CConstaterende datLochem
Koppel je AI →
Document · PDF

Raad TOE BP Barchemse Bos conStabiel Vts v8 15juli 2024

Raadsvergadering 7 april 2025, gemeente LochemBij agendapunt: Bestemmingsplan Barchemse Bos22.101 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zonebreedte

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2

-

200 meter

3 of meer

-

350 meter

-

1 of 2

250 meter

-

3 of 4

400 meter

-

5 of meer

600 meter

Tabel 1- Zonebreedtes gezoneerde wegen

Grenswaarden Geluidsgevoelige objecten die worden gerealiseerd binnen de geluidszones dienen te worden getoetst aan grenswaarden van de geluidsbelasting die zijn aangegeven in de Wgh. Hierbij geldt een voorkeursgrenswaarde voor nieuwe situaties. Deze waarde bedraagt in vrijwel alle gevallen 48 dB. Indien deze waarde wordt

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

32

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

overschreden, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor een hogere waarde. De maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van het soort geluidsgevoelig object en de geluidsbron. Bij de ontheffing dient het college te motiveren waarom bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn en waarom het plan gewenst is. Ook dient het in de Wgh vastgelegd binnenniveau gewaarborgd te worden. Geluidsniveaus bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die hoger zijn dan de wettelijke maximale ontheffingswaarden zijn niet toegestaan. Geluid in relatie tot het plangebied Binnen het plangebied zijn zes nieuwe vrijstaande woningen beoogd. Zoals genoemd wordt een woning op grond van de Wgh aangemerkt als geluidgevoelig object. De betreffende woonfuncties liggen binnen de geluidzone van de Borculoseweg (N821) en de Ruurloseweg (N312). Door adviesbureau Alcedo b.v. is hierop een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd, afgestemd op de nieuwe verkaveling voor het gebied. De bijbehorende rapportage is als bijlage bij deze plantoelichting opgenomen. Hieruit volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Borculoseweg (N821) ten hoogste 46 dB bedraagt (inclusief 2 en 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voldaan.

De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Lochemseweg / Ruurloseweg (N321) bedraagt ten hoogste 35 dB inclusief (2 en 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Ook hiermee wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voldaan. De gecumuleerde geluidsbelasting (exclusief correctie artikel 110g Wgh) bedraagt bij de woningen ten hoogste 51 dB. Er is geen sprake van relevante cumulatie ten gevolge van andere zoneringsplichtige geluidsbronnen. Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect geluid voor het onderhavige bestemmingsplan. 4.3

Luchtkwaliteit

Beleid en regelgeving De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en Ministeriële Regelingen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen in de vorm van grenswaarden en richtwaarden voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. De belangrijkste zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/³. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) 2

Alcedo B.V., ‘Woningbouw ontwikkeling Barchemse bos te Barchem’ (rapport 2007808.R01.V01), juni 2020

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

33

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

In dit besluit is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden is het project NIBM, en hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Zo ligt voor woningbouwplannen de grens van 3% bij 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg.

Als in een onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Luchtkwaliteit in relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan heeft tot doel om de bouw van zes nieuwe woningen te realiseren. Er ontstaan zo zes extra woningen in het zogenaamde Barchemse bos in het zuiden van het dorp Barchem. Hiermee draagt het plan ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Op grond van de Regeling NIBM wordt een project tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg immers gerekend tot een zogenoemd ‘niet in betekenende mate’ project. Dit betekent dat er geen nader onderzoek en toetsing aan de in de Wet luchtkwaliteit gestelde grenswaarden hoeft plaats te vinden. Met andere woorden, de beoogde ontwikkeling voldoet aan het wettelijk kader. Voor wat betreft de bijdrage van het plan aan de concentratie PM2,5 kan het volgende opgemerkt worden. PM2,5 maakt deel uit van de bijdrage PM10. Dit betreft immers alle stofdeeltjes met een diameter van 10 µm of kleiner. Aangezien de bijdrage PM10 lager is dan 1,2 μg/m³, is de bijdrage PM2,5 dat ook. De huidige achtergrondconcentratie PM2,5 bedraagt ter hoogte van de projectlocatie bovendien circa 11 μg/m³ (bron: GCN kaarten RIVM, jaar 2019).

Derhalve zal de realisatie van de zes extra woningen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 (25 μg/m³). Voorts zijn woningen in het Besluit gevoelige bestemmingen niet aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het plan voorziet derhalve niet in de realisatie van gevoelige bestemmingen. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het plan.

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

34

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

4.4

Geur

Beleid en regelgeving Veehouderijen kunnen hinder veroorzaken voor gevoelige functies. Een belangrijk hinderaspect is geur. De regelgeving die hiervoor van toepassing is, is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat een beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Dit beoordelingskader is ook overgenomen in het Activiteitenbesluit. Het beoordelingskader is als volgt: 1. voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een waarde (maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Meststoffenwet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom; 2. voor andere diercategorieën (waarvan geen geuremissie per dier is vastgesteld) geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten; ook hier is een onderscheid gemaakt tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Er is geen onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden.

