Bijlage 2. TAM-omgevingsplan Westkant Kaatsheuvel Motivering
Tekst van het document
4.3
Omgevingswaarden
4.3.1 Beleidskader Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. Maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor: de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; de toelaatbare belasting door activiteiten; de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Tenzij het vaststellen van een omgevingswaarde verplicht is, staat het de gemeente vrij om af te zien van het vaststellen van een omgevingswaarde, maar te kiezen voor directe normstelling (b.v. geluid, geur, trilling) (Omgevingswet, artikel 2.9, tweede lid). Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Als je bijvoorbeeld wilt bereiken dat een rivier voldoet aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig (b.v. in een programma of beleidsregel).
38/82
Daarnaast geeft de overheid bij de vaststelling van een omgevingswaarde aan (art. 2.10 Ow): of dit een resultaatsverplichting, een inspanningsverplichting of een andere verder te omschrijven verplichting met zich meebrengt. binnen welke termijn de omgevingswaarde moet zijn bereikt. op welke locatie(s) de omgevingswaarde van toepassing is. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid. 4.3.2 Toetsing Gemeente Loon op Zand heeft op dit moment nog geen omgevingswaarden vastgesteld waarmee bij dit project rekening moet worden gehouden.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Omgevingsvisie Loon op Zand 2040 4.4.1.1 Beleidskader Op 20 juni 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Loon op Zand de omgevingsvisie “Omgevingsvisie 2040” vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de hoofddoelen en ambities die de gemeente tot 2040 in de fysieke leefomgeving nastreeft. Daarnaast worden de hoofdlijnen van het beleid genoemd waarmee de ambities moeten worden gehaald. Met deze visie wordt de koers uitgezet voor de lange(re) termijn. De gemeente Loon op Zand wil in de toekomst een aantrekkelijke groene woongebieden creëren, waar inwoners op lange termijn prettig kunnen wonen in een passende woning. De gemeente wil de gewenste woningvoorraad zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwde kom realiseren en bij uitbreidingen een sterke relatie met het landschap behouden. De wijken moeten zijn aangepast aan het veranderende klimaat en inwoners worden gestimuleerd tot gezond gedrag. De wijken faciliteren beweging en sociale ontmoetingen. Sociale problemen zijn onder controle en verschillende doelgroepen moeten elkaar kunnen vinden. Het cultuurhistorisch erfgoed moet worden behouden en dit moet bijdragen aan een sterkere identiteit van de gemeente.
Dit is vertaald naar een aantal speerpunten: In 2040 hebben we duurzame groene dorpen Recreatief profiel verbreden: harmonie en plezier Iedereen doet op eigen kracht mee Slim bereikbaar Toekomstbestendige centra All-inclusive landschap Voor elk van deze speerpunten is een visie geformuleerd met doelstellingen, oplossingsrichtingen en beleidskeuzes. De totale visie is ook weergegeven in de Visiekaart Loon op Zand 2040, zoals onderstaand weergegeven.
39/82
Figuur 4.2 Visiekaart Loon op Zand 2040 (Bron: gemeente Loon op Zand) 4.4.1.2 Toetsing Het projectgebied is aangeduid als 'Kernen: mogelijkheden woningaanpassingen, kleinschalige transformaties & klimaatadaptieve inrichting woonwijken, vergroten van de kwaliteit van het groen'. In de visie wordt beschreven dat in de toekomst aantrekkelijke groene woongebieden, waar inwoners op lange termijn prettig kunnen (blijven) wonen in een passende woning gewenst zijn. Het doel is om voldoende woningen te hebben, passend bij de behoefte in de kernen. Uitbreiding van de gewenste woningvoorraad dient in eerste instantie zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwde kom te worden bereikt. De ontwikkeling sluit hier volledig op aan. Er is sprake van herontwikkeling van locaties binnen de bestaande bebouwde kom. Daarbij worden woningen gerealiseerd passend bij de behoefte in Kaatsheuvel, zoals in paragraaf 4.1.3 is aangetoond. Bij de appartementen wordt rekening gehouden met levensloopbestendigheid, zodat de woningen goed toegankelijk zijn en blijven voor bewoners.
