plan-MER Windbeleid en RES dec 2024
Tekst van het document
25 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Geconcludeerd kan worden dat er binnen de omgevingsverordening mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling van windturbines en zonneparken binnen enkele aangewezen natuurgebieden en landschappen (niet van toepassing voor weidevogelgebieden). Hiervoor dient echter wel voldaan te worden aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1.7. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan er worden afgeweken. Per geval zal dit moeten worden bekeken. Warmte vanuit boringsvrije zones Rondom waterwingebieden ligt een beschermingszone: het grondwaterbeschermingsgebied. De bodem wordt hier extra beschermd door maatregelen, regels en beleid. In boringsvrije zones mogen kleilagen die het onderliggende grondwater beschermen niet worden doorboord (ook relevant voor bijvoorbeeld fundering/heipalen van windturbines, zie par. 5.9.2). Dit is vastgesteld in de Provinciale milieuverordening Gelderland (PmG). Ook is het verboden de bodem te gebruiken als energiebron (voor bijvoorbeeld de opslag van koud of warm water). Gedeputeerde Staten kunnen hiervoor ontheffing verlenen. In de ontheffingsvoorschriften staat dat de kleilaag niet mag worden beschadigd en dat het gebruik van stoffen het grondwater niet mag verontreinigen. In waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden geldt ook een verbod op het gebruik van de bodem als energiebron. Hier kan geen ontheffing voor worden afgegeven.
De provincie en haar partners streven ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Aanvullend is op 5 juli 2022 het Actualisatieplan 9 vastgesteld. Deze actualisatie gaat in op drinkwaterreserveringsgebieden. Hiervoor geldt een gelijkend beschermingsregime, waarbij de kleilagen niet mogen worden doorboord. In de minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden is bodemenergie toegestaan boven de diep gelegen kleilaag. Onder en in deze kleilaag en in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden is bodemenergie verboden vanwege de risico’s voor de grondwaterkwaliteit. Geothermie is in alle drinkwaterreserveringsgebieden verboden. Deze verboden gelden niet voor al bestaande installaties. Koers Ruimte en leefomgeving De druk op de ruimte en leefomgeving van Gelderlanders neemt toe. Er is steeds minder ruimte, terwijl er steeds meer opgaven zijn. Daarom wil de provincie de schaarse ruimte zo goed mogelijk inrichten. Zij gebruikt hiervoor de Koers Ruimte en Leefomgeving (provincie Gelderland, 2021). Dat is een werkwijze voor het maken van slimme ruimtelijke keuzes door samen met betrokkenen per gebied te kijken naar wat er kan en wat er nodig is.
Gelders Klimaatplan 2021 - 2030 In de omgevingsvisie Gaaf Gelderland en in het huidige coalitieakkoord (provincie Gelderland, 2019) geeft de provincie aan dat zij gaat voor een broeikasgasreductie van 55 % in 2030 ten opzichte van 1990. Het Gelders Klimaatplan 2021 - 2030 (provincie Gelderland, 2022) bevat de maatregelen hoe de provincie dat wil gaan bereiken. Een optelling van de biedingen uit de zes RES’en (zie paragraaf 2.4) leidt tot 6500 GWh. In de eventuele herijking van de RES worden plannen concreter uitgewerkt, waardoor de realiteitswaarde van de biedingen duidelijker wordt. Regionaal waterprogramma Water speelt een grote en veelzijdige rol in Gelderland en wordt steeds belangrijker, ook voor de andere opgaven die in de provincie spelen. Het Regionaal waterprogramma 2021 - 2027 (provincie Gelderland, 2021) beschrijft hoe de provincie de komende jaren aan de slag gaat met haar water. Waterschappen houden hier rekening mee in hun waterbeheerprogramma. Het heeft ook gevolgen voor het toetsen van milieubelastende activiteiten (die mogelijk gevolgen hebben voor watersystemen) en wateractiviteiten, zoals beschreven in de Omgevingswet.
Het waterprogramma beschrijft de uitdagingen waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe wil werken en wat zij concreet de komende tijd op het gebied van water gaat bijdragen aan de ambities uit de provinciale omgevingsvisie en coalitieakkoord. Ten aanzien van de energietransitie gaat het om de mogelijkheden die het bodem- en watersysteem biedt voor zonneparken op water, waterkracht, bodemenergie, aardwarmte en aquathermie.
26 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
2.4
Regionaal
Het Klimaatakkoord vormt het kader voor de Regionale Energiestrategie (RES). In de RES wordt op regionaal niveau in 30 regio’s binnen Nederland de strategie vastgelegd voor de transitie naar een fossielvrije energievoorziening. In de provincie Gelderland liggen zes RES-regio’s, zie afbeelding 2.2.
Afbeelding 2.2 Provincie Gelderland met RES-regio’s
Met de RES worden decentrale overheden in staat gesteld een plan op te stellen voor grootschalige duurzame energie. Hierbij verkennen provincies, gemeenten, waterschappen, netbeheerders en - in de meeste gevallen - burgers gezamenlijk de (on)mogelijkheden voor duurzame elektriciteit, in de vorm van wind- of zonne-energie. De RES is geen doel op zich, maar een instrument om de ruimtelijke inpassing van de grootschalige duurzame opwek + Regionale Structuur Warmte (RSW) met maatschappelijke betrokkenheid te organiseren. De RES is ook een manier om langjarige (tot 2030) samenwerking tussen alle regionale partijen te organiseren. En ten slotte is de RES een product, een document waarin is beschreven welke energie–doelen op welke wijze en binnen welke termijn worden gehaald. De zes Gelderse RES-regio’s hebben elk hun eigen kansen en uitdagingen, en hebben keuzes gemaakt in de RES 1.0 die hierbij passen. Tijdens het maken van de RES’en hielden de RES-partners rekening met het ‘RES afwegingskader’. Dit kader staat in de Handreiking Regionale Energiestrategie 1.0 van het Nationaal Programma (NPRES). Dit kader vertaalde de provincie Gelderland met partners op onderdelen naar de Gelderse situatie. Hierbij gaat het om de criteria: 1 hoeveelheid elektriciteit en warmte; 2 ruimtegebruik; 3 bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak; en 4 efficiëntie van het energiesysteem.
27 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 2.1 toont een overzicht van het bod per RES-regio, hetgeen tot nu toe is gerealiseerd, wat nog in de pijplijn zit en wat het openstaande bod is. De getallen in de tabel zijn gebaseerd op de voortgangsrapportages van de RES-regio’s en hebben daarmee de peildatum van januari 2023. In de Regionale Structuur Warmte (RSW) worden afspraken gemaakt over de verdeling van bovenlokale warmtebronnen. Er zijn geen concrete doelstellingen aan verbonden. Daarom komt het onderdeel warmte niet terug in de tabel.
Tabel 2.1 Overzicht RES 1.0: bod, gerealiseerd, pijplijn en openstaand (peildatum en bronnen: voortgangsrapportages januari 2023) Regio
Bod duurzame elektriciteit in 2030 (GWh)
Totaal gerealiseerd (GWh)
Totaal pijplijn (GWh)
Openstaand totaal (GWh)
FruitDelta Rivierenland
1200 (1241 ambitie)1
427
526
247
Foodvalley
750 (964 ambitie)2
158
450
143
Noord-Veluwe
530
115
236
180
Stedendriehoek
1070
310
170
590
Achterhoek
1350
375
301
674
Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
1620
423
480
717
6520 (+255 ambitie)
1861
2162
2497
totaal provincie Gelderland
Voor de analyses in dit plan-MER die spreken over ‘doelbereik’, wordt verwezen naar een nog openstaand deel van het RES-bod met inbegrip van de ‘pijplijn’. Dit omdat de analyses in dit plan-MER gedeeltelijk zien op de projecten die in de pijplijn zitten, waardoor een dubbele optelling kan ontstaan. Daarom wordt voor het nog openstaande deel van het provinciale bod (de zes RES-regio’s tezamen) 4659 GWh gehanteerd. Dit is het bod (6520 GWh) minus hetgeen tot januari 2023 gerealiseerd is (1861 GWh). De opwek in de pijplijn kent namelijk nog een mate van onzekerheid. Afbeelding 2.3 toont de in de RES’en 1.0 opgenomen zoekgebieden voor wind- en zonne-energie. Hierbij is aangeduid wat het onderscheid is tussen de verschillende zoekgebieden, conform de in de RES’en 1.0 opgenomen informatie.
