17-02-2021 Bijlage 4. Bijlagen bestemmingsplan 'Middelstraat 31a De Moer'.pdf
Tekst van het document
Amersfoort 2007. Exaltus, R. & J. Orbons, 2016: Galgeneind, De Moer, Gemeente Loon Op Zand. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); bureauonderzoek en karterend booronderzoek. ARcheoPro rapport 16088, Eijsden Hessing, W.A.M., K. Klerks, M. Simons en R.J.J. Quak, 2011: Archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten Haaren, Heusden, Loon op Zand en Vught. Verantwoording van, en toelichting op, de inventarisatie en het verwachtingsmodel. Vestigia rapport V834. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Leenders, K.A.H.W., 2013. Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750. Woudrichem. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch.
Rapport 10043.001 versie 2
Pagina 16 van 18
Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Stichting voor Bodemkartering, 1990: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 44 Oost, Oosterhout. Wageningen. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 10043.001 versie 2
Pagina 17 van 18
BRONNEN AHN; internetsite, juli 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juli 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, juli 2020. http://bagviewer.kadaster.nl Bodemloket, internetsite, juli 2020. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, juli 2020. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, juli 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, juli 2020. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, juli 2020. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Dinoloket; internetsite, juli 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juli 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juli 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Ruimingskaart; internetsite, juli 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juli 2020. http://www.sikb.nl Turfdatabank; internetsite, juli 2020. http://geoloket.provincieantwerpen.be/ VEO Bommenkaart; internetsite, juli 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 10043.001 versie 2
Pagina 18 van 18
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Middelstraat 31 te De Moer. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Middelstraat 31 te De Moer. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidsadvieskaart
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Loon op Zand Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
Middelstraat 31 te De Moer. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3) Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen Kadastrale Minuut uit 1811-1832
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart (nettekening) uit 1830-1850 Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 10. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1870
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart (veldminuut) Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 11. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1936
Middelstraat 31 te De Moer. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart (veldminuut) (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 10043.001 versie 2
Figuur 12. Boorpuntenkaart
Middelstraat 31 te De Moer. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 10043.001 versie 2
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 10043.001 versie 2
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 10043.001 versie 2
Bijlage 2
Onderzoeksmeldingen
Zaaknummer (OMnummer) 2266415100 (38186)
Situering t.o.v. plangebied 250 meter ten noordoosten
2292805100 (41841)
250 meter ten noordoosten
2363478100 (51256)
250 meter ten noordoosten
2341234100 (48383)
300 meter ten oosten
Rapport 10043.001 versie 2
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Hooivork Loon op Zand Uitvoerder: Archeopro Datum: 1-12-2009 Resultaat: Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf het LaatPaleolithicum tot de Bronstijd. Voor resten uit latere perioden geldt een lage verwachting. De uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland toont aan dat veruit het gehele plangebied is afgegraven. De kans op de aanwezigheid van intacte archeologische resten is derhalve laag. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt geadviseerd om binnen het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren dat tot doel heeft om vast te stellen of de ontgravingswerkzaamheden hier inderdaad tot de (volledige) teloorgang van archeologische resten geleid hebben. Indien hierbij blijkt dat delen van de bodem toch nog deels intact zijn, dient ook hierop alsnog karterend booronderzoek te worden uitgevoerd conform de minimum eisen voor karterend booronderzoek van de provincie Noord-Brabant. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Hooivork Loon op Zand Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 8-6-2010 Resultaat: In het gehele plangebied begint vanaf ca.
