Bijlagen toelichting ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 7393.002 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 7393.002 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 7393.002 versie 1
Bijlage 5
Rapport 7393.002 versie 1
Planontwerp
CMYK 0/40/90/0
PMS 1375
Dongenseweg 4 te Kaatsheuvel rapport 5074
J. Loopik
Dongenseweg 4 te Kaatsheuvel - gemeente Loon op Zand Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven
J. Loopik
Colofon ADC Rapport 5074 Dongenseweg 4 te Kaatsheuvel - gemeente Loon op Zand Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven Auteur: J. Loopik In opdracht van: Van den Berg Ruimtelijke Ordening Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, december 2019 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
G. Williams
ISSN 1875-1067
ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033 299 8181 Email info@archeologie.nl
Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.3 Opzet van het rapport 2 Vooronderzoek 2.1 Historie 2.2 Archeologie 3 Methoden 4 Fysische geografie 4.1 Landschap 4.2 Conclusie 5 Sporen en structuren 5.1 Sporen 5.2 Interpretatie 6 Vondstmateriaal 7 Conclusie en beantwoording onderzoeksvragen 7.1 Algemeen 7.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 8 Waardering en selectieadvies 8.1 Waardering van de vindplaats 8.2 Selectieadvies Literatuur Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Bijlage 1: Sporenlijst Bijlage 2: Vondstenlijst Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database
4 5 7 7 8 10 11 11 12 13 14 14 16 17 18 19 21 22 22 22 26 26 26 27 27 27 28 28 29 31
Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie:
Noord-Brabant
Gemeente:
Loon op Zand
Plaats:
Kaatsheuvel
Toponiem:
Dongenseweg 4
Kaartblad:
44 G
Coördinaten: Projectverantwoordelijke:
X 128.135 / Y 406.759 J. Loopik T: 06-46131808 E: J.Loopik@archeologie.nl Actorregistratie: 36130321
Bevoegde overheid:
Gemeente Loon op Zand Dhr. B. Vorster T: 06-83672652 E: b.vorster@loonopzand.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid:
Gemeente ‘s-Hertogenbosch Dhr. S. Molenaar T: 06-83672652 E: s.molenaar@s-hertogenbosch.nl
Goedkeuring rapport door de bevoegde overheid:
18-11-2019
Archiszaaknummer:
4726134100
ADC-projectcode:
4210403
Complex en ABR codering:
XXX (APP)
Periode(n):
NT
KNA versie:
4.1
Geomorfologische context:
Dekzand
NAP hoogte maaiveld:
Ca. 2,9 m+NAP
Maximale diepte onderzoek:
Ca. 2,08 m+NAP
Uitvoering van het veldwerk:
28 en 29 augustus 2019
Beheer en plaats documentatie:
Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant Waterstraat 16 5211 JD Den Bosch
5
Samenvatting In opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd binnen het onderzoeksgebied Dongenseweg 4 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand. Bij het vooronderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Paleolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen laag en voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd hoog. De voorgenomen bouwplannen zullen mogelijk aanwezige archeologische resten ernstig beschadigen of zelfs vernietigen. Er zijn totaal acht sporen aangetroffen, bestaande uit greppels. Een datering voor de sporen kan achter niet aan de sporen worden gegeven. Er is namelijk in slechts één greppel materiaal aangetroffen, dat dateert in de Nieuwe tijd. Het vondstmateriaal dat uit de bouwvoor is verzameld dateert tevens uit de Nieuwe tijd, met een zwaartepunt in de 19e eeuw. De functie van de sporen moet gezocht worden in die van afwatering en verkaveling, er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bewoning. Een typering van de vindplaats moet derhalve gezocht worden in de categorie landbewerking/ landinrichting. De locatie van eventuele bewoning zal buiten het plangebied hebben gelegen.
