidoost (zie figuur 5). De hoogteverschillen in het plangebied zijn gering.
10
Vos & De Vries, 2015 http://geoloket.provincieantwerpen.be 12 www.dinoloket.nl. 13 DINO boornummers B44G0254 14 www.ahn.nl. 11
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 4 van 16
Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als Veldpodzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21) (zie figuur 6). Veldpodzolbodems zijn bodems gevormd onder relatief natte omstandigheden. Ze kenmerken zich door de aanwezigheid van een inspoelings-B-horizont zonder ijzerhuidjes en een dunne humushoudende bovengrond. Dit bo15 demtypen komt veel voor op de dekzandvlakte ten westen van Kaatsheuvel. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen.
De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 16
Tabel II.
Grondwatertrappenindeling
Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap IV in het westen en grondwatertrap VI in het oosten. Dit duidt erop dat het plangebied dus van west naar oost minder nat wordt. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf17 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen.
15
Stichting voor Bodemkartering, 1990. Locher & Bakker, 1990. 17 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 16
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 5 van 16
De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMKterreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het provinciaal ‘belang aangeduid’. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in 18 samenhang te behouden. Het plangebied ligt in het cultuurhistorisch landschap Langstraat. Het landschap Langstraat bestaat nu uit een noordwaarts afhellende dekzandvlakte met veenresten, waar de dorpenreeks van Baardwijk tot Raamsdonk op ligt; alsmede de zuidelijker gelegen veenontginningen van 's-Gravenmoer, Dongen en westelijk Loon op Zand.
Het noorden van dit gebied maakte deel uit van de Grote of Zuid-Hollandse Waard (ca. 1280-1421). De veengebieden van de Langstraat zijn in de Late Middeleeuwen ontgonnen en volgens het bekende stramien van de veenontginningen ingericht: een ontginningsbasis met loodrecht daarop lange strookvormige percelen. Aan het eind werd een kade gemaakt om het water uit het nog niet ontgonnen deel van het veen tegen te houden. Aan de zijkant van een ontginningsblok of dorpsgebied legde men een zijkade of zijdwende aan om het water te keren. Als ontginningsbasis heeft de oeverwal van de Oude Maas gediend. Van hieruit werden lange smalle percelen naar het zuiden uitgezet, in een nog veel fijnmaziger patroon dan we elders in veengebieden aantreffen. De oudste ontginningen kenden het recht van opstrek, dat wil zeggen dat de percelen steeds verder in het veen konden worden verlengd. De percelen konden wel vijf kilometer lang worden. In 's-Gravenmoer was de oever van de Donge ontginningsbasis, in Dongen werd daarvoor een dekzandrug gebruikt. In deze plaatsen hadden de hoevestroken een vaste lengte zonder opstrekrecht. De turfgraverij in westelijk Loon op Zand leidde later tot een meer blokvormige inrichting langs noordwaarts gerichte vaarten. De ontginning van het veengebied werd aangemoedigd door de landsheren, destijds de graaf van Holland en de heer van Altena.
Langs de Maas is de ontginning mogelijk ouder dan de invloed van deze heren, omdat het slagenpatroon zich niet stoort aan de grens Holland-Altena. Vaak sloten groepen ontginners een contract af met de graaf waarin de voorwaarden werden vastgelegd. Dit wordt een cope genoemd, en de inrichting van een stuk veengebied op grond van zo'n contract staat bekend als een cope-ontginning. Verschillende delen van het veengebied van de graaf - onder andere e e 's-Gravenmoer en Sprang - werden in de 13 en 14 eeuw ter ontginning uitgegeven. Door de inklinking en oxidatie van het veen daalde de bodem op de plaatsen waar het meest intensief geboerd werd; dicht bij de boerderijen. Na verloop van tijd werd het daar zo nat dat de bewoners gedwongen waren de oorspronkelijke ontginningsas te verlaten en hun boerderijen een eind naar het zuiden te verplaatsen. Uiteindelijk 'schoof' het hele langgerekte dorp naar het zuiden. De dorpen behielden echter hun langgerekte vorm. Op de kaart van 1850 worden Drunen, Baardwijk, Waalwijk, Sprang, Capelle, Waspik en Raamsdonk gekenmerkt door smalle kilometerslange bewoningslinten waar de boerderijen en de andere huizen stonden. Loodrecht daarop staan de smalle percelen, ten noorden van de dorpen steevast als grasland in gebruik, aan de zuidkant als grasland of bouwland. Een goed voorbeeld van zo'n verplaatst dorp is Raamsdonk.
