CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

17-02-2021 Bijlage 4. Bijlagen bestemmingsplan 'Middelstraat 31a De Moer'.pdf

Raadsvergadering 17 februari 2022, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over vaststelling van het bestemmingsplan 'Middelstraat 31a De Moer'21.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Middelstraat 31a De Moer

bestemmingsplan Middelstraat 31a De Moer

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Archeologisch onderzoek

4

Bijlage 2

Bodemonderzoek

57

Bijlage 3

Quick scan Wet natuurbescherming

93

Bijlage 4

Stikstofberekening

110

Bijlage 5

AERIUS-berekening

114

Bijlage 6

Standaard verantwoording groepsrisico

121

Bijlage 7

Standaard advies groepsrisico

131

Bijlage 8

Verslag vooroverleg

145

Bijlage 9

Verslag zienswijzen

149

2

Inhoudsopgave (vastgesteld)

bestemmingsplan Middelstraat 31a De Moer

Bijlagen toelichting

Bijlagen toelichting (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Middelstraat 31a De Moer

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

4

Bijlagen toelichting (vastgesteld)

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK MIDDELSTRAAT 31 TE DE MOER GEMEENTE LOON OP ZAND

archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Middelstraat 31 te De Moer Opdrachtgever

Van den Berg Ruimtelijke Ordening Nachtegaal 32 4284 XD Rijswijk

Rapportnummer

10043.001

Versienummer1

2

Datum

13 juli 2020

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

drs. M. Stiekema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel

beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

10043.001

Toponiem

Middelstraat 31

Opdrachtgever

Van den Berg Ruimtelijke Ordening

Gemeente

Loon op Zand

Plaats

De Moer

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Loon op Zand, Sectie Q, Percelen 651 en 652

Omvang plangebied

Circa 1.300 m2

Kaartblad

44 G

Coördinaten centrum plangebied

X: 128.990 Y: 403.900

Bevoegde overheid

Gemeente Loon op Zand Anton Pieckplein 1 5171 CV Kaatsheuvel

T: 0416 289111 E: info@loonopzand.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Gemeente ’s-Hertogenbosch t.a.v. Dhr. J. van der Roest Postbus 12345 5200 GZ ‘s-Hertogenbosch

T: 073 6155155

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4718042100

Booronderzoek 471805100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerder

Econsultancy, drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Middelstraat 31 te De Moer in de gemeente Loon op Zand. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe woning in het plangebied te realiseren. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Of het in het Paleolithicum en Mesolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars is moeilijk vast te stellen door het ontbreken van landschappelijke informatie. Het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een lage archeologische verwachtingswaarde. Vanwege de ligging op een dekzandrug was het plangebied een voor landbouwers uit het Neolithicum en de Bronstijd een geschikte locatie, maar door de vernatting die langzaam begon op te treden nam deze geschiktheid gedurende met name de Bronstijd af. Op basis van het ontbreken van archeologische vondsten geldt voor het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Bronstijd. Voor de periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting. Waarschijnlijk is het plangebied tussen 1500 en 500 voor Chr.

onderdeel gaan uitmaken van een groot veengebied. In de Late Middeleeuwen is het gebied ontgonnen en het gehucht De Moer ontstaan. Op basis van de historische kaarten lijkt ook het plangebied zelf binnen de kern van dit gehucht te liggen. De archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd is daarom hoog. Resultaten inventariserend veldonderzoek In het plangebied zijn in alle boringen verstoringen aangetroffen aan het maaiveld, bestaande uit fragmenten baksteen en verstoorde sedimentlagen. De aangetroffen verstoorde bodemopbouw hangt vermoedelijk samen met de voormalige bebouwing in het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er in het plangebied vermoedelijk meerdere generaties aan bebouwing aanwezig is geweest sinds in ieder geval begin 19e eeuw, maar mogelijk teruggaand tot de 14e eeuw. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek deels bevestigd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen, kan de middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd worden bijgesteld naar laag. De hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan blijven gehandhaafd.

Op basis van het behoud van een deels hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.

Rapport 10043.001 versie 2

Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding, na de sloop van de bovengrondse delen van de schuur. Hierbij begeleidt de archeoloog de sloop van de vloer en de funderingen en de civieltechnische graafwerkzaamheden, waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Loon op Zand). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.