150 cm – mv de top van een pakket licht grijs geel, kalkloos, matig fijn, matig tot sterk siltig zand. Hier bovenop ligt plaatselijk een 5 tot 10 cm dik laagje zandige leem. In boring 1, 2, 3 en 6 bevindt zich een 5 tot 10 cm dikke laag veen op deze leemlaag. Van ca. 40 cm tot 110 cm –mv bevindt zich een pakket geel, kalkloos, matig fijn, matig siltig, goed gesorteerd schoon zand. De bovenste ca. 40 cm van het bodemprofiel in het plangebied bestaat uit bruin, humeus zand, met daarin plaatselijk roodbruine vlekken en grijze zandkorrels Tijdens het booronderzoek zijn geen indicatoren aangetroffen die wijzen op archeologische sporen in de bodem. De humeuze bovengrond wordt als A-horizont geïnterpreteerd. De daarin vermengde roodbruine vlekken worden als omgewerkte B-horizont gezien en de plaatselijk aanwezige grijze korrels als omgewerkte E-horizont. Het geheel wordt als een deels omgewerkte veldpodzolgrond geïnterpreteerd. De top van de Chorizont is in het gehele plangebied nog intact aanwezig. ADC ArcheoProjecten adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een karterend booronderzoek, teneinde de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. De gemeente Loon op Zand neemt het selectieadvies van ADC niet over omdat zij van mening is dat een dergelijk onderzoek geen aanvullende informatie zal opleveren.
Hoewel zij de verwachting voor het plangebied als laag beschouwen, is vooralsnog te weinig informatie beschikbaar over dit gebied, en vergelijkbare gebieden in de gemeente Loon op Zand om een dergelijke verwachtingswaarde goed te kunnen beoordelen. Om meer inzicht te krijgen in de archeologische waarde van het terrein is besloten de graafwerkzaamheden onder archeologisch begeleiding te laten uitvoeren. Formeel is op het plangebied een negatief selectiebesluit van toepassing (geen verder onderzoek). De archeologische begeleiding heeft tot doel te controleren of er inderdaad geen behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: De Hooivork Loon op Zand Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 3-4-2012 Resultaat: Tijdens het onderzoek zijn geen noemenswaardige archeologische resten aangetroffen. De bodemopbouw in het plangebied is een zogenaamd A-C profiel. Dit wil zeggen dat er geen resten van bodemvorming zijn aangetroffen. De bouwvoor bevat slechts (sub)recent vondstmateriaal en de enige sporen die zijn aangetroffen zijn (sub)recente greppels of sloten. Een drietal van deze sloten is nog wel terug te vinden op het kadaster minuutplan van 1811-1832 hetgeen deze sporen minimaal 180 jaar oud maakt. Deze perceleringssporen zijn echter archeologisch gezien van weinig waarde.
Gezien de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan gesteld worden dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek adviseert IDDS Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek voor het plangebied. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek adviseert IDDS Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek voor het plangebied. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Middelstraat Tussen Nrs 10 En 14 Loon op Zand Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 13-9-2011 Resultaat: Uit het booronderzoek is gebleken dat de ondergrond van het plangebied uit dekzand bestaat. In boringen 1 en 5 is een omgewerkte BC-horizont aangetroffen. In het centrale deel van het plangebied is de bodem tot in de C-horizont verstoord geraakt. Omdat alleen in het gebied rond boringen 1 en 5 een potentieel sporenniveau aanwezig kan zijn en de top van dit niveau is omgewerkt is een eventuele archeologische vindplaats verstoord geraakt. ADC ArcheoProjecten adviseert daarom het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
2409145100 (57204)
300 meter ten zuidwesten
2387487100 (54376)
300 meter ten zuiden
4632928100
350 meter ten zuiden
4018072100
1000 meter ten zuiden
Rapport 10043.001 versie 2
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Deeltrace 5, Tilburg Tilburg Uitvoerder: Transect Datum: 12-6-2013 Resultaat: onbekend (niet afgemeld) Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Borssele-Tilburg Borssele Uitvoerder: Sweco Datum: 12-11-2012 Resultaat: Een traject met boringen ter plaatse van de toekomstige hoogspanningsmasten. Het traject loopt van Borssele (Zld) tot Tilburg (NB). Bij het onderzoek zijn uiteindelijk alleen mastlocaties binnen de Provincie Zeeland onderzocht. Voor De Moer is dit onderzoek verder dus niet van belang. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Rilland Uitvoerder: Arcadis Datum: 1-9-2018 Resultaat: nog niet bekend. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Loon op Zand Uitvoerder: Archeopro Datum: 27-8-2016 Resultaat: Uit de resultaten van het met de zandguts verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied oorspronkelijk uit podzolbodems zal hebben bestaan. Hiervan resten nog slechts ijzerinspoelingsbandjes in het schone gele zand van de C-horizont. Echte podzolhorizonten zijn binnen het plangebied niet (meer) aanwezig. Evenmin is binnen het plangebied een éénduidig als zodanig aan te merken (middeleeuws) akkerdek aangetroffen.