De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient in alle gevallen ten minste 50 meter te bedragen indien het geurgevoelige object gelegen is binnen de bebouwde kom en 25 meter te bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het beoordelingskader voor (intensieve) veehouderij is samengevat in tabel 2. Concentratiegebied

Binnen bebouwde kom

Diercategorieën Max. 3 ouE/m3 Rgv Andere Min. 100 m t.o.v. diercategorieën geurgevoelig object Buiten Diercategorieën Max. 14 ouE/m3 bebouwde Rgv kom Andere Min. 50 m t.o.v. diercategorieën geurgevoelig object Tabel 2: Geldende waarden/afstanden veehouderijen

Nietconcentratiegebied

Afstand buitenzijde dierenverblijf tot buitenzijde geurgevoelig object

Max. 2 ouE/m3 Min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object Max. 8 ouE/m3 Min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Min. 50 m

Min. 25 m

Geur in relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan maakt de bouw van zes nieuwe woningen mogelijk. Deze zes woningen kunnen aangemerkt worden als geurgevoelige objecten. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. Tussen de woningen en een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor dient daarom een afstand van 100 meter te worden aangehouden.

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

35

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Binnen 100 meter van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen. In de directe omgeving zijn ook geen veehouderijen aanwezig met dieren met een geuremissiefactor. Dit betekent dat ter plaatse van het plangebied de geurnormen niet zullen worden overschreden en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tegelijkertijd zullen er geen agrarische bedrijven gehinderd worden in de bedrijfsvoering door het plan. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geur voor het plan. 4.5

Bedrijven en milieuzonering (omgevingsanalyse)

Beleid en regelgeving Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van een aantal milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze richtafstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Milieucategorie

1

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied 10 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m

2 3.1

30 m 50 m

10 m 30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2 5.3

700 m 1.000 m

500 m 700 m

6

1.500 m

1000 m

Tabel 3 - Milieucategorieën en richtafstanden tot een rustige woonwijk en gemengd gebied (bron: Bedrijven en milieuzonering, VNG)

Daarbij zijn gemengde gebieden als minder gevoelig voor milieuhinder aangemerkt dan een rustige woonwijk, en zijn kleinere afstanden aanvaardbaar (zie bijgaande tabel 3).

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

36

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Milieuzonering in relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan heeft tot doel om de bouw van zes nieuwe woningen mogelijk te maken. Wonen is een milieugevoelige functie. Hoewel de woning aan een belangrijke doorgaande weg ligt, bevinden zich in de omgeving van het plangebied vooral woningen. Voor de beoordeling van het aspect milieuzonering wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen (grootschalige) bedrijfsfuncties. Wel zijn er bedrijfsfuncties (anders dan kleinschalige bedrijvigheid aan huis) aanwezig in het centrum van Barchem, ten westen van het plangebied. Deze gronden hebben het huidige bestemmingsplan ‘Kern Barchem 2008’ de bestemming ‘Centrum’ waarbinnen diverse functies zoals detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen en bedrijfsmatige activiteiten in categorieën 1 en 2 zijn toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het dichtstbijzijnde perceel met een centrumbestemming (Ruurloseweg 5) ligt echter op meer dan 75 meter afstand van de nieuwe woonbestemming binnen het plangebied. De tussenliggende afstand is daarmee voldoende groot. Met andere woorden, er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect milieuzonering voor de woningbouwontwikkeling in het Barchemse bos. Tevens worden bedrijven in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt door het woningbouwplan.

Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ voor het plan. 4.6

Externe veiligheid

Beleid en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op situaties waar een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen waardoor mensen, die verder niets met de risicodragende activiteit te maken hebben, om het leven zouden kunnen komen. Beoordelingskader Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in: • externe veiligheid voor inrichtingen; • externe veiligheid voor transport van gevaarlijke stoffen in buisleidingen; • externe veiligheid voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, water en spoor. De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Onder kwetsbare objecten worden onder andere woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, grote (kantoor)gebouwen en grotere recreatieterreinen verstaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, sporthallen en bedrijfsgebouwen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen besluiten over omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen).

De aan te houden veiligheidsafstanden zijn meestal gebaseerd op (berekende) risico's en soms op te verwachten effecten bij een calamiteit.

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

37

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Externe veiligheid voor inrichtingen Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden lpg-tankstations. Externe veiligheid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), en de bijbehorende regeling. Externe veiligheid voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, water en spoor Het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), de bijbehorende regeling, de Wet basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. • Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 /jaar PR-contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

• Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN- curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1 % letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor de beoordeelde risicobronnen vindt als dit wettelijk is voorgeschreven toetsing plaats aan dit plaatsgebonden en groepsrisico. Gemeentelijk beleid Overeenkomstig het gestelde in de Externe Veiligheidsvisie (EV-visie) van Lochem conformeert de gemeente Lochem zich aan het wettelijke kader voor het omgaan met de externe veiligheidsproblematiek en behandelt de circulaires alsof deze wet zijn.

Verder geeft de EV-visie richtinggevende uitspraken over: • de invulling van de beleidsvrije ruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) rondom de meest risicovolle bedrijven (BEVI-bedrijven), en langs relevante transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; • de gebieden waar nieuwe risicorelevante bedrijven wel of niet kunnen worden toegestaan.

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

38

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Externe veiligheid in relatie tot het plangebied Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie van de risicobronnen in en om het plangebied gemaakt. In figuur 10 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.

