CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

21-02-2022 Bijlage 1. Toelichting en regels met bijlage bestemmingsplan 'Park Vossenberg Kaatsheuvel'.pdf

Raadsvergadering 21 februari 2022, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over vaststelling van het bestemmingsplan 'Park Vossenberg Kaatsheuvel'26.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

15469947 15472014

NO2 μg/m3 15.4 17.8 40

PM10 μg/m3 18.1 19.4 40

PM10 overschrijdingsdagen 6.3 7.2 35

PM2.5 μg/m3 11.3 12.2 25

Jaar 2020 2020

Figuur 4.3: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO 2 en PM10 respectievelijk 18,2 µg/m3 en 19,5 µg/m3. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat

Hoofdstuk 4

28

de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook voor het prognosejaar 2030 zal worden voldaan aan de grenswaarden. 4.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Hoofdstuk 4

29

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. 4.4.2 Onderzoek De appartementen en ontmoetingsruimten, die met het plan mogelijk worden gemaakt, worden op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangemerkt als kwetsbare objecten. Er is binnen het plangebied sprake van verminderd zelfredzame personen. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen met daarin weergegeven het plangebied.

Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart met aanduiding van het plangebied

Risicovolle inrichtingen Volgens de Risicokaart zijn er in het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zouden kunnen zijn op de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Buisleidingen Op een afstand van circa 450 meter van het plangebied loopt een buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de

Hoofdstuk 4

30

leiding. Het plangebied is ook niet gelegen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van deze leiding. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Transportroutes gevaarlijke stoffen Vanwege toxische scenario’s ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van Rijksweg A59. Om die reden is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Gezien de afstand tot de A59 kan hiervoor gebruik worden gemaakt van het standaardadvies van de Veiligheidsregio. Dit document is opgenomen als bijlage. 4.4.1 Conclusie Voor wat betreft externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.5 Bodem 4.5.1 Algemeen Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 4.5.2 Onderzoek Verkennend (asbest in) bodemonderzoek Er is door Lankelma een verkennend (asbest in) bodemonderzoek 5 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Aan de westelijke achterzijde van de bebouwing op onderhavige onderzoekslocatie is een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen in de bovengrond. Middels aanvullende boringen en analyses is de sterke verontreiniging zowel horizontaal als verticaal afdoende afgeperkt. Uitgaande van een gemiddeld dieptetraject van één meter (0,0-1,0 m-mv) en een oppervlak van circa 105 m², wordt de omvang van de sterke verontreiniging geschat op circa 105 m³. Er is derhalve sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Daar de verontreiniging vermoedelijk vóór 1987 is ontstaan, is er geen sprake van de zorgplicht, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming. In de huidige situatie bestaat er geen saneringsnoodzaak.

Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren ter plaatse van de sterke verontreiniging met PAK, dient men rekening te houden met de volgende zaken:  vooraf aan de (graaf)werkzaamheden dient een zogenaamde BUS (=besluit uniforme sanering) melding verricht te worden. Deze dient ter akkoord te worden overlegd aan het bevoegd gezag  De sanering dient conform de richtlijnen BRL6001 en BRL7001 te worden uitgevoerd;  na afronding van de graafwerkzaamheden dient men een evaluatie te overleggen aan het bevoegd gezag;  Het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag. 5

Lankelma, Verkennend (asbest in) bodemonderzoek Antoniusstraat 1 te Kaatsheuvel, d.d. 27 september 2017

Hoofdstuk 4

31

Beoordeling Omgevingsdienst Met de in het rapport opgenomen conclusie en aanbevelingen kan de Omgevingsdienst instemmen onder voorbehoud van een nog uit te voeren onderzoek naar asbest in bodem op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie. Er is alleen onderzoek naar asbest in bodem op het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie uitgevoerd, terwijl op het noordelijke deel ook plaatselijk puin in de bodem aanwezig is (zie boring 19, 20 en 54). Indien dit onderzoek aantoont dat het gewogen gehalte asbest onder de restconcentratienorm blijft, is er geen belemmering voor een bestemmingswijziging. Het geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK is gesaneerd en het bevoegd gezag bodemsanering heeft ingestemd met de saneringsresultaten. In aanvulling op de conclusie van het rapport uit 2017 kan de Omgevingsdienst bevestigen dat de sanering in mei 2019 is uitgevoerd. Het bevoegd gezag bodemsanering heeft in de beschikking van 4 juni 2019 vastgesteld dat de bodem na de uitgevoerde sanering voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen als gedefinieerd in het Besluit bodemkwaliteit. Asbest in grond onderzoek Er is door Lankelma een verkennend asbest in grond onderzoek 6 uitgevoerd voor een deel van het plangebied ten oosten van de voormalige interim-huisvesting (is inmiddels verwijderd) achterop het terrein. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld.

Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Aan de hand van bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem met betrekking tot de parameter asbest vastgelegd. Resumerend kan worden gesteld dat er vanuit milieuhygiënische oogpunt gezien geen directe belemmeringen c.q. beperkingen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de onderzoekslocatie. Asbest in bodemonderzoek (bidlanen) Er is door Lankelma een asbest in bodemonderzoek7 uitgevoerd ter plaatse van de bidlanen, de zone van de boringen 19, 20 en 54 uit het verkennend onderzoek. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Middels het bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. 4.5.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

Wel dient er bij de aanvraag omgevingsvergunning rekening gehouden te worden met een aantal aandachtspunten (aanvullende gegevens van de sloop van de bebouwing en het onderzoek naar de bestrijdingsmiddelen ter plaatse van de volkstuinen).