40/82
Bij nieuwe woningbouwprojecten is gewenst dat er bij het begin van het ontwerp ruimte wordt gecreëerd voor openbaar groen en water. In de basis geldt dat minimaal 20% van de oppervlakte van een nieuwbouw- of herstructureringslocatie moet bestaan uit openbaar groen en water. Daarnaast moet bij een nieuwbouwontwikkeling of herstructurering rekening gehouden worden met de doelen die worden gesteld voor duurzame groene dorpen. Dat betekent meer groen creëren, de kwaliteit van het groen verbeteren en inzetten op energietransitie. In het plan is veel ruimte gereserveerd voor groen. Bestaande waardevolle bomen blijven behouden en ingezet wordt op een hoogwaardige groene openbare ruimte in aansluiting op het park. Diverse groenelementen worden toegevoegd, ook verticaal groen. Het percentage aan oppervlakte groen en water van 20% wordt ruimschoots gehaald. Daarnaast wordt ingezet op de energietransitie. Alle woningen worden energiebewust uitgevoerd door toepassing van een uitstekende thermische schil, warmtepompen met lage temperatuur verwarming, een gebalanceerd ventilatiesysteem met WTW en voldoende zonnepanelen.
4.4.2 Woonvisie 2016 Het plan sluit aan op een aantal doelstellingen uit de Woonvisie 2016 - 2025 'duurzaam, gevarieerd en betaalbaar wonen in de gemeente Loon op Zand', zoals het behouden en aantrekken van starters en gezinnen, het voorkomen van krimp en het inspelen op toename van het aantal kleine en oudere huishoudens. 4.4.3 Conclusie Het project is in lijn met de gestelde beleidskaders van de gemeente Loon op Zand.
41/82
42/82
Hoofdstuk 5 5.1
Fysieke leefomgeving
Gezondheid
5.1.1 Wettelijk kader Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. De Omgevingswet beoogt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, het bereiken van een goede omgevingskwaliteit en het in stand houden daarvan. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen. Op maandag 2 oktober 2022 hebben de drie Brabantse GGD'en de nieuwe website GGDomgevingsadvies.nl gelanceerd. Het portaal verbindt het sociale en ruimtelijk domein en maakt het meenemen van gezondheid in afwegingen daarmee eenvoudiger voor initiatiefnemers en vergunningsverleners. 5.1.2 Toetsing Gezondheidsbescherming Een deel van de omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Gelet op de gestelde normen zijn er voor geen enkel omgevingsaspect (bijv.
bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder, omgevingsveiligheid) belemmeringen voor woningbouw op de projectlocatie. Aanvullend wordt hierna alvast kort ingegaan op de volgende gezondheidsrisico's met oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: Geitenhouderijen; Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen; Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen. Geitenhouderijen Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er bevindt zich een geitenhouderij op 2 kilometer afstand van het plangebied. Op het adres Dreefseweg 24 is er sprake van een geitenhouderij. De afstand tot de locatie is circa 1,4 kilometer en valt hiermee binnen een straal van 2 kilometer. Uit diverse studies blijkt dat in de omgeving van geitenhouderijen sprake kan zijn om verhoogde gezondheidsrisico's. Tot een afstand van 2 kilometer kunnen negatieve gezondheidseffecten optreden.
43/82
Bij de beoordeling van de potentiële gezondheidseffecten spelen onder andere de optredende concentraties fijn stof een rol. De bijdrage van geitenhouderijen aan de concentraties fijn stof zijn over het algemeen relatief laag, zeker in vergelijking tot bijvoorbeeld pluimveehouderijen. Er zijn vuistregels beschikbaar om te beoordelen of een veehouderij 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen (Handreiking fijn stof en veehouderijen). Ter illustratie: bij een fijn stof emissie van 581.000 gram per jaar draagt een veehouderij op 100 meter afstand mogelijk 'in betekende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Voor de veehouderij aan de Dreefseweg is sprake van een emissie van 38.610 gram per jaar en de afstand tot het plangebied bedraagt minimaal 1,4 kilometer. De bijdrage van de veehouderij aan de concentraties fijn stof binnen het plangebied zal verwaarloosbaar zijn. Datzelfde geldt waarschijnlijk voor de endotoxinewaarde. Gezien de bedrijfssituatie en de minimale afstand zal deze binnen het plangebied onder de advieswaarde van 30 EU/m3 liggen. Dit aspect vormt derhalve geen belemmeringen voor de planvorming.
Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen Op basis van de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven. Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Op basis daarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. De Omgevingsdienst adviseert om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, de genoemde afstandsbepaling toe te passen. Als hieruit blijkt dat niet kan worden voldaan aan de afstand, dan adviseert de Omgevingsdienst negatief te besluiten op de ontwikkeling. Binnen 250 meter van het projectgebied komen geen varkens- of pluimveehouderijen voor. Voor dit project is er dan ook geen gezondheidsrisico gelet op endotoxinen.
