CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

15-12-2022 Bijlage 1. Toelichting en regels vast te stellen bestemmingsplan ‘Van Lier Park’ te Loon op Zand.pdf

Raadsvergadering 15 december 2022, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over vaststelling bestemmingsplan 'Van Lier Park' te Loon op Zand26.017 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast is ter plaatse van boring 1 in de bovengrond een zwakke bijmenging met plastic waargenomen;  Op basis van de historie van het perceel en het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat onderhavige locatie als een niet verdachte locatie voor de aanwezigheid van asbest kan worden beschouwd. Deze conclusie wordt bevestigd doordat tijdens de boorwerkzaamheden op of in de bodem op basis van zintuiglijke waarnemingen geen asbestverdacht materiaal is geconstateerd;  Analytisch zijn in grondmengmonsters MM1 en MM4 (0,0 - 0,5 m -mv) licht verhoogde gehalten aan minerale olie geconstateerd;  Analytisch is in grondmengmonster MM3 (0,0 - 0,5 m -mv) een licht verhoogd gehalte aan lood geconstateerd;  Analytisch zijn in grondmengmonsters MM3 (0,0 - 0,5 m -mv) en MM5 t/m MM7 geen verhoogde gehalten met de onderzochte componenten geconstateerd;  Analytisch zijn in het grondwater naast licht verhoogde gehalten aan barium en zink, plaatselijk een matig verhoogd gehalte aan zink geconstateerd. NEN 5740 Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locatie”, niet juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht tot matig verhoogde gehalten aangetroffen.

Met uitzondering van het vermoedelijk van nature aanwezige matige verhoogde gehalte aan zink in het grondwater liggen de verhoogde gehalten onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Aangezien het matig verhoogde gehalte aan zink in het grondwater vermoedelijk kan worden toegeschreven aan een natuurlijk verhoogd achtergrondgehalte, wordt ons inziens, een nader onderzoek vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Wel dient bij de ontwikkeling van het gebied rekening te worden gehouden houden met de in de paardenbak (circa 900 m²) aanwezige textielresten (bodemvreemd materiaal) in de toplaag. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein, ontwikkeling van het gebied en de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. De grond is in milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor woningbouw.

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Van Lier Park

4.1.3

Conclusie

Noord-, oost- en zuidoostelijk deel plangebied Aanbevolen wordt de aanwezige met asbest verontreinigde grond ter plaatse van de sleuven S06, S07 en S08 te laten saneren door een erkend bodemsaneerder. De sanering kan worden gemeld door middel van het indienen van een BUS melding bij het bevoegd gezag (provincie Brabant). De overige aangetroffen gehalten vormen geen belemmering voor het uitvoeren van civiele werkzaamheden (verwijderen bebouwing en fundaties) ter plaatse van het perceel. Ook voor de geplande ontwikkeling, nieuwbouw en toekomstig gebruik als woonlocatie van het terrein vormen de aangetroffen gehalten in de bodem, ons inziens, geen belemmeringen. Zuidwestelijk deel plangebied Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein. Het aspect 'bodem' vormt, na sanering van de geconstateerde verontreinigingen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2

Geluid

4.2.1

Regelgeving

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:  de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);  de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;  functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

4.2.2

Onderzoek

Wegverkeerslawaai Omdat de nieuwe woningen zijn gelegen in de zone van de N261 is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. In deze paragraaf zijn de resultaten van dit onderzoek beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 7 bij de toelichting opgenomen. Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor de woningen door het wegverkeersgeluid afkomstig van de N261. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 53 dB. Maatregelen worden niet doelmatig geacht.

32

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

Aangezien het bestemmingsplan globaal van aard is zijn de geluidbelastingen binnen het woongebied berekend door middel van een contour. Afhankelijk van de uiteindelijke ligging van een woning kan op basis van de geldende contour een hogere waarde worden verleend (53, 52, 51 of 50 dB). Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat de contourlijnen op basis van open veld (ongunstigste situatie) zijn berekend. Voor de separate bouwvlakken zijn eveneens hogere waarden vast te stellen op basis van de toetspunten op de randen van deze bouwvlakken. Voor de bouwvlakken 1, 3 en 7 geldt een benodigde hogere waarde van 53 dB. Voor de bouwvlakken 2, 4, 5 en 6 geldt een benodigde hogere waarde van 52 dB. Bouwbesluit Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 61 dB. Voor de geveldelen van de gewenste woningen bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 61 - 33 = 28 dB. Een dergelijke gevelwering wordt in het kader van nieuwbouw mogelijk geacht zonder dat daarbij (grote) aanvullende voorzieningen nodig zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat de berekende waarde gebaseerd zijn op een berekening in open veld. In de praktijk zal voor een groot aantal woningen de geluidbelasting lager uitvallen.

