plan-MER Windbeleid en RES dec 2024
Tekst van het document
Deze windturbines markeren in het plan-MER de ondergrens van de bandbreedte aan mogelijke windturbines op land in 2030; 2 windturbines (166 m) met een ashoogte van 166 m, een rotordiameter van 160 m, een tiphoogte van 246 m en een vermogen van circa 7,0 MW. Deze windturbines markeren in het plan-MER de bovengrens van de bandbreedte aan mogelijke windturbines op land in 2030.
Afbeelding 4.3 Referentieturbines
De referentieturbines geven samen een realistische bandbreedte aan mogelijke windturbines weer. Anno 2023 is enerzijds een windturbine op land kleiner dan 120 m ashoogte en een turbinevermogen van minder dan circa 3,6 MW onder de huidige financiële aannames niet realistisch. Dit komt onder andere vanwege het vervallen van de SDE-subsidie. Anderzijds geeft een windturbine op land met een ashoogte hoger dan 166 m en een tiphoogte van meer dan 246 m richting 2030 een realistische bovengrens aan. Grotere windturbines (in omvang en vermogen) worden momenteel voornamelijk gerealiseerd op zee. Ook bieden deze referentieturbines een goed uitgangspunt voor het geluidsonderzoek in dit plan-MER, zie verder paragraaf 5.3.1. Het onderzoek richt zich niet op kleinere turbines (zogeheten boerderijmolens) van enkele tientallen meters hoogte die De referentieturbines worden in het plan-MER gehanteerd om de bandbreedte van effecten op hoofdlijnen te bepalen, niet om (maximale) specificatie van turbines in concrete projecten voor te schrijven. De hoogte van de referentieturbines zijn bijvoorbeeld dus ook geen maximale hoogte. Bij de uitwerking van concrete projecten dienen effecten in meer detail onderzocht te worden aan de hand van concrete turbinetypen.
55 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Definitie windpark Windturbines kennen verschillende afmetingen en een windturbine kan solitair, in een lijn of in een cluster gerealiseerd worden. De aard en omvang van milieueffecten door solitaire windturbines kunnen verschillen van de milieueffecten door windturbines in een lijnopstelling of in clusters. Dit omdat milieueffecten (zoals geluid) versterkt kunnen worden door clustering van windturbines. Anderzijds kan clustering uiteindelijk ook zorgen voor vermindering van de totale hinder omdat er minder opstellingen zijn verspreid in een gebied. De scope van het effectonderzoek in het plan-MER betreft - in lijn met de bestaande Windvisie Gelderland enkel windturbines in lijnopstelling of in clusters. Voor het plan-MER wordt daarom de volgende definitie gehanteerd: een windpark bestaat uit minstens twee windturbines. Solitaire windturbines maken -in lijn met het bestaande windbeleid- geen onderdeel uit van de scope van het plan-MER. Energetische uitgangspunten Voor beide referentieturbines wordt uitgegaan van 2.950 vollasturen. De term ‘vollasturen’ duidt op het aantal uur waarop de turbines op vol vermogen draait. Dit is een conservatief uitgangspunt op basis van Windkaart windsnelheid per gemeente1.
Daarbij is voor Gelderland gekozen om geen uitsplitsing te maken per gemeente, maar te kiezen voor een generieke windsnelheid van ≥ 6,75 en < 7,0 m/s (wat gelijk staat aan 2950 vollasturen volgens het begrippenkader NPRES2). Een nauwkeuriger uitsplitsing per gemeente, of zelf per locaties is weliswaar mogelijk, maar is op het niveau van dit plan-MER niet onderscheidend. De referentieturbine met 3,6 MW levert bij 2950 vollasturen een jaarlijkse energieopbrengst van 10.620 megawattuur (MWh). Voor de referentieturbine met 7 MW zijn de jaarlijkse opbrengsten 20.650 MWh. Dit is respectievelijk 10,62 en 20,65 GWh. Definities zonne-energie Zonneparken met een installatie groter dan 15 kilowattpiek (KWp) tellen mee voor de RES-doelstellingen. Dit zijn echter zeer kleine zonneparken met enkele tientallen panelen. Het plan-MER gaat daarom uit van zonneparken met een minimumoppervlakte van 1,5 ha en ongeveer 1 tot 1.9 MWp opgesteld vermogen. In onderstaande tabel worden deze bandbreedtes weergegeven. Er wordt, tenzij anders vermeld, uitgegaan van zonneparken met een zuidoriëntatie, vanwege een groter ruimtebeslag voor dezelfde hoeveelheid energie-opwek in vergelijking met een oost-west oriëntatie. Daarnaast speelt ook de mate van inpassing en functiecombinatie mee in de uiteindelijke waarden.
Tegenwoordig wordt uitgegaan van multifunctionele zonneparken (zonnepark gecombineerd met andere functies) vanwege het uitgangspunt van koppelkansen en dubbel ruimtegebruik in de RES 1.0 en de aangescherpte voorkeursvolgorde zon3.
Tabel 4.1 Kengetallen zonne-energie voor parken in verschillende opstellingen (bron: factsheet elektriciteit NPRES) 1000 GWh komt overeen met:
Aantal GWh per hectare (bij 950 vollasturen)
Opgesteld vermogen (MWp) per hectare
Zuidopstelling
1400-1500 ha
0,67-0,71 GWh
0,7-0,75 MWp
Oost-westopstelling
850-1100 ha
0,91-1,18 GWh
0,96-1,24 MWp
1
Zie: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-04/Windkaart-windsnelheid-per-gemeente-SDE-plus-plus-2022.pdf.
2
Zie: https://www.regionale-energiestrategie.nl/documenten/HandlerDownloadFiles.ashx?idnv=2202978.
3
Kamerbrief over aangescherpte keuzes voorkeursvolgorde zon, d.d. 26 oktober 2023.
56 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Zon op water geen onderdeel van dit plan-MER De ontwikkeling van zonneparken op water maakt geen onderdeel uit van dit plan-MER. De milieueffecten van zon op water kunnen veelomvattend zijn. Deze effecten zijn systeemspecifiek en zijn afhankelijk van de configuratie van de panelen en bestaande fysisch chemische en ecologische toestand van het water. Projectspecifiek onderzoek is noodzakelijk om de aard en omvang van deze effecten inzichtelijk te maken. Dit past niet bij het detailniveau van de effectstudies. Hierdoor kan geen uitspraak worden gedaan over de mate van geschiktheid van locaties voor zon op water. Wel is in generieke zin uitspraak te doen over een aantal mogelijk veelvoorkomende milieueffecten door zon op water. Vanuit de literatuur, de eerste praktijktoepassingen en verkennende modelstudies zijn de eerste effecten in beeld gebracht. Uit deze studies blijkt dat zonnepanelen op water: 1 door een vermindering van lichtinval een direct effect hebben op de primaire productie (onder andere algenen blauwalgengroei) en de groei van waterplanten.
Met name het effect op waterplanten kan ongewenste bijwerkingen hebben doordat de groeiomstandigheden ongunstig worden en de waterplanten (die het water schoon en helder houden) verdwijnen; 2 een dempende werking hebben op de watertemperatuur: kouder ’s zomers en warmer ’s winters; 3 invloed hebben op de waterdynamiek (stroming, golfwerking, e.d.). Onder de zonnepanelen kan ophoping van slib plaatsvinden waardoor tevens onder de panelen meer nutriënten beschikbaar komen; 4 tot vervuiling door milieuvreemde stoffen en/of metalen kunnen leiden als gevolg van constructie en onderhoud; 5 tot verandering van de zuurstofcyclus kunnen leiden. Er zijn casussen gerapporteerd waarbij onder de zonnepanelen het zuurstofgehalte daalde waardoor er periodes van zuurstofgebrek voor vissen kon optreden; 6 als drijvend eiland een aantrekkingskracht kunnen hebben op vis (onder de panelen) en vogels (op de panelen). Daarnaast kan het eiland ervoor zorgen dat vogels minder toegang hebben tot voedsel onder water. Aanbevolen wordt: - te kijken naar de functie van het water: economische functies (bagger of zandwinning) zijn kansrijker dan natuurwater of water met een maatschappelijke of recreatieve functie, waar mogelijke negatieve effecten minder consequenties hebben; - een modelanalyse uit te voeren naar de mogelijke milieueffecten van zon op water.