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies wordt een afstand van 50 meter of meer, gemeten vanaf woonpercelen tot aan agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast (kunnen) worden, als aanvaardbaar gezien. Voor de beoogde ontwikkeling, binnen het bestaand stedelijk gebied van Kaatsheuvel waarbij de afstand tot agrarische percelen ruimschoots 50 meter bedraagt, zijn er geen toenemende gezondheidsrisico's gelet op spuitzones. Ook worden de gebruiksmogelijkheden van agrarische gronden gelet op spuitzones niet (onevenredig) beperkt. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. De omvang van de projectlocatie en aard van het project zijn niet dusdanig dat het
44/82
project breed bijdraagt aan gezondheidsbevordering. Toch kunnen een aantal aspecten ten aanzien van de ontwikkeling hieraan worden gerelateerd, te weten investering in een groene leefomgeving en de sociaalmaatschappelijke impact. Met de oriëntatie van de bebouwing wordt de sociale cohesie tussen de bewoners van het plan en de wijk vergroot. Zowel de appartementen als de grondgebonden woningen hebben zicht op de openbare ruimte, hetgeen een positieve invloed heeft op de sociale veiligheid. Alle appartementen zijn levensloopbestendig. Het gebouw wordt voorzien van een liftinstallatie, waardoor de appartementen voor een ieder toegankelijk zijn. Bij de indeling van de appartementen kan er rekening gehouden worden met rolstoel- dan wel rollatortoegankelijkheid. Daarnaast kan er in de bad- en slaapkamer tevens rekening gehouden worden met voldoende draaicirkels, waardoor mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Met de beoogde ontwikkeling worden groenvoorzieningen toegevoegd, waarbij ook de aanleg van waterbergende voorzieningen voorzien is. Het aanzicht van de ontwikkeling wordt hiermee verbeterd en het heeft een positieve invloed op de aspecten biodiversiteit en klimaatbestendigheid. De directe nabijheid van het park draagt daarnaast bij aan de gezondheid van bewoners, door de diverse beweegmogelijkheden.
5.1.3 Conclusie Met de planontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering.
5.2
Mer-beoordeling
5.2.1 Wettelijk kader Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.
45/82
5.2.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling waarop deze wijziging van het omgevingsplan ziet, betreft de realisatie van 36 woningen . Dit is een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Ob en valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is een mer-plicht niet van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling noodzakelijk. In de bijlagen bij deze motivering is deze mer-beoordeling opgenomen, zie bijlage 3. Uit de beoordeling blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een mer-procedure. 5.2.3 Conclusie Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.
5.3
Milieubelastende activiteiten
5.3.1 Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; voorkomen wordt dat de nieuwe woningen de bedrijfsuitoefening belemmeren. Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten (o.a. geluid, geur, trillingen) dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.3.2 Toetsing De locatie bevindt zich in een rustige woonwijk. Voor de inwerktreding van de Omgevingswet werd gebruik gemaakt van de brochure bedrijven en milieuzonering om aan te tonen of geluid, geur, gevaar en stof relevant waren voor de dichtstbijzijnde milieugevoelige gebouwen. Deze is weliswaar oud, maar wordt wel representatief geacht. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich enkele bedrijfsmatige functies. Deze bevinden zich aan de noordzijde aan de Antoniusstraat en aan de westzijde aan de Sweensstraat. Aan de zuidzijde bevindt zich een maatschappelijke functie aan de Anjerstraat. Voor de bedrijfsmatige functies aan de Antoniusstraat geldt dat hier deels maximaal bedrijven met milieucategorie 3.1 en deels bedrijven met milieucategorie 2 zijn toegestaan.
Daarmee geldt een maximale richtafstand van 50 meter tot de bedrijven met categorie 3.1 en 30 meter tot de bedrijven met categorie 2. Het projectgebied is op een grotere afstand gelegen van deze functies. De afstand bedraagt circa 82 meter tot de dichtstbijzijnd gelegen bedrijfsfunctie. De bedrijfsfuncties aan de westzijde betreffen beide nutsvoorzieningen. Hiervoor geldt milieucategorie 1 met een grootste richtafstand van 10 meter. Het project gebied is op een afstand van circa 53 meter ten opzichte van de dichtstbijzijnde voorziening gelegen.
46/82
Aan de zuidzijde is een maatschappelijke functie toegestaan, in de vorm van onderwijs, buitenschoolse opvang en openbare speelvoorzieningen. Dit betreft een functie van milieucategorie 2 en een grootste richtafstand van 30 meter. De projectlocatie is op circa 104 meter afstand gelegen. 5.3.3 Conclusie Aan de richtafstanden tot omliggende functies wordt voldaan. Ter plaatse van de beoogde woningen is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.4
Water en watersystemen
5.4.1 Wettelijk kader Een omgevingsplan moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is waterschap Brabantse Delta . De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor dit omgevingsplan geldt: Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Aanvullende instructieregels: Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels.
