11-07-2022 Bijlage 1. Toelichting ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 'gevoeligheidsfactor' x 0,06 (m) In de beoogde situatie is er sprake van toename verhard oppervlak, dit is onder te verdelen in: Dakoppervlak woningen - Tuinen behorende bij de woningen (750Zo verharding) Openbare verharding (wegen, parkeren, paden)
22 van 46
Grasbetontegels (50/ verharding) Tabel 1: Overzicht verhard oppervlak beoogde situatie
Type verharding Dakoppervlak woningen Tuinen Openbare verharding Grasbetontegels Totaal
Bruto oppervlak (m2) 984 1889 1880 211 4.964 m2
07o verhard 100/ 75/ 100/ 50/
Verhard oppervlak (m2) 984 1417 1880 106 4.387 m2
Binnen het plangebied bedraagt de hoeveelheid verhard oppervlak in de huidige situatie 1.445 m2, in de beoogde situatie bedraagt het verhard oppervlak 4.387 m2. Dit betreft een toename van 2.941 m2 aan verhard oppervlak binnen het plangebied. Bovenstaand betreft een standaardbenadering, nadere uitwerking vindt plaats bij het vast te stellen bestemmingsplan. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Dit wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Brabantse Delta, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: 1A (Laag), V2 (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 9 blijkt is er voor het plangebied een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing. Verhard oppervlak Gevoeligheidsfactor
Molenwijck
Afbeelding 9: Uitsnede Keur Brabantse Delta 'gevoeligheidsfactor', plangebied omcirkeid
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3Zha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario's. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie plangebied = 2.941 m2 x 1 x 0,06 s 177 m3 Binnen het plangebied zullen er één of meerdere wadi's worden aangelegd om water te bergen met en capaciteit van minimaal 177 m3. Middels deze wadiOs) wordt het hemelwater geborgd en langzaam
23 van 46
geïnfiltreerd in de bodem. De exacte uitwerking van de infiltratievoorziening zal plaatsvinden in het kader van de aanvraag voor een Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, conform de richtlijnen van het Waterschap en de gemeente. Daarnaast zijn initiatiefnemers voornemens om zo min mogelijk verharding realiseren in openbare ruimte. Hiervoor worden technische oplossingen voor water gezocht, zoals groene bermen en open parkeervakken. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. 4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.
Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: " Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; " Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; " Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.
Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 900Zo van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart 'Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden' van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 10. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
24 van 46
gevonden op deze locatie
Attentiezone waterhuishouding - Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Behoud en herstel van watersystemen - Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Natuur Netwerk Brabant - Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden
Afbeelding 10: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden'lov, plangebied omcirkeid
4.3.2. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Langstraat. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, dat op een afstand van circa 270 meter ligt, zie onderstaande afbeelding.
25 van 46
Loonseen Drunense Duinen b Leemkuilen
Land van Kleel
Loonse Hoek
Loon op Zand
MotenwiĮCk
Afbeelding 11: Overzicht ligging Natura-2000gebied, plangebied omcirkeid
Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen).
De Wet stikstof en natuurbescherming is per 1 juli 2021 in werking getreden. Hierdoor is het niet noodzakelijk om de stikstofdepositie van bouwprojecten inzichtelijk te maken omdat dit maar tijdelijke emissies zijn. In dit kader is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief. Voor de beoogde ontwikkeling is wel onderzocht wat de effecten zijn na realisatie van het plan, hiervoor is een AERIUS-berekening gemaakt voor de gebruiksfase van het initiatief. Conform de CROW-publicatie toekomstbestendig parkeren is de verkeersgeneratie van een woning in rest bebouwde kom 8,6 voertuigen per dag. In de beoogde situatie zijn er 8 woningen aanwezig binnen het plangebied. De vervoersbewegingen zijn ingevoerd tot het moment dat deze zijn opgenomen in het 'heersende verkeersbeeld'. Om deze reden zijn er lijnbronnen opgenomen tot de Kloosterstraat, vanaf de Kloosterstaat worden de voertuigen opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De ontsluiting van de vier vrijstaande woningen zijn aan de oostzijde van het plangebied opgenomen, de vervoersbewegingen van de vier twee-onder-een-kap woningen zijn via de Ecliptica tot de Kloosterstraat ingevoerd. Sinds 1 juni 2018 worden nieuwbouwwoningen niet meer aangesloten op het gasnet, hierdoor wordt er in de berekeningen geen gasgestookte installatie opgenomen.