Dit wordt verder ondersteund door de afwezigheid van vondstmateriaal. Ter hoogte van een bewoningslocatie wordt meer materiaal verwacht. Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek adviseert ADC ArcheoProjecten de bevoegde overheid de locatie vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Het is onwaarschijnlijk dat het plangebied in het verleden (intensief) bewoond of in gebruik is geweest, anders dan als akkerland. Daarnaast kunnen de sporen niet gedateerd worden, waarmee eventuele bewoning niet in de tijd kan worden geplaatst. ADC ArcheoProjecten wijst de opdrachtgever er op dat de bevoegde overheid beslist of dit advies al dan niet wordt opgevolgd; indien deze een andere mening is toegedaan, dient u rekening te houden met vervolgonderzoek. Indien bij verdere graafwerkzaamheden alsnog archeologische waarden en resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet, art. 5.10, direct te worden gemeld. In de praktijk kan melding het beste direct plaatsvinden bij de gemeente (de bevoegde overheid). Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode
Tijd in jaren
Nieuwe tijd:
1500 - heden
Nieuwe tijd C
1850 - heden
Nieuwe tijd B
1650 - 1850 na Chr.
Nieuwe tijd A
1500 - 1650 na Chr.
Middeleeuwen:
450 - 1500 na Chr.
Late Middeleeuwen B / Late Middeleeuwen
1250 - 1500 na Chr.
Late Middeleeuwen A / Volle Middeleeuwen
1050 - 1250 na Chr.
Vroege Middeleeuwen D / Ottoonse periode
900 - 1050 na Chr.
Vroege Middeleeuwen C / Karolingische tijd
725 - 900 na Chr.
Vroege Middeleeuwen B / Merovingische tijd
525 - 725 na Chr.
Vroege Middeleeuwen A / Volksverhuizingstijd
450 - 525 na Chr.
Romeinse tijd:
12 voor Chr. - 450 na Chr.
IJzertijd:
800 - 12 voor Chr.
Bronstijd:
2000 - 800 voor Chr.
Neolithicum (Jonge Steentijd):
5300 - 2000 voor Chr.
Mesolithicum (Midden-Steentijd):
8800 - 4900 voor Chr.
Paleolithicum (Oude Steentijd):
tot 8800 voor Chr.
Bron: Archeologisch Basis Register 1992
6
Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied.
7
1 Inleiding 1.1
Algemeen
In opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening heeft ADC ArcheoProjecten op 28 en 29 augustus 2019 een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd binnen het plangebied Dongenseweg 4 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand (afb. 1). Het plangebied dat is onderzocht is onderdeel van een groter onderzoeksgebied, waar een kassencomplex (circa 5,4 hectare), een verwerkingsruimte (circa 5.824 m2), twee waterbassins (circa 1,5 hectare) en een trayveld (circa 9.670 m2) worden aangelegd. In de zuidwestelijke zone van het onderzoeksgebied (het plangebied) zal een “bedrijfs”-woning (circa 135 m2) met bijgebouw (circa 65 m2) worden gerealiseerd. Onderhavig onderzoek en het bijbehorende Programma van Eisen zijn specifiek van toepassing op de zuidwestelijke zone van het onderzoeksgebied, rondom de Dongenseweg 4. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,03 hectare (afb. 2). Hier geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –mv. De diepte van de bodemverstoring zal bij de “bedrijfs”-woning en het bijgebouw in ieder geval meer bedragen dan 30 cm -mv. Wat betreft het overige deel van de ontwikkeling zijn de bouwplannen nog niet concreet uitgewerkt. Daarbij is het mogelijk dat de verstoringsdiepte niet dieper dan 30 cm -mv zal bedragen, maar dit is nog niet vastgesteld.
Afb. 2. Locatie van het plangebied (rood) op een luchtfoto. Bij het vooronderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld.1 Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Paleolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen laag en voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd hoog. De voorgenomen bouwplannen zullen mogelijk aanwezige archeologische resten ernstig beschadigen of zelfs vernietigen. Op basis hiervan heeft Econsultancy geadviseerd om in de zuidwestelijke zone van deelgebied 1 een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit te voeren, om deze verwachting te toetsen. De bevoegde overheid heeft dit advies overgenomen. De proefsleuven zijn aangelegd en onderzocht conform de KNA 4.1 en het Programma van Eisen (PvE), dat door Econsultancy is opgesteld.2 De aan het onderzoek gestelde onderzoeksvragen staan weergegeven in dit Programma van Eisen (PvE); deze worden bij het onderzoek zo nauwkeurig mogelijk beantwoord.
1 2
Stiekema 2018. Mientjes 17-04-2019.