Deze zijn: Bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; Behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl; 5.4.1.1 Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer) in het projectgebied. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma richt het waterschap die koers vooral op duurzaamheid en het beperken van de gevolgen van de klimaatverandering. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydrologische uitgangspunten bij Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, 2015'. Per maart 2021 zijn de regels rondom afkoppeling van verhard oppervlak aangescherpt.
47/82
In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; b. De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; c. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; d. De toename van verhard oppervlak groter dan 500 m2 tot en met 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De voorziening voldoet aan de volgende eisen: De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.
5.4.1.2 Gemeentelijk kader Het programma water- en riolering (2021-2024) en het milieubeleidsplan vormen het beleidskader riolering en water op gemeentelijk niveau. Het beleid met betrekking tot hemelwater is vastgelegd in de Verordening hemelwater Loon op Zand. 5.4.2 Toetsing Huidige situatie Algemeen Het plangebied is in totaal circa 6.557 m² groot en bestaat uit bestaande gebouwen ten behoeve van de maatschappelijke functies. Het plangebied is deels verhard. In het noordelijk deelgebied bedraagt het bebouwde oppervlak circa 1.040 m² en het oppervlak aan verharding circa 850 m². In het zuidelijk deelgebied bedraagt het bebouwde oppervlak circa 635 m² en het oppervlak aan verharding circa 1.000 m². In totaal bedraagt daarmee het verhard oppervlak 3.525 m². Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom is het projectgebied niet gekarteerd. Ten noorden en westen van het projectgebied bestaat de bodem uit hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Ten westen van het projectgebied is sprake van grondwatertrap VIo. Dit betekent dat de gemiddelde kleinste diepte (GHG) op 52 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde grootste diepte (GLG) bevindt zich op circa 122 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld is gelegen tussen 3,8 en 4,5 meter boven NAP.
48/82
Waterkwantiteit Conform de Legger van de waterschapsverordening van het waterschap Brabantse Delta bevinden zich in het projectgebied geen watergangen. In de omgeving van het projectgebied zijn wel enkele A- en B-watergangen gelegen, zie figuur 5.1. De dichtstbijzijnde watergang is op circa 125 meter van het projectgebied gelegen.
Figuur 5.1 Uitsnede legger uit waterschapsverordening van waterschap Brabantse Delta (Bron: waterschap Brabantse Delta) Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied bevindt zich niet binnen de kern- en beschermingszone van waterkeringen. Het gehele projectgebied ligt binnendijks. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Toekomstige situatie De ontwikkeling omvat de realisatie van 36 woningen bestaande uit 22 appartementen en 14 grondgebonden woningen. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater.
49/82
Waterkwantiteit De toekomstige oppervlakteverdeling, gebaseerd op de groenbalans zoals beschreven in paragraaf 2.3, is weergegeven op tekening zoals opgenomen in bijlage 4. Er wordt uitgegaan van de volgende verdeling: Bebouwing: 1.796 m2 (100% verharding); Openbaar groen: 2.127 m2 (0% verharding); Private tuinen: 754 m2 (50 % verharding); Verhard (parkeerplaats, inrit, paden etc.): 1.955 m2 (100% verharding); Conform deze uitgangspunten is sprake van een toekomstig verhard oppervlak van circa 4.128 m2. Ten opzichte van de huidige situatie betekent dit een toename van 603 m2. Dit betekent een benodigde compensatieopgave van (603 x 0,06) 36,2 m3. Gezien het grote oppervlak aan groen krijgt veel water al direct de mogelijkheid te infiltreren in de bodem. Op de platte daken wordt daarnaast sedumbeplanting toegepast. Dit zorgt dat de waterstroom vertraagd wordt, omdat het water vasthoudt. Het water dat op maaiveldniveau terecht komt, zal de grond in lopen door de eventuele toepassing van wadi's en halfopen verharding. Alle parkeervakken in het plangebied worden uitgevoerd als grastegels. In het noordelijk deelgebied wordt een eventuele wadi aangelegd waar het hemelwater in wordt opgevangen en vervolgens kan infiltreren. In de parkachtige zone in het zuidelijk deelgebied worden waterdoorlatende paden aangelegd. In dit deelgebied worden, indien nodig, wadi's aangelegd.