De AERIUSberekening van de gebruiksfase is opgenomen in Bijlage 3.
26 van 46
Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie met de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren Vanwege de afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Loonse en Drunense Duinen ŭ Leemkuilen' leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: " Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Kloosterstraat - Ecliptica, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van de landbouwgronden grenzend aan het plangebied is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Voor de beoogde ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd door 'Brabant Eco'. Uit dit onderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied uit te sluiten is.
27 van 46
Doordat er geen bomen worden gekapt die vallen onder houtopstanden is een nadere toetsing m.b.t. houtopstanden niet nodig. Binnen het plangebied is geen te slopen bebouwing aanwezig, hierdoor zijn er geen potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen aanwezig. Met betrekking tot vogels kan er worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op het broed- en foerageergebied, in de omgeving blijft voldoende geschikt broed- en foerageergebied behouden. Mogelijk wordt de aanwezige vegetatie in de omgeving gebruikt voor schuil- of broedplaatsen. Door het kappen van de beplanting uit te voeren in de periode september tot en met februari wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedende vogels voorkomen. De volledige onderzoeksresultaten en advies zijn opgenomen in Bijlage 4. 4.4. Boom Effect Analyse (BEA) Binnen het plangebied zijn bestaande bomen aanwezig, welke evenwijdig aan de Kloosterstraat zijn gesitueerd. Voor deze bomen zijn er twee 'Boom effect analyses' uitgevoerd door twee verschillende onderzoekbureaus. Het eerste onderzoek heeft plaatsgevonden in juni 2021, uitgevoerd door Brouwers Groenaannemers. Dit onderzoek was gericht op de bomen aanwezig binnen de invloedssfeer van het woningbouwproject, te weten 7 eiken en 6 beuken langs de Kloosterstraat.
Deze bomen zijn geïnventariseerd en geanalyseerd, waaruit wordt geconcludeerd dat 8 van de 15 bomen een onvoldoende Z slechte kwaliteit hebben of zelfs al dood zijn. Deze bomen dienen verwijderd te worden. Tevens zijn middels drie profielkuilen de wortelspreiding, opbouw van het bodemprofiel en de vochthuishouding in beeld gebracht. In alle profielkuilen is fijne intensieve beworteling aangetroffen, alleen in de eerste profielkuil is grove beworteling aangetroffen. Door het ontbreken van grove beworteling in de meeste profielkuilen is het te verwachten wortelverlies 50Zo als gevolg van woningbouwproject. Tijdens de graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw dient een ervaren onafhankelijke bomenwacht aanwezig te zijn. Voor de uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van de woningbouw worden een aantal voorwaarden gesteld, deze zijn opgenomen in het analyserapport. Het volledige analyserapport is opgenomen in Bijlage 5. In opdracht van de gemeente Loon op Zand heeft Pius Floris een Boom Effect Analyse uitgevoerd in december 2021 voor de beschermde eik, welke in het noordoosten van het plangebied staat. Deze zomereik is opgenomen in een hoofdgroenstructuur in de gemeentelijke groenstructuurkaart, aanvullend is deze boom niet opgenomen in de waardevolle bomenlijst van de gemeente.
Deze zomereik is ook opgenomen in het BEA van juni 2021, echter is het onderzoek van Pius Floris leidend voor deze boom. Uit de analyse blijkt dat de theoretische stabiliteitskluit van de boom 3,25 vanuit het hart van de stam bedraagt. De woningbouwontwikkeling vindt ruim buiten de stabiliteitskluit plaats, waardoor er geen sprake is van direct verhoogd risico door wortelschade. Tijdens de werkzaamheden zal een deel van de opnamewortels worden beschadigd, beschadiging van de kroon moet voorkomen worden. Tevens zijn er twee grondboringen verricht en een proefsleuf gegraven ter plaatse van de beoogde ontgraving, door de gehele gleuf is er sprake van intensieve matig grove beworteling. In het advies wordt gesteld dat beperkte snoeiwerkzaamheden zijn toegestaan, dit dient uitgevoerd te worden een gediplomeerd boomverzorger (ETW'er) én er dient toestemming van de boomeigenaar te worden gevraagd. De volledige analyse, conclusie en advies is opgenomen in het analyserapport, zie Bijlage 6. 4.5. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde woningen moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. 4.5.1.