Dit dorp is enkele keren verschoven. Al 18
Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 6 van 16
e
in de 13 eeuw stonden de boerderijen niet meer op de oorspronkelijke ontginningsbasis, maar aan e de achterkade, die hier Achterste Dijk heet. In de tweede helft van de 13 eeuw werd hier een kerk gebouwd, waarvan de toren bewaard is gebleven. Het dorp zelf, dat bestond uit boerderijen die uit hout en ander vergankelijk materiaal waren opgetrokken, werd opnieuw verplaatst naar het zuiden. Het enige stenen gebouw in het dorp - de kerk - bleef echter op zijn oorspronkelijke plaats staan. Samen met het kerkhof aan de Achterste Dijk. De kerk van Raamsdonk ligt nu bijna een kilometer ten noorden van het bebouwingslint Bergenstraat. In grote delen van de Langstraat is het veen geheel of gedeeltelijk afgegraven ten behoeve van de turfwinning. Enkele van de noordwaarts gerichte sloten ontwikkelden zich tot heuse turfvaarten zoals de Waalwijksche Haven, de Sprangsche Sloot en de (verdwenen) Labbegatsche Vaart. Langs de turfvaarten ontstonden bebouwingslinten met de woningen van schippers en veenarbeiders. Op de kruispunten van de vaarten en de oude agrarische bewoningsassen ontstonden dorpskernen (bije voorbeeld Labbegat en Waspik). Op kleine schaal is de turfwinning doorgegaan tot in de 20 eeuw. Door de lage ligging en de hoge waterstanden konden grote delen van het gebied alleen maar gebruikt worden als grasland. Er ontstond een levendige handel in hooi.
De rundveehouderij vierde e hoogtij in het gebied en leverde de huiden voor de bloeiende leerindustrie die in de 18 eeuw ontstond. Bovendien leverde het eikenhakhout uit de bossen en houtwallen in het zuiden van het gebied een belangrijke grondstof voor de leerlooierij; de run (gemalen eikenschors). De Langstraat werd een e centrum van leerlooierijen en schoenenindustrie. Tot het eind van de 19 eeuw was het looien een e nevenactiviteit van de boeren. In de 19 eeuw veranderde de huisnijverheid in een industriële activiteit. Verschillende leerlooierijen en schoenfabrieken werden opgericht in de Langstraat, zoals de Van Haaren fabrieken in Baardwijk. Voor een goede afzet van de producten zorgde de spoorlijn (1890) tussen Geertruidenberg en 's-Hertogenbosch, in de volksmond het 'Halvezolenlijntje' genoemd. Treinen rijden er inmiddels niet meer, maar het tracé is op veel plaatsen herkenbaar. e
De inrichting van het kleinschalige middeleeuwse landschap was voor de 20 eeuwse boeren niet ideaal. Na de Tweede Wereldoorlog zijn maatregelen uitgevoerd om de productieomstandigheden te verbeteren. De percelering veranderde, de ontwatering werd aangepakt en de ontsluiting werd verbeterd. Op veel plaatsen maakte het kleinschalige, besloten landschap plaats voor een rationeel ingericht, open gebied. Ook de dorpen hebben zich sterk uitgebreid, met name Waalwijk, Kaatsheuvel en Dongen. Het Halvezolenlijntje werd gesloten, in plaats daarvan kwam de A59, de verbinding tussen de A2 en de A27. 19
Archeologische verwachtingskaart Gemeente Loon op Zand Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Loon op Zand ligt het plangebied grotendeels binnen een gebied met een lage archeologische verwachting. De oostelijke en zuidelijke rand van het oostelijke deelgebied ligt binnen een archeologisch waardevol terrein, samenhangend met de lintbebouwing van het gehucht Tweede Straatje (zie figuur 7). Over de ontwikkelingsgeschie-
19
Hessing e.a., 2011; Van Heeringen & Schrijvers, 2017
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 7 van 16
denis en culturele biografie van de historische kernen is momenteel nog zeer weinig bekend en deze 20 vormen dan ook kennislacunes. 21
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Zowel binnen het plangebied als het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). 22
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vier archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken en een proefsleuvenonderzoek (zie bijlage 2 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat alle locaties uiteindelijk zijn vrijgegeven vanwege de aangetroffen bodemverstoringen en de relatief natte context van het landschap. 23
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan geen vondstmeldingen geregistreerd (zie figuur 8). Ook binnen een wijdere cirkel van 1.500 meter rond het plangebied bevinden zich geen vondstmeldingen. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek is het bureau- en booronderzoek op 750 meter ten noordoosten 24 van het plangebied van Oranjewoud geraadpleegd. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Heemkundevereniging Loon op ’t Sandt en Heemkundekring de Ketsheuvel. Dit heeft geen aanvullende gegevens opgeleverd. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