Plangebied

Gasleidingen

Figuur 17 – Uitsnede risicokaart voor het plangebied en omgeving (bron: www.risicokaart.nl)

Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Transportroutes gevaarlijke stoffen In het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in en nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op een afstand van ruim 800 meter ten zuiden van de planlocatie Barchemse Bos is dit wel aanwezig. Het betreft een ‘leidingstraat’ met een drietal ondergrondse

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

39

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

hogedrukaardgasleidingen. Het invloedsgebied voor het groepsrisico van deze drie leidingen bedraagt echter 540 meter, zodat een nadere risicoanalyse en verantwoording niet nodig is. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid voor het plan. 4.7

Bodem

Beleid en regelgeving In het kader van een ruimtelijk plan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Als blijkt dat de bodem niet geschikt is, dan zal voor aanvang van de werkzaamheden een sanering moeten worden uitgevoerd. Bodem in relatie tot plangebied In verband met de beoogde nieuwbouw van zes nieuwe woningen in het Barchemse bos is door adviesbureau LBP|SIGHT een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 uitgevoerd3. De resultaten zijn in de bijlage van deze plantoelichting opgenomen. In de rapportage is de oude verkaveling nog opgenomen. Inmiddels wordt uitgegaan van een andere verkaveling (drie keer twee woningen). De resultaten van het indertijd uitgevoerde onderzoek zijn daarentegen nog steeds geldig. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er geen bodemhygiënische belemmeringen bestaan voor de voorgenomen functiewijzing.

Op de planlocatie zelf hebben voor zover bekend nooit bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Geconcludeerd wordt dat vervolgonderzoek in het kader van onderhavig bestemmingsplan niet benodigd is. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat als onderdeel van de omgevingsvergunningen voor bouwen nog wel een onderzoek conform NEN5740 uitgevoerd dient te worden. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect bodem voor het bestemmingsplan. 4.8

Waterbeleid

De gemeente Lochem is niet primair verantwoordelijk voor alle watertaken, maar moet de waterbelangen wel goed beschrijven en afwegen binnen de ruimtelijke ordening. Een van de instrumenten hiervoor is de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat het waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) beoordeelt of de waterbelangen voldoende zijn afgewogen. De voor de gemeente en waterschap van belang zijnde wateraspecten zijn hierna kort beschreven. 3

LBP|SIGHT, ‘Historisch bodemonderzoek NEN 5725 - Realisatie woningbouw Barchemse bos’ (kenmerk V073037ab.00002.jwk), november 2018

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

40

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoetsproces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid. Hieronder is een overzicht gegeven van relevante nota’s aangaande de waterhuishouding, uitgesplitst naar de verschillende bestuursniveaus. Allen hebben als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Europa Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP); Waterwet. Provinciaal Omgevingsvisie Gaaf Gelderland; Omgevingsverordening Gelderland. Regionaal/ lokaal Waterbeheerprogramma Rijn en IJssel 2022-2027; Gemeentelijk Riolering Plan Lochem 2021-2025 (GRP). Het regionale en lokale beleidskader wordt nader toegelicht. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterschap zorgt voor het water in de omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving.

De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

41

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid en dat het waterschap daarbij wendbaar inspeelt op ontwikkelingen. Het waterschap voert het beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met de partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruikt het waterschap de (digitale) watertoets. Gemeentelijk Riolering Plan Lochem 2021-2025 De volgende hydrologische uitgangspunten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen van belang. Watersysteem • Uitgangspunt bij ruimtelijke plannen is dat deze hydrologisch neutraal worden aangelegd. Dit betekent dat het omliggende watersysteem niet zwaarder belast zal worden ten gevolge van de ontwikkeling; • De gemeente streeft in verband met het voorkómen van grondwateroverlast bij nieuwbouwplannen naar een ontwateringsdiepte van ten minste 0.9 meter onder het vloerpeil van de woning (uitgaande van woningen voorzien van een kruipruimte) en 1.0 meter onder het vloerpeil bij bedrijventerreinen; • Het waterschap toetst het watersysteem bij nieuwbouw op inundatie voor een neerslag van T100+10% (T100 = herhalingstijd van eens in de honderd jaar en 10% extra neerslag ten gevolge van klimaatontwikkeling). Afvalwater en hemelwater (algemeen) • Nieuwbouw gaat uit van de primaire verwerking van hemelwater op het eigen terrein naar de bodem.

Pas als de perceeleigenaar het hemelwater redelijkerwijs niet zelf kan verwerken, vanwege te hoge grondwaterstanden en/of slecht doorlatende bodem, zal het hemelwater buiten het particuliere terrein verwerkt worden. In dat geval dient het hemelwater te worden

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

42

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

• • • •

afgevoerd naar oppervlaktewater en/of naar centrale wadi’s binnen het plangebied. Het afvalwater en hemelwater moeten altijd gescheiden worden aangeleverd tot aan de erfgrens ongeacht het rioolsysteem dat in het openbaar gebied is aangelegd; In drukrioleringsgebieden en bij gebruik van een IBA (Individuele Behandeling van Afvalwater) dient de particulier al het hemelwater op zijn perceel zelf te verwerken. De gemeente draagt als eigenaar en beheerder zorg voor de inzameling en verwerking van het hemelwater in het openbare gebied. Het hemelwater stroomt zoveel mogelijk zichtbaar af naar oppervlaktewater of naar een centrale infiltratievoorziening, bij voorkeur een wadi. Als bovengrondse noodoverlaat/ afvoer redelijkerwijs niet kan, wordt het hemelwater via een hemelwater- of IT (infiltratie) -riool afgevoerd naar de waterberging.

