Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Overgangsrecht geluidsaandachtsgebied Totdat het bevoegd gezag geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, bestaat het geluidaandachtsgebied uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg: a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. 6.3.2 Geluid door activiteiten In de nabije omgeving van de planlocatie zijn geen activiteiten aanwezig welke invloed hebben op de geluidsgevoelige functie, zoals windturbines en buitenschietbanen. Onderzoek Vanwege de toevoeging van een nieuwe geluidsgevoelig gebouwen (woningen) en de ligging van de planlocatie binnen het geluidsaandachtsgebied van o.a. de Sweensstraat en Hilsestraat (50 km/uurweg) is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Akoestisch onderzoek ten aanzien van industrieterrein en spoorwegen wordt niet noodzakelijk geacht.
Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidsbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het volledige onderzoek is als bijlage 6 opgenomen. De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentelijke wegen is maximaal 61 dB, dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort gemeentewegen. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Te treffen maatregelen Bij de gemeente zal een verzoek worden ingediend om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan ten gevolge van de gemeentelijke wegen. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de woningen bestaande bebouwing vervangen. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Aangetoond dient te worden welke geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in de gezamenlijke geluidbelasting en 33 dB. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|30
6.4
Geur en veehouderijen
6.4.1
Geur
Kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten (bijv. het opslaan van mest). Een onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm.
Indien de gemeentelijke geurverordening nog niet is geïmpliceerd in het omgevingsplan en/of de gemeente geen geurverordening kent, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. In de Bruidsschat zijn geuremissiefactoren (waarden) en afstandsnormen opgenomen. In artikel 22.98 zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren, zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Geurgevoelig object Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij
Waarde 2,0 OUe/m3 3,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3
Op basis van artikel 22.100 en 22.101 mag de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner zijn dan de afstand als bedoeld in onderstaande tabel: Geurgevoelig object Gelegen binnen de bebouwde kom Gelegen buiten de bebouwde kom
Afstand 100 meter 50 meter
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|31
Onderzoek De planlocatie ligt binnen het stedelijk gebied van de Kaatsheuvel op aanzienlijke afstand van eventuele geurcontouren behorende bij milieubelastende activiteiten ten aanzien van geur. Een rioolwaterzuiveringsinstallatie komt in de omgeving niet voor. De dichtstbijzijnde (in bedrijf zijnde) veehouderijen betreffen de paardenhouderij aan de Rechtvaart 11 te Kaatsheuvel en de melkrundveehouderij aan de Heuvelstraat 4 te Kaatsheuvel. Deze zijn gelegen op een afstand van respectievelijk circa 550 en 490 meter. De planlocatie ligt daarmee ruimschoots buiten de richtafstand van 100 meter ten opzichte van de omliggende veehouderijen Om te bepalen of ter plaatse van sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt gebruik gemaakt van de kaart ‘Achtergrondbelasting Geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Op deze kaart is de achtergrondbelasting in een concentratiegebied, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter.
Uitsnede kaart 'achtergrondbelasting geur' (ODZOB, 2023)
Uit deze kaart blijkt dat er op de locatie sprake is van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving (0 – 3,0 OUe/m3). Geconcludeerd kan worden ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat anderzijds het plan geen belemmering vormt voor nabijgelegen veehouderijen ten aanzien van het aspect geur. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 6.4.2
Veehouderijen en volksgezondheid
Kader Volksgezondheid heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name in veedichte gebieden zoals we die in de provincie Noord-Brabant kennen, bestaat onder de bevolking steeds meer onrust.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|32
Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens (zoönosen), luchtwegaandoeningen, maar ook stress in verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. De ongerustheid komt vooral naar voren bij de ontwikkeling van grote veehouderijen in de directe omgeving van burgers. Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: • Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; • Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie vaker voor; • Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD.
Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0”. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten.
Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Onderzoek In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof zoals deze staan beschreven in paragraaf 6.4.1 en 6.5. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen. Binnen 500 meter van de planlocatie zijn geen stallen van varkenshouderijen gelegen. Verder zijn binnen 1 kilometer geen pluimveehouderijen gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|33
Op circa 1 kilometer van de planlocatie is een geitenhouderij gelegen (Dreefseweg 24). Dit is binnen een straal van 2 kilometer afkomstig uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0”. Echter is in onderhavige situatie sprake van een intensivering van het bestaande woongebruik. Het wonen als functie is op de betreffende locatie al toegestaan. De woningen komen daarbij niet dichter bij de geitenhouderij (en/of andere veehouderijen) te liggen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderij en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Er wordt enkel niet voldaan aan stap 5a van het stappenplan, daar geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie zijn gelegen. Aan de overige stappen kan worden voldaan. Aangezien niet voldaan kan worden aan stap 5a, dient het bevoegd gezag te besluiten of de gezondheidssituatie aanvaardbaar is. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om advies bij de GGD in te winnen. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Hierbij kan verwezen naar relevante jurisprudentie van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 23 februari 2022 (zaaknummer: 202002286/1/R4), op grond waarvan naar voren komt dat alleen belangen waarvoor voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat een rol kunnen spelen in de besluitvorming. Aan de hand van algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten moet vast staan dat een activiteit zodanige risico’s oplevert, dat hieraan aanvullende voorschriften moeten worden verbonden of een en ander geweigerd moet worden. Het voorzorgprincipe is naar het oordeel van de Afdeling niet gestoeld op algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid en omwonenden. Dit betekent dat het voorzorgprincipe niet in de weg staat aan de onderhavige ontwikkeling. Advies GGD Onder de Omgevingswet adviseert de GGD als ketenpartner over gezondheidsaspecten. Om gezondheid op een goede manier mee te nemen in ruimtelijke ontwikkeling is gebruik gemaakt van het portaal GGD Omgevingsadvies. Het Omgevingsadvies is als bijlage 10 opgenomen.
Conclusie Vanuit het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderij is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.5
Kwaliteit van de buitenlucht
Kader Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2,5 en PM10).