Daarmee zijn ruim voldoende maatregelen genomen om het hemelwater op een juiste manier te kunnen opvangen en verwerken. Waterveiligheid Het projectgebied is niet in de beschermingszone van een waterkering gelegen. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Klimaatadaptatie Het maaiveld bevindt zich op circa 4 meter boven NAP. Er is daarom weinig kans op overstromingen ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. Door de hoogteligging in combinatie met de groene omgeving is ook de kans op wateroverlast bij hevige neerslag klein.
Daarnaast is vanwege de grote hoeveelheid water en groen in de directe
50/82
omgeving van het projectgebied de kans op hittestress beperkt. 5.4.3 Conclusie De locatie is niet in een beschermingszone van een watergang of waterkering gelegen. Er is sprake van een minimale toename aan verhard oppervlak. Er worden ruim voldoende maatregelen getroffen om het hemelwater op een juiste manier op te vangen en te kunnen verwerken. Het maaiveld is op voldoende hoogte gelegen waardoor er weinig kans is op overstromingen. De beoogde ontwikkeling heeft met de realisatie van de waterberging geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
5.5
Mobiliteit en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 5.5.1 Verkeer Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers afkomstig uit CROW-publicatie 744. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Loon op Zand een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' aangehouden. De ligging van het plangebied is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Uit de 'Uitwerking Parkeerbeleid Loon op Zand' bleek dat het midden van de bandbreedte dient te worden aangehouden. Tabel 5.1 Verkeersgeneratie projectgebied bestaande en beoogde situatie
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersafname van 56 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Het verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld, vergelijkbaar aan de huidige situatie. 5.5.2 Parkeren De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Uitwerking Parkeerbeleid Loon op Zand'. Tabel 5.2 en 5.3 geven de parkeerbehoefte van de noordelijke en zuidelijke beoogde ontwikkelingen weer.
51/82
Tabel 5.2 Parkeerbehoefte beoogde situatie deelgebied noord
Tabel 5.3 Parkeerbehoefte beoogde situatie deelgebied zuid
Bij het bepalen van de parkeerbehoefte dient altijd naar boven te worden afgerond, tenzij specifiek anders benoemd in het gemeentelijke parkeernormenbeleid. De gemeente Loon op Zand heeft geen specifieke regeling opgenomen omtrent het afronden van de parkeerbehoefte, waarmee de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling totaal 54,8 parkeerplaatsen bedraagt. Het gaat om een behoefte van 33,9 parkeerplaatsen voor het noordelijke projectgebied en 20,9 parkeerplaatsen voor het zuidelijke projectgebied. Op het noordelijke deel zijn er afgerond 34 parkeerplaatsen beoogd, en in het zuidelijke deel zijn er afgerond 21 parkeerplaatsen beoogd. Het project voldoet daarmee aan de parkeerbehoefte. 5.5.3 Conclusie De berekende verkeersgeneratie vormt geen belemmering voor de afwikkeling van het verkeer. Er worden in het projectgebied voldoende parkeerplaatsen mogelijk gemaakt voor auto's.
5.6
Natuur
5.6.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
52/82
Gebiedsbescherming Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden Mocht de activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd.
De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
53/82
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.6.2 Toetsing 5.6.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied ligt niet in een Natura2000-gebied. Figuur 5.2 laat de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Langstraat. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt 2 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand.
Figuur 5.2 Natura 2000-gebieden ten opzichte van het projectgebied (Bron: AERIUS Calculator) Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden zijn voor dit project stikstofberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd, de stikstofmemo is als bijlage 5 bij deze motivering gevoegd en de uitgevoerde berekeningen als bijlage 6 en 7. Uit de berekeningen (AERIUS versie 2024.0.1) blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatiefase en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.
54/82
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Op ongeveer 1,3 kilometer ten noorden van het projectgebied liggen de dichtstbijzijnde stukjes Natuurnetwerk Nederland (zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant), weergegeven in figuur 5.3. Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.
Figuur 5.3 Natuurnetwerk Brabant ten opzichte van het projectgebied (Bron: Atlas leefomgeving) Houtopstanden De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 hectare en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De paar aanwezige bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel geldt de gemeentelijke kapverordening.
55/82
Deelgebied noord Ten aanzien van de projectlocatie staan op het westelijk perceel (LOO00 L 1620) drie waardevolle bomen, aangegeven met blauwe sterren in figuur 5.4. De gemeente heeft bij de start van het project aangegeven deze bomen te willen behouden en daarom in het project geïntegreerd moeten worden. De andere bomen vóór en achter de huidige bebouwing aan de zijde van de Mozartstraat hoeven niet in het plan te worden geïntegreerd, evenals de overige bomen op percelen LOO00 L 1620 en LOO00 3856 (aangegeve met rode en gele sterren in figuur 5.4). Deze bomen zullen moeten wijken voor de toekomstige ontwikkeling.