8
Het plangebied heeft een oppervlakte van 1,03 hectare en is momenteel in gebruik als akkerland. In het plangebied zijn in totaal tien proefsleuven aangelegd, met een totale oppervlakte van 1.030 m2 . Het veldwerk is uitgevoerd op 28 en 29 augustus 2019. Projectverantwoordelijke van ADC ArcheoProjecten was J. Loopik. Het veldteam bestond uit J. Loopik (Senior KNA archeoloog) en J. Verduin (Senior KNA archeoloog MA). Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door J.W. Beestman. De bijbehorende documentatie die tijdens het proefsleuvenonderzoek werd verzameld, zal worden gedeponeerd in het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant.
1.2
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Het doel van dit Inventariserend Veld Onderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) is het verkrijgen van een betrouwbaar inzicht in de aanwezigheid, de aard, de datering, de omvang en de conservering van archeologische (bewonings)resten in het plangebied, teneinde tot een waardestelling te kunnen komen. Deze waardestelling zal worden vertaald in een selectieadvies. Het bevoegd gezag zal naar aanleiding van dat advies een selectiebesluit nemen of (een deel van) de locatie behoudenswaardig is, of dat deze vrij gegeven kan worden voor ontwikkeling. Het onderzoek is gericht op beantwoording van de vragen gesteld in het PvE.3 Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied.4 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 1. Archeologisch slecht bekende gebieden 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap 3. Gebruik van het water 4. Occupatie en adaptatie in het rivierengebied en langs de kust 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 8. Conflictarcheologie 13. De verankering van het boerenbestaan 18. Dorpsvorming 20. De relatie stad – platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties 23.
Netwerken en infrastructuur Onderzoeksvragen Algemeen Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuvenonderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen een rol te spelen: 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? 2. Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3. Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 4. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Loon op Zand aanscherpen? 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 6. In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? 7. Is er sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? 8. Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving. 3
4
Mientjes 2019. https://archeologieinnederland.nl/noaa.
9
9. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? 10. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? 11. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? Waardering en specifieke onderzoeksvragen De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 12. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 13. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. het type en de functie van de sites of off-site patronen e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? 14. Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag: a. de vondst- en spoordichtheid b. de stratigrafie voor zover aanwezig c.
de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie? 15. Wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 16. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 17. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 18. In hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw (podzolprofiel) nog aanwezig in de top van het dekzand? 19. Heeft ter plekke van het onderzoeksgebied oorspronkelijk veen gelegen op het dekzand, dat sinds de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is weg gegraven? 20. Is aan de bodemopbouw aan de top van het dekzand zichtbaar dat het tot de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd afgedekt werd door een veenpakket? 21. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 22. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein?
10
1.3
Opzet van het rapport
Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1 -specificatie VS05). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Dit onderzoek vormt geen eindstation, maar de basis van waaruit verder synthetiserend onderzoek kan plaatsvinden. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt het historisch kader en het vooronderzoek in hoofdstuk 2, waarna in hoofdstuk 3 een omschrijving van de onderzoeksmethoden volgt. Vervolgens zullen de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. Allereerst hoofdstuk 4, fysische geografie, gevolgd door de resultaten die het onderzoek opgeleverd heeft in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk 6 worden de vondsten besproken. Tenslotte zullen in hoofdstuk 7 de resultaten worden besproken, de onderzoeksvragen worden beantwoord en zal in hoofdstuk 8 een selectieadvies worden gegeven.
11
2 Vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt de bewoningsgeschiedenis en het vooronderzoek van het plangebied besproken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van informatie verkregen bij het vooronderzoek en het PvE. Onderstaande beschrijvingen zijn, zij het geredigeerd, grotendeels overgenomen uit Stiekema 2018 en het PvE.
