Toelichting op provinciaal inpassingsplan
Tekst van het document
Onderzoekskader Hierna wordt eerst in gegaan op de Wet natuurbescherming en de verschillende aspecten die hieronder vallen. Daarna komt het Natuurnetwerk Nederland aan de orde. Wet natuurbescherming Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt het wettelijk kader voor het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en dient ter uitvoering van richtlijnen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats, de wilde flora en fauna en de vogelstand. Ook bevat deze wet diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving. Hierna wordt ingegaan op de verschillende aspecten uit de Wet natuurbescherming.
64
Achtereenvolgens komen de bescherming van natuurgebieden, bescherming plant- en diersoorten en bescherming van houtopstanden aan de orde. Bescherming natuurgebieden Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Deze gebieden vormen, samen met Natura 2000-gebieden in andere Europese landen, een samenhangend geheel van natuurgebieden voor behoud, ontwikkeling en herstel van de Europese biodiversiteit. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten. In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7, eerste lid stelt dat een bestuursorgaan een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast stelt indien is voldaan aan artikel 2.8 Wnb. Ten behoeve van voorliggend inpassingsplan, is een passende beoordeling uitgevoerd, waarmee is voldaan aan artikel 2.8 Wnb.
De instandhoudingsdoelstellingen die voor de betreffende Natura 2000-gebieden zijn vastgesteld, zijn leidend bij de beoordeling van de effecten. Voorliggend plan is (indien aan de orde / relevant) getoetst aan de verschillende storingsfactoren voor Natura 2000-gebieden. Bescherming plant- en diersoorten Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten. In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen - ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied - is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten.
Bescherming houtopstanden Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden. Het hoofdstuk ziet alleen toe op houtopstanden van minimaal 10 are of rijbeplantingen van meer dan twintig bomen, gelegen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven en in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen en kweekgoed en populieren- en wilgenopstanden langs (water)wegen en landbouwgronden en ten behoeve van biomassaproductie (onder voorwaarden) vallen niet onder de werking van de Wet natuurbescherming. Kap van (delen van) houtopstanden dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten. De provincie stelt bij verordening eisen aan de manier waarop deze melding moet worden gedaan. De gevelde houtopstand moet binnen drie jaar na kap worden herplant. Ook aan de wijze van herplant kunnen provincies bij verordening eisen stellen. Tevens kunnen provincies ontheffing verlenen van de herplantplicht. Daarnaast stellen gemeenten veelal aanvullende regels op ten aanzien van de kap van bomen (kapvergunningplicht). Deze regels betreffen meestal alleen de kap van bomen binnen de bebouwde kom en/of de kap van waardevolle of monumentale bomen.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) In het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro), Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR) en diens opvolger, de NOVI, is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vastgelegd. Het NNN is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk van het NNN bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het
65
NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Ruimtelijke ingrepen met significant negatieve effecten zijn niet toegestaan. Het nee, tenzij-regime laat alleen onder bepaalde voorwaarden ontwikkelingen toe. Dit Natuurnetwerk Nederland is ook opgenomen in de Omgevingsverordening 2014 van de provincie Limburg. In de Omgevingsverordening zijn deze gebieden aangeduid als Goudgroene natuurzone. Zoals eerder is aangegeven, wordt deze term met de inwerkingtreding van de POVI vervangen door Natuurnetwerk Limburg (NNL)
Onderzoeksresultaat Hierna komen in lijn met de paragraaf hiervoor de onderzoeksresultaten voor het aspect natuur aan de orde. Hierbij wordt ook eerst ingegaan op de verschillende aspecten uit de Wet natuurbescherming, waarna de onderzoeksresultaten voor het Natuurnetwerk Nederland worden behandeld. De paragraaf sluit af met de compensatieopgave en de relevantie van het onderzoek voor dit inpassingsplan. Wet natuurbescherming Bescherming natuurgebieden Naast beschermde NNN-gebieden binnen het plangebied liggen in de omgeving enkele Natura 2000gebieden met hoge waarden voor natuur. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn het Leudal en Sarsven en De Banen, beide gelegen op circa 2,5 kilometer afstand van de N280 Leudal. Het Natura 2000-gebied Leudal, gelegen tussen Heythuysen, Roggel, Neer en Haelen, bestaat uit de beekdalen van de Zelsterbeek of Roggelsebeek en de Leubeek of Tungelroysebeek. Beide beken kennen een meanderende, relatief snelstromende loop. Deels betreft het een gerenatureerde loop, deels zijn de beken nooit gekanaliseerd geweest. Binnen het Natura 2000-gebied komen zeer diverse vegetaties voor. Bij afgesneden beekmeanders zijn soortenrijke moerasvegetaties aanwezig en ten oosten van het St. Elisabethklooster komen veldrusschraallanden voor.