Figuur 5.4 Waardevolle bomen binnen deelgebied noord (Bron: Gemeente Loon op Zand) Deelgebied zuid Binnen deelgebied zuid staan geen bomen met het predicaat ‘waardevol’, maar inpassing van de volwassen, beeldbepalende bomen vóór de huidige bebouwing aan de zijde van het President Kennedyplein heeft vanuit de gemeente wel sterk de voorkeur. Bij het ontwerp is dan ook rekening gehouden met behoud van de bomen.
56/82
5.6.2.2 Soortenbescherming Vossenbergselaan 72 Quickscan Bij dit project kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan. Daarom is een quickscan natuurwaarden (ecologie) uitgevoerd. Het bijbehorend onderzoeksrapport is als bijlage 8 bij voorliggend TAM-omgevingsplan opgenomen. Het is conform de quickscan niet uit te sluiten dat vleermuizen gebruik maken van het voormalige schoolgebouw en/ of de lindenbomen op het schoolplein. Vleermuizen zijn beschermd in het kader van de Omgevingswet. Daarom wordt geadviseerd om een aanvullend ecologisch onderzoek uit te laten voeren om vast te kunnen stellen welke functie het gebouw en de lindenbomen hebben in het voorkomen van vleermuizen. Het is niet aannemelijk dat het schoolgebouw wordt gebruikt door andere beschermde planten en diersoorten. Er hoeft geen aanvullend ecologisch onderzoek verricht te worden naar beschermde overige zoogdieren, vogels, vaatplanten, insecten, amfibieën, reptielen, weekdieren of vissen. Vervolgonderzoek vleermuizen In navolging op de uitgevoerde quickscan is vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 9. Tijdens het vervolgonderzoek is gebleken dat het gebouw geen rol van betekenis heeft voor vleermuizen. In de omgeving van het gebouw zijn nog wel enkele plekken aangetroffen die wel van belang zijn voor vleermuizen.
Het slopen van het gebouw De Westkant heeft geen gevolgen voor de populaties vleermuizen in de omgeving. Voor het slopen van het schoolgebouw hoeven geen mitigerende maatregelen te worden genomen en geen vergunning in het kader van de Omgevingswet te worden aangevraagd. President Kennedyplein 2 Quickscan Bij dit project kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan. In combinatie met de quickscan zoals bijgevoegd als bijlage 8 heeft ecoloog ook het deelgebied aan President Kennedyplein 2 bekeken en direct geconcludeerd dat op het eerste zicht niet uit te sluiten is dat vleermuizen gebruik maken van het gebouw en de directe omgeving. Vleermuizen zijn beschermd in het kader van de Omgevingswet. Daarom wordt geadviseerd om een aanvullend ecologisch onderzoek uit te laten voeren om vast te kunnen stellen welke functie het gebouw en de lindenbomen hebben in het voorkomen van vleermuizen. Het is niet aannemelijk dat het deelgebied wordt gebruikt door andere beschermde planten en diersoorten. Er hoeft geen aanvullend ecologisch onderzoek verricht te worden naar beschermde overige zoogdieren, vogels, vaatplanten, insecten, amfibieën, reptielen, weekdieren of vissen.
57/82
Vervolgonderzoek In navolging op de uitgevoerde quickscan voor deze locatie vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 10. Tijdens het ecologisch vervolgonderzoek is gebleken dat het gebouw geen rol heeft voor vleermuizen. In de omgeving van het gebouw van de Kinderdagverblijf Buiten Gewoon, zijn nog wel enkele plekken aangetroffen die wel van belang zijn voor vleermuizen. Het slopen van het gebouw heeft geen gevolgen voor deze populaties vleermuizen in de omgeving. Voor het slopen van het schoolgebouw hoeven geen mitigerende maatregelen te worden genomen en geen vergunning in het kader van de Omgevingswet te worden aangevraagd. Herijking totale plangebied Na beoordeling en afstemming met Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en gemeente Loon op Zand is geconcludeerd dat de eerder uitgevoerde ecologische onderzoeken in het kader van dit project verouderd zijn en niet (meer) de juiste wettelijke grondslag hebben. In het kader daarvan is voor het totale plangebied een hernieuwde quickscan natuurwaarden in het kader van de Omgevingswet uitgevoerd, opgenomen als bijlage 11. Hernieuwde quickscan Op 21 januari 2025 heeft Bureau Schildwacht de locatie bezocht. Daarnaast is literatuuronderzoek gedaan naar de geregistreerde waarnemingen in het plangebied en onderzoeksgebied.
