CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ontwerpbestemmingsplan ‘LeoHendrik’ inclusief bijlagen Gecomprimeerd

Raadsvergadering 16 mei 2024, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over vast te stellen bestemmingsplan 'LeoHendrik' te Kaatsheuvel (Bespreekstuk)26.800 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

NĽ.IMRQ.0809.BPĽeoHendrik-QN01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

128

ORDITO OOOO

Op basis van de Quickscan is vastgesteld dat binnen het plangebied en de directe omgeving beschermde soorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Het gaat om algemene broedvogels, broedvogels met een jaarrond beschermd nest, vleermuizen, algemeen grondgebonden zoogdieren, steenmarter en algemeen voorkomende amfibieën. Door toepassen van mitigerende maatregelen en rekening te houden met de zorgplicht kan een deel van de negatieve gevolgen voor beschermde soorten voorkomen of beperkt worden. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. De noodzaak voor onderzoek, mitigatie en eventuele juridische stappen hangt af van de ingreep en het ruimtelijke plan betreffende aanwezige beplanting, bomen en inrichting infrastructuur zoals het verlichtingsplan. Voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest, gebouwbewonende vleermuizen en de steenmarter is aanwezigheid in dit stadium niet uit te sluiten. Voor deze soorten dient gehandeld te worden conform richtlijnen SMP; kwalitatief onderzoek, visuele/fysieke inspecties in- en uitpandig van de te slopen bebouwing en uitwerking van een ecologisch werkprotocol.

Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Voor het planvoornemen is een berekening gemaakt met behulp van de Aerius calculator 2023.0.1 (toegevoegd als bijlage bij de toelichting). Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitaten leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Het gebruik van werktuigen met minimaal stageklasse IV, waarbij AdBlue (6%) bij de diesel is toegevoegd bij werktuigen met een vermogen van 56 kW of groter, geldt als aanbestedingseis. Wanneer de uitgangspunten in dit onderzoek wijzigen, dan dient een nieuwe AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Het is namelijk in dat geval mogelijk dat een Wnb-vergunningsplicht toch noodzakelijk is.

Gezien de afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggende gebied, de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de uitkomst van de Aerius berekening, zijn geen negatieve effecten te verwachten op de flora en fauna in Natura 2000-gebieden.

Conclusie Op basis van de Quickscan is vastgesteld dat binnen het plangebied en de directe omgeving beschermde soorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Door het toepassen van mitigerende maatregelen en rekening te houden met de zorgplicht kan een deel van de negatieve gevolgen voor beschermde soorten voorkomen of beperkt worden. Voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest, gebouwbewonende vleermuizen en de steenmarter is aanwezigheid in dit stadium niet uit te sluiten. Voor deze soorten dient gehandeld te worden conform richtlijnen SMP; kwalitatief onderzoek, visuele/fysieke inspecties in- en uitpandig van de te slopen bebouwing en uitwerking van een ecologisch werkprotocol.

NL.IMRO.0809.BPLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

129

ORDITO

OOOO

5.7 Geluid Beleid Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen verkeers-, industrie- en spoorweglawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de wet iedere weg in beschouwing te worden genomen, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur wegen. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen.

Onderzoek Vanwege de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van de Gasthuisstraat is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Door K+ Adviesgroep is dergelijke onderzoek verricht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Leo XIII-straat, Prins Hendrikstraat, Doctor Kuyperstraat, Monseigneur Zwijsenstraat en Willem II-straat tevens opgenomen in het akoestisch onderzoek. Het volledige akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage bij de toelichting. De geluidsbelasting ten gevolge van de Gasthuisstraat is maximaal 36 dB, inclusief aftrek artikel 110g. De waarde ligt daarmee onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Voor de overige wegen is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn deze wegen wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. Ten aanzien van de Leo XIII-straat zijn in een aantal waarneempunten gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de 'voorkeursgrenswaarde' De geluidsbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 59 dB, zonder aftrek artikel 110g.

Zou die aftrek wel gehanteerd worden, dan is de geluidbelasting 54 dB, waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Ten aanzien van de Prins Hendrikstraat, de Doctor Kuyperstraat, de Monseigneur Zwijsenstraat en Willem II-straat worden de voorkeursgrenswaarden (incl. artikel 110g) niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. Omdat er geen sprake is van gezoneerde wegen, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze wegen te worden aangevraagd.