Rapport 10043.001 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 13 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 13 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 14 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 15

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 16 BRONNEN .......................................................................................................................................... 18

Rapport 10043.001 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidsadvieskaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen Kadastrale Minuut uit 1811-1832 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1870 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1936 Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

Rapport 10043.001 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Middelstraat 31 te De Moer in de gemeente Loon op Zand (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe woning in het plangebied te realiseren. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni 2019 door drs. M. Stiekema (senior prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog.

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.0, 07-06-2016) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:   

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);

2 Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 1 van 18

 

beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Loon op Zand; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 meter rondom het plangebied.3 De onderzoekslocatie (circa 1.300 m2) ligt aan de Middelstraat 31, in de kern van De Moer in de gemeente Loon op Zand (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 6,1 meter +NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens (waaronder een veldinspectie). Het plangebied is momenteel in gebruik als schuur omringd door tuin, behorende tot de naast het plangebied gelegen woning Middelstraat 31. Het zuidwesten van het plangebied betreft een grondstrook op een aangrenzend weiland (zie figuur 3). Het voornemen is om de bestaande schuur naast de woning te slopen en hier een extra woning terug te bouwen.

De eigenaar is bij Econsultancy niet bekend. Vigerend beleid4 Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Parapluherziening Loon op Zand 2019. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie. Volgens de bijbehorende

3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4 Ruimtelijkeplannen.nl

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 2 van 18

planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –mv. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd. 5 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de bouw van een woning gepland. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 12 bij 20 meter (240 m2) worden bebouwd. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is nog niet bekend. De toekomstige bebouwing zal grotendeels op de locatie van de huidige bebouwing worden gerealiseerd. Hiervoor zal eerst de huidige schuur, inclusief funderingen, worden gesloopt. Voor de geplande nieuwbouw zullen nieuwe funderingen worden gerealiseerd (zie bijlage 6). 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie6

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)

Geomorfologie7

Bebouwd (op dekzandrug (3L5))

Bodemkunde8

Hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ21)

Grondwatertrap

VI

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich in het noordelijke deel van de Roerdalslenk, een gebied met actieve tektonische bodemdaling. Het landschap heeft in hoofdzaak zijn huidige vorm gekregen gedurende de laatste ijstijd van het Pleistoceen, het Weichselien, en het Holoceen. 9 5

www.bodemloket.nl. De Mulder et al., 2003. 7 Alterra, 2003. 8 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 6

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 3 van 18

Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen en wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. 10 Het Holoceen kenmerkt zich door een blijvende klimaatverbetering en sterke zeespiegelstijgingen en daarmee samenhangend sterke grondwaterstijgingen. Gedurende het Holoceen ontwikkelt zich door de stijgende grondwaterstanden een dik veenpakket in het westen van Brabant. In eerste instantie worden de kleipakketten in het westen hierdoor afgedekt, maar later ook de Pleistocene dekzandgebieden waarvan ook het plangebied deel uitmaakt. In de dekzandgebieden begon de veengroei in de laaggelegen beekdalen en breidde zich van daar uit naar de hogere delen van het dekzandgebied. Gedurende de Bronstijd en IJzertijd breidde dit veengebied zich uit over het dekzandgebied ten westen van het plangebied, in 500 voor Chr.

(IJzertijd) is ook het plangebied zelf met veen afgedekt.11 De omgeving van het plangebied is op basis van de Paleogeografische kaarten afgedekt geweest met een veenpakket tot in de Middeleeuwen. Vooral in de periode 1200-1630 is veel van het veen afgegraven voor de turfwinning en plaatselijk mogelijk ook zoutwinning. Na deze periode wordt er geen veen meer op de zandgronden rond De Moer aangetroffen.12 Volgens de turfdatabank van de provincie Antwerpen, die is gebaseerd op het werk van Leenders 13, behoort het plangebied tot de oostelijke rand van het voormalige veengebied, tegen het dekzandgebied aan.14 DINO15 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn geen bruikbare boringen bekend binnen een straal van 1000 meter rond het plangebied. Er zijn daarom geen boorprofielen uit het Dinoloket meegenomen.

Geomorfologie16 De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van De Moer bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie figuur 4). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied op een dekzandrug ligt.

9

Hessing, Klerks, Simons en Quak, 2011. De Mulder et al. 2003, Berendsen, 2008. 11 Bazelmans et al., 2011. 12 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 13 Leenders, 2013. 14 Turfdatabank: http://geoloket.provincieantwerpen.be 15 www.dinoloket.nl. 16 Alterra, 2003. 10

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 4 van 18

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)17 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op het AHN is zichtbaar dat het plangebied op de vlak oplopende overgang van laag gelegen gebieden in het westen naar hoog gelegen gebieden in het oosten ligt (zie figuur 5). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (zie figuur 6). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland.