Dit is noodzakelijk bij een Passende Beoordeling in geval van realisatie binnen Natura 2000-gebied; - een KRW-toets te doorlopen voor KRW-wateren; - cumulatieve effecten van zon op water en andere drukfactoren in het projectgebied te beschouwen; - een meetplan op te stellen om de effecten te monitoren en het ontwerp flexibel in te richten om aanpassingen door te voeren naar aanleiding van de monitoring.
4.2.2
Zichtjaar, plan- en studiegebied
Zichtjaar Het zichtjaar voor de effectbeoordeling is 2030, gezien de ambitie van de provincie om 6520 GWh duurzame energie op te wekken in 2030. Plangebied Het plangebied is de provincie Gelderland: binnen de provinciegrenzen wordt gezocht naar een geschikte invulling voor de realisatie van wind- en zonne-energie en het winnen van warmte. Aangezien het plan-MER gebruikt wordt voor besluitvorming (windbeleid en borging RES) in de provincie Gelderland, worden de drie Utrechtse gemeenten die bij de RES Foodvalley horen (Veenendaal, Rhenen en Renswoude), niet meegenomen in het plangebied. In de MER-fase wordt met onder meer provincie Utrecht verkend of, hoe en waar milieu-informatie voor deze gemeenten in beeld gebracht kan worden. Studiegebied Het studiegebied betreft het plangebied plus het zogenoemde invloedsgebied van milieueffecten. Voor de omgevingseffecten leefomgeving, natuur, landschap, netinpassing en water houdt de beoordeling van effecten niet op bij de grens van het plangebied, omdat zon- en windparken ook invloed kunnen hebben op
57 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
gebieden buiten de provinciegrens. Dit betreft het invloedsgebied van milieueffecten. Dit gebied buiten de provinciegrenzen wordt in afbeelding 4.2 indicatief aangegeven door de groene zone rondom de provinciegrenzen. Het exacte studiegebied verschilt per milieuaspect en is niet gelimiteerd tot een specifieke afstand. Het onderzoeksgebied voor het plan-MER bestaat daarom uit het plangebied én het invloedsgebied. Daarnaast beschouwt het plan-MER de positieve milieueffecten van de ontwikkeling van wind- en zonneenergie en energie uit warmtebronnen. Effecten zoals vermeden emissies van onder andere broeikasgassen door het gebruik van duurzame energiebronnen in plaats van fossiele bronnen overstijgen de schaal van het studiegebied.
Afbeelding 4.4 Studiegebied: Zes Gelderse RES-regio’s (zonder Veenendaal, Rhenen en Renswoude) en het invloedgebied van milieueffecten
4.2.3
Diepgang en detailniveau milieuonderzoeken
Reikwijdte effecten beoordelingskader Mogelijke effecten op het milieu als gevolg van de realisatie van windturbines en zonneparken zijn te verdelen in effecten tijdens de aanleg, de exploitatie (gebruik, onderhoud, reparaties) en het verwijderen na afloop van de technische levensduur (sloop). Het op te stellen plan-MER staat in het teken van de beschrijving van deze effecten. In het plan-MER wordt tevens onderzocht voor welke milieuaspecten cumulatie kan optreden en, indien relevant, wordt de cumulatie in beeld gebracht. Dit geldt bijvoorbeeld voor geluid, waar cumulatie relevant is bij nabijgelegen windturbines of -parken, maar ook bij omgevingsgeluid door bijvoorbeeld een snelweg. Tijdelijke effecten in dit plan-MER Tijdelijke effecten die na de aanlegfase voorbij zijn (zoals een tijdelijke invloed op het landschap of op ruimtegebruik door aanlegwerkzaamheden), worden in dit plan-MER niet beschouwd tenzij ze een risico
58 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
kunnen vormen voor de uitvoerbaarheid. Tijdelijke effecten zijn over het algemeen niet bepalend voor de locatiekeuze of een keuze tussen de verschillende energietechnieken. Effecten die weliswaar optreden tijdens de aanlegfase, maar een langere doorwerking hebben (zoals aanleg in natuurgebied), zijn wel beschouwd in dit plan-MER. Overige tijdelijke effecten worden beschouwd in een project-MER voor concrete energieprojecten. Maatgevende en niet-maatgevende criteria Uitgangspunt voor dit plan-MER is dat de effectanalyses en -beoordelingen bijdragen aan de besluitvorming over: - toe te passen opwektechnieken (wind of zon op veld); - de locatiekeuze van opweklocaties. Niet alle criteria die volgen uit de ingreep-effectrelaties sluiten aan bij dit uitgangspunt. Daarom maakt het beoordelingskader onderscheid tussen: - criteria waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld, omdat deze inzicht geven in onderscheidende effecten die bijdragen aan de locatiekeuze of keuze voor wind of zon. Dit zijn de maatgevende criteria die bijdragen aan de besluitvorming over locaties en techniek op regionaal niveau; - criteria waarop de effecten enkel (kwalitatief) worden beschreven, omdat deze criteria voornamelijk inzicht geven in locatiespecifieke aandachtspunten die relevant zijn voor de nadere uitwerking van projecten.
De criteria zijn in deze fase minder sterk van invloed op de keuze voor een bepaalde energietechniek of locatie. Dit zijn de niet-maatgevende criteria. De maatgevende criteria worden in dit plan-MER beschreven en beoordeeld in hoofdstuk 5. De nietmaatgevende criteria worden enkel beschreven in paragraaf 5.9. De omvang van de effectanalyses voor de niet-maatgevende criteria is - in lijn met de bijdrage aan het doel van dit plan-MER - kleiner dan voor de maatgevende criteria.
4.3
Totstandkoming onderzoeksgebied
Dit plan-MER onderzoekt de milieueffecten binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is de ruimte binnen het plangebied die overblijft na het uitsluiten van gebieden die op voorhand uitgesloten zijn voor de ontwikkeling van wind- en/of zonne-energie. Deze paragraaf beschrijft de totstandkoming van het onderzoeksgebied op hoofdlijnen. Bijlage V bevat de uitgebreide toelichting op de totstandkoming van het onderzoeksgebied.
4.3.1
Uitgangspunten
Om te komen tot het onderzoeksgebied zijn belemmeringen (gebieden die zijn uitgesloten) en gebieden met aandachtspunten (onderdeel van het onderzoeksgebied) in beeld gebracht. Het onderzoeksgebied is de ruimte binnen het plangebied die overblijft na het uitsluiten de belemmeringen. De uitgangspunten voor belemmeringen en gebieden met aandachtspunten worden hieronder toegelicht. Binnen de provincie zijn gebieden uitgesloten waar de opwek van wind- en/of zonne-energie vanuit (milieu-) wetgeving niet is toegestaan. De wettelijke- en regelgevende kaders en beleidskaders geven een beeld van de (on)mogelijkheden voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie in het plangebied. Op basis van deze kaders is het volgende onderscheid te maken: - belemmeringen: dit zijn fysieke beperkingen, of beperkingen vanuit wet- en regelgeving, die de ontwikkeling van wind- en/of zonne-energie en bijbehorende infrastructuur op een bepaalde locatie onmogelijk maken. Deze gebieden maken geen onderdeel uit van het onderzoeksgebied; en - gebieden met aandachtspunten: aandachtspunten vanuit beleid en regelgeving die afwijkingen mogelijk maken. Hieruit volgen ‘nee-tenzij’ of ‘ja-mits’-voorwaarden. Deze worden integraal onderzocht in de milieuonderzoeken in het plan-MER.