De bossen binnen het Leudal bestaan uit elzenbroekbos, berkenbroekbos, vogelkers-essenbos en haagbeukenbos met op de flanken van de beekdalen drogere bostypen, zoals eiken-beukenbossen en eikenberkenbossen. Tot slot zijn enkele kleinere heideterreinen aanwezig en komen gagelstruwelen voor. Ten noordwesten van het projectgebied in de gemeente Nederweert bevindt zich het Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen. Dit zijn twee naast elkaar gelegen heidevennen in Midden-Limburg. Het is een Peelrestant. Gezoneerd en in mozaïek met elkaar komen gemeenschapen voor van zeer zwak gebufferde wateren en van zwak gebufferde wateren. De vennen worden deels gevoed met kwelwater uit omliggende hoge gronden. Het gebied is gelegen in één van de laagten die worden aangetroffen in de voedselarme zandafzettingen van het middenterras van de Maas. Plaatselijk komt moerasveen voor, variërend in diepte. Het bestaat uit een samenstel van vennen, wilgen- en gagelstruweel, elzen- en berkenbroekbos en zowel natte als drogere graslanden. In een voortoets (zie bijlage 6) is onderzocht of significant negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen op de instandhoudingsdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. De resultaten zijn samengevat opgenomen in onderstaande tabel. Hieruit blijkt dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van vermesting en verzuring door stikstofdepositie.
Daarom is in vervolg op de voortoets een passende beoordeling met daarbij een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Storingsfactor Oppervlakteverlies Versnippering Verzuring door stikstofdepositie
66
Mogelijk effect van vaststelling plan Geen effect Geen effect Mogelijk effect
Vermesting door stikstofdepositie
Mogelijk effect
Verzoeting
Geen effect
Toelichting Geen ruimtebeslag binnen Natura 2000-gebieden. Geen doorsnijding van Natura 2000-gebieden. Vanwege (vracht)autoverkeer binnen het plangebied met stikstofemissie tot gevolg. Zowel Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen als Leudal zijn gevoelig voor stikstof. Vanwege (vracht)autoverkeer binnen het plangebied met stikstofemissie tot gevolg. Zowel Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen als Leudal zijn gevoelig voor stikstof. Geen beïnvloeding van chemische samenstelling van grond- of oppervlaktewater.
Storingsfactor Verzilting
Mogelijk effect van vaststelling plan Geen effect
Verontreiniging
Geen effect
Verdroging
Geen effect
Vernatting
Geen effect
Verandering stroomsnelheid
Geen effect
Verandering overstromingsfrequentie Verandering dynamiek substraat
Geen effect Geen effect
Verstoring door geluid
Geen effect
Verstoring door licht Verstoring door trillingen
Niet relevant Geen effect
Optische verstoring
Geen effect
Verstoring door mechanische effecten Verandering in populatiedynamiek Bewuste verandering soortensamenstelling
Geen effect Geen effect Geen effect
Toelichting Geen beïnvloeding van chemische samenstelling van grond- of oppervlaktewater in Natura 2000-gebieden. Geen beïnvloeding van kwaliteit van bodem en/of grond- of oppervlaktewater in Natura 2000-gebieden. Geen beïnvloeding van kwantiteit van grond- of oppervlaktewater in Natura 2000-gebieden. Geen beïnvloeding van kwantiteit van grond- of oppervlaktewater in Natura 2000-gebieden. Geen beïnvloeding van oppervlaktewatersysteem in Natura 2000-gebieden. Geen beïnvloeding van oppervlaktewatersysteem in Natura 2000-gebieden. Geen beïnvloeding van bodemstructuur in Natura 2000gebieden. Enkel Natura 2000-gebied Leudal is gevoelig (i.v.m. voorkomen bever). Geen uitstraling van geluid wegverkeer tot in Natura 2000-gebieden. Voor de weg door het Natura 2000-gebied Leudal (Sint Elisabethsdreef en Roggelseweg) wordt een verkeersafname verwacht. Geen gevoelige habitatrichtlijnsoorten. Enkel Natura 2000-gebied Leudal is gevoelig (i.v.m. voorkomen bever). Geen uitstaling van trillingen van wegverkeer tot in Natura 2000-gebieden. Voor de weg door het Natura 2000gebied Leudal (Sint Elisabethsdreef en Roggelseweg) wordt een verkeersafname verwacht. Geen verandering in bestaande menselijke activiteit binnen Natura 2000-gebied. Geen verandering in bestaande menselijke activiteit binnen Natura 2000-gebied. Geen beïnvloeding van populaties binnen Natura 2000gebied.