Cultuurhistorie en aardkunde Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 12. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
28 van 46
Loon op Zand
gevonden op deze locatie
Groenblauwe mantel - Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied
Afbeelding 12: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov, plangebied omcirkeid
4.5.2. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan is deels over het plangebied de dubbelbestemming 'waarde - Archeologie 2' gelegen. Voor de beoogde ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd.
In maart 2021 heeft er veldonderzoek plaats gevonden, uit het onderzoek blijkt dat de ondergrond in het plangebied archeologisch gezien volledig verstoord is geraakt. Sporen van bodemvorming zijn verdwenen, in combinatie met een scherpe overgang naar de omwerkingslaag naar het dekzand zijn evnetuele aanwezige archeologische resten tijdens de graafwerkzaamheden volledig verdwenen. Deze resultaten vormen daarmee aanleiding de archeologische verwachting voor alle perioden naar laag bij te stellen. In het plangebied bestaat het voornemen nieuwe woningen te bouwen. Op basis van het archeologisch onderzoek is een lage archeologische verwachting voor het plangebied vastgesteld. De kans dat er intacte, behoudenswaardige resten aanwezig zullen zijn, is gering. In het kader van de herontwikkeling worden daarom geen aanvullende maatregelen voorgesteld. Wel wordt erop gewezen dat eventuele waardevolle archeologische toevalsvondsten die aan het licht komen tijdens de werkzaamheden, wettelijk gezien direct gemeld moet worden bij de gemeente Loon op Zand. Door deze resultaten is binnen de beoogde woonbestemming niet langer een dubbelbestemming 'waarde - archeologie 2' opgenomen. Het onderzoeksrapport is in Bijlage 7 toegevoegd. 4.6.
Landschappelijke inpassing Het plangebied is conform het provinciaal gelegen in 'stedelijk gebied' waardoor de landschappelijke inpassing niet hoeft te worden gewaarborgd. Echter zijn de initiatiefnemers van het CPO-project voornemens de locatie landschappelijk in te passen. Deze inpassing is in overeenstemming met de bestaande en aanwezige groenvoorzieningen in de directe omgeving. Rondom het plangebied worden
29 van 46
groenvoorzieningen aangelegd ter afscherming van bijvoorbeeld de volkstuinen aan de zuidzijde. De bestaande groenstrook aan de noordzijde welke evenwijdig loopt aan de Kloosterstraat wordt opgewaardeerd. Binnen het plangebied wordt een CPO-veld aangelegd waar groenvoorzieningen in de vorm van grasveld en eventuele beplanting worden gerealiseerd, daarnaast is hier plaats voor een retentievoorziening. Tevens wordt de Ruilverkavelingsweg opgewaardeerd waarbij een groene bermen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. In het stedenbouwkundig ontwerp is ook aandacht geschonken aan de groenvoorzieningen, zie Bijlage 1. De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is geborgd in de planregels middels het opnemen van een gebiedsaanduiding. 4.7. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico's met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerst of weggenomen door sanering.
Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er is daarom door Lycens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. De grond ter plaatse van de woningbouw bevat geen parameters in gehalten boven de achtergrondwaarden. Ter plaatse van het zandpad (Ruilverkavelingsweg) zijn in de puinhoudende toplaag licht verhoogde gehalten aan loods, PAK, PCB en minerale olie gemeten. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en worden gerelateerd aan de waargenomen bodemvreemde bijmengingen met puin en het gebruik van dit terreindeel door de jaren heen. In de puinhoudende toplaag van de oostelijke deellocatie is geen asbest aangetoond. In het grondwater zijn geen parameters in concentraties boven de streefwaarden gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van het grondwater om die reden geen belemmering tegen de geplande planologische procedure. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 8.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.8. Spuitzones In de beoogde situatie worden een achttal woningen gerealiseerd in de nabijheid van landbouwgrond. Conform het bestemmingsplan mag deze grond worden ingezet voor zowel vollegronds-, sier- en fruitteelt. Dit betekent dat er ook gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast op de gronden. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden of het bespuiten van gewassen negatieve effecten heeft op het woon- en leefklimaat. In Bijlage 9 is een memo toegevoegd waarbij wordt getoetst aan een aanvaardbare afstand van de omliggende gronden tot het plangebied. Deze memo is beoordeeld door de OMWB, naar aanleiding hiervan is een gesprek aangegaan met de eigenaar van de naastgelegen grond over het feitelijk gebruik. Dit is verwerkt in de aanvullende notitie en en gespreksverslag, tevens ook toegevoegd in Bijlage 9. 4.9. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ’Bedrijven en Milieuzonering' (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen
30 van 46
krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: " Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.
Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats maar er zijn voornamelijk woningen gelegen. Het plangebied is gelegen aan de Kloosterstraat, welke de doorgaande weg van Loon op Zand betreft. Er wordt uitgegaan van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied zijn op enige afstand diverse bedrijven gelegen. Om de omliggende bedrijven in kaart te brengen is er uitgegaan van de maximale mogelijkheden conform het vigerende bestemmingsplan. Zo zijn er in de omgeving van het plangebied, conform het bestemmingsplan, een dierenkliniek, een terrazzo verwerkingsbedrijf en een recreatiebedrijf toegestaan. Echter zijn de dierenkliniek en het terrazzo verwerkingsbedrijf feitelijk niet meer aanwezig. Daarnaast is er aan de zuidzijde van het plangebied een bedrijvenbestemming gelegen voor een nutsvoorziening. Per abuis is er in het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'maatschappelijk' toegekend aan de voormalige dierenkliniek ter plaatse van de Ecliptica 88.
Deze woning is reeds verkocht en verbouwd tot een woning zonder maatschappelijke functie. Met de integrale herziening van het bestemmingsplan wordt de bestemming ter plaatse 'wonen' in de plaats van 'maatschappelijk'. Er kan worden geconcludeerd dat er vanuit deze woning geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden welke in de Handreiking bedrijven en milieuzonering zijn opgenomen. De gemeente heeft aangegeven het perceel van Ecliptica 88 wordt opgenomen in het 'veeg bestemmingsplan', welke in 2022 in procedure treedt. Totdat dit 'veeg bestemmingsplan' is vastgesteld, is het mogelijk ter plaatse een maatschappelijke functie uit te oefenen. Voor een dierenkliniek is een richtafstand van 10 meter opgenomen, de nieuw te bouwen woningen worden minimaal 10 meter van de gebouwen ten behoeve van de dierenkliniek gerealiseerd. De richtafstand van het plangebied naar het terrazzo verwerkingsbedrijf en het recreatiebedrijf wordt hieronder getoetst. Terrazzo en verwerking Ten oosten van het plangebied is conform het bestemmingsplan een Terrazzo en verwerkingsbedrijf toegestaan, Terrazzo is sierbeton waarbij in de plaats van grind natuursteenkorrels worden gebruikt. Hierdoor wordt er aangesloten bij 'vervaardiging van produkten van beton' met een productiecapaciteit van minder dan 100 ton per dag zoals opgenomen in de handreiking, met een richtafstand van 100 meter.