6 7

Lankelma, Verkennend asbest in grond onderzoek Antoniusstraat 1 te Kaatsheuvel, d.d. 14 januari 2019 Lankelma, Asbest in bodemonderzoek Antoniusstraat 1 Kaatsheuvel, d.d. 12 februari 2020

Hoofdstuk 4

32

4.6 Water 4.6.1 Algemeen Sinds 1 november 2003 is het in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. 4.6.2

Onderzoek

Er is door Econsultancy een watertoets 8 opgesteld voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Waterrelevant beleid De planlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Brabantse Delta en de gemeente Loon op Zand. Waterschap Brabantse Delta De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model met bijbehorende algemene regels en beleidsregels een sterk gedereguleerde keur opgesteld. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. In de keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De waterschappen hebben bij de keurregels enkele hydrologische uitgangspunten opgesteld voor het afvoeren van hemelwater. Dit verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:    

Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; De toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; De toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.

Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:  

De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

Bij ontwikkelingen, waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist. 8

Econsultancy, Watertoets Anthoniusstraat 1 te Kaatsheuvel, d.d. 20 mei 2019

Hoofdstuk 4

33

Gemeente Loon op Zand Het waterbeleid van de gemeente Loon op Zand is opgenomen in het Water- en Rioleringsplan 20172020. Ten aanzien van ontwikkelingen geldt als uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en dat percelen maximaal 65% verhard mogen zijn. Hierbij dient het hemelwater zoveel mogelijk lokaal en bovengronds te worden verwerkt. Voor de dimensionering van infiltratie/bergingsvoorzieningen met afvoer naar de bodem en/of riolering hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: Bij een toename van 500 m² tot 10.000 m² hanteert de gemeente de volgende retentiecapaciteit: (toename verhard oppervlak m² x gevoeligheidsfactor x 0,06). Bij ontwikkelingen waarbij de toename > 10.000 m² bedraagt dient middels een waterhuishoudkundig plan de wijze van hemelwaterverwerking te worden onderbouwd. De richtlijnen hiervoor zijn omschreven in de Hydrologische uitgangspunten van het waterschap. Bij grote gebiedsontwikkelingen bekijken gemeente en waterschap samen met de initiatiefnemer of er kansen zijn om gelijktijdig met de invulling van de wateropgave de kwaliteit en/of belevingswaarde van de leefomgeving te vergroten. Dat kan bijvoorbeeld door vergroening, verdrogingsbestrijding en recreatie. Beoogde ontwikkeling De planlocatie is gedeeltelijk bebouwd met een verzorgingstehuis. Achter het verzorgingstehuis is een park gelegen.

Het terrein is gedeeltelijk verhard met klinkers en tegels. Het overige terrein is braakliggend dan wel ingericht als plantsoen. De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen. Het plan omvat het slopen van het bestaande zorgcentrum, de bouw van nieuwe verpleeghuisappartementen en reguliere appartementen, de verbouwing van de monumentale kapel tot een ontmoetingsruimte en de herinrichting van het achterterrein tot een park met een vijver, dierenweide, moestuin en het realiseren van een kapschuur met daarin dagbesteding voor ouderen. Op basis van het toekomstig af te koppelen verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal circa 860 m³ (14.300 m² x 0,06). In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Door de initiatiefnemer is aangegeven dat als onderdeel van het toekomstig plan een visvijver zal worden gerealiseerd.

Bij de dimensionering van de vijver is ervan uitgegaan dat de verharding van het fietspad (900 m²) vrij afwatert naar de naastgelegen bermen. De verhardingen van de parkeerplaatsen en de ontsluitingen zullen afzonderlijk van de vijver worden geborgen. Dit om de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk te waarborgen. In de vijver dient derhalve 445 m³ (7.400 m² x 0,06 m) geborgen te worden. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat het peil in de vijver wordt gekenmerkt door een natuurlijke fluctuatie kan, uitgaande van een GHG van 2,5 m +NAP en een drooglegging van circa 1 meter, het peil in de vijver 1 meter stijgen. Uitgaande van een peilstijging van maximaal 1 meter en een talud van 1 op 3 is een oppervlak van circa 600 m² benodigd om de totale wateropgave te kunnen bergen. In de concept situatietekening is een oppervlak ingetekend van circa 1.050 m². Ten aanzien van de toekomstige parkeerplaatsen en ontsluitingen dient derhalve nog 360 m³ (6.000 m² x 0,06 m) geborgen te worden. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels een wadi. Wanneer de wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,5 meter en een talud van 1 op 3 is, uitgaande van een volledige vulling, circa 900 m² benodigd om de volledige wateropgave te kunnen bergen. Ter plaatse van locatie is vol-

Hoofdstuk 4

34

doende ruimte aanwezig om deze wateropgave te kunnen bergen en de wadi landschappelijk in te passen. Hemelwater wordt, indien mogelijk, zoveel mogelijk zichtbaar afgevoerd richting de wadi. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. 4.6.3

Conclusie

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Om te verzekeren dat er voldoende waterberging wordt gerealiseerd is in de regels een voorwaardelijke verplichting voor waterberging opgenomen, waarbij voldaan moet worden aan de eisen van het waterschap en voorzien moet worden in een waterberging met voldoende capaciteit. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Voor het plan is reeds een watervergunning verleend (besluitnummer 266040 d.d. 2 maart 2020) waarin de benodigde retentie is vergund.