Hemelwater bij nieuwbouwplannen (onderdeel van groter plangebied) • Hemelwater moet binnen de grenzen van het plangebied verwerkt worden. Dit kan op de individuele percelen of collectief in bijvoorbeeld een wadi. • In geval van een collectieve voorziening moet het afstromende hemelwater bij voorkeur bovengronds worden afgevoerd naar de voorziening. De capaciteit van de waterberging is afhankelijk van de situatie en wordt in overleg met de gemeente en het waterschap bepaald (o.a. in procedure watertoets). • Als bovengrondse noodoverlaat/ afvoer redelijkerwijs niet kan, wordt het hemelwater via een hemelwater- of IT -riool afgevoerd naar de waterberging. • Hydraulisch moet het nieuwe stelsel (of de goten) voldoen aan Bui 8 T=2 met een minimale waking (verschil tussen peil in het riool en het maaiveldniveau) van 0,20 m. Bij grotere buien fungeert de openbare ruimte als tijdelijke berging. Daarnaast zal getoetst moeten worden met een controlebui T=10 om eventuele knelpunten zichtbaar te maken waar maatregelen voor genomen moeten worden. • Voor de opvang en het transport van het hemelwater mogen geen uitlogende materialen worden toegepast. • Bij bui T=500 mag er geen hemelwater in woningen, winkels en/of bedrijven stromen.

Hemelwater bij individuele nieuwbouw (inbreidingslocaties) • Bij individuele nieuwbouw in bestaand gebied wordt een bergingseis van 30 mm voorgeschreven over het verhard oppervlak van de vergunningplichtige activiteiten (veelal het dakoppervlak). • Een bovengrondse noodoverlaat/ afvoer naar de straat mag gerealiseerd worden om bij zeer extreme neerslag wateroverlast in de tuin te voorkomen • Indien infiltratie niet haalbaar is zal in overleg met de gemeente gezocht worden naar een maatwerkoplossing. • Voor de opvang en het transport van het hemelwater mogen geen uitlogende materialen worden toegepast. Water in relatie tot het plangebied De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een nieuw woningbouwplan in het Barchemse bos, gelegen ten zuiden van de Borculoseweg in de bebouwde kom/stedelijk gebied van het dorp Barchem. Een deel van de bestaande bosbestemming wordt in dit kader gewijzigd naar een woon- en

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

43

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

tuinbestemming, waarna in totaal maximaal zes vrijstaande woningen op relatief ruime kavels worden voorzien. Bestaande verharding Binnen de bestemming ‘Wonen’ is hiervoor een bouwvlak van maximaal 200 m 2 voor elke woning opgenomen. Per woning is ook nog maximaal 75 m 2 aan bijgebouwen toegestaan. De oppervlakte aan bebouwing op de planlocatie zal daarmee met maximaal 1650 m2 toenemen, aangezien er in de huidige situatie geen bebouwing en/of verharding aanwezig is. Gezien deze relatief beperkte toename, het feit dat er in het plangebied geen watergangen aanwezig zijn / gedempt hoeven te worden en er mogelijkheden zijn voor infiltratie (zie ook hierna), worden hieromtrent geen problemen verwacht. Oppervlaktewater en waterkeringen In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er zijn ook geen waterkeringen of kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding (zoals gemalen, stuwen of sluizen) in het plangebied aanwezig. Bovendien ligt het gebied niet in een zone die is aangewezen als natte EVZ. Verder is het plangebied ook niet gesitueerd in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of waterbergingsgebied. Ook is er geen sprake van wateroverlast. Wel ligt een klein deel van het plangebied binnen de ‘beschermingszone natte landnatuur’. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2 van deze plantoelichting.

Bodem en grondwater Voor het hemelwater wordt de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen - afvoeren gehanteerd. Het hemelwater dat op het dak van de nieuwe woningen neerkomt, dient dan apart te worden ingezameld en moet gescheiden blijven van het vuile huishoudelijke afvalwater. Vervolgens kan dit hemelwater worden geïnfiltreerd in de bodem. De aanwezige bodem binnen het plangebied lijkt hiervoor geschikt. Op basis van de landelijke bodemkaart blijkt namelijk dat de bodemopbouw in het plangebied behoort tot de ‘Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21)’ met een relatief lage grondwaterstand (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand 40 cm –mv, en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand meer dan 120 cm -mv: grondwatertrap V). Het grondwaterstation aan de Ruurloseweg, nabij het plangebied, bevestigt het beeld van lage grondwaterstanden en geeft een maaiveldhoogte aan van 14,85 m + NAP. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bedraagt daar 13,36 + NAP en de gemiddeld laagste grondwaterstand 12,4 m + NAP4. Zie ook het bodemonderzoek van LBP|SIGHT over de samenstelling van de bodem5. Bij infiltratie in de bodem is het wel van belang, ongeacht de wijze van hemelwaterafvoer, om de waterkwaliteit te bewaken. Daartoe dient het gebruik van uitloogbare materialen bij het bouwen zoveel mogelijk te worden vermeden.

Het plangebied is verder niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

4

www.vitens.lizard.net LBP|SIGHT, ‘Historisch bodemonderzoek NEN 5725 - Realisatie woningbouw Barchemse bos’ (kenmerk V073037ab.00002.jwk), november 2018 5

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

44

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

De nieuwe woningen dienen te worden voorzien van riolering. Deze dient bij de omgevingsvergunning van de bouw van de woningen te worden aangevraagd. Het vuile afvalwater vanuit de nieuw te bouwen woningen kan dan afgevoerd worden via het bestaande rioleringssysteem dat in de omgeving aanwezig is. Via dit rioleringssysteem zal het afvalwater worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Klimaatadaptie (wateroverlast) Op het perceel en in de directe omgeving is geen sprake van wateroverlast of ondiepe grondwaterstanden. Problemen hieromtrent worden dan ook niet verwacht. Dit blijkt ook uit gegevens van de klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas), waarbij aan de hand van een projectie bij een bui T100 (70 mm in 1 uur) geen noemenswaardige problemen worden verwacht. In het plangebied is nauwelijks sprake van verharding maar veel groen, wat de gevoelstemperatuur verlaagt en daarmee ook in mindere mate sprake zal zijn van hittestress. Toekomstig watersysteem Waterbergingsopgave en watercompensatie Als onderdeel van de beoogde herontwikkeling van het terrein worden nieuwe woningen gebouwd, met een maximaal verhard oppervlak van ca. 1.650 m2. Het gebied rondom de nieuwbouw is (bestaand) bos. In vergelijking met de huidige situatie neemt de verharding in het plangebied daarmee toe.

Indien het projectgebied groter is dan 1500 m2 ziet het waterschap dit in principe als een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen de bebouwde kom waarvoor geldt dat het plan ‘waterneutraal’ ontwikkeld dient te worden om wateroverlast te voorkomen. Een grote vernieuwingsopgave biedt namelijk de kans om het gehele projectgebied waterneutraal te maken ten opzichte van wanneer dit gebied onverhard zou zijn. Het waterschap hanteert dan als uitgangspunt, dat een bui, die ca. eens per 100 jaar voorkomt (bui T100), in het plangebied wordt geborgen en vertraagd wordt afgevoerd naar het grond- en/of oppervlaktewater. Daarbij dient rekening gehouden te worden met klimaatontwikkeling door de bui met 10% te vergroten (bui T100+10%). Uitgangspunt daarbij is dat voor de toekomstige verhardingen in het gebied hemelwater gecompenseerd dient te worden: 80 mm per verhard oppervlak dient vastgehouden, geborgen en vertraagd afgevoerd te worden. Op grond van dit uitgangspunt dient rekening te worden gehouden met een waterbergingsvolume van ca. 132 m3 (80mm/1000 (= 0,08) x 1650 m2). Om hieraan invulling te geven wordt er gedacht om in de tuinen c.q. de verharding op de woonkavels ook te voorzien van ondergrondse waterberging (zoals grindkoffers/ infiltratiekratten).

De randvoorwaarden om het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing en tuinverharding te laten infiltreren in de bodem zijn immers goed; de grond bestaat overwegend uit zand bestaat, met een relatief lage grondwaterstand. Uitgaande van een ondergrondse waterberging van 40 cm (een infiltratiekrat is in de regel 40cm hoog) betekent dit dat er minimaal 53 m2 (132 X 0,4) aan ondergrondse waterberging gecreëerd moet worden. Dit is ca. 9 m2 per woning. Hier kan ruimschoots aan worden voldaan. Hiermee kan voor het hemelwater de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen afvoeren worden gehanteerd. Dit aspect zal bij de uitwerking van de plannen nader

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

45

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

worden bepaald, en getoetst worden aan de uitgangspunten hieromtrent zoals gesteld in de GRP Lochem 2021-2025. In deze fase van het plan is echter duidelijk dat het voorgestelde plan ‘waterneutraal’ kan worden uitgevoerd. Riolering Het vuile huishoudelijk afvalwater vanuit het nieuw te bouwen woningen zal worden afgevoerd via een nieuw aan te leggen gescheiden rioolstelsel, welke aansluit op het gemeentelijk rioleringssysteem in de directe omgeving. Ten opzichte van de huidige situatie zal het afvalwater (Droogweerafvoer, DWA) naar verwachting toenemen. De exacte vormgeving van de riolering is een uitvoeringskwestie. Dit wordt nader bepaald bij de technische uitwerking van het bouwplan, waarbij ook getoetst zal worden aan de uitgangspunten hieromtrent uit de GRP Lochem 20212025. Via het gemeentelijk rioleringssysteem zal het afvalwater worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Waterkwaliteit Het hemelwater dat neerkomt op de nieuwe woningen dient zo schoon mogelijk te blijven. Het is daarom belangrijk om de waterkwaliteit te bewaken. Daartoe wordt het gebruik van uitloogbare materialen bij het bouwen vermeden. Klimaatadaptie (inrichting) Als onderdeel van de planvorming wordt gedacht aan toepassing van ondergrondse drainage bij de woningen, afkoppelen van hemelwater en gebruik van een lokaal, ondergronds waterberging.

Watertoetstabel In bijgaande watertoetstabel zijn de relevante en niet-relevante waterhuishoudkundige thema’s nog eens inzichtelijk gemaakt. Thema

Toetsvraag

Relevant

Algemeen

Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie?

Nee

Beheer en onderhoud

Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast?

Nee

Ligt in of nabij het plangebied een watergang?

Nee

Veiligheid

Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primaire Nee waterkering, regionale waterkering, overige kering of kade)? Ligt het plangebied in een overstromingsgevoelig gebied of winterbed van een rivier?

Nee

Klimaatadaptatie Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en Nee (wateroverlast) bestrating toe met meer dan 500m2? Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en Ja bestrating toe met meer dan 1500m2? Bevindt het plan zich in een waterbergingsgebied, laaggelegen gebied of beekdal?

Nee

Is er in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) van Nee wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor wateroverlast uit de klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) Is het plangebied gevoelig voor hittestress? (bekijk hiervoor de klimaatatlas)

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

46

Nee

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Is het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter?

Nee

Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig of gepland?

Nee

Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)?

Ja

Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?

Nee

Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie/ rioolgemaal/ persleiding/ gemengde overstort?

Nee

Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering?

Nee

Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk vervuild raakt?

Nee

Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

Nee

Grondwaterbehee Bevindt het plan zich in een kwelgebied? r Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 80

Nee

Waterkwaliteit

Afvalwaterketen

Nee

cm? Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een (drink)wateronttrekking?

Nee

Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

Nee

Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een beperkingengebied voor drainage?

Nee

Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt?

Nee

Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed? Tabel 1 - Watertoetstabel

Nee

Recreatie en beleving

Watertoets Het bestemmingsplan is in het kader van het eerdere ontwerp bestemmingsplan uit 2019 voor de watertoets ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft laten weten geen op- of aanmerkingen te hebben op het plan. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied en omgeving. De ontwikkeling is bezien vanuit het aspect water uitvoerbaar. 4.9

Ecologie

Beleid en regelgeving Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de ‘gebiedsbescherming’ en de ‘soortenbescherming’. Gebiedsbescherming

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

47

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb richt zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen. Gelders Natuurnetwerk Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn doordat zij behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de provincie Gelderland wordt in dit kader onderscheid gemaakt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of Groene Ontwikkelingszone (GO) (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Op gronden binnen het GNN mogen geen nieuwe functies mogelijk worden gemaakt, tenzij er geen reële alternatieven aanwezig zijn, redenen zijn van groot openbaar belang en negatieve effecten op het gebied worden beperkt. Uitbreiding van bestaande functies in het GNN kan alleen als de kernkwaliteiten van het gebied per saldo worden versterkt. Op gronden die deel uitmaken van het GO zijn nieuwe ontwikkelingen of uitbreiding van bestaande functies alleen mogelijk als dat niet leidt tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van dat gebied.

Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Het doel van de Wnb is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit is geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.

Ecologie in relatie tot het plangebied Om te beoordelen wat de effecten zijn van de beoogde planontwikkeling ter plaatse van de planlocatie (de bouw van zes vrijstaande woningen) op de natuur zijn verschillende ecologische onderzoeken uitgevoerd. Het eerste ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan dateert van 20146. In 2019 is door ecologisch adviesbureau ECOquickscan een ecologisch onderzoek quickscan flora en fauna

6 quick scan / nader onderzoek flora en fauna. Borculoseweg te Barchem. LBP|SIGHT, 9 december 2014, projectnummer: 14028/34

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

48

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

uitgevoerd7. Hoewel in het voorliggende bestemmingsplan uitgegaan wordt van een gewijzigde verkavelingsopzet van de nieuwe woningbouw, doet dit niets af aan de resultaten van de eerdere onderzoeken. De rapportages van deze onderzoeken met daarin de onderzoeksresultaten zijn derhalve integraal als bijlage bij deze plantoelichting opgenomen. In de rapportage is de oude verkaveling nog opgenomen. Inmiddels wordt uitgegaan van een andere verkaveling (drie keer twee woningen). De resultaten van het indertijd uitgevoerde onderzoeken geven wel een goed beeld van de ecologische situatie. De belangrijkste resultaten en conclusies van beide onderzoeken zijn hieronder weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied te Barchem ligt niet in of grenzend aan een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied ligt op ongeveer 1,1 km afstand en betreft het Natura 2000gebied ‘Stelkampsveld’ (Habitatrichtlijngebied). Aangezien het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt (in relatie tot de omvang van het project) van het beschermde gebied, zijn negatieve effecten op het Natura 2000-gebied ‘Stelkampsveld’ uit te sluiten. Het plangebied ligt bovendien niet in het NNN, maar wel op ongeveer 220 meter van het NNN. De gebieden die zijn aangewezen als NNN liggen ten westen en noorden van het plangebied.

Tussen het NNN en het plangebied ligt de bebouwing van het dorp Barchem. Gezien de tussenliggende elementen ontbreekt een relatie met het NNN. Negatieve effecten op het NNN worden niet verwacht. Soortenbescherming De meeste van de mogelijk in het plangebied voorkomende soorten zoals bruine kikker, gewone pad, haas, konijn, egel en algemeen voorkomende, (spits)muizen zijn beschermd, maar vallen onder een algemene vrijstelling van de provincie Gelderland. Voor deze soorten geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. De zorgplicht uit de Wnb blijft onverminderd van toepassing. Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen, een reeds eerder uitgevoerd onderzoek (Burgt, 2014), de ecologisch niet veranderde situatie sinds die tijd en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten, worden er geen nationaal of internationaal beschermde planten- en/of diersoorten verwacht. Nader onderzoek naar eventueel binnen het plangebied voorkomende beschermde soorten is dan ook niet nodig en zal ook geen nieuwe inzichten geven ten opzichte van de in 2014 onderzochte situatie. In het onderzoek wordt vermeld dat nesten van vogels kunnen worden verstoord als in het broedseizoen wordt gestart met werkzaamheden.

In het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie en bosjes in het plangebied dan ook niet worden verwijderd. Aanvullend ecologisch onderzoek 2023

7

Nieuwenhuis, A., Quick scan flora en fauna Borculoseweg te Barchem. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2019

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

49

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Door het ecologisch bureau Ecofect is in 2023 een nieuwe quickscan ecologie uitgevoerd8, afgestemd op de beoogde verkaveling van onderhavig bestemmingsplan. De onderzoeksrapportage is in de bijlage van deze toelichting opgenomen. Hierna zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Gebiedsbescherming Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. De planlocatie ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (Gelders natuurnetwerk) of de groene ontwikkelingszone hiervan. Aangezien het Natuur Netwerk in Gelderland geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is. Soortbescherming Voor de flora wordt geen overtreding verwacht van de Wet natuurbescherming. Voor de fauna wordt geadviseerd om voor enkele soorten een nader aanvullend onderzoek uit te voeren. Voor boombewonende vleermuizen wordt een aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht. Ook voor de eekhoorn wordt een nader onderzoek geadviseerd. Voor roofvogels is een nader onderzoek naar horsten nodig. Tot slot wordt ook een nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van de hazelworm nodig geacht.

De nadere onderzoeken worden in 2024/2025 uitgevoerd in het kader van de natuurbeschermingsbepalingen in de nieuwe Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (voorheen Wet natuurbescherming). Op voorhand is er geen aanleiding te veronderstellen dat het bestemmingsplan vanwege ecologie niet uitvoerbaar is. Voordat met de werkzaamheden kan worden gestart moeten de resultaten van de aanvullende onderzoeken bekend zijn. Indien hieruit blijkt dat toch een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig zal zijn, dan zal een vergunning voor de betreffende activiteit aangevraagd worden en zullen zo nodig maatregelen worden getroffen en worden uitgewerkt in een Activiteitenplan. Dit vervolgtraject is een traject in het kader van de Omgevingswet in relatie tot de aanvraag van de noodzakelijke omgevingsvergunningen, die de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg hoeft te staan. Stikstofdepositie Mede naar aanleiding van recente uitspraken betreffende het Programma Aanpak Stikstofdepositie en de Stikstofwet die in 2021 van kracht is geworden is een aanvullend onderzoek stikstofdeposities uitgevoerd. Het beoogde plan mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden.

Met het programma Aerius Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. 8 Bureau Ecofect, Borculoseweg Barchem, QuickScan Wet natuurbescherming. 22 december 2023. Project: QS51410

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

50

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Wanneer het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient een vergunning te worden aangevraagd en is nader aanvullend onderzoek noodzakelijk. De vergunning kan alleen worden verleend indien de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Dit kan worden aangetoond met een verschilberekening tussen de referentiesituatie en de toekomstige situatie (interne saldering). Wanneer blijkt dat het projecteffect van het beoogde plan kleiner dan of gelijk is aan de referentiesituatie, kan de vergunning verleend worden. In dit kader is een notitie opgesteld waarin de resultaten van een stikstofdepositieonderzoek9, gebaseerd op een AERIUS-berekening, zijn verwoord en in beeld zijn gebracht. De notitie is in november 2023 gewijzigd met een update volgens Aerius calculator 2022, die sinds 26 januari 2023 operationeel is. Daarbij is er ook rekening gehouden met eventuele bedrijvigheid aan huis. Voor het gebruik van (sfeer)verwarming waarbij stikstof emissie plaatsvindt is een verbod opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

Uit de berekening volgt dat de ontwikkeling van 6 woningen in het Barchemse bos aan de Borculoseweg te Barchem, voor de bouw- en gebruiksfase met respectievelijk peiljaar 2024 en 2025 gemaakt met het programma Aerius Calculator 2023.0.1, niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden boven 0,00 mol N/ha/jaar. Het plan leidt niet tot negatieve effecten ten aanzien van de stikstofdepositie in de Natura-2000 gebieden. Er geldt ook geen vergunningplicht in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstof.

9

conStabiel, ‘Rapportage stikstofdepositie, ontwikkeling Barchemse bos te Barchem’ (nr. 15081-R01), 26 mei 2020, gewijzigd 9 november 2023.

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

51

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Stelkampsveld

Figuur 18 – Ligging planlocatie ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Stelkampsveld

Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het bestemmingsplan, bezien vanuit het aspect ecologie. Aan de hand van de resultaten en conclusies van de uitgevoerde quickscans (en het onderzoek stikstofdepositie) worden geen problemen verwacht. De resultaten van de aanvullende onderzoeken zullen bekend zijn voor de uitvoering c.q. bouw van de woningen. Voordien zullen of kunnen aanvullende maatregelen worden genomen, indien deze voortvloeien uit de aanvullende onderzoeken, zoals een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, compenserende maatregelen, een activiteitenplan enzovoort. De mogelijk nog te treffen maatregelen is een traject in het kader van de Wnb in relatie tot de aanvraag van de noodzakelijke omgevingsvergunningen, die de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg hoeft te staan. Met andere woorden, het aspect ecologie staat niet in de weg aan de voortgang van deze bestemmingsplanprocedure Wel geldt er op basis van de Wnb een zorgplicht die altijd van toepassing is en blijft. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 4.10

Archeologie Beleid en regelgeving

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

52

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valetta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient, voordat er bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed is vastgelegd in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (WAMZ) uit 2007, welke is geïmplementeerd in de Monumentenwet uit 1988. De wet regelt: • Bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem; • Inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening; • Financiering onderzoek: de veroorzaker betaalt. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. Wanneer de nieuwe Omgevingswet in werking treedt, is nog niet bekend. Naar verwachting zal dit niet eerder dan 2022 zijn. Archeologiebeleid gemeente Lochem Naar aanleiding van de bovengenoemde Wamz heeft de gemeente Lochem voor het gehele grondgebied van de gemeente een archeologische beleidskaart op laten stellen.

Dit ‘eigen’ archeologiebeleid is vervolgens vertaald in het ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Dit overkoepelende bestemmingsplan is op 20 januari 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. Op de archeologische beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in verschillende archeologische categorieën. Daarnaast zijn er gebieden waar door bijvoorbeeld vergravingen geen archeologische waarden meer worden verwacht. De volgende categorieën worden onderscheiden: • categorie 1: rijksmonument • categorie 2: gemeentelijk monument • categorie 3: terrein van archeologische waarde • categorie 4: historische stads- of dorpskern • categorie 5: hoge archeologische verwachting • categorie 6: middelmatige archeologische verwachting • categorie 7: lage archeologische verwachting • categorie 8: zonder een archeologische verwachting Archeologie in relatie tot het plangebied Voor het gehele plangebied is categorie 7 uit het gemeentelijk archeologiebeleid van belang. Dit betreft gronden die op grond van geomorfologie, grondwatertrap en bodem en op grond van weinig bekende vindplaatsen in vergelijkbare omstandigheden, een lage kans hebben op archeologische resten in de bodem. Hieronder vallen ook de gebieden met een verhoogde kans op archeologische offsite resten (met bijzondere vondstcategorieën, zoals bruggen, dammen, fuiken en rituele deposities).

Concreet betekent dit dat bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm onder het maaiveld, een inventariserend archeologisch onderzoek verplicht is (volgens Richtlijn Archeologisch Onderzoek).

Gemeente Lochem Bestemmingsplan Barchemse Bos mRO b.v./ TOE / 99.457 – v8 / 15 juli 2024

53

NL.IMRO.0262.baBorculoseweg-BP41 Vast te stellen

Als onderdeel van de beoogde woningbouwontwikkeling is in het verleden door archeologisch adviesbureau RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd naar de gronden in het Barchemse bos. Het betreft een bureauonderzoek10, waarna vervolgens ook een inventariserend veldonderzoek 11 heeft plaatsgevonden. Beide rapportages zijn volledigheidshalve als bijlage bij deze plantoelichting opgenomen. In de rapportage van het inventariserend veldonderzoek wordt geconcludeerd dat bij de uitvoering hoogstwaarschijnlijk geen archeologische resten zullen worden verstoord. Er bestaat derhalve geen noodzaak voor nader onderzoek. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect archeologie. Naar aanleiding van de resultaten en conclusies van het uitgevoerde archeologisch onderzoek is er geen dubbelbestemming (meer) opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. Echter, er kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Woerden) worden gemeld.

4.11 Cultuurhistorie Beleid en regelgeving Goede ruimtelijke ordening betekent dat er onder meer bij het opstellen van bestemmingsplannen, een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is daarbij een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Door wijziging per 1 januari 2012 van het Besluit ruimtelijke ordening (art. 3.1.6) dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeentelijk beleid De cultuurhistorische waardenkaart van Lochem12 brengt de cultuurhistorische waarden integraal in beeld. Het sluit aan bij de steeds meer ruimtelijke benadering van de zorg voor het erfgoed, waarbij behalve naar objecten vooral ook naar de samenhang en de (historisch) ruimtelijke structuur wordt gekeken. In de cultuurhistorische waardenkaart is vooral aandacht besteed aan het zichtbare, landschappelijke en gebouwde erfgoed. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit een tweetal kenmerkenkaarten (landschap en bouwkunst/stedenbouw), twee waarderingskaarten (landschap en bouwkunst/stedenbouw), zes themakaarten en een integrale ensemblekaart waarop de cultuurhistorische ‘toppers’ van Lochem zijn weergegeven. 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14813457/1