De humeuse toplaag binnen het plangebied is niet dikker dan veertig centimeter en kan daarmee in zijn geheel bestaan uit de bouwvoor van de akkers die hier tot aan de tweede helft van de twintigste eeuw hebben gelegen. Als hier al een middeleeuws akkerdek heeft bestaan, dan is dit afgegraven of nooit veel dikker geweest dan veertig centimeter. Het naboren met een megaboor en het zeven van het daarmee opgeboorde zand, heeft binnen het plangebied geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.
Bijlage 3
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2363478100 (433502)
Locatie t.o.v. plangebied
Omschrijving
300 meter ten noordoosten
Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van dakpannen - baksteen - 5 fragmenten van faience aardewerk - 8 greppels/sloten - fragment van industrieel wit (Maastrichts/Regout) - fragment van kleurloos/ontkleurd glas - fragment van porselein
Rapport 10043.001 versie 2
Bijlage 4
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 10043.001 versie 2
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 10043.001 versie 2
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 10043.001 versie 2
Bijlage 5
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 10043.001 versie 2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 10043.001 versie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 10043.001 versie 2
Bijlage 6
Rapport 10043.001 versie 2
Planontwerp
Bijlage 7
Rapport 10043.001 versie 2
Boorprofielen
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 10043.001 versie 2
bestemmingsplan Middelstraat 31a De Moer
Bijlage 2 Bodemonderzoek
Bijlagen toelichting (vastgesteld)
57
1 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van mevrouw M.W.A.G. Schoenmakers is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een perceel gelegen aan de Middelstraat in De Moer tussen de woningen met adresnummers 31 en 33. Het perceel is kadastraal bekend gemeente Loon op Zand, sectie Q, nummer 651. Vermoedelijk zal het perceel als toekomstig adres Middelstraat 31a krijgen. Het doel van het verkennend onderzoek is om vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen bouw van een woning na sloop van de huidige schuur of stal. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van het voorliggende rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De uitvoerend veldwerker is O. Bakker.
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE.
2.1
Terreinsituatie en historie. De onderzoekslocatie is gelegen ten zuiden van de Middelstraat. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. Het onderzochte oppervlak bedraagt circa 900 m2. Voor historische informatie is de contactpersoon van de opdrachtgever, familie van de opdrachtgever, de bewoner van Middelstraat 31, TOPO-tijdreis, het eigen bodemonderzoeksarchief en de gemeente Loon op Zand geraadpleegd. De gemeente heeft een uitdraai toegezonden van de website Omgevingsrapportage Noord-Brabant. Deze website is overigens voor iedereen openbaar. Terreinbeschrijving. Op het terrein staat een schuur/stal die dateert van rond 1900. Deze stal is geheel voorzien van een betonvloer en was tijdens het onderzoek niet toegankelijk. Ten noorden van de stal ligt onverharde tuin en ten westen ligt deels tuin en deels een pad of oprit met een puinhoudende toplaag. Ten zuiden ligt een niet zichtbare met gras overgroeide betonvloer maar langs de randen (perceelsgrenzen) is hier sprake van een onverharde bodem. Ten oosten ligt langs de stal bestrating. Aan de straatzijde staan enkele grote bomen. Bij de terreininspectie zijn op het maaiveld geen verdachte kenmerken waargenomen (geen morsingen, brandplekken, afvaldump of zwerfasbest). Huidig gebruik. De stal is af en toe nog als zodanig in gebruik voor pony's. Voormalig gebruik. Vermoedelijk koeienstal.