De nieuw te bouwen woningen zouden op een afstand van minimaal 100 meter vanaf de bestemmingsgrens van de Kloosterstraat 68 gebouwd moeten worden. De afstand vanaf de
31 van 46
bestemmingsgrens 'bedrijf' tot het plangebied bedraagt 191 meter waardoor er ruimschoots voldaan kan worden aan de richtafstand. Recreatiebedrijf met paardenhouderij Ten noordoosten van het plangebied is conform het bestemmingsplan een recreatiebedrijf in de vorm van een manege en hotel toegestaan. Er zijn hotelkamers, trekkershutten en een groepsaccommodatie aanwezig, daarnaast worden er paarden gehouden. In de handreiking zijn een Manege', hotels en pensions met keuken' en 'kampeerterreinen' opgenomen, met als grootste richtafstand 50 meter. De nieuw te bouwen woningen zouden op een afstand van minimaal 50 meter vanaf de bestemmingsgrens van de Kloosterstraat 115/119 gebouwd moeten worden. Het plangebied is op een afstand van 133 meter gelegen tot de bestemmingsgrens van het recreatiebedrijf, er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Nutsvoorziening Ten zuiden van het plangebied is een bedrijvenbestemming gelegen bestemd voor nutsvoorzieningen, in de vorm van energie, warmte of telecommunicatie. Deze voorziening is niet specifiek opgenomen in de handreiking Bedrijven en milieuzonering, hierdoor wordt er aangesloten bij Telecommunicatiebedrijven'. Dit betreft een categorie 1 bedrijf met een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk.
De nieuw te bouwen woningen worden op een afstand van minimaal 15 meter van de bedrijvenbestemming met nutsvoorzieningen gerealiseerd, er wordt voldaan aan de richtafstand. Er kan worden geconcludeerd dat er ruimschoots aan de richtafstanden wordt voldaan, hierdoor wordt er geen beperking van de omliggende bedrijven verwacht. Er is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. 4.10. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt Omgekeerde werking' genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.10.1. Omgekeerde werking Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de beoogde woningbouw. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe woningen. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen de planlocatie zullen doen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
32 van 46
4.10.2. Woon- en leefklimaat Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. In de omgeving zijn voornamelijk paardenhouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde paardenhouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Kloosterstraat 119. Hiervoor geldt op grond van de VNGhandreiking een richtafstand van 50 meter. De paardenhouderij ligt op een afstand van circa 133 meter ten opzichte van de planlocatie. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt aan de Loonse Molenstraat 42 op een afstand van 845 meter. Dit betreft een rundvee- en varkenshouderij. Voor dit bedrijfstype geldt een richtafstand van 200 meter. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Daarnaast wordt er getoetst aan de regels van het Activiteitenbesluit. In de omgeving zijn voornamelijk veehouderijen gelegen waar dieren worden gehouden zonder geuremissiefactoren (paardenhouderijen). Conform het Activiteitenbesluit dient de afstand minimaal 100 meter te bedragen tot woningen binnen de bebouwde kom, het plangebied behoort met deze ontwikkeling bij de bebouwde kom van Loon op Zand.
De dichtstbijzijnde paardenhouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Kloosterstraat 119, op een afstand van circa 133 meter. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de planlocatie nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB), zie Afbeelding 13. Deze kaart is het laatst bijgewerkt in februari 2021. Uit de kaart blijkt dat het percentage geurgehinderden ter plaatse 0 - 30Zo bedraagt. Om te bepalen of dit acceptabel is wordt aangesloten bij de beoordelingssystematiek van het RIVM. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in Tabel 2. Hieruit is op te maken dat de milieukwaliteit ter plaatse, op basis van een percentage geurgehinderden van 0 - 307o, zeer goed is. Legend Achtergrondbelasting geur Kwaliteit leefomgeving (geurbelasting in ouE/mS) F! zeer goed 0-3 [—| goed 3-7 |
| redelijk goed 7-13
|
| matig 13-20
I
| tamelijk slecht 20-28
üoostcrstraat
Bcdrtfvc
LOON OP ZAND
[ĵ slecht 28-35 [~j| zeer slecht 35-50 II extreem slecht 50-s
Afbeelding 13: Uitsnede 'Achtergrondbelasting geur' van de ODZOB, plangebied omcirkeid Tabel 2: Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtiijn geurhinder, 2002) Milieukw aliteit (Geurgehinderden \Vo\ - 5 zeer goed 5- 10 goed 10-15 redelijk goed matig 15-20 tamelijk slecht 20-25 slecht 25-50 zeer slecht 50-55 extreem slecht 55 -40
33 van 46
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.11.1. Niet in betekenende mate Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 30Zo grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; " Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van acht nieuwe woningen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts acht nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt met meerdere ontsluitingsroutes, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.11.2. Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 pg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 pg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 pg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is.