In een later stadium kan een detailberekening (in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen) uitkomst bieden in de vraag of voor bepaalde woningen een nader gevelweringonderzoek nodig zal zijn. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen zal er een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende geveldelen worden uitgevoerd. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Goed’ tot ‘Slecht'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan wel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in subparagraaf 3.5.1 en 3.5.2 van het onderzoek kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd industrieterrein.

4.2.3

Conclusie

Mits de noodzakelijke hogere waarden worden verleend vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan is daarom ook een ontwerpbesluit hogere waarden voor 6 weken ter visie gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingediend op het ontwerpbesluit. Het college van burgemeester en wethouders heeft vervolgens voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan het definitieve hogere waardenbesluit genomen (zie bijlage 8). Ter waarborging van de berekening in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen is in de regels van dit bestemmingsplan een specifieke regeling opgenomen.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Regelgeving

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Van Lier Park

De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3 % grens' niet wordt overschreden.

Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.3.2

Onderzoek

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 94 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBMregeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Dit wordt bevestigd door het invullen van de NIBM-tool (versie 23 april 2022) op basis van de verkeersaantrekkende werking voor 92 woningen zoals opgenomen in subparagraaf 4.11.1 plus (uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden) 2 extra woningen; in totaal dus 94 woningen:

34

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn met behulp van de NSL-monitoringstool de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de belangrijkste wegen bepaald (MiddenBrabantweg (N261) en de route Bergstraat - Kerkstraat). Uit deze beoordeling blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) respectievelijk 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden.

Toetspunten NO2-concentratie NSL-Monitoringstool

Toetspunten PM10-concentratie NSL-Monitoringstool

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Van Lier Park

Toetspunten PM2,5-concentratie NSL-Monitoringstool Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

4.3.3

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNGhandreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

36

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.

4.4.2

Onderzoek

In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig. In navolgende tabel zijn de adressen en maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige bedrijven weergegeven: Adres

Inrichting

Bergstraat 28 28a

Gebr. van Esch Loon op Zand B.V. (lederfabrieken)

3.1

Geluid/ Geur

50 (30)

3

Kerkstraat 2 - 2a Café-cafetaria 't Loons Kwartier (cafés, bars)

1

Geluid

10 (0)

0

Kerkstraat 5

"De Bank" (restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. / overige zakelijke dienstverlening: kantoren / fitnesscentra)

2

Geluid

30 (10)

17

Willibrordusstraat Wijtvliet 2a - 2b (benzineservicestations zonder LPG)

2

Geluid

30 (10)

38

Klokkenlaan 9

1

Geluid

10 (0)

11

Vermeer Handels- en Transportbedrijf

Toelaatbare Maatgevend milieucategorie aspect

Richtafstand Feitelijke (in m)* afstand (in m)

*de gereduceerde richtafstand is tussen haakjes weergegeven Overzicht relevante bedrijvigheid Op basis van de VNG-brochure is het toekomstige woongebied over het algemeen aan te merken als een 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied dat is gelegen nabij hoofdinfrastructuur. Kenmerkend voor het omgevingstype 'gemengd gebied' is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse niet-woonfuncties aanwezig, waaronder de lederfabriek Gebr. van Esch. Het plangebied is bovendien gelegen binnen de invloedssfeer van de N261, ten westen van het plangebied. Gelet op de aanwezige functies en infrastructuur is voor het beoogde woongebied sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', waardoor de richtafstand terug kan worden gebracht met één afstandsstap. Dit betekent concreet dat de gereduceerde richtafstanden – zoals opgenomen in voorgaande tabel – van toepassing zijn. Zoals blijkt uit tabel reiken de gereduceerde richtafstanden van de meeste bedrijven niet tot de bestemmingen 'Wonen' en 'Woongebied'. Uitzondering hierop vormt de lederfabriek Gebr. van Esch aan de Bergstraat, die direct aan het plangebied grenst.