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
Bakker Milieuadviezen
2 Toekomstig gebruik. Woonbestemming. Calamiteiten. Er hebben zich geen calamiteiten voorgedaan op het terrein. Ophogingen/dempingen/stort. Het westelijke pad of de oprit vanaf de straat tot bijna de zuidzijde van het pand bevat 20 a 30 % baksteenpuin. Om deze reden is dit pad onderzocht op asbest. Door de later ingeschakelde monsternemer voor asbestonderzoek is deze laag als sterk puinhoudende grond aangemerkt, ofwel niet als puinlaag. Boven- en ondergrondse tanks. Op het perceel heeft nooit een ondergrondse tank gelegen. Op het oostelijk aangrenzende buurperceel Middelstraat 31 is in mei 1993 een ondergrondse tank gesaneerd volgens de KIWA-richtlijnen. Ook op adresnummer 33 is een ondergrondse tank gesaneerd. Bij beide tanks was geen sprake van een olieverontreiniging. Aan de overzijde van de straat was ooit een Avia tankstation gevestigd. Op dit terrein is een bodemsanering uitgevoerd. Deze locatie ligt benedenstrooms van het onderzoeksterrein. Omgeving. Ten oosten staat een woning met ten zuiden een agrarische schuur. Ten westen staat een woning. Ten zuiden ligt grasland en ten noorden ligt de Middelstraat. Bodemonderzoeken locatie en omgeving.
Op de website Omgevingsrapportage Noord Brabant wordt vermeld dat in de periode 1996 tot 1999 door IGN bodemonderzoek, nader onderzoek en een volledige sanering is uitgevoerd op adresnummer 38 (overzijde straat, voormalig Avia tankstation). Deze sanering betrof uiteraard een olie/aromatenverontreiniging. Rapportnummers worden niet vermeld op deze website. Op Middelstraat 31 is in 1992 door SGS Ecocare een bodemonderzoek uitgevoerd nabij de ondergrondse tank. Op 3 mei 1993 is deze tank officieel (volgens KIWA) inwendig gereinigd en met zand gevuld. Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is qua onderzoeksinspanning uitgegaan van een onverdachte locatie. 2.2
Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de bodemkaart van Nederland (kaartblad 44 oost, 1: 50.000). Het bodemtype valt onder de zogenoemde hoge bruine enkeerdgronden, welke worden gekenmerkt door matig humeus siltig fijn zand. Informatie over de geologie en geohydrologie van de diepe ondergrond is verkregen via de grondwaterkaart van Nederland van de Dienst Grondwaterverkenning TNO. Het globale bodemprofiel ter plaatse is als volgt: 0 - 8 m-mv Deklaag, Nuenengroep en Holoceen, bestaande uit matig doorlatende fijne siltige zanden.
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
Bakker Milieuadviezen
3 1e watervoerende pakket, formaties van Veghel en Sterksel. Dit pakket bestaat voornamelijk uit middel grof tot uiterst grof, plaatselijk grindhoudend, zand. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is op grond van het isohypsenpatroon noordelijk gericht. Het grondwater in het eerste watervoerende pakket stroomt eveneens in noordelijke riching.
8 - 40 m-mv
3.
ONDERZOEKSPROGRAMMA.
3.1
Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut, april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.
3.2
Veldwerkzaamheden. Op 28 juni 2019 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren zijn een Edelmanboor en een zuigerboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn 6 boringen verricht. Boring 1 is uitgevoerd tot ruim 3 m-mv (meter beneden maaiveld) en is voorzien van een peilbuis. Boring 2 is 2 m diep en de overige boringen zijn 0.5 m diep uitgevoerd. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.
3.3
Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-West. Grond. Van de grondmonsters zijn 2 mengmonsters samengesteld, waarvan de samenstelling, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten zijn weergegeven in paragraaf 4.2 Deze monsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, cadmium, cobalt, molybdeen, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.
Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
Bakker Milieuadviezen
4 de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM). Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan; dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
Bakker Milieuadviezen
5 4.