2.1
Historie
Volgens de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant ligt het plangebied in het cultuurhistorisch landschap Langstraat.5 Het landschap Langstraat bestaat nu uit een noordwaarts afhellende dekzandvlakte met veenresten, waar de dorpenreeks van Baardwijk tot Raamsdonk op ligt, alsmede de zuidelijker gelegen veenontginningen van 's-Gravenmoer, Dongen en westelijk Loon op Zand. Het noorden van dit gebied maakte deel uit van de Grote of Zuid-Hollandse Waard (circa 1280-1421 na Chr.). De veengebieden van de Langstraat zijn in de Late Middeleeuwen ontgonnen en volgens het bekende stramien van de veenontginningen ingericht: een ontginningsbasis met loodrecht daarop lange strookvormige percelen. Aan het eind werd een kade gemaakt om het water uit het nog niet ontgonnen deel van het veen tegen te houden. Aan de zijkant van een ontginningsblok of dorpsgebied legde men een zijkade of zijdwende aan om het water te keren. Als ontginningsbasis heeft de oeverwal van de Oude Maas gediend. Van hieruit werden lange smalle percelen naar het zuiden uitgezet, in een nog veel fijnmaziger patroon dan we elders in veengebieden aantreffen. De oudste ontginningen kenden het recht van opstrek. Dit wil zeggen dat de percelen steeds verder in het veen konden worden verlengd. De percelen konden wel vijf kilometer lang worden. In 's-Gravenmoer was de oever van de Donge ontginningsbasis.
In Dongen werd daarvoor een dekzandrug gebruikt. In deze plaatsen hadden de hoevestroken een vaste lengte zonder opstrekrecht. De turfgraverij in westelijk Loon op Zand leidde later tot een meer blokvormige inrichting langs noordwaarts gerichte vaarten. De ontginning van het veengebied werd aangemoedigd door de landsheren, destijds de graaf van Holland en de heer Van Altena. Langs de Maas is de ontginning mogelijk ouder dan de invloed van deze heren, omdat het slagenpatroon zich niet stoort aan de grens Holland-Altena. Vaak sloten groepen ontginners een contract af met de graaf waarin de voorwaarden werden vastgelegd. Dit wordt een cope genoemd, en de inrichting van een stuk veengebied op grond van zo'n contract staat bekend als een cope-ontginning. Verschillende delen van het veengebied van de graaf - onder andere 's-Gravenmoer en Sprang - werden in de 13e en 14e eeuw ter ontginning uitgegeven. Door de inklinking en oxidatie van het veen daalde de bodem op de plaatsen waar het meest intensief geboerd werd, namelijk dicht bij de boerderijen. Na verloop van tijd werd het daar zo nat dat de bewoners gedwongen waren de oorspronkelijke ontginningsas te verlaten en hun boerderijen een eind naar het zuiden te verplaatsen. Uiteindelijk 'schoof' het hele langgerekte dorp naar het zuiden. De dorpen behielden echter hun langgerekte vorm.
Op de kaart van 1850 worden Drunen, Baardwijk, Waalwijk, Sprang, Capelle, Waspik en Raamsdonk gekenmerkt door smalle kilometerslange bewoningslinten waar de boerderijen en de andere huizen stonden. Loodrecht daarop staan de smalle percelen, ten noorden van de dorpen steevast als grasland in gebruik en aan de zuidkant als grasland of bouwland. Een goed voorbeeld van zo'n verplaatst dorp is Raamsdonk. Dit dorp is enkele keren verschoven. Al in de 13e eeuw stonden de boerderijen niet meer op de oorspronkelijke ontginningsbasis, maar aan de achterkade, die hier Achterste Dijk heet. In de tweede helft van de 13e eeuw werd hier een kerk gebouwd, waarvan de toren bewaard is gebleven. Het dorp zelf, dat bestond uit boerderijen die uit hout en ander vergankelijk materiaal waren opgetrokken, werd opnieuw verplaatst naar het zuiden. Het enige stenen gebouw in het dorp - de kerk - bleef echter op zijn oorspronkelijke plaats staan, samen met het kerkhof aan de Achterste Dijk. De kerk van Raamsdonk ligt nu bijna een kilometer ten noorden van het bebouwingslint Bergenstraat. In grote delen van de Langstraat is het veen geheel of gedeeltelijk afgegraven ten behoeve van de turfwinning. Enkele van de noordwaarts gerichte sloten ontwikkelden zich tot heuse turfvaarten Langs de turfvaarten ontstonden bebouwingslinten met de woningen van schippers en veenarbeiders.
Op de kruispunten van de vaarten en de oude agrarische bewoningsassen ontstonden dorpskernen (bijvoorbeeld Labbegat en Waspik). De turfwinning is op kleine schaal doorgegaan tot in de 20e eeuw. 5
Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant.