59 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Uitgangspunten belemmeringen windturbines en zonneparken Het onderzoeksgebied voor wind- en zonne-energie binnen de provincie Gelderland wordt beperkt door belemmeringen, namelijk fysieke beperkingen en of beperkingen vanuit wet- en regelgeving. Onderstaand wordt hierop een nadere toelichting gegeven. Fysieke beperkingen aan een zoekgebied Fysieke beperkingen aan zoekgebieden voor wind- en zonne-energie en warmte zijn bijvoorbeeld gebouwen en infrastructuur (wegen, spoorwegen, buisleidingen of bestaande windturbines). Het is hier fysiek niet mogelijk om windturbines, zonnepanelen, warmtebronnen of energie-infrastructuur te realiseren. Beperkingen vanuit wet- en regelgeving aan een zoekgebied Wettelijke beperkingen aan zoekgebieden gelden onder andere voor: - geluid: in het Activiteitenbesluit is vastgelegd hoeveel geluid een windturbine maximaal mag veroorzaken op de gevel van gevoelige bestemmingen zoals een woning of schoolgebouw. Het Activiteitenbesluit is buiten gebruik (zie kader) en het is mogelijk dat met het landelijke plan-MER een nieuwe norm geformuleerd wordt.
Vooralsnog wordt uitgegaan van de norm uit het Activiteitenbesluit; - veiligheid: in het Handboek Risicozonering Windturbines 1 is vastgelegd welke afstanden minimaal moeten worden aangehouden tot kwetsbare gebouwen zoals woningen, beperkt kwetsbare gebouwen zoals bedrijven en woningen in het buitengebied, Besluit risico's zware ongevallen (BZRO) en inrichtingen; - infrastructuur: veiligheidsafstanden tot hoofdwaterwegen. Uitspraak Raad van State Activiteitenbesluit Op 30 juni 2021 heeft de Raad van State uitgesproken dat de algemene normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling formeel moeten worden onderzocht. Op grond van het Europees recht moeten deze in Nederland gehanteerde normen met een milieubeoordeling opnieuw worden bepaald dan wel herzien. Tot afronding van deze milieubeoordeling, mogen in Nederland geen besluiten worden genomen over windturbineparken waarbij de geluids-, slagschaduw- en veiligheidsonderzoeken zonder verdere onderbouwing zijn gebaseerd op de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.
Op 16 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijzigings-AmvB met tijdelijke overbruggingsregeling bestaande windturbineparken: In de AmvB is een tijdelijke overbruggingsregeling opgenomen met algemene milieuregels voor reeds bestaande, vergunde windturbineparken. De overbruggingsregeling is bedoeld voor de periode totdat nieuwe algemene milieuregels voor windturbines zijn vastgesteld op basis van een zorgvuldig proces waar het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving deel van uitmaakt. De overbruggingsregeling geldt alleen voor windturbineparken waarvoor op 30 juni 2021 al definitieve toestemmingen in het ruimtelijke spoor en het milieuspoor waren verleend. Tot 1 juli 2025 kan het bevoegd gezag nieuwe windparken mogelijk maken door het stellen van lokale normen in het omgevingsplan. 1 juli 2025 is de beoogde inwerkintreding van de nieuwe windturbinebepalingen. Tijdens het schrijven van dit plan-MER is geen definitieve duidelijkheid over de nieuwe normen voor geluid, slagschaduw, veiligheid en eventueel andere aspecten als een mogelijke afstandsnorm. Daarom is gekozen om met name voor geluid (waarbij de wijzigingen naar verwachting het meest ingrijpend kunnen zijn) inzicht te geven in effecten bij verschillende geluidniveaus.
Daarmee is er geen afhankelijkheid van specifieke normen en zijn de resultaten van het plan-MER toekomstvaster. Concreet worden effecten in beeld gebracht bij een geluidbelasting tussen 40-47 dB Lden en het daaruit volgende percentage (ernstige) gehinderden. Daarmee houdt de analyse rekening met zowel de voormalige norm (47 dB Lden) en de voorwaardelijke advieswaarde van de WHO (45 dB Lden). Daarnaast geeft de analyse inzicht in de effecten bij het hanteren van de ontwerpnormen die zijn voorgesteld in het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving2: De daarin
1
Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020), versie 1.1, 20 mei 2020.
2
Te raadplegen via: https://www.platformparticipatie.nl/windturbinesleefomgeving/ontwerpbesluit-windturbinesleefomgeving/documenten-ontwerpbesluit-windturbinesleefomgeving/default.aspx#folder=2566926
60 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
voorgestelde standaardwaarde van 45 dB Lden en maatwerk tot 47 dB Lden in combinatie met een afstandsmaat van 2x de tiphoogte van een windturbine. Voor meer informatie over geluid, zie hoofdstuk 5.3. Uitgangspunten gebieden met aandachtspunten windturbines en zonneparken Naast de wettelijke belemmeringen vanuit hinder en veiligheid, volgen aandachtspunten vanuit beleid. Onder deze aandachtspunten vallen richtafstanden die voortkomen uit beleid en regelgeving die afwijkingen mogelijk maken. Een voorbeeld van een aandachtspunt is de veiligheidscontour rond snelwegen. De veiligheidscontour is opgenomen in de Handreiking Risicozonering Windturbines, maar in de praktijk zijn er mogelijkheden om hiervan af te wijken. De milieuonderzoeken in dit plan-MER gaan uitwijzen of de aandachtspunten belemmeringen zijn, of dat de ontwikkeling van wind- en zonne-energie (onder voorwaarden) mogelijk is. De gebieden met aandachtspunten behoren daarmee tot het onderzoeksgebied dat wordt onderzocht in dit plan-MER. Bijlage V laat een overzicht zien van gebieden met aandachtspunten die op voorhand in beeld zijn gebracht.
4.3.2
Overzicht belemmeringen windturbines
Tabel 4.2 presenteert de belemmeringen voor windturbines, met daarbij de gehanteerde afstanden voor de verschillende aspecten met de bijbehorende status.
Tabel 4.2 Belemmeringen wind (nee) Nummer
Aspect
Afstand
Status
1
kwetsbare objecten
PR10-6
Besluit Kwaliteit Leefomgeving artikel 5.10 lid 1
2
beperkt kwetsbare objecten (PR10-5)
½ rotordiameter
Besluit Kwaliteit Leefomgeving artikel 5.11 lid 2
3
rijkswegen en provinciale wegen
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering1
4
hoofdwaterwegen
½ rotordiameter
Artikel 4, lid 1 van het Besluit voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken
5
spoorwegen
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
6
bovengrondse hoogspanningslijn
½ rotordiameter
fysieke belemmering voor windturbinebladen
7
ondergrondse hoogspanningslijn
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
8
buisleidingen
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
9
Rijksmonumenten
begrenzing object op kaart
Artikel 4.4 en 5.1 van de Erfgoedwet
10
geluidsgevoelige objecten
geluidscontour op basis van 47 dB Lden met mitigerende maatregelen2
Artikel 3.14 a, lid 1 van het voormalige Activiteitenbesluit
11
weidevogelgebieden
begrenzing op kaart
Artikel 2.51a, en artikel 1a.2 van de Omgevingsverordening Gelderland
12
Wespendief
Veluwe + 1 km
Zorgplicht vanuit Natura 2000, besluit Gedeputeerde Staten provincie Gelderland
1
Geen afstandseis vastgesteld, maar realisatie op een object (infrastructuur) is niet mogelijk. Daarom is hier een afstand van 15 m aangehouden, wat grofweg overeenkomt met de benodigde fundering van een windturbine.
2
In paragraaf 4.3.1 staat beschreven hoe in het plan-MER omgegaan wordt met de uitspraak van Raad van State ten aanzien van het voormalig Activiteitenbesluit.