4.7 Flora en fauna 4.7.1 Algemeen De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 4.7.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Er is door Blom Ecologie een Quickscan flora en fauna9 opgesteld voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wnb voor.

De te slopen bebouwing heeft, behoudens mogelijk voor vleermuizen, geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit 9

Blom Ecologie, Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Antoniusstraat 1 te Kaatsheuvel, d.d. 1 april 2019

Hoofdstuk 4

35

van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wnb.

Figuur 4.5 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van de vleermuis) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels een aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuis. Indien er sprake is van vaste rust- en verblijfplaatsen dient er een ontheffing aangevraagd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met het ontstaan van potentieel leefgebied en daarmee met de kans op vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit).

Hoofdstuk 4

36

Conclusie Het saneren van de bestaande bebouwing aan Antoniusstraat 1 te Kaatsheuvel, is na uitvoering van aanvullend onderzoek en eventuele ontheffing uitvoerbaar, zoals is bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen  Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (zorgplicht).  Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.  Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.  Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van verblijflocaties binnen het plangebied. Het aanvullende onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de richtlijnen uit het vleermuisprotocol met vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 1 oktober.

Bij uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en dient hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en dienen de werkzaamheden in de periode apriloktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd te worden (buiten schemerperiodes).  De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundige gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Uitspraak Raad van State n.a.v. PAS In de quickscan geeft de ecoloog aan dat bij dergelijke projecten mede gelet op de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden de stikstofemissie onder de 0,05 mol/ha/jaar blijft. Echter dient n.a.v. de Raad van State uitspraak van 29 mei 2019 beoordeling bij stikstofemissies op Natura 2000gebieden nu conform artikel 6 van de Habitatrichtlijn te gebeuren. Dit betekent dat een project qua stikstofemissie 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden mag bijdragen.

Om deze reden is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie verderop in deze paragraaf). Vleermuisonderzoek Er is door Blom Ecologie een Vleermuisonderzoek10 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Vleermuizen In de periode april – september 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het hoofdgebouw (het oude zorgcentrum) aan de Antoniusstraat 1 te Kaatsheuvel. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het vleermuisprotocol (NGB, 2017). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het hoofdgebouw fungeert als verblijfplaats van gewone dwergvleermuizen. Tijdens het onderzoek zijn 2 zomer- /paarverblijfplaatsen, 1 kraamverblijfplaats en 1 winterverblijfplaats vastgesteld. De planlocatie wordt verder gebruikt als foerageergebied door de soort. De beoogde sloop en nieuwbouw leidt inzake vleermuizen tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb art 3.5, lid 2 (opzettelijke verstoring) en lid 4 (vernietiging verblijfplaats).

10

Blom Ecologie, Vleermuisonderzoek Antoniusstraat 1 te Kaatsheuvel, d.d. 9 november 2019

Hoofdstuk 4

37

Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten van en/of verblijflocaties van andere soorten als bijvoorbeeld kauw, spreeuw of houtduif op de planlocatie. Er zijn geen nesten van voornoemde soorten gedefinieerd binnen en rondom het plangebied. Vervolgstappen Voor de uitvoering van een deel van de werkzaamheden is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wnb (artikelen die overtreden worden). Conform kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017a,c) wordt aanbevolen om de navolgende aspecten te onderbouwen. Deze aspecten maken integraal onderdeel uit van het projectplan ten behoeve van de ontheffingsaanvraag. 1) Er is sprake van een wettelijk belang (art. 3.8, lid 5b). 2) Bepaal waarborging van gunstige staat van instandhouding (Wnb, art. 3.8, lid 5c). 3) Onderbouw de meest bevredigende oplossing (alternatieven afweging) (Wnb, art. 3.8, lid 5a). 4) Bepaal mitigerende en compenserende maatregelen (Wnb, art. 3.8, lid 5c). Ontheffingsaanvraag Tijdens de onderzoeken is een viertal verblijfplaatsen aangetroffen betreffende twee paar/zomerverblijfplaatsen, 1 kraamverblijf en 1 winterverblijfplaats. Alle paar-, zomer- en kraamverblijfplaatsen dienen zowel tijdelijk als permanent gecompenseerd te worden.

De winterverblijfplaatsen dienen per direct permanent gecompenseerd te worden. Hiervoor is een ontheffingsaanvraag met te treffen maatregelen voor compensatie verblijfplaatsen ingediend. Boom Effect Analyse Bidlaan Er is door Pius Floris een Boom effect analyse 11 opgesteld voor de aanleg van de bouwweg nabij de bidlaan. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De bouwweg bevindt zich buiten de bewortelde zone. Realisatie van de bouwweg heeft geen negatieve invloeden op de groeiplaats van de bomen. Aanleg van de aansluiting bij de Belgiëstraat is een aandachtspunt. Geadviseerd wordt de bouwweg op minimaal 12 meter afstand van de stam van zilveresdoorn (51) en plataan (52) te realiseren. Dit om beschadigingen van het wortelgestel te voorkomen. AERIUS-berekening Vanwege de ligging nabij Natura-2000 gebieden is er door BRO een AERIUS-berekening12 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied.

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Langstraat’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’, bevinden zich op respectievelijk 1,5 kilometer afstand ten noorden van het plangebied en 2,3 kilometer ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de herontwikkeling van de Vossenberg betreft kan echter een significante toename aan stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden redelijkerwijs niet worden uitgesloten.