1
De optelling brengt de ambitie in totaal op 1241 GWh. Het RES-bod houdt een risico-marge aan van 100 GWh.
2
Het bod van 750 GWh in 2030 blijft het uitgangspunt en met de intentie door te zoeken naar mogelijkheden om het opwekvolume te laten groeien naar 964 GWh in 2030.
28 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 2.3 Zoekgebieden wind- en zonne-energie RES 1.0
Toelichting status zoekgebieden wind en zon in de RES’en 1.0 De zes RES-regio’s binnen de provincie Gelderland hebben in de RES’en 1.0 zoekgebieden aangewezen voor wind- en zonne-energie. Deze zoekgebieden kennen een verschillende status, zoals ‘voorkeurszoekgebieden’, ‘voorlopige zoekgebieden’ en ‘reserve na 2030’. Onderstaand wordt de status van de zoekgebieden per RES-regio beknopt toegelicht. Voor verdere informatie wordt verwezen naar de RES’en 1.0 en tabel 2.1. RES-regio FruitDelta Rivierenland In de regio FruitDelta Rivierenland zijn geen zoekgebieden voor zonne-energie aangewezen en wordt voor windenergie onderscheid gemaakt in 3 typen kansrijke gebieden: 1 ambitie 2030: deze (in ontwikkeling zijnde) kansrijke gebieden vullen het winddeel van het RES-bod in; 2 verkennen 2030: deze kansrijke gebieden worden richting 2030 nader uitgewerkt; 3 reserve na 2030: deze kansrijke gebieden worden indien nodig na 2030 uitgewerkt. Het zoekgebied bij Zaltbommel in het zuidwesten van de regio, is niet nader begrensd in de RES. RES-regio Foodvalley In de regio Foodvalley hebben de zoekgebieden voor windenergie de status ‘voorlopige zoekgebieden voor windenergie’. Deze voorlopige zoekgebieden voor windenergie horen bij de ambitie van 964 GWh, waar het bod van 750 GWh onderdeel van uitmaakt.
RES-regio Noord-Veluwe In de regio Noord-Veluwe zijn zoekgebieden aangewezen voor zonne-energie en wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen zoekgebieden voor windenergie: 1 zoekgebieden windenergie: Hattemerbroek, Lorentz en Nuldernauwkust (Horst en Telgt), die onderdeel uitmaken van het RES 1.0-bod; 2 onderzoeksgebied windenergie: Veluwemeerkust, wat geen onderdeel uitmaakt van het RES 1.0-bod.
29 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
RES-regio Stedendriehoek In de regio Stedendriehoek wordt in de RES 1.0 niet gesproken van zoekgebieden, maar gebieden waar nader onderzoek voor windenergie nodig is. Dit betreft op kaart het grondgebied van de gemeente Lochem en een locatie ten noorden van Zutphen. Binnen deze gebieden worden na nader onderzoek zoekgebieden voor windenergie aangewezen. Naast de op de RES 1.0-kaart opgenomen zoekgebieden heeft de regio Stedendriehoek ook aangegeven binnen de zone van 1-8 km rondom de Veluwe ruimte te zoeken voor windenergie. Dit gebied is in de RES 1.0 niet aangemerkt als zoekgebied voor windenergie, vanwege de belemmeringen vanuit het leefgebied van de wespendief. Op de afbeelding wordt de Veluwe niet getoond, omdat dit gebied in dit plan-MER niet behoort tot het onderzoeksgebied (zie hoofdstuk 4). RES-Regio Achterhoek In de regio Achterhoek zijn geen zoekgebieden voor zonne-energie aangewezen en wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen zoekgebieden voor windenergie: 1 voorkeurszoekgebieden windenergie; 2 voorkeurszoekgebieden windenergie (zonder bestuurlijk commitment). Dit betreft een gebied nabij Winterswijk, wat dus geen onderdeel uitmaakt van het RES 1.0-bod; 3 alle zoekgebieden windenergie. In het plan-MER is met deze drie typen zoekgebieden voor windenergie geen rekening gehouden in de beschrijving en beoordeling van de zoekgebieden.
RES-regio Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen In de regio Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen wordt onderscheid gemaakt in drie typen zoekgebieden: 1 zoekgebieden voor zonne-energie; 2 zoekgebieden voor windenergie; 3 zoekgebieden voor windenergie en zonne-energie. In dit plan-MER is voor de hele provincie beschouwd welke gebieden op basis van milieu-informatie geschikt zijn als zoekgebied voor wind en zonne-energie. Dat betekent dat het plan-MER inzicht biedt in de milieueffecten van zowel de zoekgebieden die in de RES 1.0 in kaart zijn gebracht alsook van eventuele gebieden die geen onderdeel uitmaken van de zoekgebieden in de RES 1.0. Warmte in Gelderland Provincie Gelderland vindt de warmtetransitie niet alleen een technische en financiële opgave, maar ook een sociale opgave die haalbaar en betaalbaar moet zijn voor alle inwoners. De gemeenten hebben de regie in de warmtetransitie (via de transitievisies warmte), maar de provincie ziet een rol voor haarzelf om de aanleg te versnellen. Samen met Alliander, IEG fonds (van OostNL) en gemeenten werkt zij samen aan het oprichten van een Gelders Warmte Infrabedrijf (GWIB) (provincie Gelderland, b). Daarnaast is door Gelderse RES-regio’s in de Regionale Structuur Warmte (RSW) een aantal mogelijke warmteclusters aangewezen en gekoppeld aan mogelijke bronnen.
Een efficiënte warmtetransitie zorgt ook dat de opgave voor (elektrische) energietransitie door bijvoorbeeld wind en zon niet groter wordt. Omgekeerd kan inefficiënte warmtetransitie zorgen voor een grotere opgave voor hernieuwbare vormen van elektriciteit wat uitdagingen op gebied van netcongestie kan verergeren. Regio Achterhoek: Akkoord van Groenlo De Achterhoek heeft een eigen energie-ambitie: ‘Achterhoek energieneutraal in 2050’. Deze ambitie komt voort uit het Akkoord van Groenlo 3.0 dat in 2023 herijkt is. Afgelopen jaren is gewerkt aan eerdere versies van het akkoord via een Regionale Uitvoeringsagenda Achterhoek.
30 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
2.5
Gemeentelijk
Op voorhand wordt in het plan-MER geen rekening gehouden met de omgevingsvisies (of structuurvisies) of zonbeleid van gemeenten1. Een omgevingsvisie en zonbeleid is namelijk zelfbindend en dus kaderstellend voor de betreffende gemeente. Voor een zuivere analyse in het plan-MER, waarbij de ‘hoeken van het speelveld’ volledig verkend worden op provinciaal en regionaal niveau, is het wenselijk beperkingen die voortkomen uit deze visies niet op voorhand mee te nemen. Dat neemt niet weg dat gemeenten bij hun reactie op de uitkomsten van dit plan-MER aan kunnen geven waar zij een conflict of juist synergie zien met hun omgevingsvisies dan wel zonbeleid. Dit kan vervolgens in overweging genomen worden bij de belangenafweging die plaatsvindt bij de verankering van de RES’en, het windbeleid van provincie Gelderland en ander omgevingsbeleid van RES-partners (waaronder de gemeenten).
1
Een overzicht van het zonbeleid van Gelderse gemeenten is te vinden in de ‘Beleidsanalyse RES 1.0 – provincie Gelderland’ uitgevoerd door Overmorgen (2023).
31 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
3 REFERENTIESITUATIE 3.1
Huidige situatie
Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie voor de verschillende maatgevende onderzoeksthema’s. Voor het thema netinpassing beperkt de analyse zich tot de huidige capaciteit in de verzorgingsgebieden. Het thema duurzaamheid wordt niet beschreven omdat de analyse zich hiervoor niet leent. In plaats daarvan is een vergelijking gemaakt met fossiele bronnen (zie hoofdstuk 5.7).
3.1.1
Natuur
Gelderland kent een grote rijkdom aan plant- en diersoorten. Dit komt onder andere door de diversiteit aan landschapstypen, de ligging aan grote rivieren en de Veluwe als het grootste natuurgebied op land binnen Nederland. In de effectbeoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde soorten en beschermde gebieden. Dit onderscheid komt voort uit de verschillende wettelijke beschermingsregimes die gelden voor de natuur. In bijlage I worden bestaande natuurwaarden uitvoerig beschreven. In deze paragraaf volgt een korte samenvatting van deze informatie, bijlage I omvat een uitgebreide toelichting.
Afbeelding 3.1 Ligging beschermde natuurgebieden in Provincie Gelderland
32 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Gebieden Tot de beschermde gebieden behoren de Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO), weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. Binnen deze gebieden zijn vaak (kwalificerende) soorten die eisen stellen aan hun leefgebied en hun omgeving (bijvoorbeeld het foerageren). Sommige gebieden vallen onder meerdere beschermingsregimes: zo behoren alle Natura 2000gebieden ook tot het GNN. Natura 2000 Binnen de provincie Gelderland zijn 15 Natura 2000-gebieden gelegen. Van deze gebieden hebben 14 gebieden een status als Habitatrichtlijngebied, maar slechts vier gebieden zijn (ook) aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Naast de Veluwe liggen de Natura 2000-gebieden vooral langs de grote rivieren en de randmeren in de provincie. Voor een deel van deze gebieden geldt dat de soorten binnen het natuurgebied ook negatieve effecten kunnen ondervinden van activiteiten buiten het Natura 2000-gebied. Met deze zogeheten ‘externe werking’ wordt in de analyses rekening gehouden. Weidevogel- en ganzenrustgebieden Deze gebieden met functie voor weidevogels (onder andere grutto, kievit en tureluur) en overwinterende ganzen liggen vooral langs of in de omgeving van de grote rivieren en randmeren. Een deel van deze gebieden overlapt met Natura 2000.
GNN en GO Naast de gebieden die ook onderdeel uitmaken van Natura 2000, vormt het GNN en het GO een fijnmazig netwerk van natuurgebieden met uiteenlopende natuurwaarden die afhankelijk zijn van de landschapstypen waarin ze zich bevinden. Het gaat bijvoorbeeld om landgoederen, singels en houtwallen, beekdalen, enzovoort. Hierbij hoort een keur aan habitats, zoals bossen, schraallanden, bloemrijke graslanden, beken, stroomgraslanden. Bijzondere flora en fauna die hier onderdeel van uitmaken zijn bijvoorbeeld verschillende soorten orchideeën, kwelindicerende plantensoorten, verschillende soorten kwetsbare ongewervelden (onder andere ijsvogelvlinder), vissen (grote- en kleine modderkruiper, winde), amfibieën (onder andere kamsalamander, boomkikker, knoflookpad, heikikker), reptielen (ringslang), broedvogels (steenuil, weidevogels), vleermuizen en grondgebonden zoogdieren (onder andere das). Van deze natuurwaarden is het grootste deel gevoelig voor habitatverlies. Daarnaast is een deel ook gevoelig voor aanvaringen met windturbines. Het gaat dan met name om broedvogels en vleermuizen. Houtopstanden In het studiegebied zijn verschillende houtopstanden aanwezig. Voor het kappen van houtopstanden geldt een meldings- en herbeplantingsplicht.
In provincie Gelderland wordt op basis van de omgevingsverordening een onderscheid gemaakt tussen houtopstanden, kwalificerend boshabitat, en oude bosgroeiplaatsen waar op topografische kaarten in 1850 al bos aanwezig was. Ongeveer 92 % van deze bosgroeiplaatsen overlappen met Natura 2000 en het GNN. Voor kwalificerend boshabitat geldt in de meeste gevallen een houtoogstverbod. Oude bosgroeiplaatsen moeten worden beschermd en kunnen niet op andere plekken worden gecompenseerd, tenzij initiatiefnemers kunnen aantonen dat niet aan gestelde voorwaarden wordt voldaan. In afbeelding 3.2 is een overzicht opgenomen van bosgebieden, kwalificerend habitat met houtoogstverbod en oude bosgroeiplaatsen.
33 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.2 Verschillende typen provinciaal beschermde houtopstanden
Soorten Tot de beschermde soorten behoren soortgroepen als vaatplanten, ongewervelden (onder andere vlinders en libellen), vissen, amfibieën (onder andere rugstreeppad en kamsalamander), reptielen (onder andere adder en hazelworm) broedvogels (onder andere rode wouw, wespendief), vleermuizen en zoogdieren (onder andere otter en waterspitsmuis). Dit zijn soorten die onder de Wet natuurbescherming een verschillende mate van bescherming hebben afhankelijk van de gevoeligheid en zeldzaamheid. Ook zijn verscheidene planten- en diersoorten opgenomen in de Rode lijst van gevoelige, kwetsbare en bedreigde soorten. Voor deze soorten geldt de zorgplicht.
3.1.2
Landschap en cultuurhistorie
Gelderland is een provincie die rijk is aan verschillende landschapstypen en cultuurhistorische waarden. De diversiteit is ontstaan door onder andere het landijs dat in voorlaatste ijstijd stuwwallen vormde met bekkens ertussen waar zich later veen ontwikkelde. Ook meanderende rivieren en overstromingen vanuit de Zuiderzee hebben in delen van de provincie het landschap gevormd. Bewoners hebben gebruik gemaakt van deze verschillen in ondergrond en hebben met de landbouw, bosbouw, inpoldering, ontginning en afwatering het landschap verder gevormd. Hierbij zijn in het landschap, boven- en ondergronds ook cultuurhistorische waardevolle elementen ontstaan. In hoofdstuk 4 van bijlage II is een uitgebreidere beschrijving van de ontstaansgeschiedenis en de kenmerken en kwaliteiten van landschap en cultuurhistorie opgenomen. In deze paragraaf is een korte samenvatting van deze informatie opgenomen. Landschap De diversiteit aan landschapstypen is een kernkwaliteit van provincie Gelderland. Afbeelding 3.3 toont deze diversiteit. Gebieden en regio’s zijn in deze kaart te herkennen. Bijvoorbeeld de Veluwe die door de grote aaneengesloten gebieden met bos- en heidelandschap goed zichtbaar is. Aan weerszijden van de Veluwe is
34 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
een diversiteit van landschapstypen te zien met aan de westzijde de overgang naar de voormalige Zuiderzee en aan de oostzijde de overgang naar de IJssel. In de Achterhoek aan de oostzijde van de provincie is een afwisseling van vaak kleinschaliger landgoederen-, kampen- of essenlandschap met natte heide- en broekontginningen zichtbaar. In het rivierengebied in het zuidwesten van de provincie is een kenmerkende afwisseling van relatief vlakke en open komgebieden met het grillige karakter en het reliëf van het oeverwallen- en stroomruggenlandschap.
Afbeelding 3.3 Landschapstypen in Gelderland
Nationale landschappen en Waardevol open gebied Binnen Gelderland liggen zeven nationale landschappen (zie afbeelding 3.4) en 17 waardevolle open gebieden (zie afbeelding 3.5). De Nationale Landschappen zijn gebieden met specifieke kenmerken zoals flora en fauna, beekdalen, terpen, landbouw en waterbeheersing. In diverse regelingen is vastgelegd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden alleen mogelijk zijn als deze kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of doorontwikkeld worden. De waardevolle open gebieden zijn van waarde vanwege hun grootschalige openheid. Op de randen na zijn deze gebieden, over grote oppervlakten niet of nauwelijks bebouwd. Ook valt de historie uit het landschap af te lezen.
35 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.4 Gelderse Nationale Landschappen
Afbeelding 3.5 Waardevol open gebied in Gelderland
36 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
(Bovengrondse) cultuurhistorie Afbeelding 3.6 toont de belangrijkste elementen en gebieden op het vlak van cultuurhistorie. Het gaat hierbij om: - gebouwde rijksmonumenten en vastgestelde contouren van rijksmonumenten; - nieuwe Hollandse Waterlinie: een deel van deze militaire verdedigingslinie met forten, sluizen en andere objecten ligt aan de westzijde van de provincie. Dit gebied staat ook op de Werelderfgoedlijst UNESCO; - aangewezen stads- en dorpsgezichten; - molenbiotopen; - oude boskernen, houtwallen en heggen.