NĽ.IMRO.Q8Ü9.BPĽeoHendrik-ONÜ1

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

130

ORDITO

OOOO Formeel hoeven ten gevolge van de omliggende wegen geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter wel geadviseerd maatregelen te treffen om een binnen niveau van 33 dB te garanderen. Daarnaast beschikt het beoogde bouwplan over ten minste één geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.8

Geur en gezondheid

Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name de komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken - bekend gemaakt vanuit Ministeries, RIVM, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.

Gezondheid Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden", kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ^ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ^ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ^ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico's kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden.

NL.IMRO.0809.BPLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

131

ORDITO OOOO

In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt ('het stappenplan') om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In september 2018 is een deelrapport 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016' gepubliceerd. Dit rapport maakt deel uit van een reeks vervolgonderzoeken in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO 3).

De resultaten van dit onderzoek wijzen, net als de voorgaande onderzoeken, op een associatie tussen het wonen in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt, in de jaren die binnen deze actualisering zijn onderzocht, niet meer statistisch significant te zijn. Het plangebied is niet gelegen binnen een cirkel van 2 km van een geitenhouderij. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen aan de Dreefseweg en ligt op een afstand van circa 2,5 km van het plangebied. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen een cirkel van 1 km van een pluimveehouderij. In het voorliggend bestemmingsplan zijn de gezondheidsrisico's naar verwachting niet groot. Er is geen sprake van een hoge concentratie van veehouderijen in de directe omgeving (niet-concentratiegebied).

Geur Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe7m3 14,0 OUe7m3 2,0 OUe7m3 8,0 OUe7m3

Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buitende bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn.

NL.IMRQ.0809.BPLeoHendrik-ÜN01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

132

ORDITO OOOO

Onderzoek Het plangebied ligt binnen het stedelijk gebied van de Kaatsheuvel op aanzienlijke afstand van eventuele geurcontouren behorende bij (agrarische) bedrijvigheid. De dichtstbijzijnde (in bedrijf zijnde) veehouderij betreft de paardenhouderij aan de Tilburgseweg 25 te Sprang-Capelle. Deze is gelegen een afstand van circa 900 meter. Het plangebied ligt daarmee ruimschoots buiten de richtafstand van 100 meter ten opzichte van de omliggende veehouderijen Om te bepalen of ter plaatse van sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt gebruik gemaakt van de kaart 'Achtergrondbelasting Geur' van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Op deze kaart is de achtergrondbelasting in een concentratiegebied, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter. Uit deze kaart blijkt dat er op de locatie sprake is van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving (0 - 3,0 OUe^3).

Achtergrondbelasting geur juni 2023 kwaliteit leefomgeving I zeer goed 0-3 | goed 3-7 redelijk goed 7-13 matig 13-20 tamelijk slecht 20-28 slacht 23-35 | zeer slecht 35-50 | extreem slecht 50^

Uitsnede kaart 'achtergrondbelasting geur' (ODZOB, 2023)

Geconcludeerd kan worden ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat anderzijds het plan geen belemmering vormt voor nabijgelegen veehouderijen.

Conclusie Het aspect geur en gezondheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Kabels en leidingen

Op of in de directe nabijheid van de locatie zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke de realisatie van de beoogde ontwikkeling kunnen belemmeren.

Conclusie De ligging van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. NL.IMRO.0809.BPLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

133

ORDITO OOOO

5.10 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip NIBM is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 ^/m3 40 ^/m3 25 ^/m3

Plangebied Huidige situatie Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu - RIVM) is de concentratie fijnstof PM2,5 in 2025 (gegevens 2023) ter plaatse tussen de 6 en 8 ^g/m3, de concentratie fijnstof PM10 tussen de 14 en 16 ^/m3 en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 10 en 15 ^/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit hiermee ruimschoots voldoet aan de gestelde grenswaarden.

NL.IMRQ.0809.BPLeoHendrik-ÜN01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

134

ORDITO OOOO

Toekomstige situatie De regeling NIBM geldt onder andere voor woningbouwlocaties die in het geval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Het plan betreft de realisatie van 6 'extra' woningen. De ontwikkeling ligt daarmee onder de NIBMprojectgrens. Gesteld kan worden dat het planvoornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

5.11 Mer-beoordeling Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG - richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, in het andere geval dient een m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG - richtlijn milieueffectbeoordeling.