Tijdens de analyse is er vooral gekeken in hoeverre de voorgenomen werkzaamheden van invloed zijn op de populaties van planten en dieren in het plangebied en daarbuiten. Tijdens het locatiebezoek en bij de literatuurstudie kon worden uitgesloten dat er beschermde dieren of planten worden gedood, verstoord of dat het essentieel leefgebied van deze soorten wordt vernietigd bij de werkzaamheden. Het valt niet uit te sluiten dat er kleine zoogdiersoorten zoals (spits)muizen, egel en konijn gebruik maken van het plangebied. Deze soorten hebben elk een vrijstelling voor een vergunningaanvraag in de provincie Noord-Brabant. Echter geldt er wel een zorgplicht voor deze diersoorten. Het is aan te raden om de sloop- en snoeiwerkzaamheden in één richting uit te voeren, zodat de dieren voldoende ruimte en tijd hebben om uit het plangebied te vluchten naar een voor hun geschikt leefgebied in de naaste omgeving. Uit het ecologisch vervolgonderzoek van 2022 naar het voorkomen van vleermuizen, blijkt dat deze soortgroep niet gevestigd zijn in de bebouwing. Echter kan in de tussentijd het pand in gebruik genomen zijn door vleermuizen. Om dit degelijk op te pakken worden maatregelen getroffen in de vorm van: De mogelijk plaatsen waar vleermuizen de panden zouden kunnen betreden worden onbewoonbaar gemaakt; Er worden in het naastgelegen park vleermuistillen geplaatst.
Deze blijven aanwezig gedurende een periode van minimaal 6 maanden na het opleveren van de nieuwe woningen. Op deze manier krijgen de vleermuizen een alternatieve plek aangeboden met een gangbare wenperiode. Zodra de nieuwe woningen gereed zijn er compenserende vleermuisverblijven aangebracht en ter beschikking voor vleermuizen. Er zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten aangetroffen in het plangebied. Wel zijn er in de directe omgeving van het plangebied eksternesten waargenomen, maar deze vogels zullen slechts niet tot minimaal worden verstoord door de werkzaamheden. Daarentegen kan niet worden uitgesloten dat er vogels zonder jaarrond beschermd nest
58/82
binnen het plangebied tot broeden kunnen komen. De bosschages die dicht tegen de gevel van het kinderdagverblijf staan en de hagen rond het schoolplein bieden hier geschikt habitat voor. Er wordt geadviseerd om deze hagen en bosschages, als deze moeten worden weggehaald, te verwijderen in de periode 1 november 2025 - 1 maart 2026. Dit om te voorkomen dat vogels alsnog kunnen gaan nestelen in de te verwijderen begroeiing. Aangezien er geen water in het plangebied aanwezig is, kan worden uitgesloten dat beschermde amfibieën zich kunnen voorplanten in het plangebied. Het plangebied is te ver afgelegen van voortplantingsgebied om te kunnen dienen als landbiotoop voor amfibieën. Het biotoop binnen het plangebied is niet geschikt voor reptielen en het plangebied is gelegen op een te grote afstand of te geïsoleerd voor de aanwezige populaties in de ruime omgeving. Er is geen biotoop aanwezig binnen het plangebied dat geschikt is voor vissen. De voorgenomen werkzaamheden kunnen ertoe leiden dat het plangebied tijdelijk geschikt habitat wordt voor de rugstreeppad. In de omgeving van het plangebied (4 km afstand) zijn rugstreeppadden aanwezig. Rugstreeppadden kunnen tot 5 km migreren om nieuw geschikt terrein om dit te koloniseren.
Om te voorkomen dat er rugstreeppadden naar het plangebied trekken en er een bouwstop wordt ingelast door het bevoegd gezag, adviseren wij om amfibieënschermen rond het plangebied te plaatsen. Afstemming omtrent maatregelen Op basis van de verrichte inspanningen en op basis van actuele omstandigheden in het kader van dit thema heeft afstemming met Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en gemeente Loon op Zand plaatsgevonden. In overleg is bepaald dat alsnog mitigerende maatregelen worden getroffen gericht op de gewone dwergvleermuis. In het kader van zorgvuldigheid wordt er namelijk vanuit gegaan dat de bestaande panden inmiddels door enkele vleermuizen (zomer- en paarverblijf) zouden kunnen worden gebruikt. Vanwege dit uitgangspunt mogen de panden pas ongeschikt/ontoegankelijk worden gemaakt als de gewenningsperiode voor deze kleine gebouwbewonende vleermuizen is doorlopen. Er wordt in het kader daarvan geadviseerd om extern vleermuisvoorzieningen te plaatsen (ten minste drie paalkasten/vleermuistillen in het naastgelegen park). De paalkasten blijven minimaal zes maanden na oplevering van de nieuwe woningen staan en zijn geschikt als zomer- en/of paarverblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen zoals onder meer de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Beide soorten zijn in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig c.q. te verwachten.