Afbeelding 3.6 Bovengrondse cultuurhistorische waarden
Archeologie Aan het begin van de Romeinse tijd was het Gelders rivierengebied het dichtstbevolkte stukje Nederland en dat bleef het tot ver in de middeleeuwen. Hier lagen ook de oudste forten en de grootste stad van Romeins Nederland. Een soort Randstad van de oudheid. De sporen van vijf eeuwen Romeinse tijd zijn overal in Gelderland aanwezig – niet zozeer bovengronds, maar vooral in de bodem. Het zogeheten Romeinse Limesgebied (onderdeel de Werelderfgoedlijst UNESCO) wordt samen met andere archeologische monumenten, (verwachtings)waarden en provinciale archeologische parels en diamanten beschermd. Afbeelding 3.7 toont een overzichtskaart met relevante archeologische gebieden en locaties in het plangebied.
37 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.7 Overzichtskaart archeologie in provincie Gelderland
3.1.3
Gezonde leefomgeving
Voor het thema gezonde leefomgeving wordt hieronder de huidige situatie voor geluid beschreven. Voor de aspecten slagschaduw en lichthinder is de huidige situatie niet opgenomen. Deze aspecten komen terug onder paragraaf 5.9.1. In provincie Gelderland bevinden zich verschillende geluidsbronnen: wegverkeer, treinverkeer, industrie en luchtvaart zorgen samen voor het omgevingslawaai. Voornamelijk rondom wegen en in steden zorgen deze geluidsbronnen voor een mindere akoestische kwaliteit. Afbeelding 3.8 presenteert de feitelijke akoestische kwaliteit in provincie Gelderland.
38 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.8 Akoestische kwaliteit van de omgeving, geclassificeerd met Methode Miedema (bron: Geluid in Nederland, RIVM, 2020)
Recent onderzoek van de GGD’en van Gelderland en Overijssel1 heeft uitgewezen dat in regio OostNederland ongeveer de helft van de volwassenen matige of ernstige geluidhinder van één of meerdere bronnen ervaarde in 2020. De grootste veroorzaker van deze geluidhinder is het geluid van wegverkeer (34 % brommers en scooters, 27 % wegen met maximale snelheid onder 50 km/uur, 20 % wegen met maximale snelheid boven 50 km/uur). Van de geluidhinder is 2 % afkomstig van windturbines. Eén derde van de volwassenen ervaart matige of ernstige slaapverstoring door geluidbronnen. Het onderzoek beschrijft dat over het algemeen er relatief weinig geluidhinder ervaren wordt van windturbines in vergelijking tot andere geluidbronnen. Een belangrijke factor hierbij is dat veel minder personen in de nabijheid van windturbines wonen in vergelijking tot de andere genoemde geluidbronnen. De provincie Gelderland heeft in haar omgevingsverordening stiltegebieden aangewezen waar regels gelden om geluidhinder te voorkomen of te beperken. In deze gebieden is het verboden om geluid te produceren die het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren. Deze beperkingen gelden niet voor duurzame energie en zijn daarom niet op kaart opgenomen.
3.1.4
Grondwater - drinkwaterwinning
Drinkwaterwinning vindt plaats binnen waterwingebieden. In de provincie Gelderland liggen verschillende waterwingebieden. Rondom deze gebieden zijn beperkingsgebieden aangewezen, met als doel de kwaliteit van het grondwater binnen het waterwingebied te beschermen. De beperkingsgebieden zijn grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones en zijn vastgelegd in paragraaf 4.3.7 van de provinciale omgevingsverordening.
1
GGD IJsselland, GGD Twente, GGD Gelderland-Midden, GGD Gelderland-Zuid, GGD Noord- en Oost-Gelderland. 2023. Geluidhinder in Gelderland & Overijssel.
39 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Door klimaatverandering, bodemgebruik, bevolkingsgroei en economische groei stijgt komende jaren de vraag naar drinkwater. Om ook in de toekomst verzekerd te zijn van voldoende drinkwater, heeft de provincie (minder) kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden geselecteerd. Door nu al deze gebieden te beschermen, zorgt de provincie ervoor dat het grondwater van goede kwaliteit blijft voor toekomstige drinkwaterwinning. Ook binnen deze gebieden gelden vanuit de provinciale omgevingsverordening beperkingen om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Afbeelding 3.9 laat het overzicht van aangewezen gebieden voor de drinkwaterwinning in de provincie Gelderland zien.
Afbeelding 3.9 Overzicht van aangewezen gebieden rondom drinkwater in de provincie
3.1.5
Veiligheid
Veiligheid omvat de criteria externe veiligheid, luchtvaartveiligheid en radar en waterkeringsveiligheid. Onderstaand wordt voor deze drie criteria de huidige situatie beschreven. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico’s voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. In het Nederlandse externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen risico-ontvangers en risicobronnen. Risico-ontvangers zijn (beperkt) kwetsbare objecten zoals woningen, scholen en grote kantoorpanden. Risicobronnen kunnen externe veiligheidsrisico’s veroorzaken. Dit gaat om transportroutes, buisleidingen en inrichtingen. Het onderscheid tussen risicobronnen en -ontvangers wordt verder toegelicht in paragraaf 5.5. Afbeelding 3.10 toont de bovengenoemde aanwezige onderdelen op kaart. Onder de afbeelding volgt per onderdeel een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied.
40 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.10 Overzichtskaart risicobronnen externe veiligheid
Transportroutes Om het vervoer van gevaarlijke stoffen zo veilig mogelijk te laten verlopen vindt het vervoer zoveel mogelijk plaats over het hoofd(vaar)wegennet. Hoofd(vaar)wegen liggen minder vaak in dichtbebouwde gebieden en bieden daarmee de veiligste route. De A1, A2, A12, A15, A18, A28, A30, A50 en de A73 maken onderdeel uit van het basisnet voor het vervoer van gevaarlijk stoffen over de weg. Voor de A2, A18 en de A30 geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Dit is een zone rond infrastructuur waar aanvullende bouweisen gelden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in verband met het risico op brand na een ongeval met zeer brandbare vloeistoffen. De aan te houden afstanden zijn opgenomen in artikel 16 en 17 van de Regeling Basisnet. Daarnaast zijn er meerdere overige transportroutes via onder andere provinciale wegen aanwezig. Deze wegen zijn niet opgenomen in het basisnet. De Maas, de Waal, de Boven-Rijn, de Neder-Rijn, de IJssel, het Maas-Waalkanaal, het Kanaal van Sint Andries en het Amsterdam-Rijnkanaal zijn onderdeel van het basisnet voor hoofdvaarwegen. Voor de hoofdvaarwegen zijn geen plasbrandaandachtsgebieden opgenomen, maar dient bij besluitvorming een afweging gemaakt te worden bij het realiseren van nieuwe bebouwing in de vrijwaringszones. Tevens is een spoortraject aanwezig met plasbrandaandachtsgebied.
Het gaat om het spoortraject ZwolleAmersfoort en de Betuweroute. De overige spoortrajecten kennen geen plasbrandaandachtsgebied. Buisleidingen In het plangebied bevinden zich verschillende ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het gaat hierbij om hoofdtransportroutes. In het plangebied liggen buisleidingen van Defensie Pijpleiding Organisatie. Deze leidingen worden gebruikt voor het transport van kerosine en liggen op maximaal 1,20 m -mv. De overige buisleidingen zijn bedoeld voor het transporteren van aardgas en in beheer van de Gasunie.