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen, heeft aanvullend onderzoek naar inrichtingslawaai plaatsgevonden en is het aspect geur nader beschouwd. Inrichtingslawaai lederfabriek Gebr. van Esch en Vermeer Handels en Transportbedrijf In het akoestisch onderzoek - dat als bijlage 9 bij de toelichting is opgenomen - zijn de geluidniveaus door beide bedrijven op de beoogde woningen berekend. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en indirecte hinder (beide inrichtingen) In hoofdstuk 4 van het onderzoek is toegelicht dat ter plaatse van de gewenste

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Van Lier Park

woningen/appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat en dat de inrichtingen in de omgeving niet in de bedrijfsvoering worden geschaad. Maximaal geluidniveau (beide inrichtingen) In hoofdstuk 4 van het onderzoek is toegelicht dat de inrichtingen in de omgeving, na het treffen van maatregelen, niet in de bedrijfsvoering worden geschaad. Welke maatregelen exact getroffen gaan worden zal in een later stadium worden bepaald, in dit onderzoek zijn de meest waarschijnlijke maatregelen onderzocht. Uit hoofdstuk 4 van het onderzoek blijkt dat ter plaatse van een aantal punten overschrijdingen worden berekend van de richtwaarden uit stap 2 uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Wanneer uitgeweken wordt naar stap 3 dan dient het bevoegd gezag cumulatie met andere geluidbronnen in acht te nemen. In dit geval worden enkel overschrijdingen berekend voor het maximaal geluidniveau. Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 2. Cumulatie is in het kader van het maximaal geluidniveau niet aan de orde. Door middel van maatregelen in de overdracht op het eigen terrein (schermen van 1,8 en 2,0 m hoog) en het inkorten van het bestemmingsvlak 'Woongebied' aan de oostzijde van het plangebied met 1,0 m worden de overschrijdingen weggenomen.

Deze maatregelen zijn opgenomen op de aangepaste verbeelding, zie bijlage VIII van het onderzoek. In samenhang met de verbeelding zijn de geluidwerende voorzieningen ook vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan via een voorwaardelijke verplichting. Worst-case is voor alle geluidwerende voorzieningen in het bestemmingsplan uitgegaan van een hoogte van 2,0 m, ook daar waar 1,8 m is voorgeschreven. De maatregelen zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk om een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat te kunnen garanderen. Zowel in de situatie met als zonder de afschermende voorzieningen en het wel/niet inkorten van het woongebied met 1,0 m aan de oostzijde van het plangebied is alsnog sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat binnen in de gewenste woningen en appartementen. De standaard gevelwering van 20 dB is hierbij voldoende. Het aspect 'industrielawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Geur lederfabriek Gebr. van Esch In het geuronderzoek - dat als bijlage 10 bij de toelichting is opgenomen - is onderzoek gedaan naar de geurbelasting van de lederfabriek op de woningen in het plangebied. Dit onderzoek heeft geen betrekking op het particuliere perceel aan de uiterste noordwestzijde van het plangebied.

Volgens het rapport Milieuzonering nieuwe stijl van de VNG (2) moet bij realisatie van woningen rondom lederfabriek Gebr. Van Esch een richtafstand van 30 m tot de perceelsgrens van het bedrijf aangehouden worden. Als uitgegaan wordt van een lederwarenfabriek geldt een afstand van 50 m. In dit rapport is nagegaan vanaf welke afstand tot het bedrijf sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geur, teneinde hier gemotiveerd van af te wijken. Uit de berekeningen blijkt dat de geurbelasting op de nieuw te bouwen percelen, lager zal zijn dan de geurbelasting op de reeds bestaande woningen. Aangezien er geen geurklachten van de bestaande woningen bekend zijn over de lederfabriek, worden deze ook niet verwacht van de nieuw te bouwen woningen. Er zijn verschillende richtlijnen voor de contouren waarbinnen niet gebouwd mag worden, te weten 0,5 ouE/m³ (toetswaarde VNG) en 0,5 ouE(H)/m³ (provincie Noord-Brabant) als 98-percentiel, en 5 ouE/m³ als 99,99-percentiel (provincie Noord-Brabant). Geen van deze waarden wordt overschreden op de geprojecteerde locaties van de nieuw te bouwen woningen, echter overlappen ze wel met gedeeltes van enkele percelen.

38

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

Er wordt minder hinder verwacht voor het aspect geur op de voorgestelde bouwlocaties dan op de naburige bestaande locaties reeds plaatsvindt. Er wordt dan ook van uit gegaan dat er geen hinder zal optreden. Indien woningbouw binnen de nu getekende contouren toch gewenst is, dan wordt aanbevolen om de geuremissie van het bedrijf met metingen vast te stellen. Ter waarborging van een goede ruimtelijke ordening is voor het niet onderzochte woonperceel aan de uiterste noordwestzijde van het plangebied in de regels vastgelegd dat deze vrijstaande woning pas gerealiseerd mag worden, nadat is aangetoond dat op het gebied van geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Van Lier Park

4.4.3

Conclusie

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Geur

4.5.1

Regelgeving

Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder moeten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken worden toegepast. Veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimumafstanden en of norm voor de geurbelasting tot geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. De Wgv stelt alleen eisen aan de geurhinder vanwege dierenverblijven. De Wgv maakt hierbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren:  De wet schrijft voor dat bij dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld de geurbelasting op een 'geurgevoelig object' niet meer mag bedragen dan een bepaalde waarde. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv).  Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen, moet tenminste een minimale afstand tussen een veehouderij en een 'geurgevoelig object' worden aangehouden.