Beoordeling In het plangebied is sprake van de aanleg, wijzing of uitbreiding van een klein stedelijk ontwikkelingsproject. Het gaat in dit geval om het herontwikkelen van 18 bestaande woningen aan de Leo XIII-straat naar 24 nieuwe woningen: 10 grondgebonden woningen en 14 appartementen. Het bouwen van woningen valt onder activiteit D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. onder de term 'stedelijk ontwikkeling'. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit met D.11.2. in bijlage II van het Besluit, vermeld: ^ Een oppervlakte van 100 hectare of meer; ^ Een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen.

NUMRQ.0809.BPĽeoHendrik-QN01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

135

ORDITO OOOO

Het planvoornemen ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een 'stedelijk ontwikkelingsproject', is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. Hiertoe is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (opgenomen als bijlage bij de toelichting) opgesteld. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER hoeft te worden vastgesteld.

5.12 Water Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Gezien de omvang van de locatie en de naar verwachting minimale toename/afname van het aandeel verhard oppervlak, is een beknopte watertoets noodzakelijk. Huidige situatie Waterkwantiteit Het plangebied betreft de percelen Leo XIII-straat 2 - 28 (even) en Prins Hendrikstraat 1- 7 (oneven) te Kaatsheuvel. Het totale plangebied kent een oppervlakte van 3.483 m2. Voor de huidige waterkwantiteit wordt ervan uitgegaan dat 80'^ van de woonbestemmingen bebouwd c.q. verhard (erfverharding) zijn. Oppervlaktewater In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. In de nabije omgeving bevinden zich eveneens geen watergangen. Hemelwater In de huidige situatie wordt de neerslag die in de plangebieden valt, via de bodem naar de watergangen afgevoerd. De afvoer van neerslag, afkomstig van de huidige daken, verloopt door lozing op het rioolstelsel. Afvalwater Het afvalwater van de bestaande woningen is aangesloten op het gemengde rioolstelsel.

Toekomstige situatie Beoogd wordt om de bestaande 18 woningen te slopen, waarna 10 grondgebonden eengezinswoningen en 14 appartementen gerealiseerd worden. Daarnaast wordt de openbare ruimte (deels) heringericht met voornamelijk voorzieningen ten behoeve van het verblijfsverkeer en groen.

NL.IMRO.0809.BPLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

136

ORDITO OOOO

Waterkwantiteit In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt. Het totale plangebied kent een oppervlakte van 3.483 m2. Voor de huidige waterkwantiteit wordt ervan uitgegaan dat 80% van de woonbestemmingen bebouwd c.q. verhard (erfverharding) zijn. Voor de toekomstige situatie wordt voor de grondgebonden woningen eveneens uitgegaan van een bebouwings- c.q. verhardingspercentage 80% van de woonbestemming. Voor de appartementen wordt uitgegaan van 100% van het bouwvlak en binnen de toekomstige groenbestemming wordt 15% ten aanzien van ondergeschikte verhardingen aangehouden.

Wonen (bebouwd) Verkeer - Verblijf Groen (verhard) Totaal verhard Wonen (onbebouwd) Groen (onverhard) Totaal onverhard Totaal

Huidige situatie, circa (m2) 2.786 2.786 697 697 3.483 m2

Nieuwe situatie, circa (m2) 1.940 711 80 2.731 295 457 752 3.483 m2

Het totaal verhard oppervlak neemt af met 55 m2. Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Aangezien het verhard oppervlakte afneemt, zijn compenserende maatregelen op basis van het waterschapsbeleid niet nodig. Wel zijn er maatregelen nodig voor een goede waterhuishouding, zoals opgenomen in het gemeentelijk Programma Water en Riolering Loon op Zand 2021-2024. Hierin is bepaald dat bij wijzigingen in het verhard oppervlak als gevolg van reconstructies en afkoppelen van bestaande gebieden de gemeente kansen wil benutten voor een duurzame(re) verwerking van hemelwater. De gemeente streeft naar een bergingscapaciteit van 30 mm/m2 verhard oppervlak bij een omvang van het projectgebied met een verhard oppervlak tussen 500 en 10.000 m2. Op basis van het gemeentelijk beleid is derhalve een bergingscapaciteit van 81,93 m3 (2.731 m2 x 0,03) nodig. In het kader van het planvoornemen wordt de exacte uitwerking voor de wateroplossingen nog onderzocht. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan zal de wateroplossing uitgewerkt opgenomen worden.