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|34
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, koolmonoxide, lood, benzeen en ozon. In Nederland zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van beland. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn conform artikel 2.4 en 2.5 Bkl en weergegeven in onderstaande tabel. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³
NIBM Voor de volgende activiteiten geeft het Bkl in artikel 5.54 grenzen aan. Als een activiteit binnen deze grenzen valt, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10). Want de activiteit draagt dan per definitie niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: • 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg; • 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Voor de bepaling van de luchtkwaliteit ter plaatse is getoetst aan de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland (GCN en GND van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu – RIVM). Hierbij is gebruik gemaakt van de kaarten voor 2030 (gegevens 2023). De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in onderstaande tabel. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
40 μg/m³
Luchtkwaliteit ter plaatse 10 μg/m³
40 μg/m³
14 μg/m³
25 μg/m³
7 μg/m³
Fijnstof (PM2,5)
Op basis van de gegevens, afkomstig van de kaarten van het RIVM, is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Onderzoek luchtkwaliteit Onderhavig planvoornemen voorziet in minder dan 1.500 woningen. Hiermee draagt het planvoornemen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Een aanvullend onderzoek luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|35
Conclusie Vanuit het aspect kwaliteit van de buitenlucht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.6
Milieubelastende activiteiten
Kader Bedrijvigheid is belangrijk is belangrijk voor de werkgelegenheid, economie en welvaart. Maar bedrijven kunnen ook een negatief effect hebben op de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld door geluid van werkzaamheden, installaties of verkeer. Ook kan er sprake zijn van geurhinder of opslag van gevaarlijke stoffen. Bedrijfsactiviteiten worden derhalve vaak gezien als een milieubelastende activiteit (mba). Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet gedefinieerd als een “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken”. Bedrijven kunnen heel verschillend zijn. Er zijn kleinschalige bedrijven die weinig effect hebben op de omgeving. Maar ook grootschalige bedrijven met productie of bewerking van producten ter plaatse. Deze kunnen veel geluid- of geurhinder geven op de omgeving. Daarom passen sommige bedrijven in een woonomgeving en andere juist op een bedrijventerrein. Bedrijven kunnen hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk voldoende afstand aan te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid. Meestal is geluid de belangrijkste factor. Soms is juist de geurhinder, stofhinder of veiligheid (door opslag van gevaarlijke stoffen) bepalend voor de afstand tot gevoelige functies.
Om te beoordelen of de afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies acceptabel is, wordt aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Onderzoek In de nabijheid van de planlocatie komen een basisschool (Anjerstraat 4A), een autogarage (Hilsestraat 101) en religieuze voorziening (Erasstraat 5) voor, als zijnde mogelijke milieubelastende activiteiten. Milieubelastende activiteit Basisschool Autogarage Religieuze voorziening
Adres
Milieucategorie
Richtafstand
Anjerstraat 4A Hilsestraat 101 Erasstraat 5
2 2 2
30 meter 30 meter 30 meter
Kortste afstand woning 11-12 meter 33 meter 34 meter
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|36
Werkelijke afstand milieubelastende activiteiten
De autogarage en de religieuze voorzieningen liggen op een afstand van respectievelijk circa 33 meter en 34 meter van de dichtstbijzijnde beoogde woning (ter plaatse van de huidige woning Sweensstraat 98). Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden uit de handreiking van de VNG. Ten aanzien van de basisschool wordt echter niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter. In de huidige situatie liggen de gevels van de woningen langs de Anjerstraat en Asterstraat op circa 10 meter van de school. In de beoogde situatie zal de gevel van het beoogde appartementsgebouw aan de Anjerstraat op een grotere afstand van de school komen. De beoogde grondgebonden woningen langs de Asterstraat worden daarnaast een kwartslag (van de school af) gedraaid ten opzichte van de huidige situering, waardoor ook aan deze zijde de afstand toeneemt. Met de Omgevingsdienst is op 18 september 2024 afgestemd dat de afstand van de basisschool tot de nieuwe woning in vergelijking met de bestaande situatie toeneemt, en derhalve geen onderzoek noodzakelijk is. Daarbij is ter plaatse van de bestaande en omliggende woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ‘hinder’ van de school wordt in deze situatie om verscheidene reden aanvaardbaar geacht. Een akoestisch onderzoek ten aanzien van de school is derhalve niet noodzakelijk.
Andersom komen er geen woningen dichter bij de school dan in de bestaande situatie, waardoor de school in ieder geval niet beperkt wordt in haar activiteiten. Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|37
6.7
Natuur
Kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels zoals deze opgenomen waren in Wet natuurbescherming. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding in kaart te worden gebracht. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.
Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Onderzoek Door Ecofect B.V. is een Quickscan uitgevoerd. De volledige quickscan is als bijlage 8 opgenomen. De scan verschaft inzicht of de geplande uit te voer voeren werkzaamheden conflicteren met het natuurbeschermingsrecht.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|38
Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland. Aangezien het Natuurnetwerk in Noord-Brabant geen externe werking kent, is vastgesteld dat een verder toetsing niet aan de orde is. Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Stikstofdepositie Ten aanzien van stikstof wordt er in de aanleg- dan wel nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening is derhalve uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat er tijdens de aanlegfase en in de nieuwe gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is met de aalgefase en de nieuwe gebruiksfase geen sprake van een significante verslechtering. Een vergunning is niet noodzakelijk. Soortenbescherming Flora De tuinen en het omliggend groen zijn nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Dit zal mede te maken hebben door het extensief beheer van openbaar groen en de gecultiveerde (achter)tuinen. De nabije omgeving betreft ook geen uitzonderlijk habitat waardoor beschermde soorten in de randgebieden voorkomen.
Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie. Fauna Vogels Ten aanzien van vogels wordt geen overtreding verwacht. Advies is om buiten het broedseizoen te kappen en te vellen. Het habitat dat verloren gaat betreft een klein deel van een groter habitat in de omgeving. Er zijn ruim voldoende alternatieven in de nabije omgeving. Onder het soortmanagementplan (SMP) zullen de woningen ongeschikt worden gemaakt voor de huismus/ gierzwaluw waardoor de functie van het groen komt te vervallen omdat de huismus binnen korte afstand van de nestlocatie het groen zal benutten. De alternatieve verblijfplaatsen die aangebracht worden zullen in een geschikt habitat geplaatst worden. Vleermuizen Ten aanzien van vleermuizen wordt geen overtreding verwacht wanneer gewerkt wordt onder het SMP. Een nader onderzoek naar gebouw- of boombewonende vleermuizen wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Overige zoogdieren en overige soorten Ten aanzien van zoogdieren en overige soorten wordt geen overtreding verwacht. Wel wordt geadviseerd om één richting op te werken om eventueel aanwezige egels en overige soorten de gelegenheid te geven te vluchten of zich te verplaatsen.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|39
Te treffen maatregelen Het opstellen van een Ecologisch Werkprotocol is vanuit het SMP een vereiste. In het Ecologisch werkprotocol dient opgenomen te worden dat eerst de woningen natuurvrij moeten worden verklaard alvorens het groen te verwijderen. Daarnaast wordt geadviseerd om de werkzaamheden aan het groen uit te voeren buiten het broedseizoen (voor veel vogels zit dit gemiddeld tussen de maanden mei en juli) en om één richting op te werken om eventueel aanwezige egels en overige soorten de gelegenheid te geven te vluchten of zich te verplaatsen. Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.8
Omgevingsveiligheid
Kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Onderzoek De planlocatie is niet gelegen binnen het aandachtsgebied van een van voorstaande risicobronnen c.q. activiteiten. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.9
Water en watersystemen
Kader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor onderhavige planontwikkeling is derhalve de waterhuishoudkundige situatie in beeld gebracht.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|40
Daarbij wordt aandacht besteed aan de huidige bodemkundige en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden en de mogelijkheden om (afgekoppelde) neerslag in de toekomstige situatie te bergen en te infiltreren. Beoordeling Bestande situatie Waterkwantiteit De planlocatie betreft de percelen Anjerstraat 1-8 en 10, Asterstraat 1-10 en Sweensstraat 72-78 en 84-98, samen met de paardenweide achter de Asterstraat te Kaatsheuvel in de gemeente Loon op Zand. De totale planlocatie heeft een oppervlakte van circa 1,5 hectare. Oppervlaktewater In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig binnen de planlocatie. In de nabije omgeving bevinden zich eveneens geen watergangen. Hemelwater In de huidige situatie wordt de neerslag die in de planlocatie valt, via de bodem naar de watergangen afgevoerd. De afvoer van neerslag, afkomstig van de huidige daken, verloopt door lozing op het rioolstelsel. Afvalwater Het afvalwater van de bestaande woningen is aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Toekomstige situatie Beoogd wordt om de bestaande 30 woningen te slopen, waarna 37 grondgebonden eengezinswoningen en 50 appartementen gerealiseerd worden. Daarnaast wordt de openbare ruimte heringericht met voornamelijk voorzieningen ten behoeve van het verblijfsverkeer en groen.
Waterkwantiteit In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt. Voor de waterkwantiteit wordt ervan uitgegaan dat 80% van de grondgebonden woonpercelen bebouwd c.q. verhard (erfverharding) zijn. Huidige situatie, circa (m2)
Nieuwe situatie, circa (m2)
Bebouwing (woningen)
8.233
6.309
Oppervlakte verharding
0
4.206
Totaal verhard
8.233
10.515
Tuinen
2.058
991
(Openbaar) groen
4.570
3.355
Totaal onverhard
6.628
4.346
Totaal
14.861
14.861
Het totaal verhard oppervlak neemt toe met 2.282 m2. Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m 2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de rekenregel: benodigde compensatie (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2). Op basis van het waterschapsbeleid is derhalve een bergingscapaciteit van 136,92 m 3 (2.282 m2 x 1 x 0,06) nodig.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|41
In het kader van het planvoornemen wordt de exacte uitwerking voor de wateroplossingen nog onderzocht. Gedacht wordt aan de realisatie van waterberging in de groenvoorziening, het aanpassen van het straatprofiel of een andere vorm van berging/vertraagde afvoer van hemelwater. De aanleg en instandhouding van de waterberging wordt als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld. Oppervlaktewater Met de beoogde ontwikkelingen worden geen ingrepen in of nabij watergangen mogelijk gemaakt. Afvalwater De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. Het hemelwater en afvalwater zal daarbij gescheiden aangeboden te worden aan de gemeente volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De technische kwaliteit van het bestaande stelsel is voldoende. Getoetst aan de doelstelling kan met betrekking tot de huidige situatie worden opgemerkt dat de afvoercapaciteit van het stelsel overal toereikend is. Materiaalkeuze Het gebruik van uitlogende materialen beïnvloedt de kwaliteit van het water negatief en dient voorkomen te worden (gedurende zowel de bouw- en gebruiksfase alsmede de inrichting van de openbare ruimte). Om diffuse verontreiniging van bodem en (grond)water te voorkomen zullen bij bouwwerkzaamheden duurzame en milieuvriendelijke bouwmaterialen worden toegepast.
Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.10
M.e.r.-beoordeling
Kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 2 worden gevallen benoemd waarin de mer-plicht geldt. Kolom 3 noemt gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de m.e.r.verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Dit kan een besluit zijn voor het omgevingsplan of het betreft een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Onderzoek Het project is op basis van het Omgevingsbesluit aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en moet worden getoetst aan de categorie J11 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen). Voor dergelijke ontwikkelingsprojecten geldt een mer-beoordelingsplicht.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|42
Hiertoe dient gemotiveerd te worden of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Hierbij moet rekening gehouden worden met de relevante criteria van Bijlage III bij de mer-richtlijn, te weten: a. De kenmerken van het project; b. De plaats van de voorgenomen activiteiten; c. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De volledige m.e.r.-beoordeling is als bijlage 10 opgenomen. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee dit ingepast en gerealiseerd wordt, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu. Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|43
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Het plan betreft een initiatief van woningbouwcorporatie Casade. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Loon op Zand wordt ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Advies en instemming In het kader van advies en instemming, wordt de BOPA toegezonden aan de volgende overleginstanties: de provincie Noord Brabant, het Waterschap Brabantse Delta, de veiligheidsregio, omgevingsdienst en de GGD. Procedure Op de onderhavige aanvraag is de uitgebreide procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is 6 maanden. Eventueel te verlengen met 6 weken. Tijdens de uitgebreide procedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit waarover zienswijzen openstaan. Nadat het besluit is genomen, is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk. Participatie Om draagvlak te creëren, heeft Casade bij het project Bloemwaard te Kaatsheuvel uitgebreide gesprekken gevoerd met (oud) bewoners, omwonenden, de gemeente Loon op Zand en andere betrokkenen. Aangezien de opstallen in het bezit zijn van verschillende eigenaren en verschillende huurders huisvesten, heeft ieder partij zijn of haar eigen belangen. Daarom heeft Casade gedurende het proces actief gestreefd naar integrale benadering van de ontwikkeling. De inspraak en participatie hebben plaatsgevonden in de vorm van meedenkbijeenkomsten, informatieavonden en persoonlijke overleggen bij partijen aan tafel.
Vóór de start van de meedenksessies, organiseerde Casade een informatieavond voor bewoners en omwonenden in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de gemeente Loon op Zand. Tijdens deze avond werden strategieën, aanpak en conceptplannen besproken, waarbij belanghebbenden de mogelijkheid hadden om ideeën aan te dragen en zich in te schrijven voor de meedenkgroep. Uit deze bijeenkomst kwam naar voren wie actief wilde deelnemen aan het proces en waar verbeteringen mogelijk waren in de communicatie tussen Casade en belanghebbenden. Diverse communicatiemiddelen werden ingezet, waaronder: • Nieuwsbrieven; • Huisbezoeken; • Een informatiepunt ter plaatse van het plangebied; • Een projectpagina op de Casade-website; • Verschillende informatie- en meedenkavonden. Het uitgangspunt was en ís om bewoners en omwonenden ongeveer elke drie maanden te informeren over de laatste ontwikkelingen. Ook als er geen nieuwe ontwikkelingen zijn, houden we belanghebbenden op de hoogte. Dit proces loopt nog steeds.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|44
De meedenksessies zijn in nauwe samenwerking met (oud) bewoners, omwonenden, de huurdersbelangenvereniging, de ontwikkelaar van de 11 koopwoningen en de gemeente Loon op Zand georganiseerd. Tijdens deze sessies kwam naar voren dat de nadruk ligt op onder andere representatieve participatie, transparantie en vertrouwen in de uitwerking van een hoogwaardig bouwplan, waarbij ook de inbreng van burgers wordt gewaardeerd. Nieuwe ontwikkelingen zijn eerst besproken met de meedenkgroep, waarna deze werden gedeeld met de rest van de buurt tijdens informatieavonden en/of via nieuwsbrieven. Op elke stap kregen mensen de gelegenheid om hun inbreng te delen op de presentaties van Casade. Een verslag van alle bijeenkomsten, vragen, aandachtspunten en opmerkingen is opgesteld en gedeeld via e-mail, nieuwsbrieven en de projectwebsite met alle betrokkenen. Voorstaande is samengevat c.q. opgenomen in het zogenaamde omgevingsdossier. Het dossier is als bijlage 11 bij de motivering opgenomen. Middels dit dossier laat initiatiefnemer Stichting Casade zien hoe zij gedurende het gehele proces de huurders, omwonenden en andere belanghebbenden heeft meegenomen in de planvorming van de sloop en vervangende nieuwbouwontwikkeling.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
|45
8.
MOTIVERING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES
Het planvoornemen leidt tot een situatie waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5 en 6). Gezien hetgeen uiteengezet in voornoemde hoofstukken kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen nadelige effecten heeft op de fysieke leefomgeving en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegend is de ontwikkeling aanvaardbaar.
Project Bloemwaard te Kaatsheuvel
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BIJLAGE 1: BOMEN EFFECT ANALYSE
BOMEN EFFECT ANALYSE Ontwikkeling Bloemwaard, Kaatsheuvel
BOMEN EFFECT ANALYSE Ontwikkeling Bloemwaard, Kaatsheuvel
Status rapport Concept 11 april 2024
Opgesteld voor Ordito Gilze B.V. T.a.v. Mevrouw Z. Zeegers Nieuwstraat 87 5126 CC Gilze
Projectnummer 20242031
Gezien door Naam: Martijn Buiks BSc Functie: Adviseur bomen, natuur & groene leefomgeving Opgesteld door Naam: Frank van Irsel BSc Functie: Adviseur bomen, natuur & groene leefomgeving European Tree Technician (ETT) Van Helvoirt Groenprojecten BV Oisterwijksebaan 8A 5056 RD Berkel-Enschot Postbus 145 5056 ZJ Berkel-Enschot 013-5408200 06-52396028 www.vanhelvoirtgroenprojecten.nl © Van Helvoirt Groenprojecten BV. Dit rapport of delen ervan mogen niet zonder schriftelijke toestemming van Van Helvoirt Groenprojecten BV worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, anders dan bedoeld voor de doelstelling in het rapport. Foto omslag: beeld van het plangebied, d.d. 2 apr. 2024
Pagina 3 van 26
INHOUD 1.
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding en doel
6
1.2
Uitvoering
6
1.3
Leeswijzer
6
2.
PROJECTGEGEVENS
7
2.1
Locatie
7
2.1.1
Afbakening
7
2.1.2
Beschrijving
7
2.2
Uitgangspunten
9
2.3
Verwachte werkzaamheden
9
3.