De maximaal toegestane geurbelasting op 'geurgevoelige objecten' is bij dieren met een geuremissiefactor afhankelijk van de liggen van de objecten. Deze maximale waarde voor de geurbelasting is opgenomen in artikel 3 van de Wgv en wordt uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (OUe/m³). Hierbij wordt uitgegaan van de 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent dat de berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van het jaar niet wordt overschreden. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Ten behoeve van het plan verandert de bestemming van de percelen plaatselijk bekend Klokkenlaan 30 en 32, de huidige (gedeelten van) percelen kadastraal bekend de gemeente Loon op Zand, sectie E, nummers 2073, 4200, 4722 en 4723 (allen gedeeltelijk) van 'Agrarisch-Paardenhouderij' naar 'Wonen'. Op deze percelen wil de eigenaar op hobbymatige wijze 8 paarden blijven houden. Op basis van huidige wet- en regelgeving kunnen er te allen tijde hobbymatig vier paarden worden gehouden. Op het hobbymatig houden van paarden is geen wet- en regelgeving van toepassing, omdat het geen inrichting betreft en geen bedrijfsmatig karakter heeft. Op het perceel plaatselijk bekend Klokkenlaan 30 en 32 in Loon op Zand is op tot het moment van vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan een manege gevestigd. Dit bedrijf verdwijnt om de ontwikkeling van woningbouw mogelijk te maken. De eigenaar van de manege heeft aangegeven dat hij 8 paarden wil houden voor gebruik door hem zelf en familieleden. Dit als een overgangsfase na de bedrijfsbeëindiging. De omvang hiervan is niet bedrijfsmatig en tijdelijk. Dit wordt daarom vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan en daar zijn een aantal voorwaarden aan verbonden.

40

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

De ontwikkeling van dit plangebied is van belang voor de gemeente Loon op Zand. De behoefte aan nieuwe woningen is erg groot. Aangezien de 8 paarden op hobbymatige wijze worden gehouden en het aantal paarden op termijn wordt afgebouwd tot 4 paarden, leidt dit tot de afweging dat er in deze situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen in het plangebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet er een afweging ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat plaats vinden. Voor de 8 paarden is er, om af te kunnen wegen of dit ruimtelijk inpasbaar is, een geuronderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is berekend welke afstand tot het toekomstige bouwvlak binnen de bestemming 'Woongebied' moet worden aangehouden vanwege de geuremissie van de dieren. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 11 bij de toelichting gevoegd. In het geuronderzoek worden de volgende conclusies getrokken:  De berekende immissieconcentraties als gevolg van de paardenstal ter hoogte van de te bouwen woningen bedragen maximaal 0,4 ouE/m³ als 98-percentiel en 0,7 ouE/m³ als 99,9-percentiel;  De geurbelasting ter hoogte van de geplande woningbouw voldoet overal aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. Zodoende is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het hobbymatig houden van 4 extra paarden (in totaal maximaal 8 dieren) en het hebben van een mestplaat van maximaal 3 m3 vaste paardenmest is ruimtelijk inpasbaar, op voorwaarde dat minimaal de berekende afstanden bij de planvorming in acht worden genomen. De in het rapport berekende afstanden zijn vervolgens gebruikt om het bouwvlak van de paardenstal te positioneren. De in het rapport berekende afstand tussen de stal en het bouwvlak van de geprojecteerde woningen bedraagt minimaal 19 m. Deze afstand wordt gerealiseerd en is vastgelegd op de verbeelding. Het aspect 'agrarische geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Van Lier Park

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd.

Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 m). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.6.2

Onderzoek

Op basis van de risicokaart zijn er in de nabijheid van het plangebied enkele risicobronnen aangetroffen. Het gaat om:  Sportcentrum Vital, Kerkstraat 36;  vervoer van gevaarlijke stoffen over de Midden-Brabantweg (N261);  aardgastransportleiding VE-5801-WWS-10-S. Sportcentrum Vital, Kerkstraat 36 Ten oosten van het plangebied is Sportcentrum Vital gelegen. Binnen deze inrichting is een chloorbleekloogtank aanwezig. De installatie dient te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. Voor deze tank gelden geen veiligheidsafstanden vanuit het groep- en/of plaatsgebonden risico. De theoretische effectafstand van de opslag van chloorbleekloog bij het vrij komen van chloorgas bedraagt 60 m. Omdat de chloorbleekloogtank op meer dan 100 m van het voorliggende plangebied is gesitueerd, wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn ten opzichte van het sportcentrum. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de Midden-Brabantweg (N261) Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N261, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 m zone) op ruim 210 m van de kant van de weg.

Dit wordt bevestigd door het externe veiligheidsonderzoek, waarvan de rapportage als bijlage 12 bij de toelichting is gevoegd. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in ieder geval worden ingegaan op de mogelijkheden voor:  de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute;  de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat in dit geval volstaan kan worden met de standaard verantwoordingstekst voor het groepsrisico, zoals opgenomen in bijlage 14. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) 'bijzonder kwetsbare object', bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de om vang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Er wordt

42

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

volstaan met een verwijzing naar het standaardadvies van de brandweer, dat als bijlage 13 bij de toelichting is gevoegd. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Aardgastransportleiding VE-5801-WWS-10-S Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding van Vermilion, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Er is een onderzoek uitgevoerd naar de invloed van deze aardgastransportleiding op het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 12 bij de toelichting gevoegd. Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook van 5,0 m. Er is geen sprake van een PR10-6 contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het groepsrisico van de aardgasleiding VE-5801-WWS-10-S is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de planrealisatie.

Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan, staan beschreven in paragraaf 2.2.2 van het onderzoek. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het vermogen van personen om zichzelf te kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Het meest waarschijnlijke en meest voorkomende ongeval voor een gasleiding is een fakkelbrandincident. In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen de personen binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding mogelijk slachtoffer worden. De geprojecteerde woningen bevinden zich binnen het invloedsgebied van de gasleiding. Het gaat uitsluitend om eengezinswoningen met maximaal twee bouwlagen die relatief makkelijk te ontvluchten zijn. De veiligheidsregio adviseert bij de uitwerking van de bouwplannen rekening te houden met de situering van nooduitgangen en vluchtroutes van de risicobron af, onder meer door doormiddel van de aan te leggen infrastructuur en via twee onafhankelijke routes.

Buiten het invloedsgebied is in het geval van een fakkelbrand, schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Ter verbetering van de zelfredzaamheid worden toekomstige bewoners op de hoogte gesteld van de aanwezige aardgastransportleiding en het mogelijke handelingsperspectief bij calamiteiten. De gemeente heeft in dat kader een informatieplicht. Het plangebied is bovendien gelegen binnen het dekkingsgebied van een waarschuwing- en alarmeringsinstallatie. Dit kan gebruikt worden om de toekomstige bewoners te waarschuwen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Bestrijdbaarheid Om de bestrijdbaarheid te vergroten dient het plangebied over voldoende bluswatervoorzieningen te beschikken. Tevens dient bij de inrichting van het plan in overleg met de veiligheidsregio rekening te worden gehouden met voldoende bereikbaarheid voor hulpdiensten.

Dergelijk overleg met de veiligheidsregio vindt regelmatig plaats en zal worden gecontinueerd gedurende het proces van de planvorming en het ontwerpen opdat er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zullen zijn en het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. De belangrijkste oorzaak van incidenten aan buisleidingen is óf graafwerkzaamheden langs de leiding

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Van Lier Park

óf verzakking als gevolg van graaf/bouwwerkzaamheden in de directe omgeving. De gemeente Loon op Zand is extra alert bij dergelijke werkzaamheden en zal het eigen personeel, aannemers en ontwikkelaars nadrukkelijk wijzen op de ligging en gevaren van de buisleiding. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

4.6.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is voor advies zowel voorgelegd aan de Veiligheidsregio Midden- en WestBrabant (Veiligheidsregio MWB) alsmede aan de brandweer.

4.7

Waterhuishouding

4.7.1

Regelgeving

Op grond van de afspraak uit de startovereenkomst WB21 dienen decentrale overheden in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf op te nemen. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Deze waterparagraaf bevat zowel het wateradvies als enkele randvoorwaarden waaraan het plan moet voldoen. Beleidskader Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). De thema’s van duurzaam waterbeheer worden samengevat in 2 tritsen. Het gaat om de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ voor de waterkwaliteit en de trits ‘benutten/vasthouden – bergen – afvoeren’ voor de waterkwantiteit. De algemene thema’s van duurzaam waterbeheer zijn als volgt:  Stap 1: benutten c.q. vasthouden van hemelwater in de bodem binnen het plangebied;  Stap 2: bergen van hemelwater in oppervlaktewater binnen het plangebied;  Stap 3: afvoeren van hemelwater naar buiten het plangebied.