In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleidt dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.18 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald.

Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.

17 18

www.ahn.nl. Doesburg et al., 2007.

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 5 van 18

Grondwatertrappenindeling19

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMKterreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het provinciaal ‘belang aangeduid’. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.

De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Ze brengen focus aan in de inzet van de provinciale middelen hiervoor. De archeologische landschappen werken niet rechtstreeks door naar derden, maar zijn zelfbindend voor de provincie. De provincie zet in op samenwerken en stimuleren, met name voor wat betreft de afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid. Het plangebied ligt niet binnen een archeologisch landschap. Het plangebied ligt wel binnen het cultuurhistorisch landschap Langstraat. De Langstraat ligt op de overgang van zand naar klei. Het gebied maakte deel uit van een groot veenkussen dat zich bevond tussen Dordrecht, Woudrichem en Heusden. Bij de Sint-Elizabethsvloed

19

Locher & de Bakker, 1990.

20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 6 van 18

van 1421 zijn grote delen van het veencomplex weggeslagen. In het overgangsgebied van zand naar klei is sprake van een enorme kweldruk. De veenontginningen van de Langstraat worden gekenmerkt door de typische slagenverkaveling met elzensingels, dijken en kades, waarbij de smalle kavels met een dicht slotenpatroon nagenoeg haaks op de ontginningsbasis liggen. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van lange, kaarsrechte dorpen, sterk verwant aan de Hollandse veendorpen. Een mooi voorbeeld hiervan is 's Gravenmoer. De oorspronkelijke relatie tussen de dorpen, het afwisselend open en besloten slagenlandschap en het water is in de Langstraat nog goed beleefbaar. Hierdoor is het hele gebied cultuurhistorisch waardevol. Ten noorden van de Winterdijk is de Langstraat opener en grootschaliger dan ten zuiden daarvan. De lager gelegen polders maakten deel uit van de inundaties van de Zuiderwaterlinie. In het hele gebied zijn de noord-zuid georiënteerde turfvaarten en oostwestgerichte wegen de dragers van de landschapstructuur. De aanwezigheid van kweldruk leidt tot waardevolle flora en fauna gekoppeld aan waterlopen en natte graslanden. Dankzij de landinrichtingen is hier een goede productiestructuur voor de landbouw gecreëerd met veel ruimte voor grondgebonden teelten.

Een aantal kernen in de Langstraat hebben een sterke groei doorgemaakt: het oostelijke deel is verstedelijkt met de groei van Waalwijk, Sprang-Capelle en Kaatsheuvel. Het westelijke deel heeft een meer landelijk karakter. Hier liggen langgerekte veenlintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Het gebied bestaat overwegend uit grasland, afgewisseld met enkele sterke clusters voor boomteelt, glastuinbouw en groenteteelt. In de afgelopen tijd hebben verschillende ontwikkelingen geen rekening gehouden met de structuur van vaarten en lintdorpen/wegen. Hierdoor zijn de kwaliteiten van het landschap van de Langstraat onder druk komen te staan. Daarnaast heerst er in het gebied een spanning tussen cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouw. In het kader van de natuurdoelstellingen zijn bossen gerealiseerd terwijl de openheid een belangrijk historisch kenmerk is. De Langstraat is grotendeels Belvedère gebied, en één van de twintig cultuurhistorische landschappen van Brabant. In het kader van de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier wordt de Overdiepse polder ingericht als rivierverruimingsgebied. Hiervoor heeft de provincie in samenwerking met betrokken partijen een plan voorbereid. Het plan komt zowel de veiligheid in deze regio ten goede als het landbouwkundige gebruik en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

Waterschap de Brabantse Delta draagt zorg de uitvoering van het inpassingsplan.21 Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Loon op Zand Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Loon op Zand ligt het plangebied binnen een Archeologisch waardevol gebied 2; archeologisch waardevol terrein. Dit terrein hangt samen met de historische kern van De Moer (zie figuur 7).22 AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied23 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).

Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer 21

www.brabant.nl Hessing, Klerks, Simons en Quak, 2011. 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 7 van 18

hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 24 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal acht archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken en een proefsleufonderzoek (zie bijlage 2 en figuur 8). Bij de onderzoeken zijn uitsluitend bij een proefsleuvenonderzoek op 250 meter ten noordoosten van het plangebied archeologische sporen aangetroffen. Dit betroffen echter subrecente greppels en sloten, vermoedelijk uit de Nieuwe tijd.25 Bij de overige onderzoeken bleek de bodem ter plaatse dusdanig verstoord te zijn dat erg geen archeologische resten meer verwacht worden. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied26 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 8), welke samenhangt met het proefsleuvenonderzoek op 250 meter ten noordoosten van het plangebied.

Bij dit onderzoek is uitsluitend aardewerk en baksteen en greppels en sloten uit de Nieuwe tijd aangetroffen. De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten uitsluitend zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de Nieuwe tijd. Het lage aantal vondsten kan echter ook samenhangen met het lage aantal onderzoeken die er in en rond De Moer hebben plaatsgevonden. Wetenschappelijke publicaties In het kader van dit bureauonderzoek zijn, buiten de reeds besproken archeologisch rapporten van de onderzoeken die rond het plangebied zijn uitgevoerd 27, geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Aanvullende informatie Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 23 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 23 (afdeling 24, waar Loon op Zand eigenlijk onder valt, heeft momenteel geen bestuur en er wordt doorverwezen naar afdeling 23), (d.d. 26 juni 2019, contactpersonen dhr. W. van Klaveren en dhr. L. Toorians). De heer Toorians gaf aan: We zitten hier aan de rand van het voormalige hoogveengebied en in het zuidelijke uiteinde van de "Egmondse moeren" die werden uitgebaat door de abdij van Egmond. Verder is natuurlijk de vraag hoe oud de Middelstraat is.

Die zal ergens rond 1750 tot stand zijn gekomen, is mijn indruk. De Moer bevindt zich in het zuidelijke 'uiteinde' van het voormalige hoogveengebied. Aangenomen dat dit hoogveen pas in de Bronstijd echt begon aan te groeien, dient hier dus zeker rekening te worden gehouden met steentijdmateriaal. Daarvan zijn in de nabijheid meerdere vindplaatsen bekend. Het turven vond hier plaats in de 16e en 17e eeuw, dus vanaf die periode zijn opnieuw sporen te verwachten. Die verwachting valt volgens mij zeker niet op perceelsniveau te specificeren.

24

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Van den Bos, 2012 26 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 27 Van Breda, 2010; Beckers & Blom, 2011; Van den Bos, 2012; Besuijen et al, 2015; Exaltus & Orbons, 2016 25

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 8 van 18

Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Loon op ’t Sandt (d.d. 26 juni 2019). De heer van der Lee gaf aan: Het hele gebied van De Moer was een hoogveengebied, dat in 1269 door hertog Jan I van Brabant in leen werd gegeven aan Willem van Horne als de heerlijkheid Venloon, de huidige gemeente Loon op Zand. In 1383 koopt Pauwels I van Haestrecht die heerlijkheid van de heer van Horne, Gaasbeek etc. en hij is degene die het gebied gaat exploiteren. In 1396 krijgt hij toestemming van hertogin Johanna om een turfvaart te graven over Brabants gebied van De Moer naar Den Bosch en daarna wordt de turf afgegraven (tot 1642). Pas nadat de turf is verdwenen komt er bewoning in De Moer. De grote middeleeuwse weg van Antwerpen via Breda naar Vught en Den Bosch, die aanvankelijk een paar honderd meter zuidelijker lag, volgde later de Middelstraat. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van De Moer en Loon op Zand 28 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. De Moer is genoemd naar de veengrond die hier voorkwam en de daaruit voortkomende turfwinning. Hoewel reeds in de 14e eeuw ontstaan, is De Moer altijd klein gebleven. Het ligt op een kruising van wegen en bestaat grotendeels uit lintbebouwing. Pas in 1894 werd De Moer een zelfstandige parochie die afgesplitst werd van die van Loon op Zand. In eerste instantie is er een houten noodkerk gebouwd, welke in 1902 is vervangen door de huidige Sint-Joachimkerk op 100 meter ten noordoosten van het plangebied.