HUIDIGE SITUATIE
10
3.1
Boomstatus
10
3.2
Boomgegevens
10
3.3
Visuele inspectie
10
3.4
BEA-onderzoek
12
3.4.1
Bodemprofiel en vochthuishouding
12
3.4.2
Beworteling
13
4.
EFFECTENANALYSE
14
4.1
Effect op wortelgestel
14
4.2
Effect op stam en kroon
15
4.3
Effect op groeiplaats
15
4.4
Effect op vochtvoorziening
15
Pagina 4 van 26
5.
CONCLUSIES EN ADVIES
16
5.1
Conclusies
16
5.2
Advies
16
5.2.1
Alle bomen
16
5.2.2
Uitvoering werkzaamheden
17
Bijlage 1: overzicht boomgegevens
19
Bijlage 2: overzichtstekening plangebied
20
Bijlage 3: overzichtstekening voorgenomen werkzaamheden
21
Bijlage 4: overzichtstekening boomcondities
22
Bijlage 5: resultaten bodemonderzoek
23
Bijlage 6: overzichtstekening advies
26
Pagina 5 van 26
1. INLEIDING 1.1 AANLEIDING EN DOEL In opdracht van Ordito Gilze B.V. (hierna: Ordito) heeft Van Helvoirt Groenprojecten een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. De BEA richt zich op 36 bomen in de Sweenstraat, Asterstraat en Anjerstraat in Kaatsheuvel. Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen sloop van 30 woningen en de nieuwbouw van 75 woningen in voornoemde straten. De ontwikkelingen worden uitgevoerd onder de projectnaam ‘Bloemwaard’. De werkzaamheden die met de ontwikkelingen gepaard gaan hebben mogelijk effecten voor de bomen in de wijk. Ordito wil dat middels een BEA de mogelijke effecten op de bomen inzichtelijk worden gemaakt. In de BEA staan de volgende vragen centraal: • Wat is de huidige kwaliteit van de bomen? • Welke effecten hebben de geplande ingrepen op de bomen? • Welke maatregelen en eventuele projectaanpassingen zijn nodig om de bomen duurzaam1 te kunnen behouden?
1.2 UITVOERING Het veldwerk voor dit onderzoek is uitgevoerd op 2 en 3 april 2024 door Frank van Irsel, boomtechnisch adviseur bij Van Helvoirt Groenprojecten.
1.3 LEESWIJZER Het rapport is als volgt opgebouwd: hoofdstuk 1 omvat de inleiding. Het tweede hoofdstuk bevat een projectomschrijving. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de huidige situatie. Hoofdstuk 4 omvat een analyse van projectinvloeden op het bomenbestand. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen.
1
Minimaal 15 jaar in de huidige verschijningsvorm.
Pagina 6 van 26
2. PROJECTGEGEVENS 2.1 LOCATIE 2.1.1 Afbakening Het onderzoek richt zich op 31 gemeentelijke en vijf particuliere bomen in de Sweenstraat, Asterstraat en Anjerstraat in Kaatsheuvel (zie afbeelding 1). Om een goed onderscheid te kunnen maken wordt de planlocatie voor de beschrijving opgedeeld in drie delen: A. Sweenstraat B. Parkje/speelplaats C. Asterstraat
Afbeelding 1: plangebied in rood omkaderd
2.1.2 Beschrijving Perceel A (Sweenstraat) kenmerkt zich door woningbouw (zie afbeelding 2 en 3). In het perceel staan veelal twee-onder-een-kapwoningen, in veel gevallen van elkaar gescheiden door inritten. Achter de woningen liggen relatief diepe tuinen. De tuinen zijn tijdens het onderzoek niet bezocht. Met behulp van een verrekijker en actuele luchtfoto’s is een beeld gevormd van de tuinen. De tuinen van de woningen die direct aan de Sweenstraat liggen zijn doorgaans grijs en sterk verdicht met kleine opstallen zoals schuurtjes. Grote bomen ontbreken. De tuinen van de woningen die met de voorgevel aan de Anjerstraat staan, zijn doorgaans groener. Desondanks ontbreekt het ook in deze tuinen aan grote bomen, uitgezonderd van enkele
Pagina 7 van 26
doorgeschoten zaailingen en bomen van de derde grootte. Parallel aan de Anjerstraat staan een zestal gemeentelijke veldesdoorns in een boomspiegel in de verharding.
Afbeelding 2: beeld in perceel A, rechts de woningen aan de Sweenstraat
Afbeelding 3: beeld in perceel A en gedeelte van B. Rechts de woningen aan de Anjerstraat
Perceel B (Parkje/speeltuin) ligt aangrenzend aan een schoolplein en wordt derhalve tijdens pauzes veel gebruikt door spelende kinderen (zie afbeelding 4). Centraal in het parkje ligt een geasfalteerde speelplaats, die onder andere gebruikt wordt voor basketbal, en een onverhard voetbalveldje. Daaromheen ligt gazon met daarin verspreidstaande bomen, doorgaans allen van de eerste grootte. Perceel B is afgekaderd door een lijnhaag.
Afbeelding 4: beeld in perceel B
Perceel C (Asterstraat) bestaat uit woningbouw en een paardenweide, die achter de woningen gelegen is. Het gaat om hetzelfde type twee-onder-eenkapwoningen als in de Anjerstraat (zie afbeelding 5). In de tuinen van de woningen in perceel C staan enkele grotere bomen. Voor de woningen staan
Pagina 8 van 26
een vijftal gemeentelijke veldesdoorns in een boomspiegel in de verharding. Grenzend aan de achtertuinen van de woningen ligt een strook verruigt groen. In de groenstrook hebben zich bramen ontwikkeld en zijn enkele spontaan gevestigde boom- en struiksoorten ontsproten (zie afbeelding 6). In de groenstrook werd tijdens het veldbezoek zeer veel activiteit door vogels waargenomen. Achter de groenstrook ligt de paardenweide.