20
Van Heeringen & Schrijvers, 2017 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 Teekens e.a., 2010 21
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 8 van 16
25
Korte bewoningsgeschiedenis van Kaatsheuvel In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 3. Van oudsher behoorde Kaatsheuvel tot de heerlijkheid Venloon, zoals Loon op Zand vroeger heette. Thans behoort het met de kerkdorpen Loon op Zand en De Moer tot de gemeente Loon op Zand. Loon op Zand lag op een kruispunt van handelswegen en bezat in 1233 reeds een kerk en een kasteeltje. Daar rondom ontstonden allerlei gehuchten zoals de Roestelberg, de Klokkenberg, het Hoekske, de Efteling, het Kraanven, de Bernsehoef en ook Kaatsheuvel. Opmerkelijk voor Kaatsheuvel was dat het zich in de grensstreek van Holland en Staats-Brabant bevond. De oudste vermelding van Kaatsheuvel is uit 1506, waar de plaats genoemd wordt als Ketshovel. In 1731 ging men het eerst ter kerke in Kaatsheuvel (daarvoor moesten de inwoners van Kaatsheuvel naar de kerk in Loon op Zand of in Sprang). Dit was in een kamer van een boerderij die behoorde aan de heer van Loon op Zand. In 1736 kwam daar een schuurkerk voor in de plaats en 100 jaar later de eerste stenen kerk, een zogenaamde Waterstaatskerk. In 1897 werd in het westelijk deel van Kaatsheuvel een tweede katholieke kerk in gebruik genomen, toegewijd aan de H.H. Martelaren van Gorcum.
De Waterstaatskerk maakte in de jaren 1912/1913 plaats voor de St. Janskerk in de Hoofdstraat van Kaatsheuvel. Lange tijd was de schoenindustrie in Kaatsheuvel het voornaamste middel van bestaan. Van oudsher kent Kaatsheuvel veel ambulante beroepen, zoals scharenslijpers, mattenvlechters, zwavelstokmakers en stoelenmatters. Ook leerlooien en de daaraan gekoppelde schoenindustrie waren in Kaatsheuvel van belang. De vestigingsomstandigheden waren erg gunstig voor het leerlooien. Het eikenschors, basis voor het looiproces, en stromende beekjes waren veelvuldig aanwezig. Het eikenschors werd gemalen op de plaatselijke molens, die naast de koppels stenen voor het malen van graan ook een koppel stenen voor het malen van eikenschors bezaten. Door de komst van de lage loonlanden verdween de schoenindustrie grotendeels en maakte plaats voor andere takken van industrie. Toch bleef de handel in schoenen in deze regio doorgaan. Als laatste voornaamste overblijfsel aan de schoenindustrie kan de Efteling genoemd worden. In 1949 werd in Kaatsheuvel namelijk de tentoonstelling “De Schoen” georganiseerd, waarna een park overbleef. Samen met een eerder opgezette speeltuin en sportpark vormde het in 1952 de basis voor de oprichting van de Efteling als sprookjespark. Voor de turfwinning is rond 1400 een turfvaart aangelegd door de huidige gemeente Loon op Zand.
Deze oost-west georiënteerde turfvaart lag op 900 meter ten noorden van het plangebied. Van hieruit werd het achterland ontgonnen. De ligging van het bewoningslint Tweede Straatje hangt vermoedelijk, net als die van Eerste Straatje, samen met een ontginningsfase. Beide bewoningslinten lopen grotendeels evenwijdig aan de turfvaart. Uiteindelijk raakte het veen op en werd de turfvaart in 1642 26 buiten gebruik gesteld.
25 26
www.deketsheuvel.nl Van Heeringen & Schrijvers, 2017
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 9 van 16
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
1811-1832
Gemeente Loon op Zand, Sectie H, Blad 01
1:2.500
Heidegebied Hil en Moer met plaatselijk gras- en akkerpercelen. Woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied al aanwezig.
Dongenseweg ten zuiden en De Roei ten oosten van het plangebied al aanwezig als Postpad
1850
44
1:50.000
Heidegebied Hil en Moer. Woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied al aanwezig.
Tweede Straatje en Eerste Straatje zijn omgewisseld (karteringsfout?)
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1870
605
1:50.000
Heidegebied Hil en Moer en langwerpige akkers, met woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1897
605
1:50.000
Heidegebied Hil en Moer en langwerpige akkers en graslanden, met woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1912
605
1:50.000
Heidegebied Hil en Moer en langwerpige akkers en graslanden, met woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1920
605
1:50.000
Heidegebied Hil en Moer en langwerpige akkers en graslanden, met woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied
Postpad verhard.