ONDERZOEKSRESULTATEN
4.1
Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodem bestaat uit een toplaag van donkerbruin matig humeus siltig fijn zand. Daaronder bevindt zich lichtbruin en lichtgrijs fijn zand tot 3 m-mv. Aan de opgeboorde grond zijn geen noemenswaardige bijmengingen waargenomen. Zoals vermeld ligt er langs de westzijde wel een pad/oprit waarvan de bovenste 15 a 20 cm zo'n 30% baksteenpuin bevat. Vanwege deze sterk puinhoudende grond is de toplaag van deze oprit separaat onderzocht op asbest door een daarvoor erkend bureau (Adcim BV). Zie paragraaf 4.3. Op de datum van grondwatermonstername (15 juli 2019) werd grondwater op 1.65 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.
4.2
Analyseresultaten. De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt getoetst aan onderstaande normen: Achtergrondwaarden AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door 1 of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.
De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
Bakker Milieuadviezen
6 In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW >T >I
overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging).
Grond. Mengmonster
Bodemlaag
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
1+4+5+6
bovengrond 0-50 cm
-
-
-
1.2+1.3+2.2+2.3
ondergrond (zand)
-
-
-
Grondwater. In het grondwater is onderstaand verhoogd gehalte aangetroffen. Parameter
Gehalte in ug/l
Barium
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
69
*
Streefwaarde
Tussenwaarde
50
340
Interventiewaarde
625
Bakker Milieuadviezen
7 4.3 asbestonderzoek (uitgevoerd door Adcim BV). Naar aanleiding van de aanwezigheid van een oprit met een matig tot sterk puinhoudende toplaag is aan een daartoe bevoegd onderzoeksbureau opdracht gegeven om een asbestonderzoek uit te voeren. Hierover het volgende: Voor de onder de erkenning BRL SIKB 2018 (onderzoek asbest in bodem) vallende werkzaamheden is de firma Adcim BV ingeschakeld. Dit bedrijf beschikt over de erkenning voor het protocol 2018. De betreffende monsternemer (dhr. M. Visser) is geregistreerd bij Bodemplus. De laboratoriumanalyses zijn uitbesteed aan het daarvoor erkende laboratorium AL-West. Voor de rapportage inclusief toetsing geldt geen erkenningsplicht. Deze werkzaamheden zijn verricht door O. Bakker van Bakker Milieuadviezen. Hieronder volgt een kort verslag. Voor uitgebreide informatie wordt verwezen naar bijlage 6, waarin de veldwerkformulieren van Adcim BV zijn opgenomen.
Uitgevoerde werkzaamheden. Op 15 juli 2019 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd. Op basis van de oppervlakte van de oprit (ca 100 m2) zijn 3 inspectiegaten gegraven tot in de ongeroerde grond. De puinhoudende laag bleek circa 20 cm dik te zijn. Deze laag was eenvoudig te verwijderen met spa en stootijzer. Bij de inspectie op asbest is het bemonsterde materiaal uitgespreid op folie met een hark. Vervolgens is gekeken naar de aanwezigheid van visueel waarneembare asbestverdachte materialen. Deze zijn niet aangetroffen. Laboratoriumanalyses. Een verzamelmonster van > 10 kg droge stof is ter analyse naar AL-West verzonden. Dit verzamelmonster bestond uit monstermateriaal dat gezeefd is over 20 mm. Het gewogen asbestgehalte bedraagt < 1 mg/kgds (0 deeltjes). De toplaag van de oprit bevat dus geen asbest.
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
Bakker Milieuadviezen
8 5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.
Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: -
In de bovengrond zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen;
-
In de ondergrond zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket beneden de AW 2000 aangetroffen;
-
Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte aan barium, hetgeen een gangbare niet relevante verhoging is.
-
Uit een door Adcim BV uitgevoerd onderzoek naar mogelijk asbest in de puinhoudende toplaag van de oprit aan de westzijde van het perceel blijkt dat het verzamelmonster van deze laag geen enkel asbesthoudend deeltje bevat.
Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bouw van een woning.
V.O. Middelstraat 31a, De Moer
Bakker Milieuadviezen
Omgevingskaart
Klantreferentie: middel31
0m
125 m
625 m
Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Loon op Zand Q 388 Middelstraat 31, 5176NH De Moer CC-BY Kadaster.