De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, onderdeel van het Deltaprogramma 2016, schrijft voor dat Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimtelijke omgeving moeten opnemen in het beleid. Doel van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is het sturen van het veranderingsproces om het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland een vanzelfsprekend onderdeel te maken van ruimtelijke (her)ontwikkeling. Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers mag ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Met ingang van 14 oktober 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Grenzeloos verbindend’ van het waterschap Brabantse Delta van kracht. Het waterbeheerplan beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe ze dat wil doen. Daarnaast beschikt het waterschap Brabantse Delta over een verordening: Keur waterschap Brabantse Delta 2015. Hierin staan de geboden en verboden voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. Van alle verboden werken en/of werkzaamheden die niet voldoen aan de criteria van de algemene regels, kan vergunning worden aangevraagd.

Duidelijke en vastgestelde uitgangspunten hierbij zijn geformuleerd en vastgelegd in beleidsregels. Initiatieven voor (bouw)werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden hieraan getoetst.

44

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

Voor het versneld afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak geldt vanuit de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 een verbod. Het Programma Water en Riolering (PWR) 2021-van gemeente Loon op Zand is een beleidsplan, dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken beschrijft. Door middel van het PWR legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van de burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, grond-, en oppervlaktewater. Voor de toekomst zijn er aantal doelen opgesteld: Stedelijk afvalwater  Doelmatige inzameling en transport van stedelijk afvalwater.  Voorkomen van ongewenste emissies/gezondheidsrisico’s en beperken overlast voor de omgeving.  Bijdragen aan een duurzame verwerking van afvalwater. Hemelwater  Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater.  Beperken van het risico op wateroverlast.  Beperken van de milieubelasting op bodem en oppervlaktewater.  Bijdragen aan klimaatadaptatie. Drinkwater  Bijdragen aan de bescherming van drinkwatervoorzieningen. Grondwater  Voorkomen van structurele grondwateroverlast en -onderlast, afgestemd op de functie van het gebied of object.  Bijdragen aan gebiedsgericht grondwaterbeheer.  Bijdragen aan klimaatadaptatie. Oppervlaktewater  Borgen bergings- en ontwateringsfunctie van het stedelijk oppervlaktewater.  Bijdragen aan het verhogen van de waterbeleving van stadswateren.

 Bijdragen aan klimaatadaptatie. Daarnaast wil de gemeente de kans op wateroverlast en -schade als gevolg van extreme neerslag nu en in de toekomst verminderen. Daarom heeft de gemeente een hemelwatervisie opgesteld, de ‘Hemelwatervisie Loon op Zand’. Het doel van deze hemelwatervisie is drieledig:  Het creëren van bewustwording bij burgers en bedrijven voor de wateropgave, en het inventariseren van draagvlak voor oplossingsrichtingen.  Het opstellen van een visie gebaseerd op kennis en ervaring vanuit de inwoners en bedrijven van Loon op Zand, de ambtelijke ambities en de bestuurlijke voorkeuren.  Het vertalen van de hemelwatervisie tot globale oplossingsrichtingen. 4.7.2

Onderzoek

Kenmerken plangebied Het plangebied betreft de locatie ‘Van Lier Park’ te Loon op Zand. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 24.102 m 2 . In de huidige situatie is het verhard oppervlak circa 8.000 m². In de nieuwe situatie is het verhard oppervlak circa 17.410 m² bij een perceelverharding van 65%. Bestaande geohydrologische gesteldheid Om de toestand van de bodem in beeld te krijgen is in augustus 2018 en aanvullend in april 2021 een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd ('P18-0496-005 Notitie in-situ infiltratie onderzoek', d.d. 21 augustus 2018, opgesteld door adviesburo BOOT). De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt:  Het maaiveld op de onderzoekslocatie varieert van circa NAP +11,2 m tot NAP +11,9 m;  Bij de uitgevoerde boringen zijn tot 0,8 m minus maaiveld, bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Het grondwater is aangetroffen op een diepte van 3,5 tot 3,9 m minus maaiveld. Zowel boven als onder de grondwaterstand zijn dunne leemlagen en/of zeer fijn tot uiterst fijn, sterk siltig zand aangetroffen;  De doorlatendheid van de bodem in de onderzochte zandlagen in het plangebied is goed tot zeer goed doorlatend.