11 12

Pius Floris, Boom effect analyse aanleg bouwweg nabij “Bidlaan” Park Vossenberg Kaatsheuvel, d.d. 15 maart 2019 BRO, Notitie AERIUS-berekening De Vossenberg Kaatsheuvel, d.d. 5 juli 2021

Hoofdstuk 4

38

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waardoor het makkelijker is een vergunning te krijgen voor de bouw van initiatieven waarbij in de gebruiksfase weinig stikstofuitstoot plaatsvindt. Op basis hiervan, en in overleg met de gemeente Loon op Zand is de stikstofdepositieberekening enkel uitgevoerd voor de gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. 4.7.3

Conclusie

De conclusies en adviezen uit de quickscan en het aanvullend onderzoek zijn geïntegreerd in het ruimtelijk plan en de adviezen worden in acht genomen. Indien de ontheffing verleend wordt en de nadere mitigerende maatregelen zijn uitgevoerd bestaat er vanuit het aspect flora en fauna geen belemmering.

4.8 Cultuurhistorie 4.8.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.8.2 Onderzoek De kapel (kerk), de begraafplaats en de bidlanen (pad met monumentale bomen) binnen het plangebied zijn op 13 april 1999 aangewezen als gemeentelijk monument. De éénbeukige kerk aan de Antoniusstraat is gebouwd in 1934 met invloeden van de architectuur van Dom Bellot.

De kerk toont invloeden van de Amsterdamse School. Aan de kerk zijn aan de achterzijde diverse aanbouwen gebouwd. Deze zijn inmiddels gesloopt. Tussen de kapel en de begraafplaats bevinden zich, aan de zijden van een open terrein, twee niet geplaveide bidlanen die omzoomd worden door bomen. De twee bidlanen grenzen aan de noordzijde aan de begraafplaats. Bij de uitwerking van de plannen voor Park Vossenberg is rekening gehouden met cultuurhistorische elementen. In de regels en verbeelding van voorliggend bestemmingsplan zijn de kapel, bidlanen Hoofdstuk 4

39

(door middel van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’) en de begraafplaats aangeduid. Ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ zijn werken en werkzaamheden verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. In de grondexploitatieovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt aandacht besteed aan de gemeentelijke monumenten in Park Vossenberg. 4.8.3

Conclusie

Concluderend kan gesteld worden dat cultuurhistorie bij deze ontwikkeling een rol speelt en dat bij de uitwerking van het plan rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorie.

4.9 Archeologie 4.9.1 Algemeen De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving, gaan naar de Omgevingswet. Deze wet wordt naar verwachting in 2022 van kracht. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Gemeenten moeten rekening houden met archeologie bij nieuwe bestemmingsplannen. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.9.2 Onderzoek Bureau- en inventariserend veldonderzoek Er is door BAAC een bureau- en inventariserend veldonderzoek 13 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

Op basis van het bureauonderzoek wordt aan de voormalige achterkade, de huidige Antoniusstraat, een hoge verwachting toegekend op het aantreffen van vindplaatsen uit de nieuwe tijd. Of sporen uit de steentijd tot en met de middeleeuwen binnen het plangebied aanwezig zijn, is afhankelijk van het tijdstip van de veenontwikkeling. Wanneer dit al gedurende het laat-neolithicum begonnen is, worden geen sporen verwacht uit de metaaltijden en Romeinse tijd. Ook worden, met uitzondering van het meest zuidelijke deel (de voormalige achterkade), geen sporen van bebouwing uit de middeleeuwen/nieuwe tijd verwacht. Wel kunnen sporen aanwezig zijn die gerelateerd kunnen worden 13

BAAC, Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Plangebied Antoniusstraat 1 te Kaatsheuvel, d.d. augustus 2018 Hoofdstuk 4

40

aan de middeleeuwse ontginning van het gebied (volle en late middeleeuwen). Onder de huidige bebouwing kan het bodemarchief door de bouwactiviteiten al deels zijn aangetast. Uit de boringen, die tot in de Pleistocene ondergrond zijn gezet, blijkt dat in het zuidelijke en meer centrale deel de bodem tot meer dan een meter diepte uit geroerde grond bestaat. Na bestudering van de hoogtes van de top van Pleistocene ondergrond lijkt deze grond (deels) opgebracht te zijn. In het lager gelegen noordelijke deel van het plangebied bestaat de grond uit 25 à 40 cm dikke bouwvoor (Ap-horizont), die met een scherpe grens overgaat in de C-horizont of via een 5 tot 20 cm dikke laag, waarin de top van de C-horizont met de A-horizont, is verploegd. Tevens zijn in een aantal boringen verspreid over het plangebied (begraven) enkeerdgronden aangetroffen en in één boring een podzolgrond. De ondergrond bestaat uit dekzand en fluvioperiglaciale afzettingen. Op historisch kaartmateriaal is zichtbaar dat de achterkade bebouwd is, maar direct ten noorden van de bebouwing is bouwland gesitueerd. Gezien de hoogteligging ten opzichte van NAP is het zeer goed mogelijk dat de zone, waarvan de Pleistocene ondergrond hoger dan 3 m +NAP ligt, ook bebouwd is geweest.