61 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Nummer
Aspect
Afstand
Status
13
laagvliegroute militaire jachtvliegtuigen
begrenzing route op kaart
Artikel 2.2a van de Regeling minimum VFRvlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters
14
antennepark
begrenzing op kaart (Eibergen)
Artikel 2.1 en bijlage 6.2 van de voormalige Rarro
15
restrictiegebieden luchtvaart
begrenzing op kaart (Teuge en Deelen)
Artikel 3.1.1 en 3.2.1 en bijlagen 1 en 2 van het Luchthavenbesluit Deelen Artikel 4.1 en 4.2 en bijlage 2 van het Luchthavenbesluit Teuge
Ad 12. Uitgangspunt Wespendief Uit eerdere effectenonderzoeken voor windparken nabij Natura 2000-gebied de Veluwe, bleek de Wespendief de meest beperkende soort (belangrijkste aandachtsoort) voor het plaatsen van windturbines nabij dit natuurgebied1. Omdat het met de Veluwe niet goed gaat door onder andere stikstofdruk en droogte, gaat het met de wespendief minder goed en moet zij ver buiten de Veluwe naar voedsel zoeken. Hierdoor ontstaat het risico op aanvaringen met windturbines. Het uitgangspunt bij het plaatsen van windturbines is dat de populatie wespendieven op de Veluwe niet achteruit mag gaan als gevolg van aanvaringen met windturbines. Volgens de Natura 2000-doelstellingen zouden er minimaal 100 broedparen aanwezig moeten zijn om de populatie Wespendieven in stand te houden. Dat zijn er nu naar schatting 86. Deze achteruitgang is met een modelstudie nader onderzocht. Uit deze studie blijkt dat het mortaliteitsrisico in de zone van 1 tot 8 km rondom de Veluwe voor wespendieven met 80 % afneemt bij stilstand in juli en augustus. Op en direct rondom de Veluwe (+1 km) zijn sterk negatieve effecten op Natura 2000-gebied te verwachten. Om hier een initiatief toe te staan moet de ADC-toets doorlopen worden. Op provinciale schaal zijn voldoende alternatieven mogelijk, dit blijkt ook uit het voorliggende onderzoek.
In combinatie met de te verwachtten effecten op de wespendief kiest provincie Gelderland ervoor om windenergie op en rond de Veluwe te beperken. Deze regels zijn samengevat in het ontwerpbesluit2: - windturbines in het Natura 2000 gebied de Veluwe en in de 1 km daaromheen worden uitgesloten. Dit plan-MER sluit hierbij aan door de ‘Veluwe + 1 km’ te beschouwen als belemmering voor windturbines; - windturbines in de zone van 1-8 km rondom de Veluwe wordt beperkt en alleen onder voorwaarden mogelijk is. De belangrijkste voorwaarden zijn: · stilstand tijdens daglicht in de maanden juli en augustus; · de mortaliteit van wespendieven mag niet boven de 1 % uitkomen; · bovenprovinciale afweging over de invulling van de mortaliteitsruimte die beschikbaar is. Per aanvraag wordt hier door de Gedeputeerde Staten over besloten. Het milieuonderzoek en ontwerpbesluit hebben in februari en maart 2024 ter inzage gelegen. Het voorgelegen milieuonderzoek sluit aan bij het ontwerpbesluit en gaat uit van Veluwe + 1km als harde belemmering voor windenergie. Buiten deze regio blijft windenergie onder voorwaarden mogelijk. Dit gebied maakt daarom onderdeel uit van het onderzoeksgebied.
Toelichting omgang met ontbrekende geluidsnormen en molenaarswoningen in dit plan-MER Dit plan-MER heeft als doel zoveel mogelijk gebieden en locaties te onderzoeken op milieueffecten, behalve als op voorhand duidelijk is dat dit onderzoek niet zinvol is vanwege fysieke of wettelijke belemmeringen (zie paragraaf 4.1). De geluidbelasting van windturbines op woningen is één van de belangrijkste factoren in de omvang en ligging van het onderzoeksgebied, Door het tijdelijk ontbreken van wettelijke normen (zie kader uitspraak Activiteitenbesluit) en maatwerkoplossingen als ‘molenaarswoningen’ op projectniveau, is een objectieve afbakening van het onderzoeksgebied ten aanzien van geluid lastig. Daarom is in het plan1
Onderzoek Altenburg & Wymenga: https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/rapportage_windenergie_op_en_rond_veluwe_ps2021-104.pdf.
2
Zie hiervoor de informatiepagina van provincie Gelderland: www.gelderland.nl/planmerwindveluwe
62 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
MER als uitgangspunt voor het onderzoek gekozen om een onderscheid te maken tussen ‘reguliere’ woningen en ‘verspreid liggende’ woningen. Reguliere woningen zijn alle woningen in de bebouwde kom of woningen die dichtbij andere woningen liggen. Verspreid liggende woningen zijn woningen die relatief geïsoleerd liggen in het buitengebied op geruime afstand van andere woningen en daarmee in aanmerking zouden kunnen komen als molenaarswoning. Dit onderscheid wordt hieronder nader toegelicht. Voor reguliere woningen, alle woningen die niet als ‘verspreid liggende’ woning worden aangemerkt, geldt dat een zone van 210 m rondom deze woningen is uitgesloten van het onderzoeksgebied. Binnen deze afstand levert zelfs een zeer stille windturbine inclusief geluidreducerende modus een dusdanige geluidbelasting dat deze op voorhand niet haalbaar lijkt. Deze minimale afstand is gebaseerd op het geluidniveau van 47 dB Lden, de voormalige norm. Hoewel norm niet langer geldt is het wel een herkenbaar ijkpunt voor onderzoek. Door deze afbakening van het onderzoeksgebied tot een minimale afstand zijn in het plan-MER ook effecten bij eventueel strengere normstelling goed in beeld te brengen. Ter vergelijking, de referentieturbines die in het onderzoek gebruikt worden, hebben bij 47 dB Lden een geluidcontour die 255-265 m ver reikt.
Dit toont aan dat de gehanteerd 210 m een realistische ondergrens vormt voor afbakening van het onderzoeksgebied. Geluidcontouren rondom verspreid liggende woningen in het buitengebied kunnen in de praktijk minder belemmerend zijn. Zo kunnen woningen onderdeel gemaakt worden van de inrichting (zogenaamde molenaarswoningen) of kunnen bewoners mede-initiatiefnemers worden van het windpark. In beide gevallen kan een windturbine dichtbij een woning komen te staan dan de geluidcontouren (gebaseerd op normen uit wetgeving) in theorie voorschrijven. Om deze speelruimte niet op voorhand uit te sluiten, houdt dit planMER theoretisch rekening met mogelijke molenaarswoningen. Dit betekent nadrukkelijk niet dat woningen worden aangewezen als molenaarswoningen. Wel betekent dit dat het plan-MER de mogelijke ruimte rondom verspreid liggende woningen onderzoekt op milieueffecten. Hiermee wordt de ruimte rondom verspreid liggende woningen in het buitengebied niet op voorhand uitgesloten, maar onderzocht op milieueffecten (waaronder geluid) in dit plan-MER. - woningen die niet binnen 210 m tot een andere woning liggen, zijn aangemerkt als verspreid liggende woning; - de verspreid liggende woningen bieden mogelijk ruimte voor maatwerk in concrete projecten waardoor een windturbine in theorie binnen 210 m tot deze woningen gerealiseerd kunnen worden.
Dit plan-MER wijst bewust geen potentiële molenaarswoningen aan, maar brengt wel het maximale onderzoeksgebied in beeld; - rondom deze verspreid liggende woningen is een veiligheidscontour van 58,5 m geprojecteerd. Dit is de contour die volgt vanuit externe veiligheid. Deze contour is gebaseerd op een halve rotordiameter van de kleinste referentieturbine in dit plan-MER (ashoogte 120 m)1. Dit is de theoretisch absolute minimale afstand tussen de windturbine en een verspreid liggende woning; - de afstand tussen de theoretisch minimale geluidscontour (210 m) en de theoretisch minimale veiligheidscontour (58,5 m) wordt onderzocht in het plan-MER. Dit gebied maakt daarmee onderdeel uit van het onderzoeksgebied, waarbinnen milieueffecten zoals geluid en veiligheid worden onderzocht.
4.3.3
Overzicht belemmeringen zonneparken
Tabel 4.3 presenteert de belemmeringen voor zonneparken, met daarbij de gehanteerde afstanden voor de verschillende aspecten met de bijbehorende status.
1
Door uit te gaan van de kleine referentieturbine, wordt het maximale onderzoeksgebied in beeld gebracht. De veiligheidscontour van de grote referentieturbine (ashoogte 166 m) is groter (een halve rotordiameter, dus 80 m). De milieuonderzoeken op het thema externe veiligheid brengen voor de turbine met een ashoogte van 166 m de minimale veiligheidscontour in beeld. De afstand tussen de 58,5 m en de 80 m maakt hiermee onderdeel uit van de milieubeoordeling.
63 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 4.3 Belemmeringen zon (nee) Nr.
Aspect
Afstand
Status
1
panden (woningen en overige bebouwing)
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
2
hoogspanning
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
3
rijkswegen
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
4
provinciale wegen
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
5
rijksmonumenten
begrenzing op kaart
Artikel 4.4 en 5.1 van de Erfgoedwet
6
spoorlijn
object + 5 m
fysieke belemmering
7
buisleidingen
5m
fysieke belemmering
8
hoofdvaarwegen
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
9
weidevogelgebied
begrenzing op kaart
Artikel 5.29 van de Omgevingsverordening Gelderland
4.3.4
Onderzoeksgebied windenergie
Afbeelding 4.5 laat het onderzoeksgebied zien voor beide referentieturbines, zie paragraaf 4.3. De belemmeringen (zie tabel 4.1) vormen hiervoor de input. De kaart met het onderzoeksgebied betreft een inversie (omkering) van de belemmeringenkaart. Hierin zijn alleen ‘harde’ wettelijke of fysieke belemmeringen uitgesloten omdat op voorhand duidelijk is dat onderzoek naar deze gebieden niet zinvol is. Alle overige gebieden worden nader onderzocht milieueffecten. Dat wil niet zeggen dat deze gebieden ook daadwerkelijk haalbaar zijn of de voorkeur verdienen. Dat is een bestuurlijke afweging waarbij naast de resultaten van het plan-MER ook overwegingen als draagvlak, technische haalbaarheid of kosten een rol spelen. Voor beide referentieturbines wordt hetzelfde onderzoeksgebied gehanteerd, gebaseerd op de 120 m referentieturbine. Dit omdat het onderzoeksgebied bij beide typen turbines slechts enkele meters van elkaar verschilt, wat niet zichtbaar is op het schaalniveau van dit plan-MER. Deze verschillen zitten in enkele meters meer of minder afstand tot infrastructuur of woningen. De 120 m referentieturbine bevat het grootste onderzoeksgebied en brengt daarmee de milieueffecten het meest compleet in beeld. Hoewel het onderzoeksgebied gelijk is, worden de effecten wel voor beide typen referentieturbines in beeld gebracht in hoofdstuk 5.
64 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 4.5 Onderzoeksgebied voor windturbines
4.3.5
Onderzoeksgebied zonneparken
Afbeelding 4.6 laat de kaart met het onderzoeksgebied zien voor zonneparken. De belemmeringen (zie tabel 4.2) vormen hiervoor de input. De kaart met het onderzoeksgebied betreft een inversie (omkering) van de belemmeringenkaart. Hierin zijn alleen ‘harde’ wettelijke of fysieke belemmeringen uitgesloten omdat op voorhand duidelijk is dat onderzoek naar deze gebieden niet zinvol is. Alle overige gebieden worden nader onderzocht milieueffecten. Dat wil niet zeggen dat deze gebieden ook daadwerkelijk haalbaar zijn of de voorkeur verdienen. Dat is een bestuurlijke afweging waarbij naast de resultaten van het plan-MER ook overwegingen als draagvlak, technische haalbaarheid of kosten een rol spelen. De aangescherpte voorkeursvolgorde zon (zie paragraaf 2.2) is hierin niet betrokken, omdat deze ten tijde van het uitvoeren van het onderzoek nog niet was vastgesteld.
65 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 4.6 Onderzoeksgebied voor zonneparken
4.4
Ingreep-effectrelaties
Effecten op het milieu en de omgeving als gevolg van de ontwikkeling van windturbines en zonneparken zijn te verdelen in effecten tijdens de aanlegfase, de gebruiksfase (gebruik, onderhoud, reparaties) en de sloopfase. De tijdelijke effecten worden in het plan-MER niet onderzocht. De realisatie van wind op land en zon op veld heeft effecten op verschillende milieuaspecten. Een ingreepeffectrelatie beschrijft welke effecten op hoofdlijnen te verwachten zijn door de realisatie van wind op land of zon op veld. Een voorbeeld hiervan is het plaatsen van een windturbine (ingreep), waarbij het in te zetten materieel geluid produceert (gevolg), waardoor diersoorten mogelijk verstoord worden (effect). Uit deze ingreep-effectrelaties volgen de relevante beoordelingscriteria die worden onderzocht in dit plan-MER. Onderstaande tabel 4.4 laat de ingreep-effectrelaties voor windenergie en zonne-energie zien.
Tabel 4.4 Ingreep-effectrelaties wind- en zonne-energie Techniek
Aspect
Effect
Criterium
windenergie (plaatsen, gebruik en ontmantelen van de turbine)
natuur
verstoring of vernietiging beschermde gebieden en soorten
-
aantasting van landschappelijke waarden en structuren
-
landschap
66 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
-
effecten op habitattypen en soorten Natura 2000-gebieden effecten op beschermde soorten Wnb effecten op overige natuurgebieden effecten (positief of negatief) op biodiversiteit invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken invloed op landschapstype en landschapsstructuur
Techniek
Aspect
Effect
Criterium
cultuurhistorie
aantasting van cultuurhistorische waarden
-
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
archeologie
verstoring of vernietiging van archeologische waarden
-
invloed op bekende archeologische waarden invloed op verwachte archeologische waarden
geluid
geluidhinder op geluidsgevoelige objecten
-
zonne-energie (plaatsen, gebruik en ontmantelen van zon-PV-panelen)
geluidbelasting op geluidgevoelige objecten cumulatieve geluidbelasting op geluidgevoelige objecten
slagschaduw
slagschaduw op kwetsbare objecten
-
invloed op kwetsbare objecten
lichthinder
lichthinder op omwonenden
-
invloed op omwonenden door lichthinder turbineverlichting
veiligheid
risico op een ongeval door omvallen of bladbreuk van een windturbine
-
invloed op (beperkt) kwetsbare objecten invloed op andere risicobronnen
risico op aanvaring met vliegverkeer
-
invloed op luchtvaartveiligheid
risico op aanvaring/verstoring activiteiten defensie
-
invloed op defensie
grondwater
kans op doorboring scheidende kleilagen met fundering windturbines en risico op omhoog trekken van zout grondwater door bemaling
-
invloed op drinkwaterwinning risico op verzilting
bodem
risico op verspreiding bodemverontreiniging en risico op zettingen
-
invloed op bodemkwaliteit risico op zettingen
doelbereik: energieopbrengst *
vermeden emissies door afname gebruik fossiele brandstoffen
-
vermeden emissies (milieuwinst) en daaruit voortvloeiende generieke positieve effecten (bijv. biodiversiteit)
natuur
verstoring, vernietiging of versterking beschermde gebieden en soorten
-
effecten op habitattypen en soorten Natura 2000-gebieden effecten op beschermde soorten Wnb effecten op overige natuurgebieden effecten (positief of negatief) op biodiversiteit
landschap**
aantasting van landschappelijke waarden en structuren
-
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken invloed op landschapstype en -structuur
cultuurhistorie
aantasting van cultuurhistorische waarden
-
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
archeologie
verstoring of vernietiging van archeologische waarden
-
invloed op bekende archeologische waarden invloed op verwachte archeologische waarden
-
ruimtegebruik
oppervlakteverlies voor andere gebruiksfuncties
-
invloed op ruimtegebruik
grondwater
kans op doorboring scheidende kleilagen met
-
invloed op drinkwaterwinning risico op verzilting
67 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Techniek
Aspect
Effect
Criterium
fundering en risico op omhoog trekken van zout grondwater door bemaling bodem
risico op verspreiding bodemverontreiniging en risico op zettingen
-
invloed op bodemkwaliteit risico op zettingen
doelbereik: energieopbrengst *
vermeden emissies door afname gebruik fossiele brandstoffen (elders)
-
vermeden emissies (milieuwinst) en daaruit voortvloeiende generieke positieve effecten (bijv. biodiversiteit)
* Voor vermeden emissies wordt enkel de reductie van CO2-emissies beschouwd, omdat dit rechtstreeks samenvalt met de klimaatdoelstelling en plaatsonafhankelijk is. Overige vermeden emissies (met onder andere effect op de luchtkwaliteit) en biodiversiteit (met onder andere stikstofdepositie) worden hierbij niet beschouwd. Dit omdat deze effecten afhankelijk zijn van de locatie van de bron (bijv. een energiecentrale) en de locatie waar effecten optreden (bijv. een natuurgebied) en niet onderscheidend zijn tussen de alternatieven. Waar mogelijk wordt deze ingreep-effectrelatie wel aangehaald in de betreffende effectstudies. Bijvoorbeeld de algemene verbetering luchtkwaliteit in paragraaf 5.3. ** bij de inrichting van zonneparken kunnen positieve effecten op het landschap of natuur optreden. Deze zijn echter afhankelijk van de inpassing van de zonneparken. Het plan-MER ziet hier vanwege het detailniveau niet op. Daarom zijn deze effecten en ‘mitigerende maatregelen’ niet op voorhand te beschrijven en beoordelen, wat maakt dat ze geen onderdeel zijn van dit planMER.