Geen sprake van uitzetten/herintroductie van soorten binnen Natura 2000-gebied.
Tabel 6: Mogelijke effecten van vaststelling van het PIP en MER N280-west in relatie tot de storingsfactoren voor Natura 2000-gebieden. Passende beoordeling Omdat significant negatieve effecten als gevolg van verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie uit de lucht op basis van de voortoets niet op voorhand konden worden uitgesloten, is in vervolg hierop een passende beoordeling opgesteld. Ten behoeve van deze passende beoordeling is tevens een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit deze berekeningen (zie tabel 7) is gebleken dat de aanlegfase een tijdelijke depositietoename veroorzaakt op vier Natura 2000-gebieden. Daarnaast is voor de gebruiksfase een permanente toename in stikstofdepositie berekend op twee Natura 2000-gebieden, te weten Leudal en Sarsven en De Banen. Natura 2000-gebied Aanlegfase (Mol N/ha/jaar) Gebruiksfase (Mol N/ha/jaar) Roerdal +1,31 (+0,63) -0,01 Leudal -0,04 (-0,06) +0,08 Meinweg +0,40 -0,01 Sarsven en de Banen +0,08 +0,19 Swalmdal +0,05 -0,03 Tabel 7: Toename stikstofdepositie aanleg- en gebruiksfase incl. mitigerende maatregelen Vervolgens is in de passende beoordeling per Natura 2000-gebied voor elk van de aangewezen stikstofgevoelige habitats nader beoordeeld of deze stikstofdepositie leidt tot significant negatieve effecten [94]:
67
Effecten aanlegfase, Natura 2000-gebied Roerdal Het effect van stikstofdepositie door de realisering van het planvoornemen in de aanlegfase is niet significant negatief aangemerkt doordat regulier (maai)beheer zorgt voor een grotere afvoer van voedingsstoffen waaronder stikstof. Voor een groot deel van de hexagonen in het Roerdal waar sprake is van een tijdelijke (en veelal geringe) toename, wordt de KDW niet overschreden. Als de beheermaatregelen elk jaar zorgvuldig worden afgestemd op de kwetsbare periode van onder meer het donker pimpernelblauwtje (dus pas na de zomer maaien) en de beoogde uitbreidingen volgens de beheerplannen worden gerealiseerd, dan staat het planeffect het bereiken van de instandhoudingsdoelen in het Natura 2000-gebied Roerdal niet in de weg. Effecten aanlegfase, Natura 2000-gebied Meinweg Voor dit Natura 2000-gebied is in de Passende beoordeling geconcludeerd dat door het uitvoeren van de beheerplanmaatregelen, de tijdelijke en veelal geringe toename op een klein percentage van de hexagonen binnen de habitattypen en leefgebieden geen significant negatief effect heeft op het behalen van de instandhoudingsdoelen. Effecten aanlegfase, Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen De habitattypen in Sarsven en De Banen zijn zeer kwetsbaar.
Door het uitgebruik nemen van agrarische gronden (danwel het toepassen van agrarisch natuurbeheer) nabij dit Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten op de aangewezen habitattypen minimaal en is de tijdelijke toename op een zeer klein deel van H3130 (zwakgebufferde vennen) als niet-significant beoordeeld. Effecten aanlegfase, Natura 2000-gebied Swalmdal Voor dit Natura 2000-gebied is in de passende beoordeling geconcludeerd dat de tijdelijke toename op gedeeltelijk overbelaste locaties in de aanlegfase van het plan N280 Leudal het behalen van de instandhoudingsdoelen niet in de weg staat. Daarnaast gaat het om zeer geringe toenamen die conform de landelijke richtlijn voor effecten in de aanlegfase zijn vrijgesteld van vergunningverlening. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Passende beoordeling. Conclusie aanlegfase: Gezien de minimale toename van het plan en de over het algemeen geringe aantal hexagonen waarop de toename plaatsvindt, en de reeds uitgevoerde herstelmaatregelen worden samenvattend in de aanlegfase geen significante negatieve effecten van het plan verwacht. Bovendien vinden er ook lokaal afnames van stikstofdepositie plaats door het uitgebruik nemen van agrarische percelen, wat zelfs een positief effect heeft op de instandhoudingsdoelen. Effecten gebruiksfase, Sarsven en De Banen.