Topografische kaart
1936
44G
1:25.000
Langwerpige akkers en graslanden, met woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied
Schuur/stal bij woning in het zuiden gebouwd.
Topografische kaart
1947
44G
1:25.000
Langwerpige akkers en graslanden, met woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied
-
Topografische kaart
1959
44G
1:25.000
Langwerpige akkers en graslanden, met woning in het zuiden van het oostelijke deelgebied
Tweede schuur/stal bij woning in het zuiden gebouwd.
Topografische kaart
1969
44G
1:25.000
Langwerpige graslanden
-
Topografische kaart
1981
44G
1:25.000
Langwerpige graslanden
-
Kadastrale minuut
27
Militaire topografische kaart (nettekening)
28
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin e 19 eeuw grotendeels in gebruik was als heidegebied, met plaatselijk kleinschalige graslanden en akkers. Het huidige wegennet was destijds al aanwezig. Op het perceel in het zuiden van het oostelijke deelgebied waar momenteel een woning met schuur staat was ook destijds al een woning aanwe27 28
Beeldbank Cultureelerfgoed Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 10 van 16
e
zig, al lijkt deze op de kadastrale kaart van begin 19 eeuw iets verder naar het oosten te staan. Tot in e de jaren ’30 van de 20 eeuw veranderd er weinig aan dit beeld. In de jaren ’30 is het gebied ten westen van Kaatsheuvel ontgonnen en hebben de heidevelden plaats gemaakt voor gras- en akkerland (zie figuur 9). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten.
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange29 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting/Complextype
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen,
In de (voormalige) veenafzettingen en in de top van de dekzandafzettingen
29
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 11 van 16
metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen Romeinse tijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In de (voormalige) veenafzettingen en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal¬resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer¬pen
In de (voormalige) veenafzettingen en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Laag-hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de (voormalige) veenafzettingen en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Laag-hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging op een dekzandvlakte blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied niet veel waarnemingen bekend zijn. De kans op het voorkomen van archeologische resten is, vanwege de ligging ver weg van een gradientzone naar een beekdal, laag voor Paleolithicum en Mesolithicum. Een gradiëntzone was een gunstig leefgebied voor jagers-verzamelaars. Omdat van archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum vuursteenstrooiingen en gebruiksvoorwerpen worden verwacht in gradiëntsituaties in de nabijheid van beekdalen is de verwachting dat deze in het plangebied aanwezig zijn daarom laag. Voor landbouwers zal het plangebied op basis van de ligging op een relatief natte dekzandvlakte waarop vanaf de IJzertijd tot in de Middeleeuwen veen is gevormd een ongunstige locatie voor bewoning zijn geweest. Het plangebied heeft daarom een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. e
Vanaf circa 1400 tot begin 17 eeuw werd het veen in de omgeving van het plangebied ontgonnen. Hierbij zijn de ook nu nog in het landschap zichtbare perceleringen gecreëerd. Mogelijk zijn toen ook de eerste lintdorpen in de omgeving van het plangebied ontstaan. De oostelijke en zuidelijke randen van het oostelijke deelgebied liggen langs twee ontginningsassen en hebben daarom een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het eind van de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. De rest van het plangebied is uitsluitend als heide en vervolgens gras- en akkerland in gebruik geweest en heeft daarom een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd (zie figuur 10). De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 12 van 16
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland en grasland en voor een klein deel is het nog bebouwd. Door ploegen en graaf- en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
3
CONCLUSIE EN ADVIES
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Langs de oostelijke en zuidelijke randen van het oostelijke deelgebied liggen twee ontginningsassen, waardoor deze zone van het plangebied een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het eind van de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd heeft. Voor de overige perioden, en voor de rest van het plangebied voor alle perioden, geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Gezien de ligging van het plangebied in een historische kern is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek voor de oostelijke en zuidelijke randen van het oostelijke deelgebied. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de kans op het voorkomen van bodemverstoringen die aan historische bebouwing toegeschreven kan worden groot is. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Omdat resten van de lintbebouwing met name langs de doorgaande wegen worden verwachten, is het aan te bevelen het proefsleuvenonderzoek (in eerste instantie) te beperken tot de zones dicht langs de weg.
Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Voor de rest van het plangebied adviseert Econsultancy om het vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Loon op Zand). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het nu vrij gegeven deel van het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het 30 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed , de gemeente Loon op Zand of de provincie Noord-Brabant.