De veengroei zal hier relatief laat (na de ijzertijd) of niet op gang zijn gekomen, waarmee de verwachting op het aantreffen van archeologische resten in dit deel van het plangebied conform de voor het veldonderzoek opgestelde archeologische verwachting middelhoog tot hoog blijft. In het zuidelijke deel van het plangebied is op de overgang tussen geroerde grond en de Pleistocene ondergrond wat zacht baksteen of verbrande leem gevonden, wat kan duiden op een vindplaats. Vanwege de middelhoge tot hoge trefkans op archeologische resten en sporen in delen van het plangebied wordt een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven wenselijk geacht. Hierbij dient wel rekenen te worden gehouden met het inrichtingsplan. Selectiebesluit archeologie In het Selectiebesluit archeologie (17 januari 2018) geeft de gemeente Loon op Zand aan dat ingestemd kan worden met de inhoud en de conclusies van het rapport en stelt de gemeente conform het advies van BAAC eerst nog een proefsleuvenonderzoek verplicht. Proefsleuvenonderzoek Vervolgens is er door BAAC een Proefsleuvenonderzoek14 uitgevoerd voor het plangebied op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Tijdens het veldonderzoek zijn op het terrein zijn naast grootschalige verstoringen ook greppels aangetroffen.

De greppels betreffen perceelsgrenzen, waarvan de oriëntatie en ligging overeenkomt met perceelsgrenzen op de historische kaarten van 1832 en 1900. Als gekeken wordt naar de waarderingstabel van de vindplaats uit de nieuwe tijd dan bestaat er geen aanleiding om deze vindplaats te behouden. Het advies van BAAC is dan ook om het onderzoeksgebied vrij te geven voor toekomstige werkzaamheden. Selectiebesluit archeologie In het Selectiebesluit archeologie (13 februari 2020) geeft de gemeente Loon op Zand aan dat ingestemd kan worden met de inhoud en strekking van het rapport. De gemeente neemt het advies van BAAC over om binnen de AMZ-cyclus geen vervolgonderzoek noodzakelijk te achten en het onderzoeksgebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden.

Hoofdstuk 4

41

4.9.3

Conclusie

Voor wat betreft archeologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in gebieden die zijn vrijgegeven of waarvoor geen vervolgonderzoek is aanbevolen. Ten aanzien van het mogelijk alsnog kunnen voorkomen van dergelijke ‘toevalsvondsten’ geldt dat men bij graafwerkzaamheden te allen tijde alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van dergelijke waarden dient men hiervan direct melding te doen bij de gemeente conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Algemeen Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (CROW publicatie 381). Qua uitgangspunten wordt wat betreft de gemeente Loon op Zand uitgegaan van een stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’15. Wat betreft de stedelijke zone wordt uitgegaan van ‘rest bebouwde kom’. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie in de CROW-publicatie een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt het gemiddelde gehanteerd. Verkeersgeneratie Bestaande situatie: Functie Bewonerskamers (zorgcentrum en interim huisvesting) Toekomstige situatie: Functie Verpleegappartementen Aanleunappartementen sociaal Vrije sector appartementen Volkstuinen

Aantal eenheden 149

Type conform CROW

Verkeersgeneratie

Aanleunwoning/serviceflat

365

Aantal eenheden 89 67

Type conform CROW

Verkeersgeneratie

Aanleunwoning/serviceflat Aanleunwoning/serviceflat

218 164

12 30

Huur, etage, duur Volkstuinen

67 3 452

Figuur 4.6 Verkeersgeneratie berekening

Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan een toename aan verkeer genereren van circa 87 extra voertuigbewegingen per gemiddelde weekdag.

14 15

BAAC, Proefsleuvenonderzoek Gemeente Loon op Zand, Kaatsheuvel, Plangebied Park Vossenberg, d.d. juni 2020 Conform de beleidsnota “Uitwerking Parkeerbeleid Loon op Zand”

Hoofdstuk 4

42

Ontsluiting Ten behoeve van de herontwikkeling van Park Vossenberg worden ten oosten en ten westen van de beoogde bebouwing twee parkeervoorzieningen aangelegd. Ter plaatse van de twee parkeervoorzieningen zijn twee in-/uitritten op de Antoniusstraat voorzien, zoals in de bestaande situatie ook het geval is. De ontsluiting vindt dus plaats via de Antoniusstraat. Als de ‘nieuwe’ verplaatsingen worden toegedeeld aan de Antoniusstraat, wordt verwacht dat deze weg dit extra verkeer goed kan verwerken. Verkeerskundig is een aansluiting voor gemotoriseerd verkeer vanaf Park Vossenberg op de Belgiëstraat of een andere uitgang op het bedrijvenpark ongewenst. Het openbare fietspad over het terrein wordt voortgezet in noordelijke richting en verbindt het bedrijventerrein (en Sprang Capelle) met het centrum van Kaatsheuvel. 4.10.2 Parkeren Het uitgangspunt is dat de parkeereis voor het parkeren van auto’s op eigen terrein wordt gerealiseerd. Het bezoekersaandeel van de parkeereis van auto’s voor woningen dient openbaar toegankelijk te zijn. In onderstaand overzicht staat de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen, verdeeld over bewoners/personeel en bezoek, rekening houdend met het aanwezigheidspercentage. Het maximale benodigd aantal parkeerplaatsen bedraagt 146. De werkdag avond is hierin maatgevend.

Figuur 4.7: Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen op basis van programma, rekening houdend met het aanwezigheidspercentage

Conform het Parkeerbeleidsplan mag er in de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen rekening worden gehouden met het aanwezigheidspercentage. In onderstaande tabel staat het aanwezigheidspercentage voor de verschillende programmadelen.