Voor de gebruiksfase is bepaald dat er sprake is van een permanente toename van de stikstofdepositie op 12% van de hexagonen waar zwakgebufferde vennen voorkomen. Op de overige 88% vindt een afname van stikstofdepositie plaats. Doordat in het plan ook wordt ingezet op verbetering van de goudgroene natuurzone (NNN), wordt een significant negatief effect voorkomen. Effecten gebruiksfase, Leudal De effecten van het plan op het Natura 2000-gebied Leudal zijn in de gebruiksfase als niet significant beoordeeld. Het plan veroorzaakt toenames en afnames op drie stikstofgevoelige habitattypen. Tegelijkertijd wordt met beheermaatregelen gezorgd voor herstel en versterking van de robuustheid van deze habitattypen. Op ruim driekwart van de hexagonen met deze drie habitattypen is er bovendien sprake van afname van de stikstofdepositie.
68
In de passende beoordeling is samenvattend geconcludeerd dat zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase geen significant negatieve effecten worden verwacht op de aangewezen instandhoudingsdoelen in de Natura 200-gebieden Roerdal, Meinweg, Sarsven en De Banen, Swalmdal en Leudal. Het gaat veelal om zeer geringe toenamen van de stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen en/of om zeer geringe oppervlakten waar een overbelasting plaatsvindt. Daarnaast is een groot deel van de Natura 20000-beheerplannen reeds uitgevoerd, wat voor een robuust systeem zorgt. In de berekeningen is uitgegaan van de inzet van materieel Stage klasse IV. In het kader van de aanbesteding kunnen eisen gesteld worden aan de inzet van (of een percentage) volledig elektrisch materieel. De ontwikkelingen hiervan gaan momenteel snel, en zijn mogelijk eenvoudig toe te passen in de uitvoeringsperiode. Hierdoor kunnen tijdens de aanlegfase nog lagere waarden voor stikstofdepositie worden bereikt. Bescherming plant- en diersoorten Binnen het plangebied komen meerdere zeldzame en beschermde planten- en diersoorten voor. De voorkomende soorten in dit gebied zijn in beeld gebracht aan de hand van diverse flora- en faunaonderzoeken die gedurende het planproces meerdere malen zijn geactualiseerd. In onderstaande tabel zijn de aangetroffen soorten samengevat weergegeven. Soort(groep)
Voorkomen
Vogels Algemeen voorkomende broedvogels
Diverse broedgelegenheden (bebouwing, bomen, ruigte en struweel)
Huismus
Twee nesten in te slopen woning Rijksweg 1, Baexem Vijf nesten in te slopen woning Rijksweg 32, Baexem
Torenvalk
Kerkuil
Nestplaats aanwezig nabij plangebied: Oude Weerterweg 6, Baexem In het Exatenbos is een roofvogelhorst aanwezig op circa 330 meter afstand van de N280. Op circa 300 meter afstand van de N280 is een steenuilenterritorium aanwezig ter hoogte van de Paalweg te Baexem. Nestplaats op ca. 120 meter afstand (Kasteelweg 7 te Baexem)
Ransuil
In het Exatenbos is een ransuilenterritorium aanwezig.