Afbeelding 5: beeld in perceel C, rechts de woningen aan de Asterstraat
Afbeelding 6: beeld van de paardenweide en de verwilderde groenstrook in perceel C
2.2 UITGANGSPUNTEN Bij het onderzoek is de volgende documentatie als uitgangspunt gebruikt: 1. Offerteaanvraag van mevrouw Z. Zeegers van 24 jan 2024. 2. Projecttekening, verstrekt door mevrouw Z. Zeegers op 28 feb 2024. 3. Vrij-beschikbare databronnen (bomendata gemeente Loon op Zand) en actuele luchtfoto’s van het plangebied.
2.3 VERWACHTE WERKZAAMHEDEN In perceel A en C worden 30 bestaande woningen gesloopt en 75 woningen gebouwd. Ook de openbare ruimte krijgt daarbij een ander karakter. Eventuele bomen in de tuinen van woningen worden in beginsel niet in de nieuwe plannen ingepast. Perceel B blijft vrij van woningbouw maar krijgt mogelijk wel een andere bestemming. Om negatieve effecten op de bestaande bomen te voorkomen zijn ook deze bomen in het onderzoek opgenomen. Ten aanzien van deze bomen is vooral aan de hand van randvoorwaarden beschreven hoe tijdens en na de ontwikkeling met de bomen omgegaan moet worden, zodat negatieve effecten worden voorkomen.
Pagina 9 van 26
3. HUIDIGE SITUATIE Een volledig overzicht van de geïnventariseerde bomen is opgenomen in de tabel in bijlage 1. Bijlage 2 bevat een overzichtstekening met daarop de geïnventariseerde bomen.
3.1 BOOMSTATUS De onderzochte bomen hebben conform de beschermwaardige bomenkaart, die onderdeel uitmaakt van de bomenverordening van gemeente Loon op Zand (2023), geen bijzondere status. Voor alle bomen op percelen in eigendom van de gemeente Loon op Zand geldt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning voor kap een houtopstand te vellen, wanneer de stamomtrek op 1,3 m+mv groter is dan 50 centimeter. De bomen zijn niet in het Landelijk Register van Monumentale bomen van de Bomenstichting2 opgenomen.
3.2 BOOMGEGEVENS In het plangebied zijn 36 bomen geïnventariseerd. Het aangetroffen sortiment is divers, maar bestaat overwegend uit veldesdoorn (Acer campestre), zomereik (Quercus robur), moeraseik (Quercus palustris) en gewone plataan (Platanus ×hispanica).
3.3 VISUELE INSPECTIE Door middel van een visuele inspectie worden de verschillende delen van de boom vanaf de grond beoordeeld om een indruk te krijgen van de boomkwaliteit3 (combinatie van conditie4 en structuur5) op het moment van opname. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VTA- (Visual Tree Assessment) en IBA- (Integrierte Baum Analyse) methodiek. Voor een goede beoordeling van de boomkwaliteit worden tevens de
2
Bomenstichting (z.d.) Portaal monumentale bomen. Geraadpleegd op 10 apr 2024. Boomkwaliteit wordt in eerste instantie bepaald door conditie en structuur van de boom. De volgende kwaliteitsklassen worden onderscheiden: goed, redelijk, matig en slecht. 4 De conditie is de toestand van de boom op het moment van opname en wordt visueel vanaf de grond bepaald. Hierbij wordt gelet op blad- of knopbezetting, bladverkleuring, vertakkingspatroon, groei t.o.v. normaal, mate van overgroeiing bij beschadigingen en symptomen die wijzen op aantastingen. De volgende klassen worden onderscheiden: goed, redelijk, matig en slecht. 5 Bij structuur gaat het om stabiliteit en breukgevoeligheid. Stabiliteit heeft betrekking op het omvallen van de boom en breukgevoeligheid heeft betrekking op afbreken van de stam en af- of uitbreken van takken. Voor de beoordeling wordt gebruikgemaakt van de Visual Tree Assessment (VTA) en Integrierte Baum Analyse (IBA). Middels deze methodes kunnen, op grond van zichtbare kenmerken, gebreken of signalen die duiden op verborgen gebreken beoordeeld worden. 3
Pagina 10 van 26
onderhoudstoestand6 en levensverwachting7 geschat, uitgaande van ongewijzigde ondergrondse groeiomstandigheden. De resultaten van de visuele inspectie kunnen als volgt worden samengevat: •
•
•
•
Tien bomen vertonen een gezonde groei. De tak- en twijgontwikkeling correspondeert met hetgeen van de soort verwacht mag worden. Dit duidt op een goede conditie. Bij ongewijzigde groeiplaatsomstandigheden bedraagt de levensverwachting meer dan vijftien jaar. 23 bomen vertonen een niet-optimale groei, wat zich uit in een verminderde scheutlengte en bladbezetting. Dit duidt op een redelijke conditie. Bij ongewijzigde groeiomstandigheden bedraagt de levensverwachting meer dan vijftien jaar. Drie bomen (11, 26 en 27, zie afbeelding 7) vertonen een verstoorde groei, wat zich uit in een ijle kroon, afstervende takuiteinden en een trage overgroeiing van snoeiwonden. Dit duidt op een matige conditie. Bij ongewijzigde groeiplaatsomstandigheden bedraagt de levensverwachting vijf tot vijftien jaar. Veertien van de individueel beoordeelde bomen zijn op basis van de visuele inspectie geregistreerd als risicoboom. Het gaat in alle gevallen om een tijdelijk risico dat kan worden opgeheven door een eenmalige onderhoudsingreep. Het betreft in veel gevallen bomen die dood hout ontwikkelen in de binnenkroon, als gevolg van lichtgebrek.
