17-02-2021 Bijlage 4. Bijlagen bestemmingsplan 'Middelstraat 31a De Moer'.pdf
Tekst van het document
Middelstraat 32
locatie opdrachtgever
Bakker Milieuadviezen Waalwijk bureau
ADCIM BV
postcode / plaats
5176NK De Moer land
Nederland getekend volgens NEN 5104
bestemmingsplan Middelstraat 31a De Moer
Bijlage 3 Quick scan Wet natuurbescherming
Bijlagen toelichting (vastgesteld)
93
VAN DEN BERG T.a.v. dhr. J. van den Berg ’t Rond 9 4285 DE Woudrichem
Datum
6 maart 2020
Kenmerk
BE/2020/118/r
Uw kenmerk
Email d.d. 07-02-2020
Auteur(s)
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
Quickscan Wet natuurbescherming Middelstraat 31a te De Moer Aan de Middelstraat 31a te De Moer is een is een perceel met een schuur en tuin gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande schuur op de planlocatie te saneren en hier een woonhuis te realiseren. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Berg begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Brabant? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Middelstraat 31a te De Moer en betreft een schuur met tuin (figuur 1). De schuur is opgetrokken uitgemetselde muren zonder spouw. De schuur heeft een pannendak zonder dakbeschot. Aan de westzijde van de schuur zit een lager deel waar (gedeeltelijk) een oud dakbeschot aanwezig is. Op de gevels zitten ventilatiegaten welke, met behoudens van één, afgesloten zijn met bijenbekjes. Het dak is in een erbarmelijke staat, waardoor er veel tocht aanwezig is in de schuur. Om de schuur heen ligt een tuin met (verwilderede) struiken en planten. In de tuin staat één fruitboom en langs de weg tegen de planlocatie aan staan platanen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijkgebied en ligt ten zuidwesten van het centrum van De Moer. Op circa 2,1 km ten zuiden ligt de N260 et daarachter Tilburg en op circa 3,6 km ten oosten ligt de N261.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Middelstraat 31a te De Moer (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de schuur en de realisatie van een woning. Hierbij worden delen groen (struiken) verwijderd maar er worden geen bomen gekapt. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
saneren van de schuur: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 9 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
3
Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat Wild zwijn
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Brabant. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is.
4
Vaatplanten In de directe omgeving, binnen een straal van 2 km, van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: akkerogentroost en drijvende waterweegbree (NDFF 2010-2020). Akkerogentroost is een halfparasiet en daardoor afhankelijk van grassen en cypergrassen en komt voor op voedselarme en kalkrijke grond. De drijvende waterweegbree is een plant dat uitsluitend voorkomt in heldere en voedselarme wateren. Voor beide soorten zijn geen geschikte groeiplaatsen aanwezig en aanwezigheid kan derhalve uitgesloten worden. Gedurende het veldbezoek zijn enkel inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status waargenomen. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, hulst, klimop, laurier en plataan. Op de muren van de bebouwing groeide klimop, hier is geen beschermde muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie ligt op een oud agrarische grond en heeft een verstoorde bodem. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.
Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving, binnen een straal van 3 km, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn, en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Grondgebonden zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, dekking, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. Voor rode eekhoorn is door de afwezigheid hiervan (hoge bomen) geen geschikt leefgebied aanwezig op de planlocatie. Derhalve kan aanwezigheid van deze soort uitgesloten worden. Voor de das is tevens door de afwezigheid van geschikte dekkingsmogelijkheden als houtwallen, bosschages en bomenrijen geen geschikt leefgebied aanwezig.
Mogelijk maakt de das gebruik van de omliggende agrarische velden, maar hierop heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed. Derhalve zijn negatieve effecten op de das en de rode eekhoorn uitgesloten. De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen en komen voornamelijk voor in kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden als oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen of houtwallen zijn. Hierbij zijn droge ruimten of holten van belang als rust- en nestplaats, waaronder konijnenholen, verlaten dassenpijpen en holle boomstammen. Dergelijke structuren zijn niet aanwezig op de planlocatie. Om de schuur heen staan een aantal struiken en andere (lage) vegetatie, echter doordat dit niet in verbinding staat met andere geschikte groenstructuren maakt het geen onderdeel uit van functioneel leefgebied van de bunzing, hermelijn of wezel. Tevens als kleine marterachtigen gebruik zouden maken van de planlocatie als voortplantingsof rustlocatie, zouden er sporen aangetroffen zijn als uitwerpselen, prooiresten, urinemarkering, etc. Door het ontbreken hiervan kan de aanwezigheid van een voortplantings- of vaste rustplaatsen van deze soorten uitgesloten worden.
Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
5
Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF 2010-2020). Tijdens het veldbezoekzijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie is één fruitboom aanwezig welke is geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Degelijke holte en openingen zijn niet aanwezig. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.
Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De schuur is opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en heeft een pannendak zonder dakbeschot. Aan de westzijde loopt een lager deel waarin wel een dakbeschot aanwezig is. Deze is echter rot en in een zeer slechte staat. Tevens zijn in dit deel van het dak geen openingen aanwezig die naar het dakruimte leiden. Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw en dakbeschot is het voor vleermuizen als de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis onmogelijk om in de schuur een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Grootoorvleermuizen zijn soorten die voornamelijk vrij hangen aan houten balken in open ruimte. De schuur heeft aan de binnen zijde houten balken en een grote open ruimte. In de gevel is tevens slechts één opening aanwezig welke naar binnen leidt. Doordat deze ruimte geheel open is en doordat het dak in een erbarmelijk staat is, is er veel tocht aanwezig. Hierdoor is er geen optimaal microklimaat aanwezig in de schuur. Daarnaast zijn er geen sporen als uitwerpselen en afgebeten vleugelresten waargenomen die duiden op de aanwezigheid van grootoorvleermuizen. Derhalve kan de aanwezigheid en negatieve effecten op de soort uitgesloten worden.
Hoewel uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Doordat er geen grote structuren verdwijnen zal ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden geen (essentiële) foerageergebieden of vliegroutes worden aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.
Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving, binnen een straal van 2 km, is de aanwezigheid bekend van de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de heikikker, poelkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch
6
(m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie bestaat uit een schuur met tuin waar geen oppervlaktewater in aanwezig is. Tevens is in de directe omgeving geen oppervlaktewater aanwezig waardoor de planlocatie geen onderdeel uitmaakt van essentieel voortplantingsgebied van amfibieën. Daarnaast worden de heikikker, poelkikker en rugstreeppad niet verwacht op het plangebied aangezien dit habitatskritische soorten zijn. Doordat de waarnemingen van de rugstreeppad niet binnen een straal van 1 km valt en in de directe omgeving geen geschikt habitat aanwezig is wordt spontane kolonisatie tijdens de werkzaamheden niet verwacht. Derhalve kunnen negatieve effecten op beschermde amfibieën uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving, binnen een straal van 2 km, is de aanwezigheid bekend van de levendbarende hagedis (NDFF 2010-2020).
Waarnemingen van deze soort zijn afkomstig uit het bosgebied ten zuidoosten van de planlocatie waar voldoende afwisselende structuren aanwezig zijn. Reptielen worden dan ook niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van grote vos en gevlekte witsnuitlibel (NDFF 20102020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Tevens is voor deze bovengenoemde soorten geen geschikt leefgebied aanwezig (bos, bosranden, schoon oppervlaktewater etc.). Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, koolmees, merel. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen naast de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In en om de schuur zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. De bebouwing is tevens door het ontbreken van grote openingen ontoegankelijk voor uilen. Daarnaast zijn in en om de schuur geen sporen als uitwerpselen en braakballen waargenomen. Derhalve kan de aanwezigheid van rust- en nestplaatsen van uilen op de planlocatie uitgesloten worden. Door het ontbreken van een dakbeschot in de hoge delen van het dak zijn hier geen geschikte huismus locaties aanwezig. Het dak ten westen heeft wel een dakbeschot maar zit zo dicht bij de grond dat dit geen veilige nestplaats is (c.q. toegankelijk voor katten en menselijke verstoring). Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.
De beoogde ontwikkeling leidt tot aantasting van groene delen. Dit zal echter niet resulteren in afname van essentieel leefgebied doordat direct langs de woningen met pannendaken voldoende groene struiken en hagen aanwezig zijn, welke een gunstige ligging hebben voor eventuele
7