Figuur 4.8: Aanwezigheidspercentages voor de verschillende programmadelen

Hoofdstuk 4

43

Toelichting op gehanteerde gegevens  Verpleegstudio’s: parkeernorm volgens Parkeervisie gemeente Loon op Zand. Aanwezigheidspercentage personeel en bezoek conform Parkeervisie gemeente Loon op Zand. (In werkelijkheid is de personeelsbezetting in de avond en in het weekend maximaal 50%).  Aanleunappartementen: parkeernorm en gelijktijdigheid volgens CROW.  Zorgappartementen vrije sector: parkeernorm volgens Parkeervisie gemeente Loon op Zand voor woningen met een gebruiksoppervlak van 50-75 m² en 75-90 m². Aanwezigheidspercentage conform Parkeervisie gemeente Loon op Zand.  Volkstuinen: parkeernorm en aanwezigheidspercentage conform CROW.  Dagopvang voor ouderen: parkeernorm en aanwezigheidspercentage conform CROW functie dagopvang voor kinderen. De ouderen, die op de dagopvang komen, worden net als kinderen door anderen naar de dagopvang gebracht. Personeelsbezetting op de groepen bij dagopvang voor ouderen komt overeen met die van dagopvang voor kinderen. 

Kapel: vooral bestemd voor bewoners van Park Vossenberg en het bezoek van de bewoners. Voor deze doelgroepen zijn al parkeerplaatsen opgenomen. Voor het representatieve gebruik van de kapel is gekeken naar het aantal plekken in de kapel. Hiervan is het grootste deel bestemd voor bewoners van Park Vossenberg en hun bezoek. Het overige deel is bestemd voor commerciële bezoekers.

Figuur 4.9: Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen kapel

Hoofdstuk 4

44

Figuur 4.10: Benodigd aantal parkeerplaatsen (146) ingetekend in de plattegrond

Conclusie Met (minimaal) 146 parkeerplaatsen in het plangebied kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkelingen. Deze parkeerplaatsen zijn voorzien in het zuidelijk deel van het plangebied aan de oost- en westzijde van de beoogde bebouwing. Zie ook bovenstaande afbeelding. Om te verzekeren dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd is in de regels een voorwaardelijke verplichting voor parkeervoorzieningen opgenomen, waarbij - alvorens de gronden in gebruik worden genomen - voldaan moet worden aan de gemeentelijke parkeernormen en de hierop van toepassing zijnde nuances, te weten:  parkeernorm van 0,6 pp/aanleunappartement-sociaal-bewonersaandeel;  parkeernorm van 0,3 pp/aanleunappartement-sociaal-bezoekersaandeel; Op deze wijze is verzekerd dat er in de toekomstige situatie sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

Hoofdstuk 4

45

4.11 Bedrijven en milieuzonering 4.11.1 Algemeen Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 16. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen in het gebied geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.11.2 Onderzoek Het plangebied valt onder het omgevingstype ‘gemengd gebied’ vanwege de ligging direct tegen bedrijvenpark Kaatsheuvel aan, de verschillende omliggende functies en de ligging aan een hoofdtoegangsweg. In het geval van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met een afstandsstap verkleind worden.

16

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

46

Akoestisch onderzoek industrielawaai Er is door SPA WNP ingenieurs een akoestisch onderzoek industrielawaai17 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voor de bepaling van de geluidniveaus ter hoogte van de geluidgevoelige bestemmingen van het plan is uitgegaan van de maximaal toelaatbare bedrijfscategorieën op de afzonderlijke terreinen van het Bedrijvenpark Kaatsheuvel en op de kavels binnen de woonwijk. De op de terreinen van Bedrijvenpark Kaatsheuvel toelaatbare bedrijfscategorieën zijn weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 4.11: Toelaatbare bedrijfscategorieën Bedrijvenpark Kaatsheuvel omgeving plangebied

17

SPA WNP ingenieurs, Akoestisch onderzoek industrielawaai Park Vossenberg, d.d. 24 januari 2020

Hoofdstuk 4

47

Op de terreinen van het Bedrijvenpark Kaatsheuvel zijn bedrijven uit de bedrijfscategorieën 2 t/m 3.2 toelaatbaar. Op de kavels in de woonwijk (niet opgenomen in bovenstaande afbeelding) zijn bedrijven tot de bedrijfscategorie 2 toelaatbaar met uitzondering van de kavel waarop bedrijven tot bedrijfscategorie 3.1 toelaatbaar zijn. In het kader van het voorliggende onderzoek zijn de maatgevende kavels, zoals opgenomen in onderstaande tabel, onderzocht. Adres kavel

Antoniusstraat 7

Naam bedrijf

I.V.O. Handelsonderne-

SBI-code

Toelaatbare

Richtafstand

Afstand tot

Voldoet aan

bedrijf

bedrijfs-

in m (rustige

plangebied

richtafstand?

categorie

woonwijk)

in m

47793/7732

3.1

50

0

Nee

4120

3.1

50

38

Nee

45112

3.1

50

49

Nee

4332

2

30

12

Nee

ming v.o.f. Kaatsheuvel Antoniusstraat

J van Loon klussenbe-

7A

drijf

Antoniusstraat

Sportscar gebrs. De

9/11

Jongh Kaatsheuvel

Antoniusstraat

Timmerbedrijf Antobouw

22

V.O.F.