Roofvogelhorst Steenuil
Zoogdieren Algemeen voorkomende zoogdiersoorten Eekhoorn Steenmarter Das
Bever
Verspreid in omgeving N280 Bomen binnen het plangebied zijn geschikt als nestboom voor eekhoorns. Geschikt leefgebied binnen N280. Te slopen bebouwing vormt potentieel verblijfsbiotoop. Van de meest nabij gelegen dassenverblijven zijn twee vluchtpijpen en een burcht gelegen binnen 200 meter afstand van de N280. De gehele omgeving van de N280 maakt deel uit van het totale leefgebied van de das. De N280 vormt hierin een barrière. De Haelensebeek vormt een jaarronde verblijfplaats van de bever. Het meest nabijgelegen hol bevindt zich op circa 85 meter afstand van de N280. Het Berkven vormt leefgebied voor de bever. Jaarrond gebruik valt er niet te verwachten. Het meest nabijgelegen hol bevindt zich op circa 90 meter afstand van de N280.
Vleermuizen
69
Soort(groep)
Voorkomen
Gewone dwergvleermuis
Kraamverblijfplaats in te slopen woning Rijksweg Zuid 4, KelpenOler Zomer-/paarverblijfplaats in te slopen woning Rijksweg Zuid 4, Kelpen-Oler Paarverblijf in te slopen woning Rijksweg 1, Baexem Paarverblijf in te slopen woning (stal) Rijksweg 32, Baexem In totaal 7 vliegroutes over of parallel aan de N280
Ruige dwergvleermuis
Paarverblijf in boomholte nabij Kanaal Wessem-Nederweert
Laatvlieger
In totaal 2 vliegroutes over of parallel aan de N280
Rosse vleermuis
Paarverblijf in boomholte nabij Rijksweg 2, Baexem
Watervleermuis
Zomerverblijfplaatsen in kanaalbrug Kanaal Wessem-Nederweert
Amfibieën Algemeen voorkomende amfibiesoorten Alpenwatersalamander Poelkikker
Heikikker
Verspreid in omgeving N280 Twee poelen nabij Kanaal Wessem-Nederweert vormen voortplantingswater. Omliggend grasland en bos vormt landhabitat. Twee poelen nabij Kanaal Wessem-Nederweert vormen voortplantingswater. Omliggend grasland en bos vormt landhabitat. Voorkomen ter plaatse van Beegderheide. Geen voortplantingswater binnen plangebied. Voorkomen ter plaatse van Beegderheide. Geen voortplantingswater binnen plangebied.
Reptielen Levendbarende hagedis
Leefgebied ter plaatse van de Beegderheide.
Tabel 8: Beschermde diersoorten in het plangebied en omgeving. In het compensatieplan (zie bijlage 7) is per soortgroep een uitgebreide beschrijving opgenomen van de effecten op beschermde soorten en de te treffen mitigerende en/of compenserende maatregelen om deze effecten te beperken (zie ook later). Ondanks het nemen van deze mitigerende maatregelen is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor enkele soorten noodzakelijk vanwege het feit dat het overtreden van enkele verbodsbepalingen zoals het vernielen van een vaste rust- en verblijfplaats niet altijd voorkomen kan worden. Bescherming houtopstanden Binnen het plangebied bevinden zich diverse bomenrijen en bossen, die vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Dit betreft bomenrijen met meer dan 20 bomen en bossen/houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are (1.000 m2). Zodra de werkzaamheden in uitvoering gaan, wordt minimaal 6 weken voorafgaand aan de werkzaamheden een melding bij de provincie Limburg gemaakt van de te kappen bomen binnen deze elementen. De provincie is hierbij bevoegd om een herplantplicht op te leggen voor de te kappen bomen. Hoewel een melding nog niet aan de orde is, is wel rekening gehouden met een compensatieverplichting van de te kappen bomen.
Hiervoor geldt in principe een 1:1 verplichting, waarbij hetzelfde aantal of dezelfde oppervlakte aan te kappen bomen wordt gecompenseerd. De bossen binnen het plangebied behoren allen tot het NNN. Compensatie van deze oppervlakten is daarom direct meegenomen met de compensatie van de oppervlakteaantasting van NNN-gebieden. Aan te tasten bomenrijen vallen niet overal onder het NNN. Dit betreft de kap van circa 970 bomen. In het definitief ontwerp van de toekomstige N280 wordt echter voorzien in 838 stuks nieuwe laanbomen, 6 nieuwe bomen van groot formaat ten behoeve van de hopovers voor vleermuizen en 15.380 m2 aan bosplantsoen voorzien, waarmee ook ruimschoots voldaan kan worden aan de compensatieverplichting voor bomenrijen. Het huidige plan voorziet daarom in voldoende herplantmogelijkheden ter compensatie van de te kappen bomen of bossen.