30
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 13 van 16
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berkel, G. van & K. Samplonius, 1995: Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen., Meppel. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Deeben, J.H.C. (red.) 2008: De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, derde generatie, Rapportage Archeologische Monumentenzorg 155, Amersfoort. Doesburg, J. van, e.a. red., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Heeringen, R.M. van & R. Schrijvers, 2017 (Ontwerp) Actualisatie van de Archeologische verwachtingenkaart en Maatregelenkaart van de gemeenten Loon op Zand. Vestigia-rapport V1379, Amersfoort Hessing, W.A.M., e.a., 2011: Archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten Haaren, Heusden, Loon op Zand en Vught. Vestigia-rapport V834, Amersfoort Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & Smit, A. (red.) 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed.
Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Stichting voor Bodemkartering, 1990: Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, blad 44 Oost. Teekens, P.C. e.a., 2010: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in het plangebied Sweensstraat-West te Kaatsheuvel. Archeologische Rapporten Oranjewoud 2010/78, Heerenveen
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 14 van 16
Vos, P., & Vries, S. d. (sd). 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Opgeroepen op 11 30, 2015, van www.archeologieinnederland.nl Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 15 van 16
BRONNEN AHN; internetsite, september 2018. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, september 2018. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, september 2018. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, september 2018 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, september 2018. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Dinoloket; internetsite, september 2018. http://www.dinoloket.nl/ De Nederlandse Bank; internetsite, september 2018. https://nnc.dnb.nl/dnb-nnc-ontsluiting-frontend/#/numis/ Heemkundekring De Ketsheuvel, september 2018. www.deketsheuvel.nl Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, september 2018. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, september 2018. http://www.topotijdreis.nl/ SIKB; internetsite, september 2018. http://www.sikb.nl
Rapport 7393.002 versie 1
Pagina 16 van 16
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart gemeente Loon op Zand Legenda Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1811-1832 (bron:RCE Beeldbank)
Situatie 1870 (bron:topotijdreis.nl)
Situatie 1920 (bron:topotijdreis.nl)
Situatie 1936 (bron:topotijdreis.nl)
Dongenseweg te Kaatsheuvel. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 7393.002 versie 1
Figuur 10. Resultaten van het bureauonderzoek
Rapport 7393.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 7393.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 7393.002 versie 1
Bijlage 2
Onderzoeksmeldingen
Zaaknummer (OMnummer) 2287508100 (41122)
Situering t.o.v. plangebied 750 meter ten noordoosten
3977866100 en 3977874100
900 meter ten noordoosten
3986249100
900 meter ten noordoosten
Rapport 7393.002 versie 1
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Sweensstraat-West Kaatsheuvel Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 14-6-2010 00:00:00 Resultaat: Op basis van der resultaten van het inventariserend veldonderzoek - overig (verkennende fase) is geconcludeerd dat het plangebied in een zone met een lage verwachtingswaarde. Er is een sterk verstoord bodemprofiel aangetroffen, waarbij de van oorsprong aanwezige podzolprofielen sterk waren verstoord of zelfs verdwenen. Ook de top van de C-horizont, waarvan de mate van intactheid sterk verband houdt met de mate van intactheid van grondsporen, was in vele boringen verstoord. Eventuele vindplaatsen zullen in dit gebied eveneens zijn verstoord. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Type onderzoek: bureauonderzoek en booronderzoek Toponiem: Kaatsheuvel Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 9-11-2015 00:00:00 Resultaat: Het plangebied is in de afgelopen eeuw deels bebouwd geweest met verschillende gebouwen. Daarvoor is het plangebied als akkerland in gebruik geweest. Door ploegen en later door bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. De landschappelijke ligging van het plangebied op een uitgestrekte dekzandrug maakt dat het voor met name landbouwers een mogelijke interessante locatie was.
Het plangebied heeft een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Uit het booronderzoek blijkt dat sommige delen van het plangebied zwaar verstoord zijn, maar dat er ook duidelijk onverstoorde delen aanwezig zijn. Op basis van de waargenomen sterk wisselende bodemprofielen blijft de gespecificeerde verwachting, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, staan. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Kaatsheuvel Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 15-2-2016 00:00:00 Resultaat: Het grootste deel van de aangetroffen sporen binnen de proefsleuven hangt samen met de recent verwijderde bebouwing op het plangebied. Het betreft uitbraaksleuven van funderingen en dergelijke. In het zuiden van werkput 3 is één geïsoleerde (sub recente) greppel aangetroffen. De geïsoleerde greppel heeft een beperkte archeologische relevantie. Tijdens het onderzoek is er geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Econsultancy adviseert om geen verder onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.
Bijlage 3
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 7393.002 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 7393.002 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 7393.002 versie 1
Bijlage 4
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.