In het kader van het planvoornemen worden mogelijkheden onderzocht voor de realisatie van waterberging in het parkje, het aanpassen van het straatprofiel of een andere vorm van berging/vertraagde afvoer van hemelwater. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarmee wordt zeker gesteld dat er een waterbergingsvoorziening wordt gerealiseerd waarbij de capaciteit minimaal 30 mm per m2 verharding moet zijn. Daarmee wordt planologisch geborgd dat voldaan wordt aan het waterschaps- en gemeentelijk beleid. Oppervlaktewater Met de beoogde ontwikkelingen worden geen ingrepen in of nabij watergangen mogelijk gemaakt.

NĽ.IMRQ.0809.BPĽeoHendrik-QN01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

137

ORDITO OOOO

Afvalwater De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. Het hemelwater en afvalwater zal daarbij gescheiden aangeboden te worden aan de gemeente volgens het bouwbesluit. De technische kwaliteit van het bestaande stelsel is voldoende. Getoetst aan de doelstelling kan met betrekking tot de huidige situatie worden opgemerkt dat de afvoercapaciteit van het stelsel overal toereikend is. Materiaalkeuze Het gebruik van uitlogende materialen beïnvloedt de kwaliteit van het water negatief en dient voorkomen te worden (gedurende zowel de bouw- en gebruiksfase alsmede de inrichting van de openbare ruimte). Om diffuse verontreiniging van bodem en (grond)water te voorkomen zullen bij bouwwerkzaamheden duurzame en milieuvriendelijke bouwmaterialen worden toegepast.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRQ.0809.BPLeoHendrik-ÜN01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

138

ORDITO OOOO

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

Dit hoofdstuk gaat in op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste ontwikkeling. Het bestemmingsplan kan worden gekarakteriseerd als een zogenaamde partiële herziening. In een dergelijke bestemmingsregeling ligt het accent vooral op het inpassen van een ontwikkeling in een groter bestemmingsplan. Dit plan heeft slechts een beperkt aantal bestemmingsregels en een eenvoudig kaartbeeld. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding met de daarbij horende planregels. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De verbeelding bestaat uit één kaartblad.

6.1

Verbeelding

Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.

6.2

Planregels

De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.

Inleidende regels, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel 'begrippen' waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is 'wijze van meten' waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten.

2.

Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard.

3.

Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming.

4.

Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

NL.IMRO.0809.BPLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

139

ORDITO OOOO

6.3 Toelichting op de bestemmingen Artikel 3 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden met daarbij behorende voorziening, inritten, speelvoorziening, water- en retentievoorzieningen, artistieke kunstwerken, nutsvoorzieningen en een hondenuitlaatplaats. Artikel 4 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, aan-huis-gebonden beroepen, tuinen, erven en verhardingen. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeren', parkeervoorzieningen ten dienste van de bestemming met de daarbij behorende ontsluiting. Er mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht binnen het bouwvlak. Daarbij is de bebouwingstypologie op de verbeelding aangeduid, waarbij een onderscheid is gemaakt in aaneengebouwde- en gestapelde woningen. Tevens is het maximum aantal woningen middels een aanduiding vastgelegd. In de regels zijn tevens regels voor bijgebouw en overkappingen, bouwen buiten bouwvlak en aanduidingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde gesteld. Artikel 5 Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.

NL.IMRO.0809.BPLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

OOOO

140

ORDITO OOOO

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een particulier initiatief. Voornemend is dat een overeenkomst wordt opgesteld tussen de initiatiefnemer en de gemeente ten behoeve van de kosten. Hiermee wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het planvoornemen is in samenwerking met een klankbordgroep vormgegeven. Voor de locatie zijn meerdere bijeenkomsten georganiseerd voor de bewoners/omwonenden. Daarbij is uitgebreid gecommuniceerd tussen de initiatiefnemer en de betrokkenen. De verslaglegging van deze gespreken zijn als bijlagen bij de toelichting opgenomen. De procedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb wordt voor dit bestemmingsplan gevolgd.