Kraamlocaties of winterverblijven worden niet verwacht. In de nieuwe woningen zullen permanente voorzieningen voor vleermuizen worden aangebracht. Voor aanvang van de werkzaamheden wordt de bestaande bebouwing binnen het plangebied ongeschikt gemaakt met zogenoemde exclusion flaps van dun EPDM-folie, waardoor ontmoediging plaatsvindt. In het kader van deze maatregelen is in artikel 8.2 van voorliggend TAM-omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 5.6.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect natuur verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.
59/82
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.7.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
60/82
5.7.2 Toetsing De locatie ligt vanuit overgangsrecht binnen het geluidaandachtsgebied van de omliggende gemeentewegen (30 km-wegen) zolang er nog geen basisgeluidemissie is vastgesteld (BGE). De toekomstige grens voor wegen waarvoor een BGE moet worden gesteld is bepaald op 2.500 mvt/etmaal. Op het moment dat BGE’s zijn vastgesteld moeten de geluidaandachtsgebieden worden bepaald op basis van de gegevens van de BGE’s. De omliggende gemeentewegen zijn met name bedoeld voor bestemmingsverkeer met naar verwachting een intensiteit die ruimschoots beneden de 2.500 mvt/etmaal zal liggen. De directe omgeving van het plangebied wordt daarnaast gekenmerkt door een rustige woonfunctie en het geluid van drukkere wegen op afstand wordt afgeschermd door bestaande bebouwing. Dit blijkt ook uit de kaart indicatieve geluidbelasting zoals weergegeven in figuur 5.5.
Figuur 5.5 Indicatieve geluidbelasting door wegverkeer met aanduiding plangebied (Bron: Atlas leefomgeving) Om deze redenen wordt een onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Er kan binnen het projectgebied zonder meer worden voldaan aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB voor gemeentewegen. Tenslotte kan worden gesteld dat het projectgebied niet gelegen is binnen een aandachtsgebied of zone van een spoorweg of industrieterrein. 5.7.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.
61/82
5.8
Geluid door activiteiten
5.8.1 Wettelijk kader Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid word gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit. 5.8.2 Toetsing In paragraaf 5.3 is beschreven dat omliggende bedrijven op ruim voldoende afstand zijn gelegen. Hierdoor is geen geluidhinder te verwachten. 5.8.3 Conclusie Het geluid afkomstig van omliggende bedrijven vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
62/82
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit' bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 5.9.2 Toetsing Woningen worden niet gezien als activiteit waarvoor conform artikel 5.50 uit het Bkl een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. Daarnaast is de gemeente Loon op Zand niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven. Het project maakt de realisatie van 36 woningen mogelijk. Dit aantal valt onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit binnen het projectgebied is Atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. In navolgende tabel zijn de concentraties weergegeven. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden.
63/82
Omgevingswaarde (kalenderjaargemiddeld)
Maximale waarden toetspunten CIMLK
Stikstof (NO2)
40 µg/m³
13,3 µg/m³
Fijn stof (PM10)
40 µg/m³
17,2 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
25 µg/m³
9,6 µg/m³
Figuur 5.6 Depositiewaarde stikstofdioxide (NO2) 2022 jaargemiddelde (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
Figuur 5.7 concentratie fijnstof (PM10) 2022 jaargemiddelde (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
64/82
Figuur 5.8 concentratie fijnstof (PM2,5) 2022 jaargemiddelde (Bron: Atlasleefomgeving.nl) 5.9.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op de luchtkwaliteit. Het is acceptabel om nieuwe woningen aan de projectlocatie toe te delen.
5.10 Geur 5.10.1 Wettelijk kader Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld.
Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke
65/82
gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). 5.10.2 Toetsing In gemeente Loon op Zand gelden normen op basis van het omgevingsplan (waar ook de bruidsschat onderdeel van uitmaakt. Hierin regelt de gemeente onder meer de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden Er geldt vooralsnog geen specifieke geurverordening binnen de gemeente. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn.