TOE Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren
Tekst van het document
Beekdalen dienen als waterberging, terwijl vergroening van de woonomgeving hitte tegengaat. Door lokaal opgewekte energie te delen en energiehubs op te zetten, ontstaat een veerkrachtig energiesysteem dat minder afhankelijk is van centrale netwerken. Lochem is veilig, gezond en inclusief In de toekomstvisie van Lochem is gezondheid meer dan de afwezigheid van ziekte. De fysieke omgeving draagt actief bij aan een gezonde leefstijl, sociale verbinding en inclusiviteit. Wijken en dorpen worden zo ingericht dat ontmoeten, bewegen en zorg vanzelfsprekend onderdeel zijn van het dagelijks leven. Nieuwe woningen worden gebouwd met circulaire en natuurvriendelijke materialen en zijn aangepast aan kwetsbare diersoorten. Milieu, bodem en waterkwaliteit blijven behouden of worden waar mogelijk verbeterd. Iedereen — ongeacht leeftijd, achtergrond of beperking — moet in Lochem kunnen meedoen en zich thuis voelen. Lochem is bereikbaar en zet in op duurzame mobiliteit Tot slot streeft de gemeente naar een goed bereikbare regio met een nadruk op duurzame vervoersmiddelen. Fietsverkeer speelt een prominente rol, met veilige en groene fietsroutes. De auto blijft belangrijk, zeker in het buitengebied, maar er komt meer ruimte voor deelmobiliteit, zoals deelauto’s en e-bikes. Inwoners nemen hier steeds meer zelf het beheer van op zich.
Parkeerplekken maken plaats voor groene verblijfsplekken, en de binnenstad en dorpscentra zijn beter toegankelijk voor mensen met een beperking. Door deze slimme mobiliteitskeuzes blijft Lochem verbonden, leefbaar en duurzaam. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Lochem 2040: Krachtig en in balans In deze visie is het buitengebied benoemd als een belangrijk onderdeel van de identiteit van de gemeente Lochem, waarin ruimte is voor landbouw, natuur, recreatie en bedrijvigheid, mits deze elkaar versterken en bijdragen aan de balans in de leefomgeving. Het initiatief sluit aan bij de ambitie “Lochem is ondernemend en uitnodigend”, waarin expliciet ruimte wordt geboden aan (kleinschalige) bedrijvigheid in het buitengebied, mits dit past binnen de ruimtelijke kwaliteit en functies zich op een zorgvuldige wijze verhouden tot het landschap. De recycling- en transportactiviteiten van Atop dragen bij aan de circulaire economie, een speerpunt binnen de gemeentelijke economische ontwikkeling richting 2040. Ook sluit het plan aan bij de ambitie “Lochem is aantrekkelijk en groen”, waarin wordt gestreefd naar behoud en versterking van het agrarisch cultuurlandschap en biodiversiteit. Door landschappelijke inpassing van de uitbreiding kan de visuele impact beperkt worden en wordt recht gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
25
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld Daarnaast past het initiatief binnen de werkwijze van de gemeente om vanuit het principe “ja, mits” ruimte te bieden aan initiatieven die bijdragen aan de lokale economie en die zorgvuldig worden ingepast in de fysieke leefomgeving. Concluderend kan worden gesteld dat de beoogde bestemmingsplanwijziging in overeenstemming is met de kernambities van de Omgevingsvisie Lochem 2040. Het plan versterkt de economische vitaliteit van het buitengebied en draagt bij aan een evenwichtige, duurzame ontwikkeling, waarbij behoud van landschappelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik centraal staan. 4.3.2
Bestemmingsplan Buitengebied Lochem
4.3.2.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’ vormt een belangrijk toetsingskader voor de ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Lochem. Het bestemmingsplan is onder meer gebaseerd op de visie Buitengebied Lochem en het Landschap Ontwikkelingsplan (LOP). 4.3.2.2 Landschappelijke zones Een belangrijk uitgangspunt van het bestemmingsplan is de kwaliteit van het landschap. De landschappelijke kwaliteit in het buitengebied Lochem verschilt plaatselijk sterk als gevolg van ontwikkelingsgeschiedenis, verschillend grondgebruik en een verschillende ondergrond wat betreft geologie, bodem en waterhuishouding. Op basis van deze verschillen zijn in het bestemmingsplan zeven landschapstypen onderscheiden, te weten: rivierenlandschap, beekdallandschap, bos- en landgoederenlandschap, essenlandschap, stuwwal Lochem, open broekgebieden en kleinschalig kampenlandschap. In het plan zijn kernkwaliteiten per landschapstype benoemd. Deze zijn het uitgangspunt voor de ontwikkelingsrichting die de gemeente per landschapstype voor ogen heeft. Het plangebied ligt in een gebied dat is te typeren als een ‘kleinschalig kampenlandschap’ (zie afbeelding 4.1). In bijgaande tabel zijn de belangrijkste kenmerken van dit type landschap weergegeven.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
26
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld
Afbeelding 4.1
Landschapstype ‘kleinschalig kampenlandschap’ (Bron: bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’)
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
27
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld
4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de kernkwaliteiten ‘kleinschalig kampenlandschap’ De voorgenomen ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing van het bedrijfsperceel en een aanvullende landschappelijke maatregelen ten westen van het bedrijfsperceel. Met de voorgenomen landschappelijke maatregelen wordt rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het ‘kleinschalige kampenlandschap’. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen het aangegeven landschapsbeleid en doet geen onevenredige afbreuk aan de kernkwaliteiten van het omliggende landschap. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Lochem
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsdocumenten.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
28
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectenrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Beoordeling
Het agrarisch loonbedrijf/recyclingbedrijf wordt in het kader van de Wgh niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. Ten aanzien van de bedrijfswoning wordt opgemerkt dat de bedrijfswoning blijft behouden. De functie van de bestaande bedrijfswoning, namelijk ‘wonen’, wijzigt niet. In artikel 76 van de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt de functiewijziging zoals beoogd in voorliggend plan. Daarnaast is er in de nabijheid van het plangebied geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). Gelet op vorenstaande zijn de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai niet van toepassing en behoeven geen nadere onderbouwing. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 5.2.2
Situatie plangebied
De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Levenkamp 5, waarbij de juridisch planologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Bovendien
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
29
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld ziet de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in beginsel niet toe op het realiseren van nieuwe gebouwen en/of nieuwe bodemingrepen. Daar waar in het kader van voorliggend bestemmingsplan de bedrijfsbestemming wordt vergroot, zal uitsluitend sprake zijn van het toevoegen van verharding en het plaatsen van opslagvakken. Hierdoor vinden er in beginsel geen nieuwe bodemroerende activiteitenplaats. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vorm geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
30
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld 5.3.2
Situatie plangebied
Bij de toetsing van de luchtkwaliteit is bepaald in hoeverre de voorgenomen ontwikkelingen bij Atop al dan niet 'in betekenende mate' (nibm) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de directe omgeving wordt beïnvloed door de bij de Atop. aanwezige bronnen voor met name (fijn)stof (PM10) en stikstofdioxides (NOx). Om de verkeersgeneratie te bepalen is gebruik gemaakt van de opgegeven voertuigbewegingen van Atop (akoestisch onderzoek, bureau Tideman dec 2019). De invloed van het wegverkeer is ingeschat met behulp van de NIBM-tool. Om te bepalen of de activiteiten van Atop al dan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging mogen deze emissies niet los van elkaar worden beschouwd. Er is uitgegaan van een worstcase situatie waarbij de bedrijfs- en verkeersemissies volledig van invloed zijn op de concentraties stikstofdioxide en fijnstof. Het resultaat van de beoordeling is dat als wordt uitgegaan van een zware worstcase situatie, is de toename van de concentraties stikstofdioxide en fijn stof kleiner dan 1,2 μg/m3. Pas vanaf 151 voertuigbewegingen per dag, waarvan 80% zwaar vrachtverkeer zal er sprake zijn van ‘in betekenende mate’. Hierbij wordt erop gewezen dat in casu geen sprake is van 151 extra voertuigen per etmaal.
Immers is reeds sprake van een bestaande situatie waarbij thans ook al dagelijks verkeersbewegingen met zwaar verkeer aan de orde zijn. De toename van het zwaar verkeer ten opzichte van de huidige situatie is beperkt en betreft zeker geen 151 extra voertuigen. Bij Atop betreft het globaal slechts 40 vrachtwagen bewegingen per dag. Aldus kan gesteld worden dat de emissie ruimschoots onder de Nibm grens zal liggen.
5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
31
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Wettelijk kader Het wettelijk kader met betrekking tot externe veiligheid is vastgelegd in diverse regelingen en besluiten. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Gemeentelijk beleid De gemeente Lochem heeft een Externe Veiligheidsvisie vastgesteld op 17 november 2008. De gemeente Lochem wil haar burgers en bedrijven een veilige leef- en werkomgeving bieden.
De gemeente Lochem streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico’s en de behoefte aan de activiteiten die de risico’s veroorzaken. De gemeente Lochem hanteert hierbij de volgende algemene uitgangspunten: • • •
5.4.2
De gemeente legt de focus op wonen, rust en recreatie, en is terughoudend ten aanzien van nieuw vestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid. Lochem streeft naar het actief opheffen van een risicobron daar waar nut en noodzaak ter discussie staat. De gemeente wil in bestaande knelpuntsituaties in samenspel met betrokkenen tot een oplossing komen. Voor wat betreft de vestiging van nieuwe risicobronnen wil de gemeente door middel van toepassing van bronmaatregelen in overleg met betrokkenen een zo veilig mogelijk situatie creëren. Situatie in het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe omlijning) en omgeving weergegeven.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
32
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; wel is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Gasleiding Gasunie B.V. Zoals in afbeelding 5.1 te zien zijn rondom het plangebied diverse buisleidingen aanwezig. In alle gevallen gaat het aardgastransportleidingen. In onderstaande tabel wordt per aardgasleiding aangegeven om welke aardgasleiding het gaat, de bijhorende 1%- en 100% letaliteitsgrens en de afstand tot het plangebied. Aardgasleiding A-529 A-523 A-662 A-588 A-505 A-506 A-549
Uitwendige diameter (inch) 48,03 inch 48,03 inch 47,99 inch 47,99 inch 35,98 inch 42,01 inch 47.99 inch
Werkdruk (bar) 66,2 bar 66,2 bar 79,9 bar 66,2 bar 66,2 bar 66,2 bar 66,2 bar
1%letaliteitsgrens 540 m 540 m 580 m 540 m 430 m 490 m 540 m
100%letaliteitsgrens 210 m 210 m 220 m 210 m 180 m 190 m 210 m
Afstand plangebied 312 m 320 m 1,2 km 1,2 km 1,2 km 1,2 km 1,2 km
Gelet op voorgaande tabel wordt in alle gevallen voldaan aan de 100%-letaliteitsafstanden. Ten aanzien van de aardgasleidingen A-523 en A-529 ligt het plangebied binnen de 1%-letaliteitsafstanden. Hiermee valt het plangebied formeel binnen het groepsrisico-aandachtsgebied. Ook blijft het groepsrisico onder de oriënterende waarde en bedraagt de toename van het groepsrisico minder dan 10%. Daarmee kan op grond van artikel 12, lid 3 van het Bevb worden volstaan met een beperkte verantwoording. Verantwoording groepsrisico Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient inzicht te worden gegeven in: Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
33
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld 1. 2. 3.
de aanwezige en de op grond van het bestemmingsplan te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding; de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.
Hieronder wordt daar nader op ingegaan. Ad 1) De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding en de te verwachten personendichtheid. Het gebied rondom het plangebied en binnen het invloedsgebied is te beschouwen als buitengebied. De bevolkingsdichtheid ter plaatse is laag. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt in dit gebied niet overschreden en ook niet benaderd. Er is thans reeds sprake van de aanwezigheid van een bestaand bedrijf. Dit bedrijf is al vele jaren gevestigd op deze locatie. De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van een fysieke uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Levenkamp 5, waarbij de juridisch planologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Daar waar in het kader van voorliggend bestemmingsplan de bedrijfsbestemming wordt vergroot, zal uitsluitend sprake zijn van het toevoegen van verharding en het plaatsen van opslagvakken. Er is als gevolg van het plan geen sprake van uitbreiding van het aantal medewerkers van het bedrijf, het toevoegen van kwetsbare -verblijfs-objecten of anderszins verandering (toename) van verminderd zelfredzame personen in het plangebied. Er is als gevolg van het plan dus geen toename van de personendichtheid. Aldus zijn als gevolg van het plan geen veranderingen van het groepsrisico aan de orde.
Overigens, mocht het personeelsbestand komende jaren met enkele medewerkers groeien, dan is het effect op de hoogte van het groepsrisico alsnog significant laag en rekenkundig niet waarneembaar. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat zelfs met een eventuele lichte toename van het aantal medewerkers, het groepsrisico als gevolg van die eventuele verandering niet met meer dan 10% toeneemt en nog altijd ruimschoots onder de oriëntatiewaarde blijft. Ad 2) de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval: Een scenario dat kan optreden is een calamiteit met de hogedrukaardgasleidingen met een fakkelbrand als gevolg. Bij de bron is de vuurbelasting zeer hoog en kan de brandweer niet optreden en moet wachten op afsluiten van de gastoevoer. In geval van een fakkelbrand zal de bestrijding vooral gericht zijn op het beperken van de warmtestralingseffecten op nabijgelegen gebouwen totdat de gastoevoer is gesloten. Eventuele secundaire branden op voldoende afstand van de bron zijn wel door de brandweer te blussen. Gezien de afstand tussen de bron en het plangebied (> 500 meter) is brandweeroptreden binnen het plangebied mogelijk.
Ad 3) De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Indien een fakkelbrand aan de orde is en mensen in het invloedsgebied aangeraden wordt om niet te gaan verplaatsen, is het handelingsperspectief voor medewerkers van het bedrijf en de bewoners om 'binnenshuis' te schuilen. Hiervoor zijn voldoende mogelijkheden (aanwezige bedrijfsgebouwen / bedrijfswoning). Indien in geval van een ramp, geadviseerd wordt het gebied te verlaten zijn er voldoende mogelijkheden om het plangebied via de aanwezige wegenstructuur te verlaten. De aanwezige medewerkers van het bedrijf en bewoners zijn voldoende zelfredzaam. De wegenstructuur binnen het plangebied is voldoende vanuit het oogpunt van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Er zijn voldoende mogelijkheden om bij een eventueel incident te kunnen vluchten dan wel het gebied te kunnen bereiken (ten behoeve van de hulpverlening). Het plangebied is via de omliggende wegen en entree aan de Levenkamp en in-uitrit aan de zijde van de Possenweg vanaf twee zijden bereikbaar. De zelfredzaamheid kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Hierop wordt door de overheid de komende jaren verder geïnvesteerd. Burgers zullen echter zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert).
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
34
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld Advies veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland In het kader van voorgenomen ontwikkeling is advies ingewonnen bij de veiligheidsregio Noord- en OostGelderland (VNOG). De VNOG adviseert om een geschikte bluswatervoorziening aan te laten brengen en hiervoor contact op te nemen met de VNOG. Bij de nadere uitwerking van het voornemen zal dit wordt afgestemd met de VNOG. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
35
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Omdat ter plaatse van de huidige bedrijfsbestemming aan de Levenkamp 5 reeds een agrarisch loonbedrijf / recyclingbedrijf (maximaal milieucategorie 3.1) is toegestaan, wordt uitsluitend ingegaan op de beoogde uitbreiding. De uitbreiding van het bedrijfsperceel wordt primair gebruikt als opslaglocatie behorende bij het agrarisch loonbedrijf / recyclingbedrijf. Daarbij is het de wens om 12 x per jaar een puinbreker op het terrein te plaatsen. Voor de uitbreiding van het bedrijfsperceel wordt, evenals het bestaande bedrijfsperceel, uitgegaan van milieucategorie 3.1 bedrijfsactiviteiten. Specifiek ten aanzien van de puinbreker wordt uitgaan van de functie ‘Puinbrekerijen en -malerijen – v.c. < 100.000 t/j’ zoals opgenomen in de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering”. Dit betreft een milieucategorie 4.2 functie. In onderstaande tabel zijn de geldende richtafstanden opgenomen uitgaande van een gemengd gebied: Functie Loonbedrijf / recyclingbedrijf Puinbrekerijen en -malerijen – v.c.
< 100.000 t/j
Geur 30 30
Stof 10 100
Geluid 50 300
Gevaar 10 10
De meest nabijgelegen milieugevoelige objecten zijn de (bedrijfs)woningen aan de Levenkamp 3 en de Levenkamp 7-7a. Ingevolge de regels van het geldend bestemmingsplan “Lochem Buitengebied” mogen (bedrijfs)woningen worden herbouwd ter plaatse van de bebouwingscontour van de huidige (bedrijfs)woning.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
36
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld De afstand tussen de beoogde uitbreiding van de bedrijfsbestemming en de bouwmogelijkheden van de nabijgelegen (bedrijfs)woningen is in onderstaande tabel weergegeven: Milieugevoelige functie Levenkamp 3 Levenkamp 7-7a
Afstand tot bedrijfsbestemming 92 meter 90 meter
Gelet op het vorenstaande wordt in nagenoeg alle gevallen voldaan aan de geldende richtafstanden. Uitsluitend ten aanzien van de aspecten stof en geluid voor de puinbreker wordt niet voldaan aan de richtafstand. Mogelijke stofemissie bij Atop Recycling B.V. kan worden veroorzaakt door de buitenopslag van stuifgevoelige stoffen en overslag van stuifgevoelige stoffen. De op- en overgeslagen stoffen zijn (licht) stuifgevoelig maar wel goed bevochtigbaar. Atop Recycling B.V. heeft maatregelen getroffen om stofvorming te voorkomen en te beperken. Dit betreft ondermeer afscherming van de opslagen tegen windinvloeden, vegen/schoonhouden van het terrein en de rijbanen, het beperken van de rijsnelheid en het beperken van de storthoogte. Ten slotte is er een mogelijkheid tot sproeien (nat houden) van opgeslagen materiaal. Ten aanzien van stof wordt opgemerkt bij de puinbreker een sproeisysteem aanwezig zal zijn. Zodra er materialen worden gebroken waar veel stof bij vrijkomt, wordt het sproeisysteem ingezet. Hierdoor wordt het uitwaaien van stof nagenoeg geheel weggenomen en voorkomen. Deze (BBT-)maatregelen zijn over het algemeen voldoende ter voorkoming van stofhinder. De potentieel stof emitterende activiteiten, worden voorzien van de door het activiteitenbesluit (besluit activiteiten leefomgeving) voorgeschreven maatregelen.
Om een goede afweging te kunnen maken voor het aspect ‘geluid’ is besloten om nader onderzoek te doen. Daarom heeft Akoestisch Bureau Tideman een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Maatregelen en gebruik terrein In afbeelding 5.2 is in een luchtfoto het huidig terrein weergegeven. Om de geluidsemissie van de bedrijfsactiviteiten (inclusief het gebruik van een puinbreker) richting woningen goed af te schermen, zijn er maatregelen nodig. Door het vergroten van de afstand tussen de puinbreker en de woningen neemt ook de geluidbelasting af. Om de geluidbelasting verder te reduceren en de afscherming mogelijk te maken, zal de puinbreker achter een scherm moeten worden geplaatst. Het laden van de breker kan dan vanaf de zuidwestzijde plaatsvinden. Deze wijze van werken vergt wel meer ruimte aan de achterzijde van het terrein. Dit terrein is in eigendom van het bedrijf en kan worden ingezet om het puinbreken achter het geluidscherm mogelijk te maken.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
37
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld
Afbeelding 5.2
Luchtfoto huidig terrein (Bron: Akoestisch Buro Tideman)
Maatregelen in het overdrachtsgebied (geluidschermen) hebben het meeste effect als deze zo dicht mogelijk bij de bron staan én de lijn tussen de bron en de ontvangers doorbreken. In afbeelding 5.2 is te zien dat er drie woningen in de directe nabijheid zijn gelegen. Dit zijn woningen aan de noordwestzijde, de noordoostzijde en de zuidoostzijde (punt 01,02 en 03). Om het geluidrichting de punten 01, 02 en 03 te reduceren, is afscherming noodzakelijk aan drie zijden van de puinbreker op relatief korte afstand van de breker. In afbeelding 5.3 is logistiek de meest wenselijke locatie van puinbreken opgenomen waarbij ook het achterterrein wordt gebruikt. In afbeelding 5.4 is een situatie opgenomen met een afschermende maatregel.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
38
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld
Afbeelding 5.3
Locatie puinbreker (Bron: Akoestisch Buro Tideman)
Afbeelding 5.4
Geluidsafscherming (Bron: Akoestisch Buro Tideman)
Het scherm kan bestaan uit een afscherming in de vorm van megablocks. Er wordt uitgegaan van de situatie dat het geluidscherm van 4,5 meter permanent op het terrein aanwezig is en dat het materieel de ruimte krijgt om hier omheen te werken. Eventueel is een ander soort scherm mogelijk. Voorwaarde is wel dat het een Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
39
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld gesloten scherm betreft met voldoende geluidisolatie (> 25 dBA) zodat ook laagfrequent voldoende afscherming optreedt. In de zuidoostelijk richting is reeds een keerwand met grondwal aanwezig. Deze keerwand net grondwal zal het geluid richting punt 01 afschermen. Een hoger scherm aan deze zijde heeft de voorkeur boven een nog hoger scherm rondom de puinbreker. Op het geluid naar de omgeving permanent te verlagen is ervoor gekozen om de scherm aan de noord-, west-, en zuidzijde te verhogen De opstelling van de schermen is een vaste opstelling. De breker maakt hier niet het gehele jaar gebruik van. Om de maatregelen verder effectief in te zetten zullen de zeven ook achter de afscherming moeten plaatsvinden. Voor een goed vergelijk tussen de geluidbelasting met en zonder geluidscherm zijn in de onderstaande tabel de waarde voor RBS1 (zonder breker) en RBS2 (met breker) weergegeven met en zonder geluidscherm. Alleen de dagwaarden zijn opgenomen.
Uit de rekenresultaten blijkt dat door voldoende afstand te houden en het geluid af te schermen, tijdens het breken van puin kan worden voldaan aan de richtwaarden voor buitengebied uit de VNG-Publicatie ter plaatse van woningen van 45 dB(A). Optioneel kan het bedrijf nog aanvullende maatregelen treffen om het bronvermogen van de puinbreekinstallatie te verlagen. Hierbij kan gedacht worden aan het omlaag brengen van het toerental (draaisnelheid) van de breker, het aanpassen van de zeefdekken en/of elektrificatie van de aandrijving. Door dergelijke maatregelen gaat echter de productiecapaciteit van de installatie fors omlaag. Om dezelfde productiecapaciteit te behouden zal het aantal dagen per jaar dat de puinbreker in bedrijf is, moeten worden verhoogd. Gelet hierop is in de planregels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bij additionele geluidsmaatregelen het aantal breekdagen te kunnen verruimen. Resultaten Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Tijdens de representatieve bedrijfssituatie (RBS1) is de puinbreker niet in werking. Op de dagen dat RBS1 plaatsvindt met het zeven achter de afscherming worden de volgende waarden verwacht.
De geluidbelasting tijdens de RBS is op alle punten lager dan 40 dB(A) etmaalwaarde.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
40
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld De puinbreker is alleen in de dagperiode in werking tijdens RBS2. Op dagen dat de puinbreker in werking is, en ook de activiteiten van de RBS1 plaatsvinden, wordt de volgende geluidbelasting verwacht.
De geluidbelasting tijdens RBS1 en 2 is op alle punten gelijk of lager dan de ambitiewaarde voor buitengebied van 45 dB(A). Hierbij is rekening gehouden met de toeslag van 0.8 dB voor het eventueel herkenbaar zijn van de achteruitrij signalering.
Maximale A-gewogen geluidniveaus De maximale geluidniveaus worden in de dagperiode bepaald door het komen en gaan van voertuigen, het werken met materieel op het terrein en het laden en lossen van voertuigen en het laden van de puinbreker. In de onderstaande tabel zijn de waarden bij de woningen en de referentiepunten opgenomen.
Berekeningen zijn opgenomen als bijlage 5. De optredende maximale geluidniveaus bij woningen van derden blijven lager dan 65 dB(A) in de dagperiode, 60 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. In de dagperiode, als de toetsingshoogte 1.5 meter bedraagt, worden de piekgeluiden veroorzaakt door het wisselen van een container of het laden van een puinbreker en gebruik van het materieel. In de dag- en avondperiode wordt voldaan aan de richtwaarde voor dit gebied zoals is aangegeven in de VNG-Publicatie. In de nachtperiode zijn de piekgeluiden hoger dan 55 dB(A), zijnde de richtwaarde voor de nachtperiode. In de nachtperiode wordt het piekgeluid bepaald door het vroeg vertrek van vrachtwagens. Deze activiteit voldoet wel aan de maximaal te vergunnen waarde van 60 dB(A) zoals genoemd in stap 3 van de VNG Publicatie. Omdat het vertrek van vrachtwagens een reeds toegestane activiteit is, vormt het aspect maximale A-gewogen geluidniveaus geen belemmering voor de vergunningverlening.
Indirecte hinder Indirecte hinder wordt voornamelijk veroorzaakt door het komen en gaan van maximaal 30-40 vrachtwagens of andersoortige voertuigen en 10 personenwagens heen en terug langs de woningen. In de avond- en nachtperiode komen of gaan maximaal 3 vrachtwagens.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
41
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld Om de geluidbelasting ten gevolge van deze wagens te bepalen is een rekenmodel opgesteld conform HMRI 1999. Gerekend is met een rijsnelheid van 30 km/u. Deze snelheid is ter plaatse representatief op het moment dat de vrachtwagens vertrekken. Voor een rijdende vrachtwagen of ander voertuig (kraan, tractor) met deze snelheid is een bronsterkte gehanteerd van 104 dB(A). Verder is aangenomen dat alle wagens komen en gaan via dezelfde zijde. Dit is verwerkt door in het model uit te gaan van het dubbele aantal rijbewegingen.
De nachtperiode is maatgevend voor de etmaalwaarde. De geluidbelasting in de nachtperiode wordt veroorzaakt door de melkwagens die (kunnen) vertrekken vanaf de (melk)stalling. De geluidbelasting op alle punten is gelijk of lager dan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Conclusie De geluidbelasting naar de omgeving wordt inzichtelijk gemaakt op de dagen dat de puinbreker niet op het terrein in werking is (RBS1) en op de 12x per jaar dat de puinbreker wordt ingezet (RBS2). Zelfs tijdens de dagen dat de puinbreker wordt ingezet (RBS2) is de te toetsen geluidbelasting, (zijnde het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau), op alle woningen gelijk of lager dan de ambitiewaarde voor buitengebied van 45 dB(A). De toeslag voor het herkenbaar zijn van de achteruitrijsignalering is hierin verwerkt. Tijdens de dagelijkse bedrijfssituatie (RBS 1) is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zelfs niet hoger dan 40 dB(A). De maximale A-gewogen geluidsniveaus ter plaatse van woningen van derden die moeten worden getoetst aan de voorschriften, zijn lager dan 65 dB(A) in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode worden de maximale geluidniveaus bij woningen van derden bepaald door het komen en gaan van voertuigen. Vanwege de afscherming zijn de optredende geluidniveaus op de gevels van de woningen sterk afhankelijk van de toetsingshoogte.
Er wordt verzocht om geen lagere waarden in de vergunning op te nemen dan gebruikelijk zijnde resp. 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag- avond- en nachtperiode. Ter plaatse van alle woningen is de geluidbelasting als gevolg van indirecte hinder lager dan de voorkeursgrenswaarde genoemd in de circulaire indirecte hinder. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden geen nieuwe milieugevoelige functies opgericht. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd op de huidige locatie.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
42
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld 5.5.4
Conclusie
Met in achtneming van het vastleggen van de locatie van de puinbreker en het aanleggen van geluidwerende voorzieningen (zie afbeelding 5.4), vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, ‘Sallandse Heuvelrug’, ligt op circa 9,2 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen.
Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Uit de uitgevoerde berekening wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
43
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld 5.6.1.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN. Wel grenst het plangebied aan gronden die onderdeel uitmaken van het GNN. Doordat het GNN geen externe werking kent, zijn negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de kernkwaliteiten van het GNN uitgesloten. Wel ligt het plangebied in de Groene Ontwikkelingszone (GO) en daarnaast een ecologische verbindingszone. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een flora en fauna quickscan uitgevoerd, hierin is een effectenbeoordeling opgenomen. De flora en fauna quickscan is opgenomen in bijlage 7. Hierna wordt ingegaan op de effectenbeoordeling.
Effectenbeoordeling Kernkwaliteiten De GO is in Gelderland ingedeeld in verschillende deelgebieden. Per deelgebied heeft de provincie gedefinieerd wat de ontwikkelingsdoelen van het betreffende deelgebied zijn en waarop deze betrekking hebben. De projectlocatie is gelegen in deelgebied 0, Dortherbeek. In bijlage 1 van het in bijlage 7 opgenomen flora en fauna quickscan is een beschrijving van de gedefinieerde ontwikkelingsdoelen van dit gebied opgenomen. Van deze gedefinieerde kernkwaliteiten heeft slechts één kernkwaliteit betrekking op het plangebied. Deze staat hieronder weergegeven. Leefgebied das De das komt voor in de omgeving van het plangebied maar niet in het plangebied zelf. Daardoor is het niet uitgesloten dat het plangebied sporadisch wordt doorkruist door een das. Het zuidelijk deel van het plangebied (het agrarisch grasland) kan daarnaast fungeren als marginaal foerageergebied voor de das. De aanwezigheid van burchten en essentieel foerageergebied is echter uitgesloten. Met de voorgenomen herinrichting van het erf is geen sprake van een onderbreking in het landschap of ruimtebeslag op essentieel foerageergebied. In de uiteindelijke gebruiksfase wordt het erf op de grenzen ook voorzien van hagen en bomen, waardoor de toekomstige situatie voor de das juist verbeterd. De soort foerageert namelijk graag in kleinschalig landschap dat is omsloten door hagen en bomen.
Het zuidelijke graslandperceel zal in de toekomst daarmee nog steeds (en mogelijk beter) kunnen fungeren als foerageergebied voor de das. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op het leefgebied van de das. Ontwikkelingsdoelen Naast de genoemde kernkwaliteiten zijn er ook diverse ontwikkelingsdoelen gesteld voor het betreffende deelgebied (zie bijlage 1 van het in bijlage 7 opgenomen flora en fauna quickscan). De gestelde ontwikkelingsdoelen hebben echter geen betrekking op het plangebied of de toekomstige inrichting. Negatieve effecten van de voorgenomen plannen op deze doelen zijn dan ook uitgesloten. Conclusie Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging enerzijds en uitbreiding van bestaande bestemmingen anderzijds. Vervolgens wordt een onderscheid gemaakt naar de schaal van de ingreep en daarmee naar het effect ervan op de kernkwaliteiten. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij: • • •
geen reële alternatieven aanwezig zijn; sprake is van redenen van groot openbaar belang; de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
44
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld •
de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen (tot 30 procent) mogelijk worden gemaakt, mits: • •
de betreffende activiteit landschappelijk wordt ingepast; de kernkwaliteiten per saldo niet worden aangetast.