12
Door de lage ligging en de hoge waterstanden konden grote delen van het gebied alleen maar gebruikt worden als grasland. Er ontstond een levendige handel in hooi. De rundveehouderij vierde hoogtij in het gebied en leverde de huiden voor de bloeiende leerindustrie die in de 18e eeuw ontstond. Bovendien leverde het eikenhakhout uit de bossen en houtwallen in het zuiden van het gebied een belangrijke grondstof voor de leerlooierij, namelijk de ‘run’ (gemalen eikenschors). De Langstraat werd een centrum van leerlooierijen en schoenenindustrie. Tot het eind van de 19e eeuw was het looien een nevenactiviteit van de boeren. In de 19e eeuw veranderde de huisnijverheid in een industriële activiteit. Verschillende leerlooierijen en schoenfabrieken werden opgericht in de Langstraat, zoals de Van Haaren fabrieken in Baardwijk. Voor een goede afzet van de producten zorgde de spoorlijn (1890) tussen Geertruidenberg en 's-Hertogenbosch, in de volksmond het 'Halvezolenlijntje' genoemd. Treinen rijden er inmiddels niet meer, maar het tracé is op veel plaatsen herkenbaar. De inrichting van het kleinschalige middeleeuwse landschap was voor de 20e-eeuwse boeren niet ideaal. Na de Tweede Wereldoorlog zijn maatregelen uitgevoerd om de productieomstandigheden te verbeteren. De percelering veranderde, de ontwatering werd aangepakt en de ontsluiting werd verbeterd.
Op veel plaatsen maakte het kleinschalige, besloten landschap plaats voor een rationeel ingericht, open gebied. Ook de dorpen hebben zich sterk uitgebreid, met name Waalwijk, Kaatsheuvel en Dongen. Het Halvezolenlijntje werd gesloten, en in plaats daarvan kwam de A59, de verbinding tussen de A2 en de A27. Het plangebied ligt aan de Dongenseweg, die een van de hierboven beschreven laatmiddeleeuwse ontginningsassen vormde, en tegenwoordig als doorgaande weg tussen Kaatsheuvel naar het westen toe naar Vaart in gebruik is. Op basis van het beschikbare oude kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw grotendeels in gebruik was als heidegebied, met plaatselijk kleinschalige graslanden en akkers. Het huidige wegennet was destijds al aanwezig. Op het perceel in het zuiden van het oostelijke deelgebied, waar momenteel een woning met schuur staat, was ook destijds al een woning aanwezig, al lijkt deze op de kadastrale kaart van begin 19e eeuw iets verder naar het oosten te zijn weergegeven.6 Tot in de jaren ’30 van de 20e eeuw verandert er weinig aan dit beeld. In de jaren ’30 is het gebied ten westen van Kaatsheuvel ontgonnen en hebben de heidevelden plaats gemaakt voor gras- en akkerland.
Het onderzoeksgebied voor het proefsleuvenonderzoek, in het zuidwestelijke deel van plangebied, lijkt reeds in de 19e eeuw tot de dag van vandaag hoofdzakelijk voor akkerbouw in gebruik geweest te zijn. Tevens wordt vanaf het begin van de 19e eeuw bebouwing weergegeven ter plekke van het onderzoeksgebied. Het is niet bekend tot hoever deze bebouwing terug gedateerd kan worden door het ontbreken van oud kaartmateriaal van vóór 1800. zoals de Waalwijksche Haven, de Sprangsche Sloot en de (verdwenen) Labbegatsche Vaart.
2.2
Archeologie
Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Loon op Zand ligt deelgebied 1 grotendeels binnen een gebied met een lage archeologische verwachting.7 De oostelijke en zuidelijke rand ligt binnen een archeologisch waardevol terrein, samenhangend met de lintbebouwing van het gehucht Tweede Straatje. Deze zuidelijke rand betreft het plangebied van onderhavig onderzoek. Over de ontwikkelingsgeschiedenis en culturele biografie van de oude (dorps)kernen is momenteel nog zeer weinig bekend. Deze vormen dan ook kennislacunes.8 Het onderzoeksgebied van het proefsleuvenonderzoek ligt binnen een archeologisch waardevol terrein. In of nabij het plangebied komen geen archeologische monumenten voor (AMK-terrein). In het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), staan alle tot nu toe bekende archeologische vindplaatsen geregistreerd. Noch binnen het plangebied, noch in een straal van circa 1.500 rondom het plangebied staan tot op heden archeologisch vindplaatsen geregistreerd.