4.5
Beoordelingskader energietechnieken
Deze paragraaf presenteert het beoordelingskader voor de energietechnieken wind- en zonne-energie. De ingreep-effectrelaties (paragraaf 4.4) vormen de basis voor de totstandkoming van het beoordelingskader. Tabel 4.5 toont het beoordelingskader voor wind- en zonne-energie. Dit beoordelingskader vormt de basis voor de milieueffectstudies in het plan-MER. Het beoordelingskader is gebaseerd op de uitgangspunten (paragraaf 4.2) en ingreep-effectrelaties (4.4). Aanvullend hierop geldt dat bij de totstandkoming van het onderzoeksgebied een aantal gebieden bij voorbaat is uitgesloten (de zogenaamde belemmeringen). Deze onderdelen komen daarom niet terug in het beoordelingskader. Dit omvat onder andere: - overlap met bebouwing; - overlap met infrastructuur (weg, spoorweg, vaarweg); - overlap met (bekende) bestaande kabels en leidingen. Sommige criteria zijn enkel van toepassing op of windenergie ofwel zonne-energie. Dit is tussen haakjes aangegeven bij het aspect of het criterium. De criteria uit het beoordelingskader worden per thema en aspect onderzocht in de effectonderzoeken in de basisbeoordeling.
68 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 4.5 Beoordelingskader wind- en zonne-energie Thema
Aspect
Criterium
Methode
(Niet-) maatgevend?
bodem en water (relevant voor wind en zon)
bodemkwaliteit
invloed op de bodemkwaliteit
GIS-analyse op basis van overzicht spoedlocaties bodemverontreinigingen
nietmaatgevend
risico op zettingen
kwalitatieve analyse op basis van bodemtypen
nietmaatgevend
risico op verzilting
kwalitatieve quickscan
nietmaatgevend
invloed op drinkwaterwinning
kwalitatieve quickscan
maatgevend
Natura 2000-gebieden
effecten op instandhoudingsdoelen
habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten semi-kwantitatief op basis van bestaande risicoanalyse kwalificerende soorten
maatgevend
overige beschermde gebieden
effecten op doelen/kernkwaliteiten
-
maatgevend
grondwater
natuur (relevant voor wind en zon)
-
landschap en cultuurhistorie (relevant voor wind en zon)
veiligheid (relevant voor wind)
weidevogelgebieden: semi-kwantitatieve analyse verstoring en mortaliteit op basis van afstand en locatie ganzenrustgebieden: gelijk aan methode weidevogelgebieden GNN en GO: kwalitatieve effectbeoordeling
beschermde soorten
effecten op gunstige staat van instandhouding
semi-kwantitatief waar mogelijk; kwalitatieve effectbeoordeling waar beschikbare data onvoldoende zijn
maatgevend
landschap
invloed op landschapstype
kwalitatieve beoordeling landschapstype en semi-kwantitatief op basis van ruimtebeslag per landschapstype
maatgevend
(bovengrondse) cultuurhistorie
invloed op historische-geografische en bouwkundige waarden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
archeologie
invloed op archeologische (verwachtings)waarden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
externe veiligheid
invloed op (beperkt) kwetsbare objecten en andere risicobronnen
analyse indicatief bereik PR10-5 en PR10-6 en aanwezigheid aanwezige risicobronnen
maatgevend
luchtvaartveiligheid
invloed op luchtvaartveiligheid
analyse hoogtebeperkingen op basis van Viewer Hoogtebeperkingen Luchtvaart en Defensieradar
maatgevend
waterkeringsveiligheid
invloed op waterkeringsveiligheid
GIS-analyse ligging op of nabij waterkeringen
maatgevend
69 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Thema
Aspect
Criterium
Methode
(Niet-) maatgevend?
gezonde leefomgeving (relevant voor wind)
geluid
geluidbelasting windturbines op geluidgevoelige objecten
kwantitatieve- en GIS-analyse geluidcontouren op basis van percentage gehinderden en in relatie tot advieswaarde WHO (wind) en de richtafstanden uit de VNG-brochure milieuzonering.
maatgevend
cumulatieve geluidbelasting op geluidgevoelige objecten
kwantitatieve- en GIS-analyse geluidcontouren
nietmaatgevend
slagschaduw
invloed op gevoelige objecten door slagschaduw
kwantitatieve analyse op basis van contouren slagschaduw
nietmaatgevend*
lichthinder
invloed op omwonenden door lichthinder turbineverlichting (zowel ’s nachts als overdag)
kwalitatieve analyse
nietmaatgevend*
gebruiksfuncties (relevant voor zon)
ruimtegebruik
invloed op ruimtegebruik
GIS-analyse naar oppervlakteverlies per gebruiksfunctie
maatgevend
duurzaamheid (relevant voor zon en wind)
duurzaamheid
invloed op impactcategorieën en mogelijkheden voor hergebruik
semi-kwantitatief. Een vergelijking van de impact van zon en wind onderling en afgezet tegen fossiele bronnen op diverse impactcategorieën op basis van wetenschappelijke literatuur
maatgevend
doelbereik (relevant voor zon en wind)
doelbereik energieopbrengst
energieopbrengst
kwantitatieve analyse op basis van opwekpotentie onderzoeksgebied
maatgevend
vermeden emissies (milieuwinst)
kwantitatieve inschatting vermeden CO2-uitstoot op basis van energieopbrengst en kwalitatieve analyse van de daaruit voortvloeiende generieke positieve effecten (bijv. biodiversiteit of gezondheid)
maatgevend
capaciteit in verzorgingsgebieden
kwantitatieve analyse op basis van data netbeheerder
maatgevend
balans tussen opwek van zon- en windenergie
kwantitatieve analyse op basis van belastingprofielen van onderstations
maatgevend
netinpassing
* De effecten van slagschaduw zijn sterk afhankelijk van de turbine-configuratie. Daarnaast worden effecten van lichthinder en slagschaduw in de praktijk zoveel mogelijk gemitigeerd door bijvoorbeeld een stilstandvoorziening of het uitschakelen van licht gedurende de nacht. Hoewel slagschaduw en lichthinder als hinderlijk kan worden ervaren, zijn deze criteria in voorliggend plan-MER als niet-maatgevend opgenomen. De effecten door slagschaduw en lichthinder worden in de nadere projectuitwerking op projectMER niveau in detail beschouwd.
70 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
4.6
Beoordelingswijze
Om de effecten van de wind en zon per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 4.6. Op basis van 7 beoordelingsklassen wordt onderscheid gemaakt in de mate waarin effecten positief of negatief bijdragen aan milieukwaliteit. In tabel 4.6 worden voorbeelden gegeven van toepassing van de verschillende klassen. De beoordelingsschaal wordt in de volgende paragrafen voor elk criterium afzonderlijk gespecificeerd. Positieve effecten zijn bij enkele thema’s op voorhand bekend en relevant. Daarom zijn deze niet standaard onderdeel van de thematische beoordelingsschalen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Deze beoordelingsschaal wordt in het plan-MER voor elk criterium nader gespecificeerd.