Antoniusstraat

Onbekend

-

2

30

22

Nee

Bakkerij Bierman

1071

2

30

0

Nee

32 Hoofdstraat 203

Figuur 4.12: Overzicht kavels in de woonwijk met bedrijfsbestemming

De overige bedrijfskavels in de woonwijk liggen, gelet op de toelaatbare bedrijfscategorieën, op dusdanige afstand van het plangebied dat deze geen relevante geluidniveaus veroorzaken binnen het plangebied. Dit laatste mede gelet op het feit dat direct rond de betreffende kavels diverse woningen zijn gelegen, waardoor de geluidemissie van de bedrijven op de betreffende kavels wordt beperkt. Deze zijn daarom niet meegenomen in het onderzoek. Vanuit planologisch oogpunt zijn op terreinen van categorie 2 bedrijven toelaatbaar die op een afstand van 30 meter van het terrein langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus veroorzaken van 45 dB(A) etmaalwaarde. Voor een bedrijf uit categorie 3.1 geldt een dergelijke eis op een afstand van 50 meter en voor categorie 3.2 op een afstand van 100 meter. Hierbij is uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Daarnaast is uitgegaan van de geldende eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de bedrijven op het Bedrijvenpark Kaatsheuvel zijn in het geluidmodel oppervlaktebronnen ingevoerd met een bronhoogte van 5 meter, zodanig dat de door de bron veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op 30 meter, 50 meter c.q. 100 meter van het terrein gemiddeld gelijk zijn aan 45 dB(A) etmaalwaarde. Er is gekozen voor een bronhoogte van 5 meter omdat op de kavels geen gebouwen zijn gemodelleerd.

Voor de bedrijven op de kavels in de woonwijk zijn in het geluidmodel oppervlaktebronnen ingevoerd met een bronhoogte van 1,5 meter, zodanig dat de, door de bron veroorzaakte, langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, op 30 meter c.q. 50 meter van het terrein, gemiddeld gelijk zijn aan 45 dB(A) etmaalwaarde. De broneigenschappen zijn zodanig gekozen dat de gebouwen binnen de bronnen niet worden beschouwd bij de bepaling van de geluidemissie van de betreffende geluidbron. Er is gekozen voor een bronhoogte van 1,5 meter omdat de geluidemissie van de bedrijven voornamelijk wordt bepaald door de activiteiten (verkeersbewegingen, laad/losactiviteiten) op het (buiten-)terrein van de inrichting. Hoofdstuk 4

48

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus [LAr,LT] In het onderzoek zijn de (maatgevende) langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op de ontvangerpunten gegeven, zoals deze veroorzaakt worden door het bedrijventerrein ter hoogte van de gevels van de geluidgevoelige bestemmingen binnen het plangebied. In het onderzoek zijn ook de gehanteerde richtwaarden in het kader van een goede ruimtelijke ordening weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat in de onderzochte situatie voor de bedrijventerreinen het op alle ontvangerpunten wordt voldaan aan de gehanteerde richtwaarden van stap 2. Uit het onderzoek blijkt eveneens dat door de bedrijven in de woonwijk op het merendeel van de zijden van het bouwvlak wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 2. Alleen aan de oostzijde van het bouwvlak, bouwdeel 2, op de 1e en 2e verdieping, wordt de richtwaarde van stap 2 in geringe mate (1 à 2 dB(A)) overschreden. Er wordt wel voldaan aan de richtwaarden van stap 3. Indien de geluidniveaus van alle bedrijven en terreinen worden gecumuleerd, worden de richtwaarden van stap 2 ook aan de oostzijde van het bouwdeel 1 overschreden. Ook in deze situatie geldt dat op alle rekenpunten wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 3. Gelet op het feit dat het gebouw dient te voldoen aan de standaardeisen van het Bouwbesluit, zal de gevelwering van de appartementen minimaal 20 dB bedragen.

In de appartementen zullen met andere woorden de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus beperkt blijven tot maximaal 35 dB(A) (etmaalwaarde). Dit wil zeggen dat in de appartementen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat zich aan de westzijde van bouwdeel 1 geen buitenruimten van de appartementen bevinden. Aan de oostzijde van bouwdeel 2 worden galerijen voor de appartementen gerealiseerd. De balkons van de appartementen van bouwdeel 2 bevinden zich aan de andere gevels. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat op de balkons van de appartementen van de bouwdelen 1 en 2 sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat in en bij de appartementen in het plan ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Om te voorkomen dat de activiteiten van Bakkerij Bierman (Hoofdstraat 203) worden beperkt door de nieuwe appartementen dienen voor deze bakkerij maatwerkvoorschriften te worden opgesteld, waarbij bij oostgevels van de appartementen van bouwdeel 2 langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus toelaatbaar zijn tot 52 dB(A).

Maximale geluidniveaus [LAmax] In het onderzoek zijn de (maatgevende) maximale geluidniveaus op de ontvangerpunten gegeven, zoals deze veroorzaakt worden door het bedrijventerrein ter hoogte van de gevels van de geluidgevoelige bestemmingen binnen het plangebied. In het onderzoek zijn ook de gehanteerde richtwaarden in het kader van een goede ruimtelijke ordening weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat in de onderzochte situatie op het merendeel van de zijden van het bouwvlak wordt voldaan aan de gehanteerde richtwaarden. Alleen aan de oostzijde van bouwdeel 2 wordt niet voldaan aan de richtwaarde. De overschrijding wordt veroorzaakt door de laad- en losactiviteiten in de dagperiode op het terrein van Bakkerij Bierman (Hoofdstraat 203). Laad- en losactiviteiten zijn in de dagperiode op basis van artikel 2.17.1.b c.q. 2.17.3.b uitgezonderd bij de toetsing van de maximale geluidniveaus omdat deze normaliter niet leiden tot hinder. Daarnaast