70
Natuurnetwerk Nederland Het gevarieerde landschap van open en gesloten gebieden, doorsneden door verschillende beekdalen biedt waarde voor de in het gebied voorkomende natuur. Een deel van het gebied valt onder het natuurnetwerk Nederland (NNN). De landschappen binnen dit netwerk zorgen voor robuuste verbindingen tussen gebieden met hoge natuurwaarden. De natuurbeheertypen die voorkomen in de NNN gebieden in de omgeving van het tracé zijn: kruidenrijk en faunarijk grasland, rivier- en beekbegeleidend bos, droog schraalgrasland, haagbeuken- en essenbos, dennen- eiken- en beukenbos en droog bos met productie. Compensatietaakstelling In het compensatieplan dat ook als bijlage 7 bij deze toelichting is gevoegd zijn de diverse mitigerende en compenserende maatregelen omschreven. In dit compensatieplan zijn randvoorwaarden geconcretiseerd naar te treffen maatregelen binnen het project N280 Leudal. Om te kunnen borgen dat de reconstructie van de N280 Leudal conform de Wet natuurbescherming verloopt, wordt bij de maatregelen daarom regelmatig verwezen naar de minimale eisen voor mitigatie en compensatie. Om echter wel al inzicht te geven in mogelijk te treffen maatregelen, met name vanwege optredend ruimtebeslag van deze maatregelen, is per soort(groep), waar van toepassing, beschreven welke compenserende maatregelen aanbevolen worden voor het project.
Uit ervaring blijkt dat het praktisch is om het compensatieplan enigszins flexibel op te stellen, zodat er bij de uitvoering eventueel ruimte is voor kleine wijzigingen in de compensatie, wanneer werkzaamheden anders lopen dan gepland. Om toch te kunnen borgen dat de reconstructie van de N280 Leudal conform de Wet natuurbescherming verloopt, wordt in onderstaande maatregelen daarom regelmatig verwezen naar de minimale eisen voor mitigatie en compensatie. Om wel al inzicht te geven in mogelijk te treffen maatregelen, met name vanwege optredend ruimtebeslag van deze maatregelen, is per soort(groep), waar van toepassing, beschreven welke compenserende maatregelen aanbevolen worden voor het project. Mede aan de hand van deze informatie zijn inrichtingstekeningen gemaakt voor de gebieden waar compensatie plaats vindt. Soort(groep)
Maatregel(en)
Ontheffing
Gewennings-/ realisatieperioden
-
Aanbrengen van 14 vervangende verblijfplaatsen binnen een afstand van 500 meter van de huidige nestplaats op een geschikte locatie. Indien geen geschikt leefgebied aanwezig is nabij de vervangende verblijfplaatsen, dient dit gerealiseerd te worden. Werkzaamheden met betrekking tot het huidige nest of directe omgeving uitvoeren buiten kwetsbare periode en buiten vorstperioden.
Ontheffing nodig voor: Verloren gaan van nestplaats van de huismus, inclusief bijbehorend leef/foerageergebied (Wnb artikel 3.1.2 en 3.1.4.).
De vervangende verblijfplaatsen dienen minimaal drie maanden voor de start van de werkzaamheden aanwezig te zijn om vogels te laten wennen.
Kapwerkzaamheden uitvoeren in vrijgestelde periode (maart – april of
N.v.t.
Vogels Huismus
-
-
Dankzij het treffen van de in dit natuurcompensatieplan beschreven mitigerende maatregelen, wordt het overtreden van overige verbodsbepalingen, zoals het doden van huismussen, voorkomen en is een ontheffing hiervoor niet aan de orde.
Zoogdieren Eekhoorn
-
71
Soort(groep)
Maatregel(en)
Ontheffing
Gewennings-/ realisatieperioden
juli tot en met november). Steenmarter
-
Das
-
-
Bever
-
-
-
Sloopwerkzaamheden uitvoeren in vrijgestelde periode (15 augustus tot en met februari). Werken buiten kwetsbare nachtelijke periode. Behouden functionaliteit faunatunnel Haelensebeek. Werken buiten kwetsbare nachtelijke periode. Werkzaamheden met betrekking tot het leefgebied van de bever vinden plaats buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (mei tot en met augustus) en buiten momenten in de winterperiode dat er ijs op het water ligt. Behouden functionaliteit doorgang Haelensebeek en Berkven.