Tabel 4.6 Algemene beoordelingsschaal effecten Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Algemene toelichting beoordelingsklassen (wordt per criterium gespecificeerd)
--
sterk negatief
groot risico: Effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot belangrijke impact op het milieu. Dit zijn vaak effecten die (onherstelbare) schade toebrengen aan het systeem, leiden tot overschrijding van eventuele normen en niet te voorkomen of beperken zijn met maatregelen
-
negatief
risico: Effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot verslechtering van de milieukwaliteit. Er treedt geen onherstelbare schade op voor het systeem en eventuele normen worden niet overschreden. Effecten zijn niet of moeilijk te voorkomen of beperken met maatregelen
0/-
beperkt negatief
klein risico: Effecten die door hun aard, omvang en schaal niet leiden tot belangrijke impact op het milieu. Er treedt geen onherstelbare schade op voor het systeem en eventuele normen worden niet overschreden. Effecten zijn te beperken of voorkomen met maatregelen
0
neutraal
geen betekenisvolle kansen of risico’s: Effecten ontbreken of zijn door hun aard, omvang en schaal dermate gering dat ze niet leiden tot betekenisvolle positieve of negatieve impact op het milieu
+
beperkt positief
kleine kans: Effecten die bijdragen aan verbetering van de milieukwaliteit, maar in aard, omvang en schaal beperkt zijn
++
positief
kans: Effecten die door hun aard, omvang en schaal kunnen leiden tot verbetering van de milieukwaliteit. Ze leiden echter niet tot het behalen van milieudoelen
+++
sterk positief
grote kans: Effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot verbetering van de milieukwaliteit. Ze leiden tot het behalen van milieudoelen
71 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
5 EFFECTONDERZOEKEN BASISBEOORDELING Dit hoofdstuk beschrijft de effecten in het onderzoeksgebied van de basisbeoordeling. In de paragrafen 5.1 tot en met 5.8 worden de maatgevende thema’s behandeld. In paragraaf 5.9 volgen de niet-maatgevende thema’s. Elk thema is opgebouwd met een algemene introductie van het thema, een toelichting op de onderzoeksaanpak en de effectbeschrijving en -beoordeling.
5.1
Natuur
Deze paragraaf presenteert de onderzoeksaanpak, effectbeschrijving en -beoordeling van de verschillende criteria binnen het thema Natuur. De informatie in dit hoofdstuk is een samenvatting van het onderzoeksrapport Natuur uit bijlage I. Bij het beschrijven van de effecten op natuurwaarden wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde soorten en beschermde gebieden. Dit onderscheid komt voort uit de verschillende wettelijke beschermingsregimes die gelden voor de natuur. Het gaat om de volgende criteria: - Natura 2000-gebieden: effecten op instandhoudingsdoelen; - overige beschermde gebieden: effecten op doelen en kernkwaliteiten; - beschermde soorten: effecten op gunstige staat van instandhouding. Vanwege de grote overlap met andere beschermingsregimes worden effecten op oude bosgroeiplaatsen (zie afbeelding 3.2) niet afzonderlijk behandeld. Relevante effecten De ecologische effecten van windturbines en zonneparken op land zijn vaak primair het gevolg van verstoring tijdens de aanlegwerkzaamheden, of van verhoogde mortaliteit (sterfte) onder vogels en vleermuizen wanneer de turbines operationeel zijn.
De effecten zijn als volgt te categoriseren: 1 aanlegfase: 1 verstoring door mensen of machines tijdens de constructiewerkzaamheden; 2 tijdelijke degradatie of verlies van habitat; 2 operationele fase (gebruiksfase): 1 mortaliteit (sterfte) door aanvaringen; 2 barrièrewerking (verstoring van vliegbewegingen); 3 verstoring van rust-, foerageer- en/of broedgebieden; 4 permanent habitatverlies, zoals door grondbeslag door de turbines. Gebruikte informatie Bij het opstellen van dit rapport is veel gebruik gemaakt van enkele eerdere onderzoeken die door Altenburg & Wymenga voor de provincie Gelderland zijn uitgevoerd, zoals de studies naar aanvaringsrisico’s voor de Wespendief en andere soorten. Een overzicht van deze bronnen is te vinden in bijlage I.
72 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Disclaimer bij deze effectbeoordeling De mate waarin effecten optreden door windturbines of zonnepanelen is sterk afhankelijk van de lokale context. Het plaatselijke landgebruik en de aanwezige habitats bepalen in grote mate welke (beschermde) soorten aanwezig zijn. Daarnaast is vaak sprake van natuurlijke fluctuaties in ruimte en tijd. Bijvoorbeeld, de aantallen watervogels in waterrijke Natura 2000-gebieden zijn niet overal gelijk en vaak onderhevig aan sterke schommelingen, zowel binnen deelgebieden en seizoenen als tussen verschillende jaren. Daarnaast kunnen aspecten als turbinetype, de ruimtelijke configuratie van de turbines of zonnepanelen e.d. een grote rol spelen in de mate waarin effecten kunnen optreden. Vanwege het abstractieniveau van een plan-MER zijn plaatselijke factoren en nuances niet altijd goed te vatten in een effectbeoordeling op provinciaal niveau. Indien sprake is van concrete initiatieven is daarom altijd nader ecologisch onderzoek vereist om de plaatselijke effecten in detail in beeld te brengen. Het planMER heeft een signaleringsfunctie en is dus geen vervanging van een gedetailleerde ecologische beoordeling voor een individueel project.
Er is in de effectbeoordeling geen relevant onderscheid te maken tussen de twee gehanteerde referentieturbines (120 en 166 m), met de nuancering dat ecologische effecten zoals aanvaringsrisico's niet lineair toenemen met turbinegrootte. Met andere woorden, vanuit ecologisch oogpunt is het vaak gunstiger om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken met een kleiner aantal grote turbines dan met een groter aantal kleine turbines. Mogelijkheden voor positieve effecten door inpassing en verandering landgebruik Bij de inpassing van wind en met name zonneparken kunnen functiecombinaties en mitigerende maatregelen worden toegepast waardoor sommige negatieve effecten beperkt kunnen worden of positieve effecten voor biodiversiteit bereikt kunnen worden. Ook kan de functiewijziging van intensief bemeste en monofunctionele landbouwgrond naar een multifunctioneel en natuurinclusief zonnepark biodiversiteit versterken. Of en in welke mate deze mogelijkheden zich voordoen is afhankelijk van het concrete initiatief en locatiespecifieke omstandigheden en wordt daarom niet betrokken in de beoordeling.
5.1.1
Natura 2000-gebieden: effecten op instandhoudingsdoelen
Onderzoeksaanpak Bij de effectbeoordeling voor Natura 2000-gebieden is de beoordelingsschaal toegepast zoals weergegeven in tabel 5.1. Belangrijke aspecten die een rol spelen bij de beoordeling zijn de ordegrootte van het effect, de tijdsduur waarin mogelijke effecten tot uiting komen, en de mogelijkheden om negatieve effecten te mitigeren en/of te compenseren. In de analyse wordt rekening gehouden met de kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Voor een deel van de gebieden geldt dat de soorten binnen het natuurgebied ook negatieve effecten kunnen ondervinden van activiteiten buiten het Natura 2000-gebied. Met deze zogeheten ‘externe werking’ wordt in de analyses rekening gehouden.