Hoofdstuk 4

49

gelden dezelfde overwegingen als voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (galerij en voldoende isolatie gevels) Met andere woorden: bij de geluidgevoelige bestemmingen in het plan is, ten aanzien van de maximale geluidniveaus, sprake van een goed woon- en leefklimaat. Geluidcontouren In het onderzoek zijn de geluidcontouren weergegeven voor de geluidniveaus zoals deze optreden in de dagperiode in het park en de tuinen rond de gebouwen van het plangebied. De geluidcontouren voor de avond- en nachtperiode zijn gelijk aan de weergegeven contouren. De berekende waarden zijn in de avond- en nachtperiode respectievelijke 5 dB(A) en 10 dB(A) lager. Uit de berekeningen blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in het park en rond de gebouwen lager zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Alleen langs de randen treden niveaus op tussen de 50 en 55 dB(A) en in zeer smalle stroken langs de randen van het park treden niveaus op hoger dan 55 dB(A). Met andere woorden in het merendeel van het park is sprake van een goed akoestisch klimaat en in een klein deel van een acceptabel klimaat.

Hoofdstuk 4

50

Figuur 4.13: De binnen het plan optredende gecumuleerde langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus

In de figuren 6.2.1 t/m 6.2.9 van het onderzoek zijn de door de ingevoerde geluidbronnen afzonderlijk veroorzaakte maximale geluidniveaus weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat in het grootste deel van het park en rond de gebouwen van het plan in de dag- en avondperiode de maximale geluidniveaus beperkt blijven tot maximaal 65 dB(A). In de dagperiode blijven de maximale geluidniveaus in het park beperkt tot maximaal 70 dB(A). Alleen direct rond de gebouwen kunnen in de dagperiode geluidpieken optreden boven de 70 dB(A) ten gevolge van laad/losactiviteiten van omliggende bedrijven. Het betreft hier voornamelijk parkeerplaatsen rond de gebouwen. In een klein deel van het park Hoofdstuk 4

51

en een zeer klein gebied ten westen van de gebouwen kunnen in de avondperiode geluidniveaus optreden boven de 65 dB(A). Uit het voorgaande blijkt dat in de dag- en avondperiode in nagenoeg het gehele park en rond de gebouwen van het plan sprake is van een goed akoestisch klimaat. Conclusie Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat bij de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen in het plan en rond de gebouwen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens is de vigerende planologische regeling, gezien de afstand van het bouwvlak tot de relevante inrichtingen, beperkender dan de planologische regeling van het nieuwe bestemmingsplan. Ook in het park is sprake van een goed tot acceptabel akoestisch klimaat. Overige milieuaspecten De richtafstanden gelden voor verschillende aspecten die tot milieuhinder kunnen leiden. Daarbij is de grootste afstand behorend bij één van de milieuaspecten (geur, stof, geluid en gevaar) bepalend voor de te hanteren richtafstand. Met het respecteren van de grootste afstand behorend bij een bepaalde bedrijfscategorie wordt zo veel mogelijk hinder bij omwonenden voorkomen en wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun bedrijfsactiviteiten op de betreffende locatie kunnen uitoefenen.

In het akoestisch onderzoek industrielawaai is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden voor het aspect geluid bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. Het aspect geluid is voor de omliggende bedrijven maatgevend en voor de huidige bedrijven rond het plangebied van Park Vossenberg ook het enige relevante aspect. Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid. Zodoende zijn er voor de overige milieuaspecten (geur, stof en gevaar) geen belemmeringen. Invloed van het plan op omgeving Een zorgcentrum valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Binnen deze richtafstand zijn geen woningen aanwezig. Tevens zijn het zorgcentrum en de bijbehorende voorzieningen in de bestaande situatie reeds aanwezig binnen het plangebied. De nieuwe bebouwing komt niet op een kortere afstand van omliggende bebouwing te liggen. Ook de horeca in de kapel is reeds vergund en zodoende aan te merken als bestaande situatie. Om deze reden zijn er vanuit het zorgcentrum en bijbehorende voorzieningen geen belemmeringen. In voorliggend plan worden extra (zorg)woningen toegestaan. Voor woningen geldt geen richtafstand conform de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’.

De bijbehorende parkeerplaatsen zijn ten dienste van de (zorg)woningen en behoren zodoende tot de bestemming en zorgen niet voor extra hinder. Het onderhavige plan zelf bevat dus geen milieucontouren die mogelijk andere gevoelige objecten kunnen belemmeren. Voor de beoogde dierenweide wordt verwezen naar de paragraaf Geur.

Hoofdstuk 4

52

4.11.3 Conclusie Voor wat betreft bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.12 Geur Veehouderijen zijn in de omgeving niet aanwezig. In voorliggend plan is een dierenweide voorzien als een afgeschermd deel in de buurt van de visvijver. Er is een dierenverblijf. In de dierenweide lopen diverse soorten klein vee, zoals schapen, geiten, kippen, konijnen, enzovoort. Hierin is een overzicht van de beoogde diersoorten en -aantallen weergegeven. Aantal

Ezels Schapen Geiten Kippen Konijnen Eenden

Terrein (m2)

2 dieren 2 dieren 4 dieren 8 dieren 4 dieren 4 dieren

Stalruimte (m2)

300 100 120 30 30 vijver 580

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=3a88053d-8494-4207-904e-a9fb7aec9a70