Inspraak en vooroverleg Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan "LeoHendrik" heeft op grond van de Inspraakverordening gemeente Loon op Zand heeft van donderdag 28 september 2023 tot en met woensdag 8 november 2023 voor iedereen ter inzage gelegen. Ook was het voorontwerpbestemmingsplan te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl en www.loonopzand.nl. Tijdens de termijn van terinzageglegging zijn 13 inspraakreacties ingediend. De ontvangen inspraakreacties zijn samengevat en van een reactie voorzien. Het inspraakverslag is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Enkele reacties hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Vooroverleg Over het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg gevoerd met diverse (overheids)organisaties. Dit overleg vond plaats met de provincie Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta, Brandweer Midden- en West Brabant, Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, TenneT, Petrochemical Pipeline Services B.V. Het verslag hiervan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

Ontwerpfase en vaststelling Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Na de termijn van terinzagelegging beslist de gemeenteraad omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

NĽ.IMRO.Q8Ü9.BPĽeoHendrik-ONÜ1

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo ORDITO OOOO

REGELS

oooo

ORDITO OOOO

|1

1 Inleidende regels

2

Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten

2 5

2 Bestemmingsregels

6

Artikel 3 Groen Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde - Archeologie

6 7 11

3 Algemene regels

14

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene gebruiksregels Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

14 15 16

4 Overgangs- en slotregels

17

Artikel 9 Overgangsrecht Artikel 10 Slotregel

17 18

NLIMRQ.0809.bpLeoHenclnk-QN01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO

12

1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan 'LeoHendrik' met identificatienummer NL.IMRO.0809.bpLeoHendrikON01 van de gemeente Loon op Zand.

1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.3 aan huis gebonden bedrijf: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten gericht op consumentverzorging c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk en waarvan de omvang in de activiteiten zodanig is dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend.

1.4 aan huis gebonden beroep: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 aangebouwd bijgebouw: een aan een hoofdgebouw gebouwd bijgebouw, dat een functionele eenheid vormt met het hoofdgebouw, maar dat in bouwkundig opzicht (afmetingen) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.9 bebouwingspercentage: het oppervlak dat maximaal mag worden bebouwd met bouwwerken, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.

1.10 Bed and Breakfast het aanbieden van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen bestaande woongebouwen gericht op kortdurend verblijf.

1.11 bestaand: aanwezig op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.12 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak.

1.13 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.14 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.15 bouwgrens: de grens van een bouwvlak.

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO

|3

1.16 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.17 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel.

1.18 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.19 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.20 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel moet ook verstaan worden commerciële dienstverlening zoals kapperszaken, schoenmakers en vergelijkbare bedrijven.

1.21 dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder tevens belwinkel en internetcafé.

1.22 erker: een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een woonhuis, bouwkundig bestaande uit een 'lichte' constructie met een overwegende transparante uitstraling en van beperkte omvang.

1.23 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.24 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn ligging, constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en dat geen bijgebouw is.

1.25 hoofd(woon)verblijf: de verblijfplaats die het centrum is van het sociale en maatschappelijke leven van een persoon, een huishouden of een daarmee gelijk te stellen groep personen.

1.26 huishouden: één of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling van de personen en van onderlinge verbondenheid.

1.27 luifel: een overstekend deel van een dak of gootconstructie of een overkapping direct verbonden aan een gebouw waarbij het overstekende deel dieper is dan 0,50 m.

1.28 nutsvoorziening: een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen, bluswatervoorzieningen en zendmasten.

1.29 overkapping: een dakconstructie in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

1.30 overstek: een overstekend deel van een dak of gootconstructie, waarbij het overstekende deel niet dieper mag zijn dan 0,50 m.

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO

|4

1.31 peil: 1. 2.

voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

1.32 permanente bewoning: het gebruik van een recreatieverblijf dat afwijkt van het gebruik als recreatief nachtverblijf.

1.33 recreatief nachtverblijf: nachtverblijf voor recreatieve doeleinden buiten het hoofd (woon)verblijf, waarbij minimaal één overnachting wordt gemaakt en maximaal 4 maanden aaneengesloten of ten minste gedurende zes maanden 2/3 van die periode overnachtingen worden gemaakt.