Schaal 1: 12500
Uittreksel Kadastrale Kaart
Uw referentie: middel31
482
874
882
50
620 873 506
470 469
32
478
672 38A
42
38
881
36
34
699
28
30
26
498
380
505
M id delst raat499
419 39
39A
37B
37
37A
418
587 879
31
648
880
686
29
27
23 21
25
431 19
387 651 422
423
729 730
649
416
732
433
442
731 4
576
601 650
6
577 578 510
579 580
8
10
581 589
590 12
388
588
439 440
14
441
512
647 0m
Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 12 augustus 2019 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
12345
20 m
100 m
Schaal 1:2000 Kadastrale gemeente Sectie Perceel
702
432
2
706
425
652
pstr aat Past oor Kam
415
586
24
33
35
421 417
51
683
479
40A
644 476
39B
693 549
671
698
38B
Zi jstr aat
44
44A
42A
49
475
36A
40B 40
622
467
46
746
473
466
539
58
480
468
45
56
481
430
233
52 54
Loon op Zand Q 388
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
17
Bijlage 3
Boorstaten
Boring:
1
Boring:
GWS: Opmerking:
165 pH 7,2 Ec 20 mS/m 14 NTU
GWS: Opmerking:
0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
1 -50
50
-70
100
1,2
150
1,3
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, grijsbruin Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin
2
0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
2 50
-60
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin
2,2 100 2,3
-150
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs
200
150 -200
200
250 -300
300
Boring:
3
Boring:
GWS: Opmerking:
GWS: Opmerking:
0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
3 -50
50
Boring:
0
5
Boring:
0 -8 -20
klinker
-70
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
4
50
GWS: Opmerking:
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin
6
GWS: Opmerking:
0 -10
0
klinker
-50
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
-70
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs
5 50
4
Projectcode: 25106
0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
6 50
Middelstraat 31a De Moer
-50
Bijlage 4 Analyserapporten
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Toetsingsinstellingen Versie Toetsingsmethode
2.0.0 Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb [T.12]
De toetsing is uitgevoerd volgens de vigerende wetgeving waarbij gebruik gemaakt is van de BOTOVA webservice (zie https://www.BOTOVA-service.nl/) Opdracht Opdrachtnummer Laboratorium Matrix Project Datum binnenkomst Rapportagedatum CRM
865414 AL-West B.V. Vaste stoffen 25106 Middelstraat 31 De Moer 28.06.2019 05.07.2019 Dhr. Henk Berenpas
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
288223 MIX: 1 4 5 6 28.06.2019 Bodem / Eluaat 1
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)
2,9 1,8
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Parameter IJzer (Fe2O3) Fractie < 2 µm Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Barium (Ba) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Indeno-(1,2,3c,d)pyreen Chryseen Fenanthreen Benzo(a)anthraceen Benzo(k)fluorantheen Benzo(ghi)peryleen Anthraceen Benzo-(a)-Pyreen Fluorantheen Naftaleen Koolwaterstoffractie C10-C40 Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C28-C32 Koolwaterstoffractie C32-C36 Koolwaterstoffractie C36-C40 PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM) som 7 polychloorbifenylen PCB28, 52, 101, 118, 138, 153, 180
Gemeten waarde Gemeten waarde
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Resultaat
Eenheid
Resultaat BOTOVA(G_standaard) eenheid 3,5 % 1,8 % 0,23 mg/kg 0,05 mg/kg 89,1 mg/kg 7,38 mg/kg 62,6 mg/kg 8,17 mg/kg 1,05 mg/kg 44,9 mg/kg 15,5 mg/kg 0,13 mg/kg
Toetsing
IRW
<5 1,8 < 0,2 < 0,05 23 <3 27 <4 < 1,5 29 7,7 0,13
% Ds % Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
0,16 0,19 0,13 0,075 0,099 < 0,05 0,15 0,24 < 0,05 < 35
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
0,16 0,19 0,13 0,075 0,099 0,035 0,15 0,24 0,035 84,5
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg
<3
mg/kg Ds
7,24
mg/kg
N
<3
mg/kg Ds