41 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Inrichtingen In het plangebied zijn 36 bedrijven aanwezig waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opgeslagen liggen. Dit zijn BRZO-bedrijven1. Daarnaast zijn er inrichtingen aanwezig waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden. Dit betreft lagere hoeveelheden, waardoor een BRZO-vergunning niet noodzakelijk is. Het gaat bijvoorbeeld over opslag van LPG bij tankstations, opslag van meststoffen rondom agrarische bedrijven, of opslag van vuurwerk. Luchtvaartveiligheid en radar In het plangebied gelden op verschillende plaatsen beperkingen ten aanzien van de bouwhoogte omwille van luchtvaartveiligheid (burger- en militaire luchtvaart) en radar. Luchtvaartveiligheid In het plangebied zijn bouwhoogtebeperkingen van toepassing door de aanwezigheid van luchtvaartterreinen, swenss en laagvlieggebieden. Deze terreinen en routes zijn in gebruik voor burger- of militaire luchtvaartdoeleinden. Burgerluchtvaartveiligheid Vanuit de burgerluchtvaart zijn vliegveld Teuge, diverse zweefvliegterreinen en helikopterplatforms relevant. Vliegveld Teuge is in gebruik voor de burgerluchtvaart. Een gebied rond dit luchtvaartterrein is aangewezen ter bescherming van de bereikbaarheid van de luchthaven.
Rond het vliegveld ligt tevens een gebied dat is aangewezen voor CNS (Communication, Navigation, and Surveillance), waarbinnen een hoogtebeperking van toepassing is om de communicatie en navigatie voor het vliegveld te garanderen. Verspreid over het plangebied bevinden zich nog diverse zweefvliegterreinen en helikopterplatforms. Dit zijn aandachtspunten, waarbij de hoogtebeperkingen niet eenduidig zijn geformuleerd. Rond deze zweefvliegterreinen en helikopterplatforms zijn gebieden aangewezen voor CNS. In het noordoosten van het plangebied, nabij Harderwijk, ligt een beperkingengebied vanuit luchthaven Lelystad. Militaire luchtvaartveiligheid Vanuit defensie liggen verschillende militaire (oefen)terreinen en militaire laagvliegroutes. In het plangebied heeft defensie drie laagvlieggebieden in gebruik: Veluwe/Randmeren, Maas/Waal en Ginkelse Heide. Op afbeelding 3.11 zijn deze aangegeven onder ‘beschermingsvlakken laagvliegen’. In de laagvlieggebieden geldt een minimum vlieghoogte van 30 m boven hindernissen, of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. Dit is opgenomen in de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters. Defensie is op dit moment (begin 2024) bezig met een luchtruimherziening, waarin onder andere wordt gezocht naar nieuwe laagvlieggebieden en radargebieden2.
Dit kan effect hebben op de toekomstige mogelijkheden voor windturbines in deze gebieden. Vliegbasis Deelen is een militair vliegveld in het plangebied, gelegen op de Veluwe. Een gebied rond de vliegbasis is aangewezen voor de bereikbaarheid van de luchthaven, waardoor een hoogtebeperking van toepassing is. Voor Vliegbasis Deelen is dit vastgelegd in het Luchthavenbesluit Deelen. Het is echter niet eenduidig gedefinieerd wat de bouwhoogtebeperkingen zijn rond de vliegbasis. Dit komt onder andere omdat sprake is van hoogteverschillen in het aangewezen gebied rond de vliegbasis. Daarnaast ligt in het zuiden van het plangebied een laagvliegroute voor helikopters en propellervliegtuigen (route VO). In het uiterste oosten van het plangebied ligt een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen. Op afbeelding 3.11 zijn beide routes aangegeven onder ‘beschermingsvlakken laagvliegen’. Voor beide routes geldt een minimum vlieghoogte van 75 m boven hindernissen. Uit de bijlagen van de vergunningsaanvraag voor laagvliegroutes 10 en VO3 blijkt dat het huidige en toekomstige verwachte gebruik van de route VO zeer gering is. In het plan-MER is de route VO daarom ook opgenomen als aandachtspunt en niet als belemmering. De laagvliegroute 10 wordt intensiever gebruikt. Dit geldt als belemmering voor windturbines. 1 2
Via https://brzoplus.nl/inspectieresultaten/bedrijvenlijst/ kan een volledig overzicht van de bedrijvenlijst gevonden worden. Zie: https://www.defensie.nl/onderwerpen/ruimte-voor-defensie/downloads/publicaties/2023/12/15/notitie-reikwijdte-endetailniveau-programma-ruimte-voor-defensie.
3
https://www.rvo.nl/onderwerpen/vergunning-laagvliegroutes-10-en-vo : specifiek bijlage 2: Deelrapport 4C Lv VO Eindconcept.
42 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.11 laat de bovengenoemde onderdelen zien voor het onderdeel luchtvaart.
Afbeelding 3.11 Overzicht van gebieden met beperkingen vanuit luchtvaartveiligheid. De gebieden bestaan uit toetsingsgebieden en restrictiegebieden (RVO, 2022)
Radar Het plangebied overlapt met meerdere radarverstoringsgebieden. Deze radar of zend- en ontvangstinstallaties zijn in gebruik voor diversie doeleinden, waaronder militair gebruik. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), zijn de bouwbeperkingen voor radarverstoringsgebieden geregeld. Beperkingen voor de bouwhoogte van bouwwerken (zoals windturbines) zijn opgenomen in de Rarro. De kwaliteit van radarbeelden kan namelijk negatief worden beïnvloed door hoge objecten, zoals windturbines. Vanuit defensie geldt dat rond de zend- en ontvangstinstallatie op het complex Nieuw Milligen een bouwbeperkingengebied geldt (zie afbeelding 3.12). Van dit radarstation is echter bekend dat deze wordt vervangen op een andere locatie in het land1. De overige militaire radargebieden en bijbehorende verstoringsgebieden (CNS-hulpmiddelen) zijn te zien op afbeelding 3.11.
1
Defensie is voornemens een nieuw radarstation te bouwen in Herwijnen. Hiervoor is op 19-12-2023 het ontwerprijksinpassingsplan ter inzage gegaan. Zie Kamerbrief: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/12/19/terinzagelegging-ontwerp-rijksinpassingsplanradarstation-herwijnen
43 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.12 laat de radarverstoringsgebieden zien die volgen uit het Barro en Rarro. Het radarverstoringsgebied bedekt de gehele provincie. Hierdoor is voor het gehele plangebied een toetsingshoogte van toepassing (bijlage 8.4. bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening). Deze varieert in de provincie en bedraagt 90 m, 102 m, 114 m, 118 m en 136 m1. Rond de radarstations Herwijnen (zie voetnoot), Volkel, AOCS Nieuw Millingen en Soesterberg gelden afwijkende toetsingshoogtes. De toetsingshoogte kan worden bepaald met behulp van de bepalingen in de Rarro.
Afbeelding 3.12 Radarverstoringgebieden (bron: Rarro)
Ten slotte geldt rondom het antennepark Eibergen een bouwhoogtebeperking van 22 m. Dit gebied is daarom in dit plan-MER uitgesloten voor de ontwikkeling van windenergie, zie ook de NRD en bijlage V. Het beperkingengebied vanuit Antennepark Eibergen is op afbeelding 3.11 weergegeven. Waterkeringsveiligheid In het plangebied liggen diverse primaire en regionale waterkeringen. Deze bieden bescherming tegen overstromingen bij hoogwater vanuit de grote rivieren (zoals de Rijn, de Maas, de Waal en de IJssel) en de Veluwerandmeren. Deze waterkeringen bestaan voornamelijk uit dijken. De waterkeringen moeten aan veiligheidseisen voldoen, welke zijn opgenomen in de Waterwet (primaire waterkeringen) en Keur en Legger van de betreffende waterschappen (regionale waterkeringen). De primaire waterkeringen zijn in beheer van Rijkswaterstaat. De regionale waterkeringen zijn in beheer bij de waterschappen. In het plangebied betreft dit de waterschappen Vallei & Veluwe, Rivierenland en Rijn & IJssel.
1
De exacte indeling is opgenomen op kaart 6 van de Rarro (geconsolideerd op 1 december 2020).