34 van 46
Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,38 pg/m3, voor PM2,5 9,013 pg/m3 en voor NO2 10,56 pg/m3, zie Afbeelding 14. Grootschalige Concentratie-en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN
| Fijn stof (PM10)
|ļ2Ū25Jgegevens^Q21)^J download-
Fijn stof (PM10) [pg/m3] < 18 Waalwijk Heusden
Detail informatie 134544, 405000 Gridceiv,'aarde: Loon op Zand Dongei
Haaren
Gebruik van de kaart - Openen: selecteer een kaartlaag ei - Verschuiven: gebruik de pijltjes, of klik en schuif - Zoomen: [+J er [-], of: «SHIFTs-klik en een rechthoek trekken - Waarde Waarde opvragen: klik in de kaart Tilburg en Rijen Oisterwìjk
Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland GCN en GDN
| Fijn stof.;PM2.5į
2025 (gegevens 2021) v 11 download
Fijn stof (PM2,5) [pg/m3]
waalwijk Heusden
Detail informatie 134600, 404860 Gridcelv/aarde: Loon op Zand Gebruik van de kaart - Openen: selecteer een kaartlaag en
Je
Haare
een jaar - Verschuiven: gebruik de pijltjes, of klik en schuif - Zoomen: [t] en [-Ĵ. of: «cSHIFT»klik en een rechthoek trekken - Waarde opvragen: klik in de kaart
Tilburg
Oisterwìjk
35 van 46
Grootschalige Concentratie-en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)
| Stikstofdioxide (N02)_________v ||2Ũ25 (gegevens 2021) v|| download"! Stikstofdioxide (N02) [ijg/m3]
Waalwijk Heusden
Detail informatie 134628, 405000 Gridcelv/as
Gebruik van de kaart - Openen: selecteer een kaartlaag i
Loon op Zand Haaren
Dongen
een jaar - Verschuiven: gebruik de pijltjes, klik en schuif - Zoomen: [f-] en [-], of: ^SHIFT: klik en een rechthoek trekken - Waarde opvragen: Tilburg
Oisterwijk
Afbeelding 14: Uitsnede GCN kaarten PM10, PM2,5 en NO2
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.12. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie is omsloten door de Kloosterstraat, Ecliptica en de Ruilverkavelingsweg (zandpad). Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht in de vorm van een achttal woningen. De Kloosterstraat en Ecliptica zijn 30 km/h wegen. In de Wgh is bepaald dat een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is voor locaties waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd binnen een verkeerzone waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt.
Dit omdat op wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/h geldt buiten de lage snelheid gewoonlijk ook een lage verkeersintensiteit aanwezig is, dit geldt voor Ecliptica. Hierdoor zal altijd voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarnaast wordt de Ruilverkavelingsweg met deze ontwikkeling opgewaardeerd, de vier vrijstaande woningen zijn ontsloten via deze weg. Gezien de korte afstand van het te verharden deel kan deze ook worden gezien als een 30 km/u weg. De wegen binnen het plangebied worden ook aangewezen als 30 km/u wegen. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom geldt er een snelheidsregime van 30 km/h, buiten de bebouwde kom betreft dit een fietsstraat. Hierdoor hoeft deze weg niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder, in het kader van een goede ruimtelijke ordening is er een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de gevelbelastingen op een aantal waarneempunten hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde, de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat er geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeven er ook geen hogere waarden ten aanzien van de Kloosterstraat te worden aangevraagd. Formeel hoeven er geen maatregelen te worden getroffen aan de gevels, echter wordt er wel geadviseerd om een binnenniveau van 33 dB te garanderen voor het wooncomfort en de gezondheid.
Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is toegevoegd in Bijlage 10 .
36 van 46
Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen is voor het initiatief. 4.13. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het plangebied ligt aan de Kloosterstraat, Ecliptica en de Ruilverkavelingsweg. Dit betreffen (on)verharde wegen waarvan de Kloosterstraat een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom betreft, Ecliptica en de Ruilverkavelingsweg worden voornamelijk gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. Deze wegen worden ontsloten door de Kloosterstraat. De Kloosterstraat is en fietsstraat buiten de bebouwde kom. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar het plangebied bewegen. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de 'Uitwerking Parkeerbeleid Loon op Zand'. Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een grote woning in het 'rest bebouwde kom Loon op Zand' geldt een norm van 1,9 voor ^onen' en 0,3 voor bezoek'.