1.34 seksinrichting: een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin bedrijfsmatig handelingen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder worden tevens begrepen: ^ ^ ^

^

een seksbioscoop: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin filmvoorstellingen van erotische en/of pornografische aard worden gegeven; een sekstheater: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin vertoningen van erotische en/of pornografische aard worden gegeven; een seksautomatenhal: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen en liveshows van erotische en/of pornografische aard worden gegeven; een sekswinkel: een ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van seksartikelen.

1.35 voorgevellijn: een denkbeeldige lijn ter plaatse van de voorgevel en het verlengde daarvan.

1.36 vrijstaand bijgebouw: een van de woning (en haar aangebouwde bijgebouwen) vrijstaand bijgebouw, dat niet direct ten dienste staat van de woonfunctie, zoals een garage, berging, hobbyruimte en dat zowel wat betreft afmetingen als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.37 weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

1.38 woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden.

1.39 woonhuis: een gebouw dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

1.40 wonen: het bewonen van een woning door niet meer dan één huishouden.

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO

|5

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand tot de (achter/zijdelingse) perceelsgrens: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (achter/zijdelingse) perceelgrens.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 breedte van een bouwwerk: tussen de buitenzijde van beide zijgevels en/of harten van scheidingsmuren gezien vanaf de voorgevel of het verlengde daarvan.

2.4 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 diepte overstek of luifel: de horizontale lijn gemeten vanaf de buitenzijde van de gevel tot het verste punt van het overstek of de luifel. 2.6 (horizontale) diepte van een gebouw: de buitenwaartse lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel, waarbij gemeten wordt met de buitenwerkse gevelvlakken. 2.7goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.8 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.9 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO

|6

2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Groen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h.

groenvoorzieningen; voet- en fietspaden met daarbij behorende voorzieningen; inritten; speelvoorzieningen; water- en retentievoorzieningen; artistieke kunstwerken; nutsvoorzieningen; hondenuitlaatplaats.

3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Er mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht. 3.2.2 Nutsvoorzieningen Voor het bouwen van gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a. b.

de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; de oppervlakte per gebouw mag niet meer bedragen dan 15 m2.

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.

de bouwhoogte verlichtingsarmaturen mag niet meer bedragen dan 10 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde een overkapping, mag niet meer bedragen dan 2 m; overkappingen zijn niet toegestaan.

3.3 Specifieke gebruiksregels Onder gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval het (laten) gebruiken van gronden ten dienste van parkeren.

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO

|7

Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

wonen; aan-huis-gebonden beroepen; tuinen, erven en verhardingen; ter plaatse van de aanduiding 'parkeren', parkeervoorzieningen ten dienste van de bestemming met de daarbij behorende ontsluiting.

4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende algemene regels: er mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht; a.

hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd overeenkomstig de bouwwijze, zoals hieronder en binnen het bouwvlak is aangegeven ter plaatse van de aanduiding:

Aanduiding aaneengebouwd gestapeld

Bouwwijze aaneengebouwde woningen gestapelde woningen

4.2.2 Bouwvlak Op de gronden die zijn aangeduid als bouwvlak gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels: a. b. c. d.

binnen het bouwvlak zijn gebouwen en daarbij behorende bouwwerken toegestaan; het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal; de goot- en bouwhoogte van gebouwen bedragen maximaal de hoogtes die ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' zijn aangegeven; hoofdgebouwen mogen voorzien zijn van een kap, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan 65°.

4.2.3 Bijgebouwen en overkappingen Bij een woning mogen bijgebouwen en overkappingen worden gerealiseerd. Hiervoor gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f. g.

bijgebouwen en overkappingen mogen binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gerealiseerd; bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend achter de voorgevellijn van de woning worden gebouwd, waarbij de afstand niet minder mag bedragen dan 2 m; de goothoogte van een bijgebouw of overkapping mag niet meer bedragen dan 3 m; de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3,2 m; de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 4,5 m, mits het bijgebouw wordt afgedekt met een kap; de bouwhoogte van aangebouwde bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 4,5 m, mits deze architectonisch één geheel vormen met het hoofdgebouw; een aan de woning aangebouwd bijgebouw en overkapping mag de achtergrens van het bouwvlak en het verlengde daarvan met niet meer dan 4 m overschrijden;

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO h.

|8 de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag: 1. voor bouwpercelen die niet groter zijn dan 750 m2 niet meer bedragen dan 75 m2; 2. voor bouwpercelen die groter zijn dan 750 m2 en niet groter zijn dan 1.000 m2 niet meer bedragen dan 100 m2; 3. voor bouwpercelen die groter zijn dan 1.000 m2 en niet groter zijn dan 1.500 m2 niet meer bedragen dan 150 m2; 4. voor bouwpercelen die groter zijn dan 1.500 m2 niet meer bedragen dan 200 m2.

mits het betreffende bouwperceel voor niet meer dan 50% is bebouwd.