44 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
De waterkeringen in het plangebied kennen een kernzone en een beschermingszone. De kernzone betreft globaal gesproken het lichaam van de waterkering zelf. De beschermingszone is een strook, direct aan weerszijden van de kernzone van de dijk. Binnen deze beschermingszone gelden regels om de stabiliteit en waterkerende functie van de waterkering te kunnen borgen. De zonering is vastgelegd in de legger van de waterschappen. De breedte van de zones is onder andere afhankelijk van het type waterkering, de constructie en de lokale omstandigheden (zoals de ondergrond). Windturbines worden alleen toegestaan indien dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkerende functie van de waterkering conform de veiligheidsnormen die aan de betreffende waterkering zijn gesteld. Rijkswaterstaat verleent namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat vergunning wanneer een windturbine op gronden, die in het beheer zijn van Rijkswaterstaat, wordt geplaatst. Dit geldt ook wanneer een blad(deel) over het eigendom van Rijkswaterstaat draait. Rijkswaterstaat heeft een aantal jaar geleden haar beleid gewijzigd met betrekking tot het plaatsen van windturbines nabij waterkeringen van ‘nee’, naar ‘nee, tenzij’. Hierbij is het uitgangspunt dat de waterveiligheid niet in het geding mag komen. Steeds meer waterschappen hanteren dit uitgangspunt ook.
Afbeelding 3.13 laat de waterkeringen met beschermingszones binnen het plangebied zien.
Afbeelding 3.13 Waterkeringen met beschermzones (Waterschappen Vallei & Veluwe, Rivierenland en Rijn & IJssel, 2022)
3.1.6
Gebruiksfuncties
Het plangebied heeft een oppervlakte van zo’n 513.700 ha en kent een grote diversiteit aan gebruiksfuncties, verdeeld over de 51 gemeenten die de provincie rijk is. Dit varieert van het grootste natuurgebied op land van Nederland, de Veluwe, de grote rivieren tot de Veluwerandmeren. Daarnaast zijn er in de provincie vele kastelen, oude vestigingssteden en kleinere kernen aanwezig. Hierbij kent het plangebied een historische ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat en het- huidige ruimtegebruik kenmerkt. In deze paragraaf wordt ingegaan op het agrarisch ruimtegebruik, het stedelijk gebied en de recreatieve functies van het plangebied. Afbeelding 3.14 laat de voornaamste gebruiksfuncties in het plangebied zien.
45 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.14 Huidige gebruiksfuncties in het plangebied (Bron: Bestand Bodemgebruik 2017)
Agrarisch ruimtegebruik In 2015 bestond Gelderland uit circa 58 % landbouwgrond1. Op deze gronden vinden verschillende type agrarisch gebruik plaats. Hierbij kunnen grofweg drie gebieden met kenmerkende agrarisch ruimtegebruik worden onderscheiden: - de Gelderse Vallei, met intensieve (pluim)veehouderijen in de kom tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug; - de Achterhoek, met gevarieerde landbouw in een coulisselandschap; - de Betuwe, met fruitteelt en melkveehouderijen in een rivierenlandschap. Stedelijk gebied In het plangebied zijn er veel verschillende typen woonmilieus. Het dorpse woonmilieu domineert de provincie Gelderland. Ook zijn er verschillende grote steden in het plangebied met meer dan 70.000 inwoners. Het gaat om Nijmegen, Apeldoorn, Arnhem en Ede. Daarnaast zijn er vele buurtschappen, bestaande uit enkele huizen, en verspreid liggende woningen. Bedrijventerreinen grenzen veelal aan steden en dorpen en zijn hiermee integraal onderdeel van het stedelijk gebied.
1
Bron: Home - Statistisch Zakboek Gelderland (incijfers.nl)
46 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Natuur en recreatie Het plangebied heeft een grote recreatieve aantrekkingskracht door de attractieve landschappen, met rivieren, bossen, heide en coulissen, het rijke cultuurhistorisch erfgoed en een uitgebreid voorzieningenniveau. Dit worden ook wel de Gelderse streken genoemd. De provincie heeft in het kader van de promotie van toerisme een onderverdeling gemaakt in de Veluwe, Achterhoek, Regio Arnhem, Rijk van Nijmegen en Rivierenland. Zoals ook te zien is in afbeelding 3.1, zijn er verschillende recreatiegebieden aanwezig in het plangebied, waaronder: - de Veluwe: bestaande uit Nationaal Park Veluwezoom, Nationaal Park De Hoge Veluwe en verschillende landgoederen; - Hanzesteden Zutphen, Doesburg, Elburg, Harderwijk, Tiel, Zaltbommel, Maasbommel en Hattem; - Rhederlaag: een recreatiegebied met ruim 300 ha aan wateroppervlakte dat in verbinding staat met de IJssel op de grens van de gemeenten Rheden en Zevenaar; - de Achterhoekse kastelen en vestingstad Groenlo; - de Veluwerandmeren aan de westzijde van het plangebied tussen Gelderland en Flevoland. Defensie Defensie heeft verschillende gebieden1 in gebruik voor haar doeleinden. Deze gebieden zijn vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Het betreft oefengebieden, kazernes en munitieopslagplaatsen.
Deze locaties liggen met name op en rond de Veluwe, maar ook in de gemeente Lochem ligt een oefenterrein. Binnen deze gebieden gelden beperkingen voor andere functies dan de militaire doeleinden waarvoor deze gebieden in gebruik zijn.
3.1.7
Netinpassing
In het onderzoek naar netinpassing is de referentiesituatie in 2030 op basis van de autonome ontwikkelingen vanuit de RES-opgave en energie-infrastructuur leidend. Deze situatie wordt in paragraaf 3.2 beschreven. Er is geen aparte huidige situatie anno 2023 in beeld gebracht.
3.2
Autonome ontwikkelingen
Gebouwen De analyses in het plan-MER zijn gebaseerd op de basisregistratie adressen en gebouwen van 8 december 2022. Hierin staan ook de vergunde woningen. Vanwege de schaal van de analyses is geen rekening gehouden met plancapaciteit of andere autonome ontwikkelingen die voortkomen uit ((voor)ontwerp)omgevingsplannen of vergelijkbare ontwerpbesluiten, met uitzondering van de windturbines in tabel 3.1. Mogelijke toekomstige ontwikkelingen als verstedelijkingsafspraken of transformatiegebieden op beleidsmatig niveau zijn geen onderdeel van de analyses. Windturbines In het plangebied staan verschillende windturbines en zijn diverse parken in ontwikkeling. Deze windturbines gelden als onderdeel van de huidige situatie of autonome ontwikkeling en zijn daarmee onderdeel van de referentiesituatie. In tabel 3.1 is opgenomen welke windparken die nog niet gerealiseerd zijn als autonome ontwikkeling in dit plan-MER zijn meegenomen.
1
De Defensiegebieden staan niet op kaart, omdat hiervan geen dataset beschikbaar is. De locaties zijn op kaart in te zien, echter is geen downloadbare dataset voorhanden.
47 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 3.1 Overzicht van windparken die als autonome ontwikkeling worden meegenomen in het milieuonderzoek Windpark
Fase
windpark IJsselwind - Zutphen
vastgesteld PIP, beroepsprocedure gestart
windpark A28 Horst-Telgt (Ermelo/Putten)
voorontwerp PIP
windpark Lorentz - Harderwijk
vastgesteld bestemmingsplan, beroepsprocedure gestart
burgerwindpark A2 - Lage Rooijen (Maasdriel)
vergund
windpark Beuningen
vastgesteld omgevingsplan, beroepsprocedure gestart
windpark Caprice - Lingewaard
vastgesteld omgevingsplan, beroepsprocedure gestart
Afbeelding 3.15 Overzichtskaart met het onderzoeksgebied voor windenergie en het onderzoeksgebied dat al in gebruik is of word genomen door windenergie
In hoofdstuk 4.3 wordt toegelicht naar welke gebieden nader onderzoek is gedaan in het plan-MER. Hiertoe behoren ook gebieden waar autonome windparken uit tabel 3.2 naar verwachting gerealiseerd worden. Afbeelding 3.15 toont welke delen van dit zogeheten onderzoeksgebied uit hoofdstuk 4.3 afvalt als deze autonome windparken inderdaad gerealiseerd zijn. Tabel 3.2 toont wat de impact is op de potentiële energieopbrengst per regio. Vooral in regio Noord-Veluwe heeft dit impact. Deze regio heeft een laag potentieel beschikbaar oppervlakte voor windenergie. Met de huidige of geplande windparken wordt een deel (circa 6 %) van onderzoeksgebied al ingevuld.