73 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 5.1 Beoordelingsschaal criterium effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Toelichting
--
sterk negatief
significante en langdurende negatieve gevolgen voor de Natura 2000instandhoudingsdoelen. Deze gevolgen zijn permanent en niet te mitigeren of te compenseren. Het voornemen is daarmee niet vergunbaar
-
negatief
er is risico op significante en blijvende gevolgen voor de Natura 2000instandhoudingsdoelen. Compensatie en/of mitigatie is nodig om de negatieve gevolgen (deels) te reduceren
0/-
beperkt negatief
risico op tijdelijke negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen. Het risico op permanente gevolgen is echter klein. Mitigatie is naar verwachting voldoende om significante gevolgen te voorkomen
0
neutraal
er is geen sprake van wezenlijke negatieve gevolgen voor de Natura 2000instandhoudingsdoelen. Het voornemen kan zonder verdere voorwaarden doorgang vinden
+
beperkt positief
niet van toepassing (een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie treedt niet op)
++
positief
+++
sterk positief
Effectbeoordeling De effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden worden voor zowel wind als zon (worstcase) als sterk negatief (--) beoordeeld. Er treden verschillende effecten op binnen en buiten Natura 2000-gebieden en tijdens de aanleg en gebruiksfase. In tabel 5.2 is een vereenvoudigd overzicht opgenomen van de onderliggende beoordeling van ingreep-effectrelaties. Voor een volledig overzicht van effecten zie bijlage I, hoofdstuk 5. Hieronder worden alleen de belangrijkste (sterk negatieve of negatieve) effecten besproken. Dit zijn: - oppervlakteverlies bij wind en zon; - sterfte bij wind; - verstoring en barrièrewerking bij vogelrichtlijnsoorten. Oppervlakteverlies Oppervlakteverlies treedt op bij zowel wind als zon. Binnen Natura 2000-gebieden leidt het verlies van oppervlakte of degradatie van habitats tot sterk negatieve effecten op habitattypen en de habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten die hiervan afhankelijk zijn. Het verlies van habitats met een doelstelling voor behoud of uitbreiding is lastig te mitigeren en compenseren. Sterfte Sterfte treedt op bij wind. Zowel binnen als buiten Natura 2000-gebieden leidt het risico op sterfte door aanvaring van vogelrichtlijnsoorten tot sterk negatieve effecten.
De hoogste gevoeligheid ligt bij zwanen en roofvogels; dit komt door de ongunstige status van Kleine zwaan en Wilde zwaan in het gebied Rijntakken, gecombineerd met een hoge mobiliteit. De score voor roofvogels op de Veluwe komt geheel voor rekening van de Wespendief, waarbij het hoge aanvaringsrisico en mobiliteit en de matig ongunstige status in een hoge gevoeligheidsindex resulteert. De gevoeligheid is het laagst bij zangvogels: hoewel sommige soorten een zeer ongunstige status hebben, zijn de mobiliteit en aanvaringsrisico’s in het algemeen laag. Verstoring en barrièrewerking Verstoring en barrièrewerking hangen met elkaar samen en treden op bij zowel wind als zon en binnen als buiten Natura 2000-gebieden. Tijdens de aanlegfase zijn bepaalde vogelrichtlijnsoorten gevoelig voor verstoring door machines en mensen en de barrièrewerking die daarvan uit kan gaan. In de gebruiksfase (operationele fase) kunnen met name windparken een barrière vormen voor vliegbewegingen van vogels tussen bijvoorbeeld slaapplaatsen en foerageergebied.
74 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 5.2 Versimpeld overzicht van effectbeoordeling op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden Habitattypen
Habitatrichtlijnsoorten
Vogelrichtlijnsoorten wind
oppervlakteverlies
--
--
--
verstoring
0
0/-
-
barrièrewerking
0
0
-
sterfte
0
0/-
-zon
oppervlakteverlies
0/-
--
--
verstoring
0
0/-
-
barrièrewerking
0
0
0/-
sterfte
0
0
0
Voor windturbines is een cumulatieve risicokaart van de externe werking op vogelrichtlijnsoorten rondom Natura 2000-gebieden in Gelderland beschikbaar (bron: Altenburg & Wymenga). Hierbij is een gevoeligheidsindex ontwikkeld waarmee de effectgrootte op een semi-kwantitatieve wijze berekend kan worden en op kaart weergegeven kan worden. De gevoeligheidsindex houdt rekening met de maximale effectafstand, status ten opzichte van instandhoudingsdoel, gevoeligheid van de soort voor aanvaringen met windturbines en mobiliteit van de soort. Afbeelding 5.1 laat de risicokaart voor externe werking zien.
Afbeelding 5.1 Risicokaart voor externe werking op vogelrichtlijnsoorten door windturbines. Bron: Jouta et al. (2021)
75 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Omdat de vogelrichtlijnsoorten vaak maatgevend zijn voor effecten van wind op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, kant de kaart ook omgezet worden tot een indicatieve kaart volgens de beoordelingsschaal in dit plan-MER. Deze kaart geeft een inschatting van risico’s op effecten tussen het ene of andere gebied. Afbeelding 5.2 laat de effectbeoordeling op kaart zien.
Afbeelding 5.2 Beoordeling op kaart van het effect van windturbines op Natura 2000-gebieden
5.1.2
Overige beschermde gebieden: effecten op doelen en kernkwaliteiten
Onderzoeksaanpak Bij de effectbeoordeling voor overige beschermde gebieden (GNN/GO, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden) is de beoordelingsschaal toegepast zoals weergegeven in tabel 5.3. Belangrijke aspecten die een rol spelen bij de beoordeling zijn de ordegrootte van het effect, de tijdsduur waarin mogelijke effecten tot uiting komen, en de mogelijkheden om negatieve effecten te mitigeren en/of te compenseren.
76 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 5.3 Beoordelingsschaal criterium effecten op het GNN/GO, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Toelichting
--
sterk negatief
significante aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN/GO of andere provinciaal beschermde gebieden. Significante aantasting is permanent en/of niet te mitigeren en te compenseren. Het voornemen is daarmee niet of nauwelijks vergunbaar
-
negatief
er is risico op significante aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN/GO of andere provinciaal beschermde gebieden door oppervlakteverlies of verstoring. Compensatie en mitigatie is nodig. Daarnaast moet ten aanzien van het GNN/GO een ‘Nee-tenzij-toets’ worden opgesteld
0/-
beperkt negatief
er is sprake van een risico op tijdelijke aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN/GO en/of overige beschermde gebieden. Het risico dat dit leidt tot een significante aantasting is echter klein. Mitigatie is naar verwachting voldoende om significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN of de functie van een van de overige provinciaal beschermde gebieden te voorkomen
0
neutraal
er is geen sprake van wezenlijke negatieve gevolgen voor het GNN/GO en/of overige beschermde gebieden. Het voornemen kan zonder verdere voorwaarden doorgang vinden
+
beperkt positief
niet van toepassing (een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie treedt niet op)
++
positief
+++
sterk positief
Effectbeoordeling De effecten op overige beschermde gebieden (GNN/GO, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden) worden voor zowel wind als zon (worstcase) als sterk negatief (--) beoordeeld. Er treden verschillende effecten op zowel tijdens de aanleg- en gebruiksfase. In tabel 5.4 is een vereenvoudigd overzicht opgenomen van de onderliggende beoordeling van ingreep-effectrelaties. Voor een volledig overzicht van effecten zie bijlage I, hoofdstuk 6. Hieronder worden alleen de belangrijkste (sterk negatieve of negatieve) effecten besproken. Dit zijn: - oppervlakteverlies door wind en zon in alle typen gebieden; - verstoring door wind voor GNN/GO en weidevogelgebieden; - sterfte door wind voor GNN/GO. Oppervlakteverlies door wind en zon in alle typen gebieden Alle typen gebieden zijn kwetsbaar voor verlies van habitat door het ruimtebeslag van zonneparken en windturbines. Binnen GNN/GO is een enorme diversiteit aan bijzondere plant- en diersoorten die grotendeels gevoelig zijn voor habitatverlies. Er valt onderscheid te maken tussen zeer waardevolle gebieden (bijvoorbeeld schrale hooilanden met hoge botanische waarden of landgoederen) en gebieden met iets minder ontwikkelde natuurwaarden. In bijvoorbeeld gebieden met akkers of overige cultuurlandschappen zijn de effecten van oppervlakteverlies minder ingrijpend.