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Van Lier Park

In de omgeving rondom het plangebied is de grondwaterstand over een langere periode gemonitord en wordt geraadpleegd vanuit Dinoloket. Ten westen van het plangebied is een peilbuis aanwezig waar van 1951 tot 1992 de grondwaterstand met regelmaat gemonitord is. Ten oosten van het plangebied is een peilbuis aanwezig waar de grondwaterstand van 1951 tot 2009 gemonitord is. Ter hoogte van de peilbuis aan de westzijde van het plangebied is een gemiddelde grondwaterstand van circa NAP +6,80 m bepaald. De RHG bedroeg hier circa NAP +7,60 m. Ten oosten van het plangebied is de gemiddeld bemeten grondwaterstand circa NAP +7,70 m en de RHG circa NAP +8,60 m. De Representatief Hoogste Grondwaterstand (RHG) is gelijk aan het 90 e percentiel van de gemeten grondwaterstand; 10% van de meetperiode wordt een hogere grondwaterstand gemeten. De Representatief Laagste Grondwaterstand (RLG) is gelijk aan het 10e percentiel van de gemeten grondwaterstanden; 10% van de meetperiode wordt een lagere grondwaterstand gemeten. De RHG en RLG komen statistisch goed overeen met de GHG en de GLG. De grondwaterstand verloopt van oost naar west. Dit betekent dat ter hoogte van het plan een RHG van circa NAP +8,10 m aangehouden dient te worden.

Bestaande waterhuishoudkundige situatie Binnen en direct grenzend aan het plangebied zijn geen watergangen aanwezig die deel uitmaken van het watersysteem van waterschap Brabantse Delta. Aan de zuidoostzijde van het plangebied zijn enkele B-watergangen aanwezig die richting de westzijde afwateren naar een A-watergang. De stuw in de A-watergang heeft een minimale kruinhoogte van NAP +10,06 m. Dit betekent dat het minimale peil in de watergang aan de zuidoostzijde van het plangebied NAP +10,06 m bedraagt. Binnen het plangebied is geen gemeentelijke riolering aanwezig. Grenzend aan het plangebied is aan de noordzijde in de Bergstraat/Kerkstraat een gescheiden stelsel aanwezig. De vuilwaterriolering bestaat uit beton ø800 mm en heeft een b.o.b. van circa NAP +8,10 m. Dit vuilwaterriool is ter hoogte van Bergstraat 2 en Kerkstraat 10 voorzien van een uitlegger Ø250 mm met een b.o.b tussen NAP +8,89 m en NAP +8,96 m richting het plangebied. De hemelwaterriolering bestaat uit beton ø500 en 800 mm en heeft een b.o.b. van circa NAP +9,13 m. Dit hemelwaterriool is ter hoogte van Bergstraat 2 en Kerkstraat 10 voorzien van een uitlegger richting het plangebied. Aan de oostzijde van het plangebied in de Klokkenlaan is een gemengd stelsel aanwezig. Deze bestaat uit beton Ei 900/1350 mm. Hemelwater en riolering Binnen het plangebied is sprake van een toename van 5.652 m².

Vanwege deze toename (>500 m²) is er vanuit het waterschap een compensatieplicht. De gemeente hanteert daarentegen een strengere eis om een robuust systeem te realiseren. De gemeente heeft aangegeven dat gerekend moet worden met 60 mm bergingscapaciteit over het totale verhard oppervlak. Bij een verhard oppervlak van 17.410 m² betekent dat een bergingsopgave van 17.410 m² * 60 mm = 1.045 m³. Hiermee wordt automatisch voldaan aan de eisen van het waterschap. Binnen het plangebied is infiltreren van hemelwater kansrijk door de lage grondwaterstand en een goede doorlatendheid. Het hemelwater afkomstig van de verharde oppervlakken worden, indien doelmatig, oppervlakkig afgevoerd naar de regentuin, wadi’s of naar infiltratie riolering. De infiltratie riolering wordt verbonden met het bestaande gescheiden systeem op het HWA stelsel. Om het hemelwater zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken, wordt tussen het nieuwe en bestaande systeem een wervelventiel met terugslagklep toegepast. Om invulling te geven aan het klimaat adaptief inrichten van de openbare ruimte zijn in dit plan diverse maatregelen getroffen. Hierbij wordt gedacht aan mogelijkheid voor waterberging binnen het straatprofiel tijdens zeer extreme situaties. Daarnaast worden groenzones verlaagd (ca.