6
Bij de beoordeling van de onderhoudstoestand wordt gekeken naar de snoeimaatregelen die noodzakelijk zijn om tot een aanvaard boombeeld te komen. Hierbij wordt met name gelet op de aanwezigheid van afgestorven takken of mogelijk (toekomstige) probleemtakken zoals plakoksels of te laag hangende takken voor een normale afwikkeling van verkeer. De volgende klassen worden onderscheiden: aanvaard, achterstallig of verwaarloosd. 7 De levensverwachting wordt geschat op basis van de boomsoort, de leeftijd, de conditie en eventueel aanwezige aantastingen. Ook de boven- en ondergrondse groeiruimte zijn factoren die bij de beoordeling van de levensverwachting worden meegenomen. De volgende klassen worden onderscheiden: 1 tot 5 jaar, 5 tot 15 jaar en meer dan 15 jaar.
Pagina 11 van 26
Afbeelding 7: boom 27 beschikt over een matige conditie
3.4 BEA-ONDERZOEK Tijdens het BEA-onderzoek is de ondergrondse groeiruimte en de beworteling van de bomen door middel van bodemonderzoek in kaart gebracht. In bijlage 5 zijn de volledige gegevens van het bodemonderzoek opgenomen. 3.4.1 Bodemprofiel en vochthuishouding Het bodemprofiel is tot 50 cm-mv geroerd, doch overwegend opgebouwd uit matig humeus, matig fijn zand. Van 50-150 cm-mv wordt uiterst humusarm, matig fijn zand aangetroffen gevolgd door een laag zandig leem tussen 150180 cm-mv (zie afbeelding 8). Vanaf 150 cm-mv is de grond vochtig en worden reductiesporen aangetroffen. Het gaat hier vermoedelijk om de capillaire zone. Hoewel de boomwortels in potentie kunnen reiken tot aan de capillaire zone leidt verdichting in de toplaag ertoe dat dit in de praktijk niet het geval is (zie tevens par. 3.4.2). Enkele andere bomen zijn daarnaast nog dermate jong dat het wortelgestel eveneens niet reikt tot aan de capillaire zone. De verwachting is dat met uitzondering van de bomen 12 t/m 14 en 18 t/m 20, alle bomen in het plangebied in hun vochtvoorziening afhankelijk zijn van vocht in de hangwaterzone8 (tussen 45-55 cm-mv), die wordt aangevuld met neerslag. 8
Voor bomen wordt de grondwatersituatie als volgt ingedeeld: • Grondwaterprofiel: profiel waarbij gedurende het gehele jaar voldoende capillaire vochtnalevering vanuit het grondwater naar de boomwortels mogelijk is. • Hangwaterprofiel: profiel waarbij geen capillaire nalevering vanuit het grondwater aan de boomwortels mogelijk is. De boom is voor de vochtvoorziening volledig afhankelijk van het beschikbare vocht in de hangwaterzone, die wordt aangevuld met neerslag.
Pagina 12 van 26
3.4.2 Beworteling In grote delen van het plangebied, maar met name in perceel B is de toplaag (soms tot 70 cm-mv) dermate verdicht, dat wortels niet in staat zijn om de capillaire zone te bereiken. Op enkele plekken is de verdichting zo ernstig dat de grond blauw is van kleur en een zwavelachtige geur afgeeft (zie afbeelding 9). Enige uitzondering vormen waarschijnlijk de grotere bomen (12 t/m 14 en 18 t/m 20) aan de oostkant van het parkje. Ter plaatse van deze bomen is tijdens het bodemonderzoek slechts beperkte verdichting geconstateerd. De bomen in de Sweenstraat, Asterstraat en Anjerstraat zijn (nog) dermate klein van formaat dat de boomwortels van deze bomen zeker nog niet reiken tot aan de capillaire zone, maar dit in potentie in de toekomst wel kunnen gaan doen. Vooralsnog zijn de meeste bomen in het plangebied in de vochtvoorziening volledig afhankelijk van water in de hangwaterzone (m.n. tussen 45-55 cm-mv), die wordt aangevuld met neerslag. Met name bij de bomen in perceel B heeft de sterk verdichte bodem zijn weerslag op de conditie (uitgezonderd van de bomen 12 t/m 14 en 18 t/m 20). Veel van de bomen groeien nauwelijks meer en enkele exemplaren takelen zelfs als af. De oorzaak van de verdichting bestaat waarschijnlijk uit een combinatie van factoren.
Het is mogelijk dat de verdichting op grotere diepte veroorzaakt is doordat het grondwerk bij de aanleg van het parkje bijvoorbeeld is uitgevoerd onder natte omstandigheden en/of met zwaar materieel. De oppervlakkige verdichting wordt met name veroorzaakt door de intensiteit waarmee het parkje wordt gebruikt als speelplaats, maar ook door de maaimachine. Opheffing van de verdichting en blijvende aanpassingen aan de groeiplaats van de bomen kunnen ertoe leiden dat de doorwortelbare ruimte fors wordt vergroot, met een toename in conditie als gevolg.
Afbeelding 8: profielopbouw in perceel B
•
Afbeelding 9: op enkele plekken is de verdichting dermate sterk, dat de grond blauw is en een zwavelachtige geur afgeeft
Contactprofiel of tijdelijk grondwaterprofiel: profiel waarbij gedurende een gedeelte van het jaar voldoende capillaire vochtnalevering vanuit het grondwater naar de boomwortels mogelijk is. In (een deel van) het voorjaar staan de boomwortels in contact met de capillaire zone, maar gedurende het seizoen zakt de grondwaterstand tot buiten het bereik van de boomwortels. De boom is voor de vochtvoorziening daarom deel afhankelijk van het beschikbare vocht in de hangwaterzone.
Pagina 13 van 26
4. EFFECTENANALYSE De geplande werkzaamheden vinden overwegend plaats buiten de kwetsbare boomzone (kroonprojectie +1,5 meter) van de onderzochte bomen. De particuliere bomen vormen hierop een uitzondering. Omdat die echter niet worden ingepast worden die in dat kader buiten beschouwing gelaten. Er vinden in beginsel geen werkzaamheden plaats binnen de minimale graafafstand van bomen9. De minimale graafafstand is afhankelijk van de stamdiameter en geeft een indicatie van de stabiliteitskluit. Werkzaamheden binnen deze afstand kunnen instabiliteit tot gevolg hebben, met name wanneer grove beworteling wordt beschadigd. Tabel 1: indicatieve waarden voor minimale graafafstanden in relatie tot de stabiliteitskluit. Graafwerkzaamheden binnen deze zone leiden tot een verhoogde kans op instabiliteit.