Per woning is er in de beoogde situatie voldoende ruimte aanwezig voor 2 parkeerplaatsen. Daarnaast worden er binnen het plangebied diverse parkeerplaatsen gerealiseerd voor onder andere bezoek. Er wordt voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.14. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.14.1. Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico's zijn vastgelegd, zijn: " Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) " Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
37 van 46
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario's. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.
Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1/ van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.14.2. Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 15.
Basisnet weg Basisnet-wegtraject zonder PAG-indicatie
z Basisnet-wegtraject met PAG-indicatie risicokaart-alle-lagen
0 0 01-10000 m 10000-125000
Buisleidingen
Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart Nederland, plangebied omcirkeid
38 van 46
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten, realisatie achttal woningen, op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van kwetsbare objecten. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Ruilverkavelingsweg, dit betreft een ontwateringsinstallatie, de risicoafstand bedraagt 50 meter. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico's aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de (Rijks)weg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied geconsolideerd' is in de nabijheid geen dubbelbestemming 'Leiding - [,..]' opgenomen.
De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er in het kader van externe veiligheid geen belemmeringen te verwachten. 4.15. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 15). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.16. Volksgezondheid Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd.
In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 E^m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt.
39 van 46
De Rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen, deze is momenteel nog niet beschikbaar. Het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (bestaande uit enkele Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie "Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, endotoxine toetsingskader 1.0" opgesteld. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. De dichtstbijzijnde veehouderij met dieren waarvoor een fijnstofemissiefactor is vastgesteld is gelegen aan de Loonse Molenstraat 42 te Loon op Zand. Dit betreft een gemengd bedrijf met melkkoeien, vrouwelijk jongvee en vleesvarkens. De fijnstofemissie op jaarbasis bedraagt circa 77 kg PM10, de richtafstand op basis van het toetsingskader 1.0 bedraagt 29 meter, gebaseerd op de grafiek van vleesvarkens. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 865 meter, waardoor er ruimschoots aan de richtafstand conform het toetsingskader 1.0 wordt voldaan. De afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de relatie tussen veehouderijen en gezondheidsklachten van omwonenden.
Tot op heden is er geen eenduidige relatie te leggen tussen gezondheidseffecten van omwonenden als gevolg van veehouderijen in de omgeving. Door het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) binnen de provincie Noord-Brabant is een handreiking (handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0) geschreven voor veehouderij en gezondheid. In deze handreiking zijn maatregelen opgenomen welke betrekking hebben op geur, fijnstofendotoxine, zoönose, transport en landschappelijke inpassing. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een achttal woningen heeft deze geen invloed op de maatregelen welke bij omliggende veehouderij worden genomen. Derhalve worden de gezondheidsaspecten uit het stappenplan 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0' onderstaand nader toegelicht. Geur In paragraaf 4.10 is reeds uiteen gezet dat de dichtstbijzijnde dier/veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Kloosterstraat 119 op een afstand van circa 133 meter. Dit betreft een paardenhouderij. Voor paardenhouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van geur. Daarnaast is er sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat. Fijnstof In paragraaf 4.10 is nader ingegaan op de luchtkwaliteit, ter plaatse van het plangebied is er sprake van een fijnstofconcentratie (PM10) van 15,38 ^g/m3.
Derhalve wordt de grenswaarde van 40 ^g/m3 niet overschreden en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geitenbedrijven en gemengde bedrijven In de directe omgeving zijn geen geitenbedrijven aanwezig, de dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van circa 4,1 km ten zuiden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gemengde bedrijf is gelegen op een afstand van 865 meter, hier worden runderen en varkens gehouden. De afstand van het plangebied tot omliggende (gemengde) agrarische bedrijven is zodanig dat er geen negatieve effecten voor het aspect volksgezondheid zijn te verwachten. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
40 van 46
Gezien de grote afstand van de planlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de planlocatie.
41 van 46
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.