0,1 m) aangelegd om bij te dragen aan een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte doordat ze dan als infiltratiestrook fungeren. Ook het oppervlakkig afvoeren van hemelwater, om bewustwording bij bewoners te vergroten en foutaansluitingen te voorkomen, wordt indien redelijkerwijs mogelijk toegepast binnen het plangebied. Ook zorgen bijvoorbeeld de regentuinen en IT-riolering ervoor dat het hemelwater plaatselijk wordt geïnfiltreerd om zo het hemelwater zoveel mogelijk via de natuurlijke wijze te verwerken. Het vuilwater zal worden aangesloten op het bestaande vuilwaterstelsel van de gemeente ten noorden van het plangebied.

46

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

Grondwater Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen geen bodemlagen aantasten als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert. Oppervlaktewater Het plan ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Het is daarom niet te verwachten dat het plan van invloed zal zijn op de veiligheid van een waterkering. De gemeente streeft ernaar om het gebruik van uitlogende bouwmaterialen te voorkomen. Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

4.7.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt het voorliggende bestemmingsplan nog aan het waterschap voorgelegd.

4.8

Ecologie

4.8.1

Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.

De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Van Lier Park

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen, in het kort de bouwvrijstelling. Er is een knip gemaakt tussen de bouw en het gebruik van een bouwwerk. De milieubelasting tijdens de bouw is tijdelijk, terwijl het gebruik een permanent karakter heeft. Vanwege de vrijstelling is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies te toetsen op stikstof. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de depositie in de gebruiksfase een rol speelt. De vrijstelling geldt expliciet alleen voor stikstof en niet voor andere negatieve effecten die tijdens de bouwfase als gevolg van geluid, licht en trillingen op Natura 2000-gebieden kunnen optreden.

48

bestemmingsplan "Van Lier Park" (vastgesteld)

bestemmingsplan Van Lier Park

4.8.2

Onderzoek

Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan naar de aanwezige flora en fauna uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven. De volledige rapportage is als bijlage 16 bij de toelichting opgenomen. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Noord-Brabant. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Voor het reeds in 2019 onderzochte gebied is de conclusie gelijk als die aan 2019; effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de ruimtelijke ontwikkeling voor dit gebied is niet in strijd met het gestelde van de soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming. Verder is er een kans op het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van huismus en gierzwaluw in het uitbreidingsgebied van de manege aan de Klokkenlaan 30 te Loon op Zand. Effecten kunnen dan ook niet worden uitgesloten bij sloop van de opstallen van de manege.

Op grond hiervan wordt geadviseerd om een gerichte veldinventarisatie uit te voeren naar het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van huismus en gierzwaluw. Pas na afronding van deze aanvullende inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. Er is daarom een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van huismus en gierzwaluw in het zuidwestelijk deel van het plangebied uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 17 bij de toelichting gevoegd. De conclusie van het onderzoek is dat binnen het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn. Er zijn eveneens geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Wel gaan er door de ingreep negen nesten van huismussen verloren. En daarnaast gaat er een zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis verloren en zal mogelijk een paarverblijf/ klein winterverblijf van de gewone dwergvleermuis worden verstoord. Hiervoor zijn passende maatregelen nodig, die beschreven dienen te worden in een mitigatieplan en/of ecologisch werkprotocol. Daarnaast moet er een ontheffing voor de huismus en voor de gewone dwergvleermuis aangevraagd worden.

Gebiedsbescherming Het plangebied heeft geen status in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebied (Vogel- of Habitatrichtlijngebieden). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ('Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen') ligt op circa 550 m ten noorden van het plangebied. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft de meeste storingsfactoren zoals versnippering, verdroging, trillingen of geluid-, optische en lichtverstoring. Vanwege de afstand, de geringe omvang van de ontwikkeling in het plangebied en de afscherming door omliggende elementen worden effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen uitgesloten. Een effect als gevolg van stikstofdepositie (verzuring en vermesting vanuit de lucht) wordt niet aannemelijk geacht omdat er geen nieuwe wegenstructuur wordt aangelegd die leidt tot meer verkeer nabij het Natura 2000-gebied. Tevens wordt met de ontwikkeling een bestaand bedrijf (lederfabriek) wegbestemd. Een passende beoordeling of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Dit wordt bevestigd door het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek (zie bijlage 18), waarin voor de aanleg- en gebruiksfase en voor de referentiesituatie van het gewenste plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura 2000-gebieden berekend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=ccbd65ee-fe13-4665-b1c0-ef7dba401d63