Stamdiameter in centimeter
Minimale graafafstand vanuit hart stam in meter
20
> 1,25
40
> 1,5
60
> 1,75
80
> 2,25
100
> 2,5
150
> 3,5
De volgende werkzaamheden zijn in de BEA getoetst: • Sloop van dertig woningen en nieuwbouw van 75 woningen. • Mogelijke herinrichting parkje/speelplaats (perceel B).
4.1 EFFECT OP WORTELGESTEL Alle bomen De particuliere bomen (6 t/m 10) worden niet in de nieuwe plannen ingepast en zullen in het licht daarvan verdwijnen. Voor de overige bomen geldt dat de ontwikkelingen uitgevoerd kunnen worden met een minimaal wortelverlies van minder dan vijftien procent. De bomen hebben voldoende regeneratievermogen om zelf van dat wortelverlies te herstellen. Belangrijke randvoorwaarde is wel dat de werkzaamheden zorgvuldig worden uitgevoerd. Randvoorwaarden voor de uitvoer zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Het is daarnaast belangrijk om te melden dat de huidige groeiplaatskwaliteit beperkt is. Verdichting van de bodem, in combinatie met kleine 9
Minimale graafafstanden zijn richtwaarden en gaan uit van een vrije ontwikkeling van het wortelgestel.
Pagina 14 van 26
groeiplaatsen (bijvoorbeeld ter plaatse van de veldesdoorns die in kleine boomspiegels in de verharding staan) zorgen ervoor dat de bomen weinig groeien en dat enkele bomen zelfs de grenzen van de groeiplaats al bereikt hebben. Om het toekomstperspectief van de bomen te verbeteren is het raadzaam om na de bouw de doorwortelbare ruimte van de bomen te vergroten en de kwaliteit van de groeiplaats te verbeteren. Randvoorwaarden daarvoor zijn eveneens opgenomen in hoofdstuk 5.
4.2 EFFECT OP STAM EN KROON De geplande werkzaamheden leiden tot een verhoogd risico op bovengrondse schade aan de bomen, met name wanneer werkzaamheden plaatsvinden binnen de kwetsbare boomzone en wanneer bomen niet juist worden beschermd. Beschadigingen vormen een invalspoort voor infecties, met name bij verzwakte bomen. De bomen dichtbij de bebouwing (1 t/m 5 en 29 t/m 36) lopen met name risico. Randvoorwaarden voor de bescherming van de bomen zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
4.3 EFFECT OP GROEIPLAATS Wanneer er werkzaamheden plaatsvinden en materieel en materiaal wordt opgeslagen op de onverharde delen binnen de kwetsbare boomzones is het risico groot dat de bodem nog verder verdicht raakt, met als gevolg dat de toevoer van vocht en zuurstof wordt beperkt. Dit heeft omvangrijke wortelsterfte in de toplaag tot gevolg. De bomen zijn in de huidige situatie afhankelijk van de oppervlakkige beworteling. Verlies van deze beworteling kan leiden tot een structurele conditievermindering.
4.4 EFFECT OP VOCHTVOORZIENING Grondwaterbemaling maakt zover bekend geen onderdeel uit van de geplande werkzaamheden. Effecten op de vochtvoorziening van de bomen, als gevolg van de geplande werkzaamheden zijn derhalve niet te verwachten.
Pagina 15 van 26
5. CONCLUSIES EN ADVIES 5.1 CONCLUSIES Boomconditie en onderhoudstoestand De bevindingen in deze paragraaf zijn met name gericht aan de boomeigenaar, in de meeste gevallen gemeente Loon op Zand. Een groot deel van het gemeentelijk bomenbestand is van redelijke of matige kwaliteit. De groei is veelal gestagneerd. Veel bomen hebben de grenzen van hun groeiplaats bereikt, doordat de omvang van de groeiplaats beperkt is of doordat diepere lagen als gevolg van verdichting niet bereikbaar zijn voor boomwortels. Om de bomen meer toekomstperspectief te kunnen bieden zijn aanpassingen aan de groeiplaats raadzaam. In paragraaf 5.2 zijn hiervoor adviezen opgenomen. Bij 14 bomen is een snoei-ingreep noodzakelijk om weer tot een aanvaard snoeibeeld te komen, omdat zich in de kroon afgestorven- of probleemtakken hebben ontwikkeld. Het gaat in alle gevallen enkel om een tijdelijk risico dat kan worden opgeheven door een eenmalige onderhoudsingreep. Voorgenomen werkzaamheden Met uitzondering van de particuliere bomen (6 t/m 10) kunnen alle bomen in het licht van de voorgenomen werkzaamheden duurzaam worden behouden, mits de randvoorwaarden uit par. 5.2 worden opgevolgd. Boom 36 komt op de hoek van een nieuwe straat te staan. Op basis van de huidige plannen is behoud mogelijk, mits de boom tijdens de periode voldoende wordt beschermd. Zie daarvoor par. 5.2.
5.2 ADVIES 5.2.1 Alle bomen De volgende aanbevelingen zijn van toepassing op alle onderzochte bomen: • De bomen dienen voor aanvang van de werkzaamheden te worden voorzien van stamommanteling. De stamommanteling dient te worden opgebouwd uit verticaal geplaatste planken rondom de stam, rustend op twee rondom de stam gedraaide bemantelde ribdrains. De drains mogen de stam van de boom niet beschadigen of afknellen. • Werkzaamheden worden zoveel mogelijk uitgevoerd vanaf de verharding en met licht materieel (< 1500 kg). Transport over onverharde delen binnen de kwetsbare boomzone (kroonprojectie + 1,5 meter) mag alleen