4.2.4 Buiten bouwvlak en aanduidingen Op de gronden buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag per woning maximaal één portiek of erker worden gebouwd. Hiervoor gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de afstand van portiek of de erker tot de bestemming 'Verkeer' mag niet minder bedragen dan 2 m; de oppervlakte van de portiek of erker mag niet meer bedragen dan 6 m2; de breedte van de portiek of de erker mag niet meer bedragen dan 60% van de breedte van de desbetreffende gevel van de woning met een maximum van 4 m; de bouwhoogte van de portiek of de erker mag niet meer bedragen dan 3,2 m.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.

c. d.

bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer mag bedragen dan 1 m; de bouwhoogte van hekwerken op een balkon of dakterras mag niet meer bedragen dan 1,2 m gemeten vanaf de bovenkant van de vloer van het balkon of dakterras; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde een overkapping, mag niet meer bedragen dan 4 m.

4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Levensloopbestendig bouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2 voor het realiseren van een afhankelijke woonruimte, bestaande uit een slaapkamer met natte cel op de begane grond (levensloopbestendig bouwen), mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a.

b. c. d.

e.

f. g. h.

aangetoond is, dat de toepassing van de in artikel 4.2 genoemde bouwmogelijkheden onvoldoende ruimte biedt om een extra slaapkamer en een natte cel op de begane grond te realiseren; het perceel wordt door maximaal één gezin bewoond; het oppervlak van deze voorziening mag niet meer bedragen dan 30 m2; het totaal van de aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen, voor zover gelegen binnen het deel van het bouwperceel ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', mag niet meer bedragen dan 85 m2; de bouw van de afhankelijke woonruimte mag niet tot gevolg hebben dat het deel van het bouwperceel ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' voor meer dan 50% wordt bebouwd; de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan 3 m respectievelijk 4 m; de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3,2 m; er vindt geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundige straatbeeld plaats;

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO i.

j.

|9 er ontstaat stedenbouwkundig en architectonisch een evenwichtig geheel met het op het perceel aanwezige hoofdgebouw en er wordt ook een evenwichtige afstemming gevonden ten opzichte van de zich op het perceel bevindende vrijstaande gebouwen; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet onevenredig worden aangetast, met dien verstande dat met name de bezonning van belendende percelen niet onevenredig wordt geschaad

4.3.2 Hogere bouwhoogte bijgebouwen ^et bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3 onder e, en een grotere bouwhoogte voor vrijstaande bijgebouwen toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d.

de oppervlakte van het bouwperceel dient ten minste 750 m2 te bedragen; de dakhelling mag niet meer bedragen dan 60^ de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; voor zover de bouwhoogte meer bedraagt dan 4,5 m, dient de afstand van het bijgebouw tot de perceelsgrens ten minste even groot te zijn als de overschrijding van de bouwhoogte van 4,5 m, vermeerder met 1 m.

4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Gebruik in strijd met deze bestemming Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval verstaan het gebruik van: a. b.

c.

gronden en bouwwerken voor nijverheid en dienstverlening, tenzij het betreft een aanhuis-gebonden beroep; gronden en bouwwerken voor detail- en andere handel, tenzij het betreft detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit ten behoeve van de uitoefening van een aan-huisgebonden beroep;; vrijstaande bijgebouwen voor permanente of tijdelijke bewoning; bij aangebouwde bijgebouwen is de woonfunctie wel toegestaan;

4.4.2 Aan-huis-gebonden beroepen De uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen is onder de volgende voorwaarden toegestaan: a.

b. c.

de omvang van activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing (zowel hoofdgebouw als bijgebouw) tot een maximum van 45 m2; het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door een bewoner van de woning;

4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Aan-huis-gebonden bedrijven Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1, ten behoeve van de uitoefening van aan-huis-gebonden bedrijven binnen gebouwen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het woonkarakter van de omgeving; er wordt, gelet op de omvang, ligging en wijze van uitoefening, geen onevenredige afbreuk gedaan aan het milieu van de omgeving; de vloeroppervlakte die ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in gebruik is, bedraagt niet meer dan 25 m2; er zijn daarvoor geen extra verkeersmaatregelen en parkeervoorzieningen op of aan de openbare weg nodig;

NL.IMRO.Q8Ü9.bpLeoHendrik-ONÜ1

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO e.