In de gemeente Loon op Zand ligt de kern van het huidige Loon op Zand. Rond het jaar 1100 ontstond bewoning in een (toen nog) nat gebied. De nederzetting stond bekend onder de naam Venloon. Sinds 1233 heeft het dorp waarschijnlijk de beschikking gehad over een kerk. Door te intensief gebruik (maaien en plaggen) van de heidevelden op de dekzandrug zijn daar vanaf de Middeleeuwen grote zandverstuivingen ontstaan: de Loonse en Drunense Duinen. Er bestaat onder de meeste historici een redelijke consensus dat het oudste dorp aan het eind van de 14e eeuw is verplaatst of verschoven naar de huidige locatie, die meer naar het zuidwesten ligt. De locatie van de oorspronkelijke kern ligt in het AMK-terrein 4291. Er bestaat nog onduidelijkheid of de oude kern als een zogenaamde Wüstung betiteld mag worden, met andere woorden is verlaten door plotseling overstuiven van het gebied, of dat er een ander, meer geleidelijk mechanisme aan ten grondslag ligt. Het nieuwe dorp werd ‘Venloen op Zand’ genoemd, het huidige Loon op Zand. Loon op Zand kan het beste gekarakteriseerd worden als een kasteeldorp. Het kasteel van Loon op Zand stamt uit de 14e eeuw en werd in 1777 ingrijpend verbouwd. Het dorp bevindt zich op de over28

Hessing, Klerks, Simons en Quak, 2011; reliwiki.nl

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 9 van 18

gang tussen zand en veengebied en lag op een kruispunt van wegen. Het dorp kreeg dan ook al snel een functie binnen de regionale handel en transport. Het huidige Loon op Zand is ontstaan aan dezelfde doorgaande weg als waar ook De Moer langs is ontstaan (de huidige Middelstraat). Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut29

1811-1832

Gemeente Loon op Zand, Sectie G, Blad 02

1:2.500

Erf met twee gebouwen, weiland en bouwland

Middelstraat al aanwezig.

Militaire topografische kaart 30 (veldminuut)

1870

605

1:50.000

Noorden bebouwd, doorsneden door weg.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1897

605

1:50.000

Twee gebouwen, plangebied doorsneden door weg.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1912

605

1:50.000

Twee gebouwen, plangebied doorsneden door weg.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1920

605

1:50.000

Twee gebouwen, plangebied doorsneden door weg.

Topografische kaart

1936

44G

1:25.000

Twee gebouwen

Topografische kaart

1947

44G

1:25.000

Een groot gebouw en erf

Topografische kaart

1959

44G

1:25.000

Huidige schuur

Bebouwing ten oosten van het plangebied is uitgebreid.

Topografische kaart

1969

44G

1:25.000

Huidige schuur

-

Topografische kaart

1981

44G

1:25.000

Huidige schuur

-

Topografische kaart

1999

44G

1:25.000

Huidige schuur

-

Middelstraat verhard

Weg door het plangebied verdwenen.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw al grotendeels onderdeel was van een erf. Sindsdien heeft er continu bebouwing in een deel van het plangebied gestaan. Oorspronkelijk met name in het noordelijke deel van het plangebied, later meer in het centrale deel (zoals de huidige bebouwing) In de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw is het plangebied ook doorsneden geweest door een (landbouw)weg (zie figuur 9-11). De woning direct ten oosten van het plangebied is gebouwd in 1800. 31 Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de histo29

Beeldbank Cultureelerfgoed Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 31 http://bagviewer.kadaster.nl 30

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 10 van 18

rischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Loon op Zand is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon mevrouw Berendsen-van den Berg). Tabel IV geeft een samenvatting van de verleende bouwvergunningen voor de onderzoekslocatie. Tabel IV.

Verleende bouwvergunningen

Jaartal

Naam aanvrager

Omschrijving

1938

kinderen M. v.d. Hoven

Bouwen landbouwschuur en slopen van bestaande schuur ten noorden van de nieuwe schuur (zie afbeelding 1). De schuur is gestut op poeren tot circa 50 cm -mv, de vloer ligt 25 cm boven het niveau wegdek. Verder heeft de schuur een kleine gierkelder (1x1 meter) ten zuiden van de bebouwing.

Afbeelding 1: situatie in 1938

Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 32 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting/Complextype

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Laag

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen

Onder het antropogeen eerddek en in

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 32

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 11 van 18

gebruiksvoorwerpen

de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op een dekzandruggengebied blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied echter uitsluitend sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Nieuwe tijd. Dit kan echter ook samenhangen met het beperkt aantal archeologische onderzoeken dat in de omgeving van het plangebied is uitgevoerd. Of het in het Paleolithicum en Mesolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars is moeilijk vast te stellen door het ontbreken van landschappelijke informatie. Het plangebied lag destijds vermoedelijk al op een dekzandrug, ver van een voor jagers-verzamelaars gunstige gradiënt naar (stromend) water. De landschappelijke informatie en het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een lage archeologische verwachtingswaarde. Vanwege de ligging op een dekzandrug was het plangebied een voor landbouwers uit het Neolithicum en de Bronstijd een geschikte locatie, maar door de vernatting die langzaam begon op te treden nam deze geschikheid gedurende met name de Bronstijd af.