Bij de beoordeling van de effecten op kernkwaliteiten in de GO is het steeds van belang dat oppervlakte en ecologische samenhang niet worden aangetast dan wel substantieel worden versterkt. Daar waar het geluidbelasting, licht en verstoring van rust betreft, kan het voorkomen dat bij uitbreiding van een functie een beperkte toename niet te vermijden is. Alhoewel uitgangspunt is dat die beperkte aantasting zo veel mogelijk wordt voorkomen kan - in gevallen waarin dit niet mogelijk blijkt - door een toename in oppervlakte natuur en verbetering van de ecologische samenhang, toch een positief saldo worden bereikt. De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaande bedrijfsbestemming. De uitbreiding leidt niet tot aantasting van aangewezen kernkwaliteiten en/of ontwikkelingsdoelen van het GO, waardoor deze geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het voornemen valt echt niet onder de noemer kleinschalige uitbreiding. Aangezien het hier een (planologische) uitbreiding betreft van meer dan 30% (in oppervlakte), is het noodzakelijk dat het gebied versterkt wordt. Hiertoe is een ruimtelijkkwaliteitsplan en inrichtings- en beheerplan opgesteld (zie bijlagen 1 en 3 van deze plantoelichting). De te treffen (landschaps)maatregelen en het beheerplan zijn verankerd in de regels van voorliggend bestemmingsplan. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuur Kompas ter plaatse van de bedrijfslocatie een flora en fauna quickscan uitgevoerd. Ter plaatse van de natuurontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een quickscan uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van de onderzoeken opgenomen. Voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 7 en bijlage 8 van deze toelichting. 5.6.2.2 Onderzoeksresultaten Bedrijfslocatie Algemeen voorkomende soorten Binnen het plangebied komt een aantal algemeen voorkomende soorten voor. Deze soorten vallen allemaal onder art. 3.10 van de Wnb. Voor deze soorten heeft de provincie Gelderland een vrijstelling afgegeven voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat voor de werkzaamheden geen ontheffing voor deze soorten nodig is.
Strikt beschermde soorten Voor soorten van art. 3.10 van de Wnb en waarvoor geen vrijstelling is afgegeven en voor soorten van art. 3.5 of 3.1, geldt dat bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffing moet worden aangevraagd. Van de hieronder vallende soorten komen de das, steenmarter, vleermuizen en algemene broedvogelsoorten mogelijk voor in het plangebied. Grondgebonden zoogdieren
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
45
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld Het plangebied vormt mogelijk marginaal foerageergebied voor de das. Met de voorgenomen plannen blijft het grasland behouden. Bovendien wordt het grasland in de toekomst beter afgeschermd van het erf door een brede haag van inheemse struikensoorten. Hierdoor kan het grasland ook in de toekomst fungeren als foerageergebied voor de das. Het is daarnaast niet uit te sluiten dat de steenmarter een verblijfplaats heeft in één van de bergen met puin op het achterterrein. Met de voorgenomen plannen blijven dergelijke bergen met puin ook in de toekomst aanwezig. Hoewel een eventuele bestaande verblijfplaats niet continue op dezelfde locatie aanwezig zal zijn, biedt het plangebied altijd diverse alternatieve verblijfplaatsen voor de steenmarter. Negatieve effecten op de steenmarter zijn dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het dak van de woning kan fungeren als verblijfplaats voor diverse vleermuissoorten. De voorgenomen plannen voorzien echter niet in werkzaamheden aan de woning, waardoor is uitgesloten dat er sprake is van negatieve effecten op vleermuizen.
Algemeen voorkomende broedvogels Bij start van de werkzaamheden in het broedseizoen kunnen broedende vogels worden verstoord of gedood en/of nesten worden aangetast. Dit is een overtreding van art. 3.1, lid 1 en 2 van de Wnb. Hiervoor kan geen ontheffing worden aangevraagd. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of op te starten en continu door te laten lopen, worden negatieve effecten op broedvogels voorkomen. Er is dan geen sprake van een overtreding van de Wnb. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden opgestart, moet een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied inspecteren op aanwezigheid van broedgevallen. Locatie natuurontwikkeling De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde vogels en vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Het plangebied wordt door beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën benut als foerageergebied en mogelijk bezetten deze soorten er ook een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats. Grondgebonden zoogdieren en hun vaste rust- en voortplantingsplaats worden door de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed.
Voor de amfibieën die mogelijk aanwezig zijn in de poel geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat deze amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de wet natuurbescherming vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. 5.6.3
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de GNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
Gemeente Lochem Bestemmingsplan Levenkamp 5 Laren BJZ.nu B.V./ TOE / juli 2025
NL.IMRO.0262.buLevenkamp5La-BP41 Vastgesteld juli 2025
46
Bestemmingsplan “Levenkamp 5 Laren” Vastgesteld
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Gemeentelijk beleid De gemeente Lochem heeft voor het gehele grondgebied van de gemeente een archeologische beleidskaart op laten stellen. Dit ‘eigen’ archeologiebeleid is vervolgens vertaald in het ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Dit overkoepelende bestemmingsplan is op 20 januari 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. Op de archeologische beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in verschillende archeologische categorieën. Daarnaast zijn er gebieden waar door bijvoorbeeld vergravingen geen archeologische waarden meer worden verwacht. De volgende categorieën worden onderscheiden: