plan-MER Windbeleid en RES dec 2024
Tekst van het document
Echter omdat bij elke ontwikkeling netto GNN/GOgebied verloren gaat is er een knelpunt in het beschermingsregime van het GNN/GO. Mitigatie en compensatie is daarmee lastig. Uitgaande van een worstcase beoordeling op het abstractieniveau van dit plan-MER worden daarom al het verlies van habitat als sterk negatief beoordeeld. Daarbij wordt opgemerkt dat het oppervlakteverlies bij zon op veld per eenheid opgewekte energie potentieel fors groter is dan bij wind in verband met het grotere ruimtebeslag (zie paragraaf 5.6). Voor weidevogelgebieden geldt dat deze gebieden in het huidig beleid al zijn uitgesloten van windturbines en zonneparken. Voor ganzenrustgebieden geldt in principe hetzelfde, al biedt de verordening in artikel 5.27 een afwijkingsmogelijkheid voor nieuwe kleinschalige ontwikkelingen onder voorwaarden. Omdat dit vraagt om een ecologische draagkrachtanalyse per gebied wordt uitgegaan van sterk negatieve effecten.
77 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Verstoring door wind voor GNN/GO en weidevogelgebieden Binnen 1 km van weidevogelgebieden kunnen windturbines leiden tot verstoring van weidevogels in de betreffende gebieden. Buiten deze afstand zijn de risico’s op verstoring minimaal. Verstoring van broedvogels in het GNN/GO kan provinciebreed optreden en kent overlap met de andere beschermingsregimes. Op provinciale schaal is geen ruimtelijk onderscheid te maken. Op lokaal niveau kan dat wel het geval zijn, aangezien sommige habitats meer door broedvogels worden gebruikt dan andere. Ook is van belang dat effecten als verstoring en aanvaringsrisico’s zeer soortspecifiek zijn, of de impact op populatieniveau voor een aantal soorten beperkt is. Daarnaast zijn er soorten die in grotere mate gevoelig zijn voor aanvaringen en die zodanig zeldzaam zijn en/of een beperkte verspreiding hebben, dat ze sterk negatieve effecten kunnen ondervinden van windturbines. Sterfte door wind voor GNN/GO Binnen het GNN/GO zijn met name broedvogels en vleermuizen gevoelig voor aanvaring met windturbines. Binnen 1 km van weidevogelgebieden kunnen windturbines leiden tot aanvaringsslachtoffers onder de soorten in de betreffende gebieden. Buiten deze afstand zijn de risico’s op aanvaring minimaal.
Tabel 5.4 Versimpeld overzicht van effectbeoordeling op overige gebieden GNN/GO
Weidevogelgebieden
Ganzenrustgebieden wind
1
oppervlakteverlies
--
--
--
verstoring
--
-
0/-
sterfte
-
0/-
0/zon
oppervlakteverlies
--
--
--
verstoring
0/-
0/-
0/-
0
0
0
sterfte
In de sterk negatieve effectbeoordeling (--) van het criterium overige beschermde gebieden (GNN/GO, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden) is geen ruimtelijk onderscheid op kaart aan te geven. Wel is duidelijk geworden dat binnen 1 km rondom weidevogel- en ganzenrustgebieden effecten door verstoring optreden door windturbines: waarbij binnen 0–333 m: zeer negatief effect, 333–667 m: negatief effect, 667– 1.000 m: beperkt negatief effect.
1
Voor weidevogel (verbod)- en ganzenrustgebieden (nee-tenzij) is de effectbeoordeling op het criterium oppervlakteverlies zekerheidshalve weergegeven.
78 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 5.3 Beoordeling effect van windturbines op weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden
5.1.3
Beschermde soorten: effecten op gunstige staat van instandhouding
Onderzoeksaanpak In de provincie Gelderland leven grote aantallen planten- en diersoorten die wettelijk beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Ook zijn verscheidene planten- en diersoorten opgenomen in de Rode lijst van gevoelige, kwetsbare en bedreigde soorten. Voor deze soorten geldt de zorgplicht. De meeste plant- en diersoorten zijn tijdens de aanlegfase alleen gevoelig voor tijdelijk habitatverlies en verstoring door geluid, licht en beweging (optische verstoring). Daarnaast kan ook in de gerealiseerde toestand sprake zijn van permanent habitatverlies en verstoring door aanwezigheid van de turbines of zonnepanelen. Het betreft hier dan met name de soortgroepen planten, ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en grondgebonden zoogdieren. Broedvogels en vleermuizen kunnen daarnaast nog worden gedood door aanvaringen met de turbines. Daarom zijn alle soortgroepen flora en fauna relevant voor de effectbeoordeling. Bij de effectbeoordeling ten aanzien van beschermde soorten is het beoordelingskader uit tabel 5.5 toegepast. Ook hier geldt dat de mogelijkheden om negatieve effecten te mitigeren en/of te compenseren een belangrijke rol spelen bij de beoordeling.
79 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 5.5 Beoordelingsschaal criterium effecten op gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Toelichting
--
sterk negatief
de voorgenomen ontwikkeling ligt in een concentratiegebied van beschermde soorten en leidt daardoor tot aantasting en/of sterfte, verstoring en/of verlies van essentieel leefgebied. Er is daardoor sprake van een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding. De effecten zijn niet voldoende te mitigeren of compenseren. De ontwikkeling leidt tot een overtreding van de Wnb en de kans op het verkrijgen van een ontheffing Wnb is beperkt
-
negatief
er is een risico op overtreding(en) van de Wnb door vernietiging van essentieel leefgebied van beschermde soorten, of verstoring en/of sterfte/aantasting van individuen of exemplaren. Dit kan leiden tot een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding. Het initiatief is dan Wnb ontheffingsplichtig. Maatregelen vooraf zijn naar verwachting niet voldoende om een overtreding en ontheffingsplicht te voorkomen. Daarnaast moet er worden gecompenseerd
0/-
beperkt negatief
er is een beperkt risico op overtreding(en) van de Wnb door tijdelijke verstoring van (essentieel leefgebied van) beschermde soorten en/of sterfte van individuen. Het risico is klein dat het initiatief Wnb ontheffingsplichtig is. Maatregelen vooraf zijn naar verwachting voldoende om overtreding(en) te voorkomen
0
neutraal
er is geen sprake van wezenlijke gevolgen beschermde soorten. Het voornemen kan zonder verdere voorwaarden doorgang vinden
+
beperkt positief
niet van toepassing (een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie treedt niet op)
++
positief
+++
sterk positief
Effectbeoordeling De effecten op de beschermde soorten zijn door het grote aantal soortgroepen planten en dieren uiteenlopend. Er treden verschillende effecten op zowel tijdens de aanleg- en gebruiksfase. In tabel 5.6 is een vereenvoudigd overzicht opgenomen van de onderliggende beoordeling van ingreep-effectrelaties. Voor een volledig overzicht van effecten zie bijlage I, hoofdstuk 7. Hieronder worden alleen de belangrijkste (sterk negatieve of negatieve) effecten besproken. Dit zijn: - oppervlakteverlies door wind en zon voor alle soortgroepen; - sterfte van broedvogels door wind. Een aantal effecten kan niet optreden of is niet relevant om te beschouwen. Zo kunnen vaatplanten niet verstoord worden. Algemeen beeld Wat opvalt is dat de effecten van wind door de sterfte onder broedvogels (roofvogels) worstcase als sterk negatief (--) wordt beoordeeld. De effecten van zon zijn ten hoogste negatief (-) maar zijn op het effect oppervlakteverlies sterker dan wind. Dat is logisch vanwege het grotere ruimtebeslag dat zonneparken hebben. Oppervlakteverlies door wind en zon voor alle soortgroepen Het ruimtebeslag van wind en zon leidt in principe tot negatieve effecten op alle soortgroepen. Er zijn wel mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Op provinciale schaal is hierin slechts beperkt onderscheid in aan te brengen.
Vanwege het beperkte ruimtebeslag van windturbines en de goede mitigatiemogelijkheden wordt het effect van windturbines op vaatplanten en broedvogels als beperkt negatief beoordeeld.
80 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Sterfte van broedvogels door wind De sterfte van bepaalde soorten broedvogels kan bepalend zijn voor de mogelijkheden om windparken in de provincie te ontwikkelen. Het gaat daarbij om met name om roofvogels zoals de Rode wouw en Zeearend die relatief zeldzaam zijn en een hoog aanvaringsrisico hebben. Beide soorten hebben een kleine landelijke broedpopulatie van ongeveer 30 broedparen. Hoewel er inmiddels goede ervaringen worden opgedaan met mitigerende maatregelen als cameradetectie is de kwetsbaarheid van deze soorten vooralsnog een reden voor een sterk negatieve beoordeling.
Overige zoogdieren
Vleermuizen
Broedvogels
Reptielen
Amfibieën
Vissen
Ongewervelden
Vaatplanten
Tabel 5.6 Versimpeld overzicht van effectbeoordeling beschermde soorten
wind oppervlakteverlies
0/-
-
-
-
-
0/-
-
-
verstoring
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
0/-
0/-
0/-
-
sterfte
n.v.t.
-
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
--
0/-
n.v.t.
zon oppervlakteverlies
-
-
-
-
-
-
-
-
verstoring
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
0/-
0/-
0/-
-
sterfte
n.v.t.
-
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
De effecten op beschermde soorten is op provinciale schaal niet ruimtelijk onderscheidend te maken. Zo is vanuit waarnemingen wel bekend waar de maatgevende roofvogels voorkomen, maar is dit door verschillende verspreiding over de provincie en de actieradius onvoldoende betrouwbaar om tot een onderscheidende beoordeling op kaart te komen.
5.2
Landschap en cultuurhistorie
Deze paragraaf presenteert de onderzoeksaanpak, effectbeschrijving en -beoordeling van de verschillende criteria binnen het thema Landschap en cultuurhistorie. De informatie in dit hoofdstuk is een samenvatting van het onderzoeksrapport Landschap en cultuurhistorie uit bijlage II. Deze paragraaf presenteert de effectbeschrijving en -beoordeling van de criteria: - landschap: Invloed op landschapstypen; - (bovengrondse) cultuurhistorie: invloed op historische-geografische en -bouwkundige waarden; - archeologie: invloed op archeologische (verwachtings)waarden. De grote diversiteit aan landschapstypen en bovengrondse en ondergrondse cultuurhistorische elementen in Gelderland kan door het windturbines en zonneparken beïnvloed worden. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om fysieke aantasting van bijvoorbeeld een monument of de aantasting van de (herkenbaarheid/beleefbaarheid) van kwaliteiten zoals landschappelijke of cultuurhistorische structuren of molenbiotopen. Landschap is een gebied, zoals dat door mensen wordt waargenomen, waarvan het karakter bepaald wordt door natuurlijke en/of menselijke factoren en de interactie daartussen.
81 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Verder is landschap ook objectief te beschrijven aan de hand van het landschapstype. Een landschapstype is een ruimtelijk eenheid waar de fysische gesteldheid (reliëf, bodem en water), de ontginningsgeschiedenis en/of de kenmerkende ruimtelijke rangschikking van landschapselementen gelijk is. In deze studie wordt daarmee indirect ook gekeken naar verschillende landschapsfacetten: de aanwezige landschapsstructuren, aardkundige vormen in het landschap (ondermeer reliëf) en de ruimtelijk-visuele kenmerken (openheid/beslotenheid, zichtrelaties, schaal en maat van het landschap). Cultuurhistorie heeft vier facetten (Witteveen+Bos, 2008): - historische geografie, dat zich richt op de invloed van de mens op de huidige verschijningsvorm van het landschap; - historische bouwkunde, dat zowel over het exterieur, de bouwstijl of bouwtraditie als over de constructieve en technische kenmerken van gebouwen en de bijbehorende tuinen gaat. Ook de stedenbouw is onderdeel van dit aspect; - archeologie, dat betrekking heeft op sporen in de bodem die informatie verschaffen over vroegere menselijke samenlevingen; - sociaal-cultureel erfgoed, dat gaat over menselijke interacties in de vorm van economie, gebruiken en tradities. De cultuurhistorische beoordeling in dit MER gaat over de eerste drie facetten, de fysieke vormen.
In de onderstaande beschrijving van de aspecten en criteria zijn historische geografie en historische bouwkunde samengenomen tot een criterium onder het aspect ‘(bovengrondse) cultuurhistorie’. Archeologie is een zelfstandig aspect en criterium.
5.2.1
Landschap: invloed op landschapstype
Onderzoeksaanpak Omdat alle landschapstypen in Nederland zijn beïnvloed door de mens, is er voor dit criterium een grote overlap met de historische geografie. Voor de landschapstypen wordt echter op een ander schaalniveau gekeken dan de elementen die opgenomen zijn bij historische geografie. Studiegebied Het studiegebied is gelijk aan het plangebied. Onderzoeksmethodiek Met landschapstypen worden grotere ruimtelijke eenheden bedoeld die vanuit de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis kenmerkend zijn voor een gebied. De landschapsstructuur heeft betrekking op de samenhang van lijnen, elementen en patronen in het landschap, zoals vaartenstructuren en verkavelingsstructuren die onderdeel zijn van een landschapstype. Daarnaast zijn ook grootschalige infrastructuur van snelwegen en kanalen landschappelijke structuren die invloed hebben. Deze zijn hier nu niet betrokken. Voor deze studie is gebruikt gemaakt van de landschapstypering zoals deze voor de provincie Gelderland is opgesteld en gedigitaliseerd als het GIS-bestand landschapstypen_19nu. Andere landschapstyperingen vielen af: - de landschapstypering vanuit het Panorama Landschap (Raap et al, 2022), binnen Gelderland is niet voldoende onderscheidend is (5 landschapstypes); - de onderverdeling in de Gelderse Streekgidsen gaat uit van een onderverdeling in streken met circa 50 deelgebieden.
Binnen de deelgebieden zijn landschapstypen met eigen kenmerken en kwaliteiten gehanteerd. Voor een beoordeling op provinciaal niveau is dit verschil tussen landschapstypen in verschillende deelgebieden te gedetailleerd en deze indeling maakt een helder onderscheid onmogelijk.
82 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
In totaal zijn er in de oorspronkelijke landschapstypering 20 verschillende landschapstypen onderscheiden: onder andere het kassenlandschap, natte heide- en broekontginningenlandschap, en essenlandschap. Hoewel het bestand gebaseerd is op oude bronnen (uit 1985), is de verdeling in landschapstypen nog actueel. Deze landschapstypen zijn ook terug te vinden in de Streekgidsen Ruimtelijke kwaliteit en landschap. De landschapstypen worden beschreven in hoofdstuk 4. Van de 20 landschapstypen zijn de ‘bebouwde kom’ en ‘intensieve veehouderij’ niet meegenomen in de beoordeling. Deze landschappen zijn ook sterk veranderd. Enkele kleinere zijn geclusterd bij andere landschapstypen (‘kassenlandschap’ bij ‘oeverwallen- en stroomruggenlandschap’ en ‘hooilandontginningslandschap bij ‘natte heide- en broekontginningenlandschap’). Door de gehanteerde methode is het niet mogelijk om de invloed op de samenhang tussen landschappen goed te beoordelen. Zo zijn windturbines langs de N325 nabij Beek niet wenselijk omdat ze dan het zicht tussen de steile stuwwalrand en de open Ooijpolder belemmeren (2 verschillende landschapstypen). Dit zal bij latere planvorming meegenomen moeten worden. Het plan-MER onderzoekt de inpasbaarheid van zonneparken en windturbines per landschapstype.
Hierbij is gebruik gemaakt van de analyse ‘beelddragers van de onderscheiden landschapstypen’ (provincie Gelderland, 1985, zie bijlage II in bijlage II). In deze analyse zijn per landschapstype de beelddragers voor massa (bebouwing, beplantingen, overig) en beelddragers ruimte (bodemgebruik, verkaveling, maat van de ruimte, reliëf, wegenpatroon, waterpatroon, begrenzing van de ruimtes, overig). In deze studie is gebruik gemaakt van de hoofdbeelddragers. Voor de landschapstypen is op basis van de beelddragers gekeken of zonneparken en windparken inpasbaar zijn. Tabel 5.7 en 5.8 gaan op de beoordeling van de inpasbaarheid in. Voor de beoordeling van de inpasbaarheid van de zonneparken is waar mogelijk aangesloten op de beschrijving in de ‘ZonneWijzer Gelderse gebiedsgids voor zonneparken’ (provincie Gelderland, 2019).
Tabel 5.7 Inpasbaarheid zonne-energie Maatlat
Beoordeling
Algemene toelichting
beperkt negatief
redelijk kansrijk
hier wordt de inpasbaarheid van een zonne-initiatief (kleinschalig of soms grootschalig) in principe redelijk kansrijk geacht. Voorwaarde is dat de er voldoende aanknopingspunten zijn om zonne-energie in te passen. De daadwerkelijke inpasbaarheid (en ook het toevoegen van nieuwe kwaliteiten) moet blijken uit de doorwerking van de RES 2.0. Daarom is hier ook het begrip ‘redelijk kansrijk’ gehanteerd en niet ‘goed’. Hiermee wordt duidelijk dat dit gebieden zijn met landschappelijke voorwaarden
negatief
matig kansrijk tot kansrijk te maken
hier wordt inpasbaarheid van zonne-energie matig kansrijk geacht. Een zonne-initiatief kan deels ingepast op bepaalde locaties of bij bepaalde voorwaarden. Vanwege hun waarde, gebruik en/of uitstraling zijn deze gebieden echter kwetsbaar. Zonne-initiatieven met een substantieel ruimtebeslag doen hier per definitie afbreuk aan. Dit geldt voor het recreatielandschap, maar ook voor het uiterwaardenlandschap
sterk negatief
niet tot nauwelijks kansrijk
hier wordt de impact van zonne-energie op de huidige kenmerken en kwaliteiten groot geacht. Er zijn geen landschappelijke elementen waar de zonneparken bij aan kunnen sluiten. Grotere ontwikkelingen zoals een zonnepark zouden rechtstreeks afbreuk doen aan de waarde, het gebruik en/of de uitstraling van deze landschapstypen. Het gaat om bos- en heidegebieden en zandverstuivingen
83 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Voor windturbines wordt bij een classificatie ‘niet tot nauwelijks kansrijk’ een beoordeling van ten hoogste negatief (-) en niet sterk negatief (--) gegeven. De reden is bij het landschappelijk ontwerp van wind verschillende invalshoeken denkbaar zijn. Zie hiervoor de 10 kwaliteitsregels uit de Community of Practice in bijlage II. De gehanteerde benadering van inpasbaarheid is slechts één van deze invalshoeken die zeker nu turbines steeds groter worden en samenhang met het onderliggende landschap in steeds meer gevallen niet mogelijk is of leidt tot een ‘schijnrelatie’. De invalshoek waarbij een nieuwe landschappelijke laag wordt aangebracht (dus niet inpassen, zie bijlage II in bijlage II) wordt in een plan-MER van dit abstractieniveau niet onderzocht. Omdat een sterke negatieve beoordeling suggereert dat landschapsstructuren en kwaliteiten vrijwel zeker worden aangetast, is de beoordeling daarom één categorie afgezwakt. De beoordeling negatief en beperkt negatief geven samen met de classificatie uit tabel 5.9 wel een goede typering van de kwaliteiten en kenmerken van landschapstypen en geven daarmee ook aandachtspunten en aanknopingspunten voor het voorkomen of beperken van landschappelijke effecten en het versterken van een landschappelijk verantwoord ontwerp. Bij zon wordt in de maatlat wel gebruik gemaakt van de categorie sterk negatief (--).
De reden hiervoor is dat er in tegenstelling tot windenergie altijd relatief meer ruimtebeslag plaatsvindt (op maaiveldniveau) en zonneparken veel flexibeler en schaalbaarder zijn. Ze kunnen daarmee veel eenvoudiger aansluiten bij het landschap.
Tabel 5.8 Inpasbaarheid windenergie Maatlat
Beoordeling
n.v.t.
redelijk kansrijk
n.v.t. bijvoorbeeld grootschalige landschappen in moderne polders
beperkt negatief
matig kansrijk tot kansrijk te maken
deze gebieden liggen binnen gevoelige landschapstypen, maar er zijn mogelijkheden om landschappelijke samenhang te verkrijgen (in inrichting) of door onderliggende landschap te versterken
negatief
niet tot nauwelijks kansrijk
deze gebieden liggen binnen de directe invloedssfeer van bos, heide, zandverstuivingen of landgoederen of liggen binnen landschapstypen met een gemiddeld beperkte oppervlakte
Door de inpasbaarheid per landschapstype te koppelen aan het GIS-bestand is voor de zoekgebieden een ruimtebeslag in gebieden met verschillende inpasbaarheid te berekenen. Dit is gedaan als basisbeoordeling en vervolgens ook voor de overige alternatieven. Beoordelingsschaal Om de effecten van de windturbines (beide referentieturbines) en zonneparken per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 5.9 laat de beoordelingsschaal voor het criterium ‘invloed op landschapstype’ zien.
84 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 5.9 Beoordelingsschaal effecten ‘invloed op landschapstype’ Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Toelichting
--
sterk negatief
de voorgenomen ingreep heeft ten opzichte van de referentiesituatie sterk negatieve effecten op de structuren en typering van landschapstypes
-
negatief
de voorgenomen ingreep heeft ten opzichte van de referentiesituatie negatieve effecten op de structuren en typering van landschapstypes
0/-
beperkt negatief
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie tot beperkt negatieve effecten op de structuren en typering van landschapstypes
0
neutraal
de voorgenomen ingreep heeft ten opzichte van de referentiesituatie geen of zeer beperkte effecten op de structuren en typering van landschapstypes
+
beperkt positief
niet van toepassing (een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie treedt niet op)
++
positief
+++
sterk positief
Effectbeoordeling Tabel 5.10 gaat in op de algemene effecten van zonneparken en de twee referentieturbines.
Tabel 5.10 De algemene effecten van het plaatsen van zonneparken, 120 en 166 m windturbines op de landschapstypen in het plangebied Landschapstype en kenmerken (zie ook bijlage II)
Zonneparken
120 m windturbine
166 m windturbine
Boslandschap (77.838 ha, 75 gebieden) Grootmatig, besloten loof- en naaldbos veelal plaatselijk reliëf en heuvelachtig, geen bebouwing, modern-rationele verkaveling.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Vanwege dichte bosbeplanting. Kappen van bomen verstoort de groenbeleving, aantasting reliëf, schaduwwerking zorgt voor extra kappen van bomen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Vanwege dichte bosbeplanting en recreatief gebruik. Kappen van bomen verstoort lokaal de groenbeleving. Het geluid van de windturbines verstoort de kenmerkende rust van dit landschapstype, lokaal aantasting reliëf.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Vanwege dichte bosbeplanting en recreatief gebruik. Kappen van bomen verstoort lokaal de groenbeleving. Het geluid van de windturbines verstoort de kenmerkende rust van dit landschapstype, lokaal aantasting reliëf.
85 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Landschapstype en kenmerken (zie ook bijlage II)
Zonneparken
120 m windturbine
166 m windturbine
Droge heide- en bosontginningenlandschap (9.957 ha, 31 gebieden). (Tamelijk) grootmatig, open, vlak tot glooiend landschap, bouwland, verspreide bebouwing, blokverkaveling.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Met een zo laag en plat mogelijke opstelling, met een oriëntatie parallel aan de kavelrichting wordt de grootschalige openheid niet aangetast. Ook is het mogelijk zonnevelden te koppelen aan agrarische bebouwing. Er kan ook gekozen worden voor grootschalige clustering (met behoud van blokverkaveling). Dit landschapstype ligt meestal langs bossen, waardoor er mogelijkheden zijn voor zonnestroken langs de bosrand. In enkele regio’s zijn er ook zonnekamers in te vullen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het totale oppervlakte van dit landschapstype, vaak binnen de bossen op de Veluwe, is relatief beperkt. Naar verwachting hebben windturbines in deze gebieden ook een visuele relatie met de landschapstype bossen, heide en zandverstuivingen. Vanuit dat beeld zijn windturbines binnen dit landschapstype niet gewenst.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het totale oppervlakte van dit landschapstype, vaak binnen de bossen op de Veluwe, is relatief beperkt. Naar verwachting hebben windturbines in deze gebieden ook een visuele relatie met de landschapstype bossen, heide en zandverstuivingen. Vanuit dat beeld zijn windturbines binnen dit landschapstype niet gewenst.
Essenlandschap (9.994 ha, 36 gebieden). Tamelijk grootmatig, halfbesloten, glooiend landschap, met geconcentreerde bebouwing, houtwallen en erfbeplantingen, gras- en bouwland, strakke begrenzing ruimtes.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De afwisseling van open en besloten kamers kan behouden blijven of versterkt worden door kleine en grote zonnevelden in (nieuwe of oude) besloten of half-open kamers toe te voegen. Ook is een mogelijkheid de randen van de essen te accentueren met rijen zonnepanelen.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Dit is een van de kleinere landschapstypes. Door het hele landschapstype te vullen, kan hiermee het landschapstype als geheel versterkt. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken. Door het halfbesloten landschap zijn turbines soms uit het oog. Vermijden van geconcentreerde bebouwing binnen dit landschapstype is een aandachtspunt.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Dit is een van de kleinere landschapstypes. Het gaat hier gemiddeld om minder dan circa 20 windturbines per gebied, hiermee wordt niet het landschapstype als geheel versterkt. Bij de hoge windturbines is er weinig samenhang, onderling en met het landschap. Door halfbesloten landschap zijn turbines soms uit het oog. Mogelijk kan landschapstype als leegte dienen (leegte is minstens tientallen km2 groot). Vermijden geconcentreerde bebouwing is een aandachtspunt.
Heidelandschap (22.963 ha, 39 gebieden). (Tamelijk) grootmatig, open heidelandschap, strakke begrenzing ruimtes.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Aantasting landschappelijke kwaliteiten, het landschap biedt geen landschappelijke elementen voor inpassing en een zonneveld zal op grote afstand zichtbaar zijn.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Vanwege zeldzaam bodemgebruik en recreatief gebruik.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Vanwege zeldzaam bodemgebruik en recreatief gebruik.
86 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Landschapstype en kenmerken (zie ook bijlage II)
Zonneparken
120 m windturbine
166 m windturbine
Ingepolderde uiterwaardenlandschap (7.326 ha, 13 gebieden). Grootmatig, open, vlak, graslandschap met slagen- en blokverkaveling, slingerend wegenpatroon, grillige begrenzing ruimtes, grienden, dijken.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Met een zo laag en plat mogelijke opstelling, met een oriëntatie parallel aan de kavelrichting wordt de grootschalige openheid niet aangetast. Ook is het mogelijk zonnevelden te koppelen aan agrarische bebouwing, en in diepe plassen. Een andere kansrijke oplossing is om open percelen in het geheel als grootschalige zonneweide in te zetten.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het landschapstype heeft een sterke relatie met de grote rivieren. Lineaire parken die met de oostelijkwestelijke richting van de grote rivieren meegaan, geven een goede landschappelijke samenhang.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het landschapstype heeft een sterke relatie met de grote rivieren. Lineaire parken die met de rivier meegaan, geven een goede landschappelijke samenhang. Met hoge turbines wordt de beleefde samenhang tussen turbines minder groot. In het open gebied met lineaire lijnen zal de landschappelijke samenhang vermoedelijk nog wel beleefd worden.
Kampenlandschap (67.143 ha, 90 gebieden). Half-besloten, (zeer) kleinmatig landschap met verspreide bebouwing, bossen en houtwallen e.d., graslandschap en bouwland, blokverkaveling. Slingerend wegen- en waterpatroon, grillige begrenzing ruimtes.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De afwisseling van akkers en weiden, open en besloten kamers kan behouden blijven of versterkt worden door zonnevelden in (nieuwe of oude) besloten of half-open kamers toe te voegen.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken. Door het halfbesloten landschap zijn turbines soms uit het oog.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken. Er is hierbij een voorkeur voor (minder, maar) hogere turbines. Door het halfbesloten landschap zijn turbines soms uit het oog.
Kommenlandschap (57.928 ha, 36 gebieden). Zeer grootmatig tot tamelijk grootmatig, open, vlak graslandschap, recht wegenen waterpatroon, strakke begrenzing ruimtes.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Met een zo laag en plat mogelijke opstelling, met een oriëntatie parallel aan de kavelrichting wordt de grootschalige openheid niet aangetast. Ook is het mogelijk zonnevelden te koppelen aan agrarische bebouwing, langs de randen van de kommen en in diepe plassen. Een andere kansrijke oplossing is om open percelen in het geheel als grootschalige zonneweide in te zetten.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Door het hele landschapstype te vullen kan landschappelijke samenhangt versterkt worden, inclusief de relatie met de rivieren. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken. Eventueel ook in beeld als grootschalige leegtes als bijvoorbeeld wel langs de rivieren lineaire parken worden aangelegd.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Door het hele landschapstype te vullen kan landschappelijke samenhang versterkt worden, inclusief de relatie met de rivieren. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Hierbij is er een voorkeur voor (minder, maar) hogere turbines. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken. Eventueel ook in beeld als grootschalige leegtes als bijvoorbeeld wel langs de rivieren lineaire parken worden aangelegd.
87 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Landschapstype en kenmerken (zie ook bijlage II)
Zonneparken
120 m windturbine
166 m windturbine
Landgoederenlandschap (11.075 ha, 39 gebieden). Besloten, kleinmatig landschap met verspreide bebouwing, bossen en graslandschap in blokverkaveling. Slingerend waterpatroon, strakke begrenzing ruimtes.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De afwisseling van open en besloten kamers op de landgoederen kan behouden blijven of versterkt worden door een reeks van zonnevelden in (nieuwe of oude) besloten of half-open kamers toe te voegen. Eventueel kan ook ingezet worden op tijdelijke (10-20 jaar) energielandgoederen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Vanwege dichte bosbeplanting en recreatief gebruik.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Vanwege dichte bosbeplanting en recreatief gebruik.
Natte heide- en broekontginningenlandschap (8.717 ha, 72 gebieden). (Tamelijk) grootmatig, halfopen, vlak landschap, met verspreide bebouwing, erfbeplanting, gras en bouwland, moderne verkaveling, recht wegen- en waterpatroon, strakke begrenzing ruimtes.
Redelijk kansrijk. Kleinschalige zonnevelden op de maat van de huidige agrarische kavels passen sluiten aan bij de ruimtelijke eenheid en maatvoering van het landschap. Er zijn voldoende aanknopingspunten om landschappelijke elementen langs de zonnevelden terug te brengen (omlijsting). Ook is clustering een mogelijkheid met grootschalige halfopen zonnekamers als hiermee andere delen van het gebied onaangetast kunnen blijven.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken. Door het halfbesloten landschap zijn turbines soms uit het oog.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Er is hierbij een voorkeur voor hoogte. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken. Door het halfbesloten landschap zijn turbines soms uit het oog.
Oeverwallen- en stroomruggenlandschap (50.154 ha, 88 gebieden). (Tamelijk) grootmatig, afwisselend op en besloten, heuvelachtig landschap, met verspreide bebouwing, bomenrijen, erfbeplantingen, boomgaarden, grasland en bouwland, blokverkaveling, slingerend weg- en waterpatroon, grillige begrenzing ruimtes.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De afwisseling van kleinschalige halfopen en besloten akkers, weilanden en boomgaarden kan behouden blijven of versterkt worden door kleine of grootschalige zonnevelden in (nieuwe of oude) kamers toe te voegen. Ook is hier de mogelijkheid om aan te sluiten bij (agrarische) bebouwing.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het landschapstype heeft een sterke relatie met de grote rivieren. Lineaire parken die is oost-westelijke richting globaal met de grote rivieren meegaan, geven een goede landschappelijke samenhang. Aandachtspunt is de verspreide bebouwing.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het landschapstype heeft een sterke relatie met de grote rivieren. Lineaire parken die is oost-westelijke richting globaal met de grote rivieren meegaan, geven een goede landschappelijke samenhang. Met hoge turbines wordt de beleefde samenhang tussen turbines minder groot. In het open gebied met lineaire lijnen zal de landschappelijke samenhang vermoedelijk nog wel beleefd worden. Aandachtspunt is de verspreide bebouwing.
88 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Landschapstype en kenmerken (zie ook bijlage II)
Zonneparken
120 m windturbine
166 m windturbine
Polderlandschap (8.709 ha, 7 gebieden) Zeer grootmatig, vlak, graslandschap met slagen- en blokverkaveling, recht wegenen waterpatroon, beplanting IJsselmeer polders.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. In de zeekleipolders met blokverkaveling en extreme openheid zijn er geen aanknopingspunten voor een goede landschappelijke inpassing. In de veenpolders kan de grootmatige openheid kan behouden worden als de opstelling zo vlak en laag mogelijk ligt en het zonneveld gekoppeld wordt aan een erf. Er kan ook gekozen worden voor grootschalige clustering (met behoud van slagenverkaveling).
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Door het hele landschapstype te vullen (in tegenstelling tot omliggende landschapstypen) kan landschappelijke samenhang versterkt worden. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Door het hele landschapstype te vullen kan landschappelijke samenhang versterkt worden. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Hierbij is er een voorkeur voor (minder, maar) hogere turbines. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken.
Rivierweidenlandschap (4.514 ha, 6 gebieden) Grootmatig, open, vlak, graslandschap, solitaire bomen, blokverkaveling, slingerend wegen- en waterpatroon, langs genormaliseerde riviertjes.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Met een zo laag en plat mogelijke opstelling, met een oriëntatie parallel aan de kavelrichting wordt de grootschalige openheid niet aangetast. Ook is het mogelijk zonnevelden te koppelen aan agrarische bebouwing.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het betreft een smal lineair landschapstype. Een windpark draagt niet bij aan landschappelijke samenhang.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het betreft een smal lineair landschapstype. Een windpark draagt niet bij aan landschappelijke samenhang.
Uiterwaardenlandschap (31.460 ha, 42 gebieden) (Tamelijk) grootmatig, open, graslandschap, blokverkaveling, met grienden, wegbeplanting, dijken, steenfabrieken, plaatselijk reliëf, recht wegpatroon en slingerend waterpatroon, grillige begrenzing van de ruimtes, zand- en kleiputten, rivieren.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. In het landschapstype zijn weinig elementen om de zonnevelden aan te koppelen. Drijvende zonnevelden op grote plassen hebben weinig invloed op de beleving van het landschapstype.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het landschapstype heeft een sterke relatie met de grote rivieren. Lineaire parken die met de rivier meegaan, geven een goede landschappelijke samenhang.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het landschapstype heeft een sterke relatie met de grote rivieren. Lineaire parken die globaal met de rivier meegaan, geven een goede landschappelijke samenhang. Met hoge turbines wordt de beleefde samenhang tussen turbines minder groot. In het open gebied met lineaire lijnen zal de landschappelijke samenhang vermoedelijk nog wel beleefd worden.
89 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Landschapstype en kenmerken (zie ook bijlage II)
Zonneparken
120 m windturbine
166 m windturbine
Veenontginningenlandschap (11.413 ha, 13 gebieden) Grootmatig (soms kleinmatig), open, vlak, graslandschap, wegbeplantingen, slagenverkaveling, recht wegen- en waterpatroon, strakke begrenzing ruimtes.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Alleen kleinschalige zonnevelden zijn mogelijk, bijvoorbeeld door te koppelen aan stadsrand of erfkavel.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De windturbines vormen een nieuwe landschappelijke laag. Door het hele landschapstype te vullen kan landschappelijke samenhang versterkt. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De windturbines vormen een nieuwe landschappelijke laag. Door het hele landschapstype te vullen kan landschappelijke inclusief de relatie met de rivieren. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Hierbij is er een voorkeur voor (minder, maar) hogere turbines. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan mogelijkheden om het landschap onder de turbines te versterken.
Zandverstuivingenlandschap (2.263 ha, 6 gebieden). Tamelijk grootmatig, heuvelachtig zandverstuivingslandschap, grillig begrensde ruimtes
Niet tot nauwelijks kansrijk. Aantasting landschappelijke kwaliteiten, het landschap biedt geen landschappelijke elementen voor inpassing en een zonneveld zal op grote afstand zichtbaar zijn.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Zeldzaam bodemgebruik en recreatief gebruik. Windturbines hebben lokaal verdwergend effect op reliëf.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Zeldzaam bodemgebruik en recreatief gebruik. Windturbines hebben lokaal verdwergend effect op reliëf.
Recreatielandschap (2.293 ha, 13 gebieden) Plaatselijk reliëf, strakke begrenzing ruimtes, bos, open water.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Dit vergt een goede landschappelijke inpassing waarbij aandacht moet zijn voor het recreatieve gebruik van het gebied.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Niet tot nauwelijks kansrijk vanwege recreatief gebruik. Gebieden te verschillend om inpassing goed in te schatten.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Niet tot nauwelijks kansrijk vanwege recreatief gebruik. Gebieden te verschillend om inpassing goed in te schatten.
Beoordeling op kaart Afbeeldingen 5.4, 5.5 en 5.6 geven een beeld van de basisbeoordeling op kaart voor het criterium landschapstypen. Zoals aangegeven worden de effecten voor windturbines bij een classificatie ‘niet tot nauwelijks kansrijk’ een beoordeling van ten hoogste negatief (-) en niet sterk negatief (--) gegeven. De reden is bij het landschappelijk ontwerp van wind verschillende invalshoeken denkbaar zijn. Zie hiervoor de 10 kwaliteitsregels uit de Community of Practice in bijlage II van bijlage II. De gehanteerde benadering van inpasbaarheid is slechts één van deze invalshoeken die zeker nu turbines steeds groter worden en samenhang met het onderliggende landschap in steeds meer gevallen niet mogelijk is of leidt tot een ‘schijnrelatie’. De invalshoek waarbij een nieuwe landschappelijke laag wordt aangebracht (dus niet inpassen, zie bijlage II in bijlage II) is in een plan-MER van dit abstractieniveau niet onderzocht. Omdat een sterke negatieve beoordeling suggereert dat landschapsstructuren en kwaliteiten vrijwel zeker worden aangetast is de beoordeling daarom één categorie afgezwakt.
De beoordeling negatief en beperkt negatief geven samen met de classificatie uit tabel 5.11 wel een goede typering van de kwaliteiten en kenmerken van landschapstypen en geven daarmee ook aandachtspunten en aanknopingspunten voor het voorkomen of beperken van landschappelijke effecten en het versterken van een landschappelijk verantwoord ontwerp.
90 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 5.4 Basisbeoordeling landschapstypen van zonneparken
Afbeelding 5.5 Basisbeoordeling landschapstypen 120 m windturbines
91 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 5.6 Basisbeoordeling landschapstypen 166 m turbines
5.2.2
(Bovengrondse) cultuurhistorie: invloed op historische-geografische en bouwkundige waarden
Onderzoeksaanpak Historische geografie bestudeert de wijze waarop cultuurlandschap en de elementen en structuren daarin tot stand zijn gekomen onder invloed van menselijk handelen. Historisch-geografische elementen vallen uiteen in punt-, lijn- en vlakelementen. Bijvoorbeeld een terp, een dijk of een polder. Gezamenlijk vormen zij het topografisch archief. Elementen kunnen op zichzelf bestaan, maar kunnen samengenomen worden in ensembles of patronen. Een patroon bestaat uit een aantal ruimtelijk samenhangende, gelijksoortige elementen, bijvoorbeeld een wegenpatroon of verkaveling. Een ensemble is niet regelmatig, maar bestaat uit elementen die ruimtelijk en functioneel wel samenhangen. Bij dit aspect is ook de aanwezigheid van de Nieuwe Hollandse Waterlinie relevant. Het aspect historische bouwkunde in dit rapport beschrijft de effecten op gebouwde monumenten (Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten). Ook de effecten op beschermde stads- en dorpsgezichten en molenbiotopen worden bij dit aspect beschreven. Ondanks dat fysieke effecten op Rijksmonumenten zijn uitgesloten, kan er wel sprake zijn van invloed op de beleefde kwaliteit. Studiegebied Het studiegebied voor dit criterium is gelijk aan het plangebied.
92 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Onderzoeksmethodiek De effecten worden kwalitatief beoordeeld op basis van de resultaten van een bureaustudie. Er is gebruik gemaakt van de volgende GIS-bronnen: - gebouwde rijksmonumenten en vastgestelde contouren van rijksmonumenten (RCE, Nationaal georegister). Ook is gebruik gemaakt van een zone van 100 m om de monumenten heen waar voorkoming van de aantasting van de omgeving van een monument van toepassing kan zijn; - contour Nieuwe Hollandse Waterlinie (GIS-data Omgevingsverordening provincie Gelderland); - aangewezen stads- en dorpsgezichten (RCE, Nationaal Georegister); - molenbiotoop (GIS-data Omgevingsverordening provincie Gelderland; - oude boskernen, houtwallen en heggen (RCE, Nationaal georegister), zowel de gedocumenteerde als de verwachte locaties. Voor de beoordeling van de effecten op de Nieuwe Hollandse Waterlinie (onderdeel van de Hollandse Waterlinies) is gebruikt gemaakt van het Afwegingskader energieopwekking Hollandse Waterlinies (Land-id, 2021). Beoordelingsschaal Om de effecten van de windturbines (beide referentieturbines) en zonneparken per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 5.11 laat de beoordelingsschaal voor het criterium ‘invloed op historischgeografische en -bouwkunde waarden’.
Tabel 5.11 Beoordelingsschaal effecten ‘invloed op historische-geografische en -bouwkundige waarden’ Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Toelichting
--
sterk negatief
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie tot sterk negatieve (vernietiging) effecten op cultuurhistorische waarden. Het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen is noodzakelijk
-
negatief
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie tot negatieve (vernietiging of verstoring) effecten op cultuurhistorische waarden. Het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen is zeer gewenst
0/-
beperkt negatief
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie tot beperkt negatieve (alleen verstoring) effecten op cultuurhistorische waarden
0
neutraal
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie niet of nauwelijks tot effecten op cultuurhistorische waarden
+
beperkt positief
niet van toepassing (een verbetering van ten opzichte van de referentiesituatie treedt niet op)
++
positief
+++
sterk positief
Effectbeoordeling Tabel 5.12 gaat in op de algemene effecten van zonneparken en de twee referentieturbines op de historischgeografische en bouwkundige waarden (op het provinciale niveau). Gebieden in Nederland die het meest cultuurhistorisch waardevol en kwetsbaar zijn en die een beschermde status hebben, wil de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) zoveel mogelijk ontzien als locatie voor de opwekking van hernieuwbare energie. Maar, op basis van goed onderzoek en een goede ontwerpopgave zijn er soms zelfs energieprojecten mogelijk in de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland.
93 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Tabel 5.12 De algemene effecten van het plaatsen van zonneparken, 120 en 166 m windturbines op (bovengrondse) cultuurhistorische waarden in het plangebied Cultuurhistorische waarde
Zonneparken
120 m windturbines
166 m windturbines
Hollandse Waterlinies1
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De kernkwaliteiten moeten behouden blijven. Alleen in de inundatiegebieden en schootsvelden, op 50m afstand van de hoofdverdedigingslijn. In van bebouwing vrij en open gebied in lage opstellingen (tot 1,50 m hoog), in meer bebouwd gebied iets hoger (tot 2,50 m) en in zonnevelden verspreid over het landschap kansrijk te maken. De verkaveling moet altijd herkenbaar zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De kernkwaliteiten moeten behouden blijven. Windturbines dienen niet parallel te staan aan de hoofdverdedigingslijn om het horizonbeslag vanaf de hoofdverdedigingslijn te minimaliseren. Alleen in de inundatiegebieden en schootsvelden, op meer dan 1 km afstand van de hoofdverdedigingslijn. Rivierengebied: Dit kunnen vlakken of lijnen zijn. Een lineaire opstelling heeft de voorkeur die de oost-west oriëntatie van de ontginning volgt. Zeekleigebied: bij voorkeur in vlakken die passen bij de kenmerkende vlakvormige structuur van de verkavelingen.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De kernkwaliteiten moeten behouden blijven. Windturbines dienen niet parallel te staan aan de hoofdverdedigingslijn om het horizonbeslag vanaf de hoofdverdedigingslijn te minimaliseren. Alleen in de inundatiegebieden en schootsvelden, op meer dan 2 km afstand van de hoofdverdedigingslijn. Rivierengebied: Dit kunnen vlakken of lijnen zijn. Een lineaire opstelling heeft de voorkeur die de oost-west oriëntatie van de ontginning volgt. Zeekleigebied: bij voorkeur in vlakken die passen bij de kenmerkende vlakvormige structuur van de verkavelingen. Maar weinig geschikte ruimte.
Rijksmonumenten (contouren)
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De afwisseling van open en besloten kamers op grote landgoederen kan bijvoorbeeld behouden blijven door een reeks van zonnevelden in besloten of half-open kamers toe te voegen. Voor andere rijksmonumenten met contouren zijn er wellicht aanknopingspunten vanuit de elementen binnen de bijbehorende landschapstypen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het toevoegen van windturbines zorgt voor een nieuwe landschapslaag die geen relatie heeft met de onderliggende landschappelijke structuren. Het voegt een beleving van verstedelijking toe die meestal niet past bij de beleving van het monument. Bovendien kunnen belangrijke zichtlijnen worden verstoord. Het geluid en de slagschaduw verstoort de rust en beleving binnen de monumententerreinen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het toevoegen van windturbines zorgt voor een nieuwe landschapslaag die geen relatie heeft met de onderliggende landschappelijke structuren. Het voegt een beleving van verstedelijking toe die meestal niet past bij de beleving van het monument. Bovendien kunnen belangrijke zichtlijnen worden verstoord. Het geluid en de slagschaduw verstoort de rust en beleving binnen de monumententerreinen.
Rijksmonumenten - 100m contour
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. De omgeving van een monument moet aansluiten bij de context van het monument. Als er een landschappelijk passende afscheiding aanwezig is tussen de zonnevelden en het monument, dan hoeft de beleefde kwaliteit van het monument niet te dalen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het toevoegen van windturbines zorgt voor een beleving van verstedelijking toe die meestal niet past bij de beleving van het monument. Het geluid en de slagschaduw verstoort de rust en beleving van het monument.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het toevoegen van windturbines zorgt voor een beleving van verstedelijking toe die meestal niet past bij de beleving van het monument. Het geluid en de slagschaduw verstoort de rust en beleving van het monument.
1
In het Afwegingskader energieopwekking Hollandse Waterlinies (Land-id, 2021) is nader uitgewerkt onder welke voorwaarden windenergie binnen de Hollandse Waterlinie ingepast kan worden. Dit is ook op kaart weergegeven. Vanwege de afwijkende afmetingen van de in het afweegkader gebruikte turbines en het abstractieniveau van dit plan-MER zijn de nuances uit het afweegkader niet in de beoordeling op kaart opgenomen (afbeelding 5.5 en 5.6).
94 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Beschermde stads- en dorpsgezichten
Niet tot nauwelijks kansrijk. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen beschermde stads- en dorpsgezichten moeten aansluiten bij bestaande historische kenmerken- en structuur. Het fysieke ruimtebeslag van een zonnepark verstoort deze bestaande structuren; het ruimtebeslag verstoort eveneens de balans tussen bebouwing en open ruimte.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen beschermde stads- en dorpsgezichten moeten aansluiten bij bestaande historische kenmerken- en structuur. De hoge turbines hebben een verstorende werking op de zichtbeleving; zo verstoren de hoge opgaande masten de stad- en dorpssilhouetten. Het fysieke ruimtebeslag van een windturbine verstoort de balans tussen bebouwing en openbare ruimte.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen beschermde stads- en dorpsgezichten moeten aansluiten bij bestaande historische kenmerken- en structuur. De hoge turbines hebben een verstorende werking op de zichtbeleving; zo verstoren de hoge opgaande masten de stad- en dorpssilhouetten. Het fysieke ruimtebeslag van een windturbine verstoort de balans tussen bebouwing en openbare ruimte.
Molenbiotopen
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Zowel het zicht op de molen als wel de mate van vrije windvang van de molen moet behouden blijven. Ook gelden regels met betrekking tot de hoogte van nieuwe bebouwing. Zonnevelden hebben een verstorende werking op deze zichtbeleving. Als er toevallig wel al een landschappelijk passende afscheiding aanwezig is tussen de zonnevelden en het monument, dan hoeft de beleefde kwaliteit van het monument niet te dalen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Zowel het zicht op de molen als wel de mate van vrije windvang van de molen moet behouden blijven. Ook gelden regels met betrekking tot de hoogte van nieuwe bebouwing. Windturbines hebben een sterk verstorende werking op de zichtbeleving, verstoren mogelijk de mate van vrije windvang en voldoen niet aan de hoogtevoorschriften.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Zowel het zicht op de molen als wel de mate van vrije windvang van de molen moet behouden blijven. Ook gelden regels met betrekking tot de hoogte van nieuwe bebouwing. Windturbines hebben een sterk verstorende werking op de zichtbeleving, verstoren mogelijk de mate van vrije windvang en voldoen niet aan de hoogtevoorschriften.
Oude boskernen,
Niet tot nauwelijks kansrijk. Er is verstoring van de groenbeleving, schaduwwerking zorgt voor extra kappen van bomen. Houtwallen en heggen kunnen wel aanleiding zijn om in de belendende kamers landschappelijk ingepaste zonnevelden aan te leggen.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het toevoegen van windturbines zorgt voor een nieuwe landschapslaag die geen relatie heeft met de onderliggende landschappelijke structuren. Maar als door de plaatsing van de windturbines bomen moeten worden gekapt, vernietigt dit de bestaande landschappelijke structuur.
Niet tot nauwelijks kansrijk. Het toevoegen van windturbines zorgt voor een nieuwe landschapslaag die geen relatie heeft met de onderliggende landschappelijke structuren. Maar als door de plaatsing van de windturbines bomen moeten worden gekapt, vernietigt dit de bestaande landschappelijke structuur.
houtwallen en heggen
Beoordeling op kaart Afbeeldingen 5.7 en 5.8 geven een beeld van de basisbeoordeling op kaart voor het criterium historischegeografische en -bouwkundige waarden. In het zoekgebied van de zonneparken is vooral het effect van de (sterk) negatieve beoordeling bij historische groen en het werelderfgoed Nieuwe Hollandse Waterlinie zichtbaar op de kaart. Vanwege het kleinere zoekgebied voor windturbines, valt daar vooral de negatieve beoordeling in het werelderfgoed op.
95 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Afbeelding 5.7 Basisbeoordeling of kaart van effect van zonneparken op cultuurhistorie
Afbeelding 5.8 Beoordeling op kaart van effect van windturbines op cultuurhistorie
96 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
5.2.3
Archeologie: invloed op archeologische (verwachtings)waarden
Onderzoeksaanpak Archeologie is de wetenschap die de overblijfselen van mensen en culturen uit het verleden bestudeert om het verleden te reconstrueren en te duiden. Archeologie houdt zich bezig met de niet-zichtbare resten en sporen van onze cultuurgeschiedenis die zich in de bodem bevinden. Er zijn voor archeologie twee aspecten te onderscheiden, namelijk bekende en verwachte archeologische waarden. Bekende waarden zijn bevestigd door waarnemingen, opgravingen en/of vondsten. Verwachte waarden zijn bepaald aan de hand van inschattingen. Bijvoorbeeld aan de hand van bekende waarden in de nabijheid, eerder onderzoek, de bodemkundige eenheid en landschappelijke ligging van een gebied. Verwachte archeologische waarden geven de kans aan waarin (plaatselijk) archeologische resten in de bodem kunnen worden verwacht en aangetroffen. Studiegebied Voor archeologie is het studiegebied gelijk aan het plangebied. Onderzoeksmethodiek De effecten worden kwalitatief beoordeeld op basis van de resultaten van een bureaustudie.
Er is gebruik gemaakt van de volgende GIS-bronnen: - archeologische rijksmonumenten en vastgestelde contouren van archeologische rijksmonumenten (RCE, Nationaal georegister); - contour Limes (GIS-data Omgevingsverordening provincie Gelderland); - archeologische monumentenkaart (RCE, Nationaal Georegister); - provinciale archeologische parels en diamanten (GIS-data provincie Gelderland, geen beleidstatus meer). Beoordelingsschaal Om de effecten van de windturbines (beide referentieturbines) en zonneparken per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 5.13 laat de beoordelingsschaal voor het criterium ‘invloed op archeologische (verwachtings)waarden zien.
Tabel 5.13 Beoordelingsschaal effecten ‘invloed op archeologische (verwachtings)waarden’ Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Toelichting
--
sterk negatief
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie tot sterk negatieve (vernietiging) effecten op archeologische (verwachtings)waarden. Het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen is noodzakelijk
-
negatief
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie tot negatieve (vernietiging of verstoring) effecten op archeologische (verwachtings)waarden. Het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen is zeer gewenst
0/-
beperkt negatief
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie tot beperkt negatieve (alleen verstoring) effecten op archeologische (verwachtings)waarden
0
neutraal
de voorgenomen ingreep leidt ten opzichte van de referentiesituatie niet of nauwelijks tot effecten op archeologische (verwachtings)waarden
+
beperkt positief
niet van toepassing (een afname ten opzichte van de referentiesituatie treedt niet op)
++
positief
+++
sterk positief
97 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Effectbeoordeling Tabel 5.14 gaat in op de algemene effecten van zonneparken en de twee referentieturbines op archeologische (verwachtings)waarden op het niveau van de provincie.
Tabel 5.14 De algemene effecten van het plaatsen van zonneparken, 120 en 166 m windturbines op de archeologische (verwachtings)waarden in het plangebied Landschapstype en kenmerken
Zonneparken
120 m windturbines
166 m windturbines
Limes
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van zonnevelden brengt weinig bodemverstoring met zich mee (puntverstoring). Als er bodemverstoring nodig is, dan moet archeologisch onderzoek uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Archeologische monumentenkaart
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van zonnevelden brengt weinig bodemverstoring met zich mee (puntverstoring). Als er bodemverstoring nodig is, dan moet archeologisch onderzoek uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Provinciale parels
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van zonnevelden brengt weinig bodemverstoring met zich mee (puntverstoring). Als er bodemverstoring nodig is, dan moet archeologisch onderzoek uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Provinciale ruwe diamanten
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van zonnevelden brengt weinig bodemverstoring met zich mee (puntverstoring). Als er bodemverstoring nodig is, dan moet archeologisch onderzoek uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
Matig kansrijk tot kansrijk te maken. Het plaatsen van de windturbines brengt bodemverstoring met zich mee bij de mastvoet. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen dat er geen waarden aanwezig zijn.
98 | 246 Witteveen+Bos | 132826/24-018.280 | Definitief 03
Basisbeoordeling op kaart Afbeeldingen 5. 9 en 5.10 geven een beeld van de basisbeoordeling op kaart voor het criterium archeologische waarden. Door de grotere oppervlakte van het zoekgebied voor zonne-energie dan bij windenergie, is hier ook een groter oppervlakte gebieden met een negatief effect. Tegelijkertijd zijn er wel kansen voor zonne-energie in gebieden waar geen geclassificeerde archeologische waarden zijn op provinciaal niveau. Aandachtspunt is dat in de neutrale gebieden volgens de gemeentelijke kaarten eventueel wel verwachtingswaarden kunnen zijn.