48 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 3.2 Overzicht afname van onderzoeksgebied (en potentiële energieopbrengst) bij als gebieden waar al windturbines staan niet worden meegenomen Regio
Oppervlakte onderzoeksgebied (km2)
Oppervlakte al in gebruik (km2)
Percentage van onderzoeksgebied
Verlies van energieopbrengst (GWh)
Achterhoek
302,14
5,59
2%
333,68
Arnhem/Nijmegen
228,05
4,91
2%
272,30
Stedendriehoek
148,44
0,63
0%
38,54
Foodvalley
44,66
0,01
0%
0,45
FruitDelta Rivierenland
255,54
7,14
3%
400,52
Noord-Veluwe
42,00
2,51
6%
180,72
Ruimtelijke plannen Andere (mogelijke of toekomstige) autonome ontwikkelingen zijn niet opgenomen in de effectstudies in dit plan-MER. Hieronder vallen bijvoorbeeld in voorbereiding zijnde of recente vastgestelde ruimtelijke plannen voor nieuwe bebouwing, toekomstige verstedelijkingsopgaven en andere ruimtelijke arrangementen zijn. Netinpassing Om hernieuwbare energie te gebruiken is het nodig dat de windparken en zonneparken aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnetwerk. In grote delen van Gelderland lijkt dat niet of maar beperkt mogelijk te zijn, ondanks allerlei investeringen in de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Daardoor is de benodigde hernieuwbare energie op sommige plekken niet op te wekken en komen RES- en klimaatdoelen onder druk te staan. Daarnaast dreigt de capaciteit die wel beschikbaar is inefficiënt gebruikt te worden door een onevenwichtige wind/zon-verhouding. Daarbij is er een overschot aan zonne-energie en een tekort aan windenergie. In onderstaande paragraaf wordt deze wind/zon-verhouding en de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk nader toegelicht. Bijlage III, hoofdstuk 3 bevat een uitgebreidere toelichting en meer cijfers over de referentiesituatie voor netinpassing.
In de analyses wordt ook rekening gehouden met scenario’s rondom veranderende energiebehoefte als gevolg van bijvoorbeeld elektrisch vervoer of veranderende oplossingen voor de warmtevraag. Wind/zon-verhouding Onderstaande tabel toont de wind/zon-verhouding die in 2030 ontstaat wanneer uitgegaan wordt van alle autonome ontwikkelingen vanuit de RES-opgave, inclusief pijplijnprojecten en de autonome ontwikkeling zon op dak. Hieruit blijkt dat vrijwel alle regio’s afstevenen op een wind/zon-verhouding waarin het aandeel zon veel groter is dan het aandeel wind. Op provinciaal niveau resulteert dit in een verhouding van 22 % wind versus 78 % zon. Dit staat haaks op de vuistregel dat voor het energiesysteem verhouding van 75-80 % wind en 20-25 % zon het meest optimaal is. Binnen NPRES werd daarom op enig moment een pragmatisch streefdoel van 60 % wind en 40 % zon gehanteerd. Ook daar staat de provincie ver vanaf. Alleen regio Rivierenland benadert deze verhouding in de referentiesituatie enigszins. De scheve wind/zonverhouding zorgt voor grotere fluctuaties in de beschikbaarheid van hernieuwbare energie en een inefficiënte benutting van het elektriciteitsnetwerk (zie bijlage III, hoofdstuk 2).
Dit leidt tot hogere maatschappelijke kosten en indirect tot meer milieu-impact (zie ook paragraaf 5.7) omdat er meer opslag, infrastructuur en/of overcapaciteit van zonne-energie nodig is om jaarrond te voorzien in een stabiele hoeveelheid hernieuwbare energie.
49 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 3.3 Wind/zon-verhouding in de referentiesituatie 2030 Regio
Wind/zon-verhouding (% wind - % zon)
Rivierenland
45 - 55
Foodvalley
3 - 97
Noord-Veluwe
25 - 75
Stedendriehoek
5 - 95
Achterhoek
20 - 80
Arnhem-Nijmegen
26 - 74
Totaal
22 - 78
Netcapaciteit Onderstaande afbeelding toont de capaciteit voor het aansluiten van wind en zon in Gelderland per zogeheten onderstation in 2030. Elk onderstation heeft een eigen bedieningsgebied dat indicatief op de kaart is weergegeven. De kaart laat zien dat enkele onderstations in 2030 ondanks investeringen in netuitbreidingen geen of beperkte capaciteit hebben. Dit geldt met name voor de Achterhoek, rondom Apeldoorn, in de regio Arnhem-Nijmegen en de westzijde van Rivierenland. In deze gebieden is het ontwikkelen wind in theorie weliswaar mogelijk, maar niet aannemelijk omdat de kosten van een langere kabel vaak leiden tot een ongunstige businesscase. Slimme technieken als cable pooling (waarbij een windof zonnepark een netaansluiting deelt met andere installaties) of curtailment (het tijdelijk beperken van de opwek van hernieuwbare energie bij een overschot) kunnen op projectniveau een oplossing bieden voor de capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnetwerk. Het zijn echter geen oplossingen die op systeemniveau de capaciteitsproblemen verzachten. Daarvoor biedt een minder scheve wind/zonverhouding het meeste perspectief binnen de RES’en.
50 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 3.16 Netcapaciteit in de bedieningsgebieden van Liander. De grootte van de bol geeft de totale stationscapaciteit aan. Het rode deel wordt gebruikt, het groene deel is beschikbare capaciteit. Het getal is de beschikbare capaciteit (dus het groene deel) in MW1
1
Gebaseerd op de Appcentivetool, zie bijlage III.
51 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
4 ONDERZOEKSAANPAK Dit hoofdstuk beschrijft de aanpak van het onderzoek naar de effecten van wind- en zonne-energie. In paragraaf 4.1 wordt de onderzoeksaanpak op hoofdlijnen beschreven. Hierin staat hoe stap voor stap onderzoeksgebied is geselecteerd voor dit MER, alternatieven zijn ontwikkeld, beoordeeld en vergeleken. In paragraaf 4.2 worden diverse uitgangspunten en definities voor het onderzoek gegeven. De totstandkoming van het onderzoeksgebied wordt in paragraaf 4.3 in meer detail beschreven. Vervolgens licht paragraaf 4.4 aan hand van ingreep-effectrelaties toe welke effecten worden onderzocht en welke effecten niet. Dit leidt tot een beoordelingskader in paragraaf 4.5 waarin beschreven staat op welke thema’s, aspecten en criteria worden onderzocht en volgens welke methode. Paragraaf 4.6 beschrijft tenslotte de beoordelingswijze. De beoordelingsmethode wordt per thema nader toegelicht in hoofdstuk 5. Verhouding tussen windenergie en zonne-energie in dit plan-MER De onderzoeksaanpak focust zich voornamelijk op het onderzoek naar windenergie. Dit omdat de effectonderzoeken voor windenergie een andere complexiteit behelzen dan de effectonderzoeken voor zonne-energie. Zo wordt het onderzoeksgebied voor windenergie belemmerd door factoren die samenhangen met afstanden, geluidniveaus en wetgeving op veel thema’s.
Het onderzoeksgebied voor zonne-energie wordt door minder factoren beperkt, omdat hiervoor minder regelgeving is. Hetzelfde principe gaat op voor de effectenstudies: de effecten van windenergie zijn complexer dan de effecten van zonne-energie, de effecten zijn locatie-overstijgend en raken in veel gevallen aan de kern van de bescherming van mens en natuur. Deze factoren maken dat de onderzoeksaanpak en de effectonderzoeken voor windenergie in dit plan-MER meer aandacht (in omvang, niet in weging) krijgen dan de effectonderzoeken voor zonne-energie.
4.1
Onderzoeksaanpak op hoofdlijnen
Het plan-MER bestaat op hoofdlijnen uit vier stappen en vormt de opmaat naar de rapportages per RESregio. Afbeelding 4.1 toont een samenvatting van deze stappen.