110

er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van de aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten.

4.5.2 Afwijking Bed and Breakfast Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 voor het vestigen van een Bed and Breakfast, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a.

een Bed and Breakfast is toegestaan binnen de eigen woning en/of (vrijstaande) bijgebouwen mits de hoofdfunctie, te weten 'wonen', gehandhaafd blijft; b. de initiatiefnemer van de toeristisch-recreatieve overnachtingsmogelijkheid dient zelf de hoofdbewoner van de woning te zijn; c. de verblijfsruimte moet voldoen aan de bepalingen van de bouwverordening en het Bouwbesluit; d. het is niet toegestaan dat een Bed and Breakfast alcoholhoudende drank tegen betaling verstrekt; e. de voorziening ten behoeve van Bed and Breakfast dient binnen de bestaande bebouwing te worden gerealiseerd. Nieuwbouw ten behoeve van verblijfsrecreatie is uitgesloten; f. de voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent ook dat een aparte kookgelegenheid niet is toegestaan; g. maximaal twee slaapkamers van een woning mogen gebruikt worden ten behoeve van Bed and Breakfast, met dien verstande dat er minimaal één slaapkamer beschikbaar blijft voor de bewoner(s) van de woning; h. het maximum aantal bedden/slaapplaatsen op een slaapkamer van ten hoogste 15 m2 bedraagt 3; i. het maximum aantal bedden/slaapplaatsen op een slaapkamer groter dan 15 m2 bedraagt 4; j. het maximum aantal gasten dat gelijktijdig gebruik mag maken van de Bed and Breakfast is gesteld op 5; k.

ter voorkoming van permanente bewoning wordt een maximumverblijfsduur gehanteerd van één week; l. de activiteiten moeten infrastructureel goed inpasbaar zijn en geen aanmerkelijke toename van de verkeersbelasting tot gevolg hebben; m. de extra parkeerdruk die voortkomt uit het toegevoegde gebruik dient opgevangen te worden op eigen terrein. Dit mag er dus niet toe leiden dat de initiatiefnemer zelf niet meer op eigen terrein kan parkeren. Alleen binnen de (verkeerskundige) bebouwde kom kan van het bovenstaande in sommige gevallen worden afgeweken. Hier dient rekening gehouden te worden met de gegevens met betrekking tot de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen in de gemeente Loon op Zand; n. controle op het verblijf vindt plaats door middel van een nachtregister dat de gemeente kan opvragen bij de initiatiefnemer; o. gasten zijn toeristenbelasting verschuldigd.

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO OOOO

111

Artikel 5 Waarde - Archeologie 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. 5.2 Bouwregels Uitsluitend mogen bouwwerken worden opgericht ten dienste van de in artikel 5.1 omschreven bestemming, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits: a.

b. c. d.

het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 100 m2; of voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld.

5.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudensen beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. 5.4 Afwijken van de bouwregels 5.4.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5.2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een afwijking in ieder geval de volgende regels worden verbonden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; of de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

5.4.2 Verplichting rapportage De afwijking als bedoeld in artikel 5.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 5.4.3 Advies archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslissen over een ontheffing als bedoeld in artikel 5.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een ontheffing geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

NL.IMRO.0809.bpLeoHendrik-ON01

bestemmingsplan LeoHendrik

oooo

ORDITO

112

OOOO 5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.5.1 Algemeen Het is verboden, zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden op of in de als 'Waarde - Archeologie' bestemde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. b. c. d. e. f.

het ophogen van de bodem; het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter onder peil waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.

5.5.2 Uitzonderingen Het onder artikel 5.5.1 vervatte verbod geldt niet: a. b. c. d.

e. f.

voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld; voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van 100 m2; voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangwerkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van gingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; voor zover het werkzaam het bestemmingsplan een aanlegvergunning in dit kader is verleend; voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 5.4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=22d07ad9-24cd-4f65-85e5-a4317d7c29c6