7,24
mg/kg
N
<4
mg/kg Ds
9,66
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
12,1
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
12,1
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
12,1
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
12,1
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
12,1
mg/kg
N
< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
2,41 2,41 2,41 2,41 2,41 2,41 2,41 1,24
ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg mg/kg
16,9
ug/kg
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N N N
AW
I
T-index
Toets oordeel
0,6 0,15
13 36
-1 -1
<= AW <= AW
15 140 35 1,5 50 40
190 720 100 190 530 190
-1 -1 -1 -1 -1 -1
<= AW <= AW <= AW <= AW <= AW <= AW
190
5000
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N
1,5
40
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde
N
20
1000
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
288224 MIX: 1.2 1.3 2.2 2.3 28.06.2019 Bodem / Eluaat 1
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)
2 2
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Parameter Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Barium (Ba) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Indeno-(1,2,3c,d)pyreen Chryseen Fenanthreen Benzo(a)anthraceen Benzo(k)fluorantheen Benzo(ghi)peryleen Anthraceen Benzo-(a)-Pyreen Fluorantheen Naftaleen Koolwaterstoffractie C10-C40 Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C28-C32 Koolwaterstoffractie C32-C36 Koolwaterstoffractie C36-C40 PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM) som 7 polychloorbifenylen PCB28, 52, 101, 118, 138, 153, 180
Tabelinformatie Toetsing BOTOVA
Ingevoerde waarde Ingevoerde waarde
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Resultaat
Eenheid
Resultaat BOTOVA(G_standaard) eenheid 0,24 mg/kg 0,05 mg/kg 54,2 mg/kg 7,38 mg/kg 33,2 mg/kg 8,17 mg/kg 1,05 mg/kg 11 mg/kg 7,24 mg/kg 0,035 mg/kg
Toetsing
AW
I
T-index
Toets oordeel
N N N N N N N N N N
0,6 0,15
13 36
-1 -1
<= AW <= AW
15 140 35 1,5 50 40
190 720 100 190 530 190
-1 -1 -1 -1 -1 -1
<= AW <= AW <= AW <= AW <= AW <= AW
190
5000
-1
<= AW
< 0,2 < 0,05 < 20 <3 < 20 <4 < 1,5 < 10 <5 < 0,05
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
< 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 35
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 122
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg
<3
mg/kg Ds
10,5
mg/kg
N
<3
mg/kg Ds
10,5
mg/kg
N
<4
mg/kg Ds
14
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 0,35
ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg mg/kg
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N
1,5
40
-1
<= AW
24,5
ug/kg
<= Achtergrondwaarde
N
20
1000
-1
<= AW
Toetsresultaat uit BOTOVA
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
IRW
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
IRW AW I T-index Toets oordeel
Indicatieve Referentie Waarden (Bijlage 1, Tabel 2, Staatscourant 2013 nr 16675) Achtergrondwaarde Interventiewaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Streefwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index'
Tabelinformatie Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1
GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden
Bijlage 6 Gegevens asbestonderzoek Adcim BV
boorstaten
BMW25106/20190346 Middelstraat 32 De Moer
Boring AI (60cm)
datum: 16-07-2019
(1:50) Zand, sterk siltig, matig humeus. Donkerbruin. 50cm
50 60 Zand, sterk siltig. Donkerbruin.
Puin zwak. --
100cm
Boormeester: Marcel Visser
Boring AII (60cm)
datum: 16-07-2019
(1:50) Zand, sterk siltig, matig humeus. Donkerbruin. 50cm
50 60 Zand, sterk siltig. Donkerbruin.
Puin zwak. --
100cm
Boormeester: Marcel Visser
Boring AIII (60cm)
datum: 16-07-2019
(1:50) Zand, sterk siltig, matig humeus. Donkerbruin. 50cm
50 60 Zand, sterk siltig. Donkerbruin.
Puin zwak. --
100cm
Boormeester: Marcel Visser
projectnummer
BMW25106/20190346
blad
1/1
locatieadres