6
Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Loon op Zand, Noord Brabant, sectie H, blad 01 (MIN10097H01). Hessing, 2011. 8 Van Heeringen en Schrijvers, 2017. 7
13
3 Methoden Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.1 en het PvE.9 Tijdens het IVO zijn in het plangebied tien werkputten van 4 m breed en 25 m lengte aangelegd, met een totale oppervlakte van 1030 m2 (afb. 3). Het archeologisch vlak in alle werkputten is aangelegd op een diepte tussen ca. 0,4 en 0,8 m+NAP (40 – 80 cm – maaiveld).
Afb. 3. Aangelegde putten op locatie A en B. De vlakken zijn machinaal aangelegd met een gladde bak. Tijdens de aanleg van het vlak zijn vondsten in vakken van 5x4 m verzameld. Tijdens het graven is laagsgewijs verdiept tot het relevante sporenvlak en is de bodem en de stort grondig met een metaaldetector onderzocht. Het vlak is geheel ingemeten met behulp van een GPS, gefotografeerd en beschreven. Met de GPS zijn maaiveld- en vlakhoogten gemeten. Grondsporen zijn direct ingekrast, vervolgens is het vlak gefotografeerd en de sporen getekend met behulp van een GPS, waarbij om de 5 m een vlakhoogte is bepaald. Een selectie van de aangetroffen grondsporen is gecoupeerd, waarbij eventuele vondsten zijn verzameld. Alle relevante coupes zijn gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. Om een goed overzicht te krijgen van de bodemopbouw zijn in alle werkputten twee profielkolommen op schaal 1:20 gedocumenteerd.
9
Mientjes 2019.
14
4 Fysische geografie 4.1
Landschap10
Het plangebied bevindt zich binnen een gebied waar afzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden aan het maaiveld worden aangetroffen. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd (Weichselien, circa 116.000 - 11.700 jaar geleden). Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 m dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Tijdens de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf circa 11.700 jaar geleden), verbetert het klimaat weer, het land raakt begroeid en er treedt bodemvorming op. Erosie en sedimentatie blijven beperkt tot de beekdalen.
Beekafzettingen vormen het Laagpakket van Singraven binnen de Formatie van Boxtel. Vanaf het Atlanticum vindt op grote schaal veenvorming plaats, waarbij ook grote delen van het dekzandlandschap door veen worden overdekt. Dit veen is in de loop van de Middeleeuwen veelal verdwenen door turfwinning of door oxidatie. Volgens de paleogeografische kaarten is het plangebied tussen 1500 en 500 voor Chr. door veen overdekt geraakt.11 Het veen is in de Late Middeleeuwen afgegraven voor turfwinning, waardoor dekzanden weer aan het maaiveld zijn komen te liggen. Volgens de turfdatabank van de provincie Antwerpen, die is gebaseerd op het werk van Leenders (2013), ligt de oostelijke grens van het veengebied circa 1 kilometer ten westen van het plangebied.12 Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland ligt het westelijke deelgebied en het noordwestelijke deel van het oostelijke deelgebied binnen een terrasafzettingsvlakte, bedekt met dekzand (afb. 4, code 2M20a). De rest van het oostelijke deelgebied ligt bijna geheel op een dekzandvlakte (code 2M9). Alleen in het uiterste noordoosten van het oostelijke deelgebied valt circa 300 m2 binnen een dekzandrug of -kopje (code 3L5). Volgens de Bodemkaart van Nederland is het plangebied gekarteerd als veldpodzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (code Hn21).
Veldpodzolbodems zijn bodems gevormd onder relatief natte omstandigheden. Ze kenmerken zich door de aanwezigheid van een inspoelings-B-horizont zonder ijzerhuidjes en een dunne humushoudende bovengrond (in de regel niet dikker dan 30 cm). Dit bodemtypen komt veel voor op de dekzandvlakte ten westen van Kaatsheuvel.13
10
Tekst grotendeels, zij het geredigeerd, overgenomen uit Stiekema 2018 en Mientjes 2019. Vos & De Vries, 2015. 12 http://geoloket.provincieantwerpen.be 13 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 11
15
Afb. 4. Uitsnede van de geomorfologische kaart. Geelgroen = lage ruggen en heuvels, Lichtgeel = Welvingen, Mintgroen = Vlakten. Blauw kader is plangebied. Bron: Stiekema 2018.