52 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 4.1 Onderzoeksaanpak plan-MER op hoofdlijnen
Onderstaande opsomming geeft een nadere toelichting op de vier stappen van het plan-MER: 1 selectie van onderzoeksgebied: dit plan-MER onderzoekt objectief het gehele grondgebied van provincie Gelderland1. Dit is het plangebied. Locaties waar op voorhand duidelijk is dat onderzoek op de betreffende plek niet zinvol is, worden hierbij uitgesloten. Het gaat hierbij om fysieke beperkingen (bijvoorbeeld infrastructuur of bebouwing) of wettelijke beperkingen (bijvoorbeeld zwaar beschermde natuur of minimale veiligheidsafstanden) waarvan niet afgeweken kan worden. Door gebieden met deze belemmeringen af te laten vallen blijft een onderzoeksgebied over voor het plan-MER (zie paragraaf 4.3 voor meer informatie); 2 basisbeoordeling van de effecten in het gehele onderzoeksgebied: de verschillende locaties en gebieden die behoren tot het onderzoeksgebied worden vervolgens beoordeeld op effecten aan de hand van de criteria en methoden uit het beoordelingskader (zie paragraaf 4.5). Dit leidt tot de zogeheten ‘basisbeoordeling’ die in hoofdstuk 5 van dit plan-MER is uitgewerkt. De basisbeoordeling is de objectieve milieubeoordeling voor wind- en zonne-energie binnen de onderzoeksgebieden in het plangebied; 3 ontwikkeling van onderzoekslocaties voor windenergie: na de basisbeoordeling vindt een verdieping plaats op windenergie.
Op basis van ‘rekenregels’ (onderlinge afstand en type windparkinrichting) worden locaties in beeld gebracht die (samen) een potentieel windpark kunnen vormen. Hierdoor wordt een nadere selectie gemaakt in het onderzoeksgebied en blijven enkel onderzoekslocaties over die in theorie tot een windpark kunnen behoren (zie hoofdstuk 6.2). Dit resulteert in inzicht in de modelmatige opwekpotentie met windenergie op provinciaal en regionaal niveau. De onderzoekslocaties vormen tevens de basis voor een verdere verdieping van windenergie in rapportages per RES-regio; 4 alternatievenstudie opwekpotentie onderzoekslocaties windenergie: in voorliggend hoofdrapport is een alternatievenstudie uitgevoerd op de onderzoekslocaties voor windenergie. Het doel van deze alternatievenstudie is inzicht bieden in de impact van belangenafwegingen op de modelmatige opwekpotentie op provinciaal en regionaal niveau. De alternatievenstudie omvat vijf alternatieven - RES 1.0, natuur, gezonde en veilige leefomgeving, landschap en energiesysteem - met elk een eigen perspectief op het benutten of liever vermijden van gebieden. Daarbij worden strengere criteria voor selectie van gebieden gehanteerd.
De alternatievenstudie (zie ook hoofdstuk 7 en 8) laat bijvoorbeeld voor het alternatief RES 1.0 zien wat de modelmatige opwekpotentie is bij benutting van enkel de onderzoekslocaties binnen de zoekgebieden uit de RES’en 1.0.
1
Dit is nodig om geen (impliciete) belangenafweging te maken in dit onderzoek en te voldoen aan de eis om in een plan-MER redelijke alternatieven in beschouwing te nemen (Artikel 11.3 Omgevingsbesluit).
53 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Andere alternatieven laten zien wat de resterende opwekpotentie is als de impact (gebaseerd op de basisbeoordeling) op natuur, gezonde en veilige leefomgeving of landschap wordt beperkt. Tenslotte biedt het alternatief energiesysteem inzicht in de opwekpotentie bij optimale benutting van het energiesysteem. De alternatieven geven hiermee inzicht in de te maken belangenafweging en eventuele concessies op andere (milieu)belangen als een bepaald (milieu)belang centraal wordt gesteld in de selectie van onderzoekslocaties (windenergie). Verdiepende analyses op de onderzoekslocaties voor windenergie rapportages per RES-regio In de regionale rapportages volgt per RES-regio een nadere verdieping op de onderzoekslocaties voor windenergie. Per RES-regio worden de milieueffecten uit de basisbeoordeling voor de onderzoekslocaties gekwantificeerd en bij daarvoor geschikte criteria ook verdisconteerd naar een milieuscore per GWh. Het kwantificeren en relatief beoordelen maakt het mogelijk om onderzoekslocaties van verschillende ligging, omvang en opwekpotentie met elkaar te vergelijken. Een ‘goede’ milieuscore per GWh geeft aan dat negatieve milieueffecten relatief gezien beperkt zijn en geeft tegelijkertijd aan dat er relatief gezien veel doelbereik optreedt (energieopwek, CO2-reductie en andere daarvan afgeleide positieve milieueffecten).
Deze analyse wordt ook voor de verschillende alternatieven toegepast. Dit laat zien welke onderzoekslocaties voor windenergie per alternatief resteren (en welke niet) en wat hiervan op andere thema’s de (relatieve) effecten zijn. Het plan-MER biedt hiermee zowel op provinciaal niveau als op regionaal niveau inzicht in milieueffecten en opwekpotentie. De RES-regio’s wordt met de gespecificeerde relatieve beoordeling inzicht geboden in de belangenafweging richting een eventuele herijking van de RES’en. Afbeelding 4.2 presenteert een samenvatting van de relatie tussen het hoofdrapport plan-MER en de regionale rapportages.
Afbeelding 4.2 Relatie hoofdrapport plan-MER en Regionale rapportages
4.2
Uitgangspunten
4.2.1
Definities wind en zon
Het plan-MER richt zich, naast een globale analyse op warmte (zie bijlage IV), primair op wind en zon. Dit zijn de twee energietechnieken die onderdeel vormen van de RES-biedingen waarop het Windbeleid en RES betrekking hebben. Het plan-MER richt zich op de onderdelen ‘wind op land’ en ‘zon op veld’ uit de biedingen (zie paragraaf 2.4). Het gaat hierbij om 2 of meer windturbines of een zonnepark met een omvang van minimaal 1,5 ha. Een toelichting op deze ondergrens en de andere uitgangspunten van wind en zon wordt in het vervolg van deze paragraaf gegeven. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om specificaties als afmetingen en energieopbrengsten. Wat wordt niet onderzocht? Het onderdeel ‘zon op dak’ uit de biedingen wordt niet beschouwd omdat ‘zon op dak’ kleinschalige oplossingen zijn op gebouwniveau, tot zeer beperkte milieueffecten leidt, niet mer-beoordelingsplichtig is
54 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
en niet aansluit bij het doel van dit plan-MER om onderscheidende milieu-informatie te bieden voor de afwegingen tussen locaties en gebieden op regionaal en provinciaal niveau. Daarnaast behoren nieuwe kabeltracés of andere netinfrastructuur die nodig kunnen zijn voor het aansluiten van wind en zon niet tot de scope van dit plan-MER. Op het abstractieniveau van dit plan-MER is het redelijkerwijs niet mogelijk hiervan een goede inschatting te maken. Definities windenergie Windenergie wordt opgewekt met windturbines. Windturbines kennen verschillende afmetingen en een windturbine kan solitair, in een lijnopstelling of in een cluster gerealiseerd worden. Hieronder wordt een toelichting gegeven op de in het plan-MER gehanteerde referentieturbines en de definitie van een windpark. Gehanteerde referentieturbines Windturbines verschillen in ashoogte en rotordiameter, welke samen de omvang en (mede) het vermogen van de windturbine bepalen. De omvang van een windturbine is medebepalend voor de aard en omvang van milieueffecten. Daarom wordt dit in het plan-MER afgebakend en worden de milieuonderzoeken uitgevoerd met twee vooraf vastgestelde turbinetypen met bijbehorende afmetingen. Dit betreft (zie afbeelding 4.3): 1 windturbines (120 m) met een ashoogte van 120 m, een rotordiameter van 117 m, een tiphoogte van 178,5 m en een vermogen van circa 3,6 megawatt (MW).