Op basis van het ontbreken van archeologische vondsten geldt voor het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Bronstijd.

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 12 van 18

Voor de periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting. Waarschijnlijk is het plangebied tussen 1500 en 500 voor Chr. onderdeel gaan uitmaken van een groot veengebied. Eventuele archeologische resten uit de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen zouden in dit veenpakket kunnen zijn achtergebleven. Bij het turfsteken en de agrarische ontginning van het plangebied zullen deze resten zijn verdwenen, waardoor voor de periode IJzertijd - Vroege Middeleeuwen een lage verwachting geldt. In de Late Middeleeuwen is het gebied ontgonnen en het gehucht De Moer ontstaan. Op basis van de historische kaarten lijkt ook het plangebied zelf binnen de kern van dit gehucht te liggen. De archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd is daarom hoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd.

Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in gedurende in ieder geval de afgelopen 200 jaar deels bebouwd geweest en in gebruik geweest als erf. Door graaf-, sloop- en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde lage tot hoge archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 13 van 18

te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (4.0, 07-06-2016) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 26 juni 2019 door drs. M. Stiekema (senior prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1,20 meter -mv gezet (Figuur 12). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 33 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. In het plangebied zijn uitsluitend zwak siltige, matig fijne zandafzettingen aangetroffen. Aan het maaiveld is bij alle boringen een zwak humeus zandpakket aangetroffen, welke om de huidige bebouwing (bij de boringen 1-4) een dikte van 50-70 cm dik heeft en zwak tot sterk baksteenhoudend is. Bij boring 5 op het aangrenzende weiland is een 35 cm dik humeus pakket zonder fragmenten baksteen aangetroffen. Onder dit humeuze pakket is bij alle boringen een verstoord pakket aangetroffen, bestaande uit een gevlekte mix van het bovenliggende humeuze pakket en de onderliggende dekzandafzettingen. Bij de boringen 2, 3 en 4 is deze laag ook baksteenhoudend. De verstoringen reiken tot een diepte van 70 cm –mv bij boring 4 tot 90 cm –mv bij boring 1 en 3. Onder het verstoorde pakket zijn bij alle boringen onverstoorde dekzandafzettingen aangetroffen. Er zijn in het plangebied geen resten van het voormalige veendek waargenomen. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen.

Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

33 Bosch, 2005.

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 14 van 18

3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. In het plangebied zijn in alle boringen verstoringen aangetroffen aan het maaiveld, bestaande uit fragmenten baksteen en verstoorde sedimentlagen.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging van het plangebied in de historische kern van De Moer de kans daarop. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen verstoorde bodemopbouw hangt vermoedelijk samen met de voormalige bebouwing in het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er in het plangebied vermoedelijk meerdere generaties aan bebouwing aanwezig is geweest sinds in ieder geval begin 19 e eeuw, maar mogelijk teruggaand tot de 14e eeuw. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek deels bevestigd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen, kan de middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd worden bijgesteld naar laag. De hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan blijven gehandhaafd. Op basis van het behoud van een deels hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.

Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding, na de sloop van de bovengrondse delen van de schuur. Hierbij begeleidt de archeoloog de sloop van de vloer en de funderingen en de civieltechnische graafwerkzaamheden, waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Loon op Zand). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.

Rapport 10043.001 versie 2

Pagina 15 van 18

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Beckers, I.S.J. en J.M. Blom, 2011: Middelstraat tussen nr. 10 en nr. 14 te De Moer (gemeente Loon op Zand) Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC-rapport 2872, Amersfoort Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Besuijen, G.P.A, et al, 2015: Nieuwe Zuid-West 380 kV Hoogspanningsverbinding Borssele Tilburg – Deel Zeeland. Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact rapport 99. Middelburg Bos, P.A. van den, 2012: Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven De Hooivork II, De Moer Gemeente Loon op Zand. IDDS Archeologie rapport 1382, Noordwijk Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Breda, W.A. van, 2010: De Moer, plangebied “De Hooivork” (gemeente Loon op Zand) Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek, ADC-rapport 2381 Amersfoort Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=51ecd594-72b9-4288-aa24-2c455df1ba6a