Resultaten aardwetenschappelijk onderzoek In elke proefsleuf zijn twee profielkolommen gedocumenteerd. In alle gevallen werd een verstoorde bodemopbouw aangetroffen. De waargenomen bodemopbouw wordt gedefinieerd als een A-C horizont, waarbij de oorspronkelijke bodemopbouw vrijwel geheel is verdwenen. Dat wil zeggen, de bouwvoor is aanwezig (A-horizont) en de moederbodem (C-horizont). Op deze laatste kunnen doorgaans archeologische sporen worden verwacht. In een intacte (natuurlijke) bodemopbouw bevindt zich daartussen doorgaans de B-horizont (inspoelingslaag), maar deze is niet aangetroffen. Dit is gebeurd door (sub)recente werkzaamheden, waarbij de B-horizont (en waarschijnlijk ook een deel van de C-horizont) is vergraven. Mogelijk is deze tijdens ploegwerkzaamheden geheel in de bouwvoor opgenomen. Hierdoor kan ook niet worden achterhaald hoeveel er van de C-horizont is verdwenen. Dit heeft gevolgen voor eventueel aanwezige archeologie, omdat deze zich doorgaans in de C-horizont bevindt. Dat deze deels is vergraven betekent dat archeologische sporen ook zullen zijn aangetast. Een aantal van de gezette profielen zijn gekenmerkt door een scherpe overgang naar de C-horizont (twee linker foto’s in afbeelding 5). Hier is het oorspronkelijke bodemprofiel tot in de C-horizont vergraven, waarschijnlijk ten gevolge van het ploegen van de akkers.
In alle andere gevallen bevond de donkere ploeglaag zich direct boven de C-horizont (twee rechter foto’s op afbeelding 7). In de ploeglaag (spoor 1000) is aardewerk aangetroffen dat dateert in de periode 1800-1900 (vnrs 1, 4 en 6).
16
Afb. 5. Van links naar rechts. Profielkolom in put 1, put 5, put 7 en put 10.
4.2
Conclusie
Het archeologische vlak bevond zich op zeer geringe diepte (40-80 cm min maaiveld). Hierdoor zijn eventueel aanwezige archeologische sporen kwetsbaar geweest voor grondverstorende werkzaamheden, met name het ploegen van de bodem. Dat is goed te zien in de profielen waar de bodem tot in de C-horizont is vergraven. Hierdoor is niet nader te bepalen hoeveel van de oorspronkelijke bodem is verdwenen. Dit kan een oorzaak zijn voor eventuele afwezigheid van archeologische sporen. De impact op met name ondiepe sporen zal groot zijn geweest.
17
5 Sporen en structuren Tijdens het proefsleuvenonderzoek is een betrekkelijk klein aantal sporen en vondsten aangetroffen (tabel 2). De diversiteit in de aard van de sporen beperkt zich slechts tot een achttal greppels (afb. 6). De sporen zijn relatief goed bewaard gebleven. Ze geven een indicatie van de indeling en het gebruik van het landschap. Natuurlijke en recente sporen zijn als zodanig geclassificeerd op basis van hun vorm in het vlak, scherpte van de begrenzing van het spoor, kleursamenstelling, vulling, insluitsels (plastic) en coupvorm (onregelmatige onderzijden of diergangen). In het geval van een aantal natuurlijke verstoringen zijn deze wel gecoupeerd, omdat ze op basis van vorm in het vlak wellicht ook paalkuilen konden zijn. Recente en natuurlijke sporen zullen hieronder niet worden beschreven. In bijlage 1 is de sporenlijst opgenomen met de aangetroffen sporen. Tabel 2. Aantal sporen per categorie Aard spoor
Aantal
Greppel
8
Nat. verstoring
9
Rec. verstoring
6
Afb. 6. AlleSporenKaart.
18
5.1
Sporen
Van de acht greppels zijn er zeven gecoupeerd, om de sporen nader te onderzoeken. Een aantal van de hieronder beschreven sporen had een donkergrijs-lichtgeel gekleurde vulling. Deze kleur is tot stand gekomen doordat de greppel door de donkere bouwvoor heen is gegraven tot in het lichte zand, waarna beide grondpakketten bij het terug dichtgooien vermengd zijn geraakt. Na een aantal keer ploegen en het gebruik van de grond heeft de bouwvoor erboven weer zijn homogene kleur terug gekregen. Dat de sporen nog zo gevlekt van samenstelling waren heeft tevens te maken met bodemprocessen. Na verloop van tijd homogeniseert de vulling van gedichte sporen. Dat dit nog niet of in beperkte mate is gebeurd, wijst op de vermoedelijk geringe ouderdom. In put 2 werden in totaal drie greppels aangetroffen. Spoor 1 betrof een west-oost georiënteerde greppel, met een diepte van 14 cm (afb. 7). De vulling was donkergrijs-lichtgeel gevlekt.
Afb. 7. Spoor 1 in het vlak en in het profiel.
Sporen 2 en 3 lagen naast elkaar en maakten gezamenlijk een haakse bocht naar het westen, om na circa 8 m te eindigen. Bij bestudering van het profiel is geconstateerd dat spoor 2 een donkergrijze vulling was van spoor 3 (afb. 8). De andere vulling van spoor 3 was donkergrijslichtgeel gevlekt en reikte tot circa 66 cm onder het vlak. In het vlak werd in spoor 3 een scherf roodbakkend aardewerk aangetroffen, welke dateert in de periode 1600-1900 (vnr 3).
Afb. 8. Links spoor 2 en 3 in het profiel, rechts spoor 3 in de coupe.
Spoor 6 betrof een noord-zuid georiënteerde greppel, met een diepte van circa 50 cm en een donkergrijze vulling (afb. 9). De nazak van de greppel leek qua kleur sterk op de bovenliggende bouwvoor. Vermoedelijk is de depressie die de greppel heeft achtergelaten met het ploegen van het land geëgaliseerd.
19
Afb. 9. Spoor 6 in het noordelijke profiel van put 4.
Afb. 10. Spoor 9 in put 6.
Spoor 9 betrof een greppel van 22 cm diepte, met dezelfde oriëntatie als spoor 1 en had een zwartdonkergrijze vulling (afb. 10). Bovenin de coupe werd een scherf roodbakkend aardewerk aangetroffen, welke dateert in de periode 1500-1900 (vnr 5). Spoor 10 was een zeer donkergrijs gekleurde greppel, met eenzelfde oriëntatie als sporen 1 en 9. Tot slot is in putten 8 en 9 een smalle greppel aangetroffen, spoor 11, met dezelfde oriëntatie als spoor 6 (afb. 11). Gezien de ligging betreft het in beide putten hetzelfde spoor, een circa 12 cm diepe greppel.
Afb. 11. Spoor 11 in het zuidelijke profiel van put 8.
5.2
Interpretatie
De sporen die zijn aangetroffen betreffen in alle gevallen greppels. Als de sporenkaart over de kadastrale minuut van 1811-1832 wordt gelegd, dat zijn er direct overeenkomsten te zien tussen de locatie van de aangetroffen greppels en de sloten die op de kaart staan opgetekend (afb. 12). De west-oost georiënteerde greppels hebben dezelfde oriëntatie als de sloten die op de kaart staan afgebeeld, alhoewel de locatie niet geheel overeen komt. Mogelijk is dit te wijten aan een kleine onnauwkeurigheid bij het meten en vervaardigen van de kadastrale minuut. Van de woning en de schuur die op de kadastrale minuut staan afgebeeld zijn geen restanten terug gevonden. Wel bevatte de sloot die door alle vier de oostelijke werkputten liep vooral in de zuidelijke twee putten baksteenpuin (en plastic). Op de Bonnekaart van 1870 is de percelering inmiddels duidelijk veranderd, slechts één west-oost georiënteerde greppel komt overeen met de verkaveling. De greppels (spoor 11) in de meest westelijk gelegen putten zijn mogelijk te koppelen aan de westelijke perceelsgrens die op de kaart staat afgebeeld (afb. 13).