N.v.t.
Er worden circa een jaar voorafgaand aan de sloop twee nieuwe vleermuistorens gerealiseerd en vleermuisverblijven aangebracht aan de huismussentil. Nieuw te plaatsen verlichting langs de N280 wordt voorzien van armaturen om verstrooiing van licht te voorkomen. Huidige hop-overs worden behouden middels het behoud/plaatsen van grote bomen. De werkzaamheden worden uitgevoerd
Ontheffing nodig voor: Verlies van: Kraamverblijfplaats gewone dwergvleermuis Zomer/paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis Twee paarverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis Paarverblijfplaats ruige dwergvleermuis Twee zomerverblijfplaatsen watervleermuis (Wnb artikel 3.5.2 en 3.5.4.).
N.v.t.
N.v.t.
Vleermuizen Vleermuizen
-
-
-
-
72
Vervangende vleermuisverblijfplaatsen dienen minimaal één jaar voor de start van de werkzaamheden gerealiseerd te zijn.
Soort(groep)
Maatregel(en) buiten de kwetsbare periode van vleermuizen.
Ontheffing
Gewennings-/ realisatieperioden
Dankzij het treffen van de in dit natuurcompensatieplan beschreven maatregelen, wordt het overtreden van overige verbodsbepalingen, zoals het doden van vleermuizen of het aantasten van vliegroutes, voorkomen en is een ontheffing hiervoor niet aan de orde.
Amfibieën Alpenwatersalamander en Poelkikker (nabij kanaal W-N)
-
-
Heikikker en poelkikker (nabij Beegderheide)
Middels de realisatie van zowel voortplantingswater als landbiotoop, wordt het verlies aan landbiotoop gecompenseerd. De werkzaamheden ter plaatse van geschikt landhabitat worden uitgevoerd buiten de meest kwetsbare periode van de poelkikker.
-
Ter voorkoming van slachtoffers wordt op de grens van het plangebied een amfibieënscherm geplaatst.
-
Werkzaamheden rondom Beegderheide (de aansluiting op de Napoleonsbaan) uitvoeren binnen vrijgestelde periode (15 augustus tot en met 15 oktober).
Ontheffing nodig voor het (tijdelijk) aantasten van landbiotoop van Alpenwatersalamander en Poelkikker (Wnb artikel 3.5.4 en 3.10.b). Dankzij het treffen van de in dit natuurcompensatieplan beschreven maatregelen, wordt het overtreden van overige verbodsbepalingen, zoals het doden van Alpenwatersalamanders en poelkikkers voorkomen en is een ontheffing hiervoor niet aan de orde. N.v.t.
Compenserend leefgebied voor Alpenwatersalamander en poelkikker dient functioneel te zijn voor aantasting van het huidige leefgebied. Functioneel wil hier zeggen dat aangeplant materiaal dermate van omvang is en gegraven poelen geschikt zijn dat de betreffende amfibieën er gebruik van kunnen maken. Dit heeft doorgaans minimaal een jaar nodig, maar kan ook langer duren.
Reptielen Levendbarende hagedis
N.v.t.
73
Soort(groep)
Maatregel(en)
Ontheffing
Algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën Algemeen voorkomende broedvogels Algehele maatregelen
-
Rekening houden met de zorgplicht.
N.v.t.
-
Rekening houden met het broedseizoen
N.v.t.
Diverse soorten
-
Gewennings-/ realisatieperioden
Overige soorten
Middels het intensief beheren van de bermen direct langs de N280, wordt een toename aan verkeersslachtoffers voorkomen. Faunarasters dienen (verkeers)slachtoffers te voorkomen. De werkzaamheden ten behoeve van de N280 vinden bij voorkeur enkel overdag (tussen zonsopkomst en zonsondergang) plaats. Indien noodzakelijk kan in het ecologisch werkprotocol onderbouwd afgeweken worden. Tabel 9: Resumé compensatiemaatregelen
N.v.t.
Compensatiepercelen In de huidige en in de toekomstige situatie van de N280 Leudal is er sprake van vernietiging en verstoring van diverse delen van de goudgroene natuurzone (NNL). In overeenstemming met belanghebbenden is besloten dat voor het project N280 de saldobenaderingssystematiek zal worden gevolgd in het kader van de reconstructie van de N280. Deze aanpak is hier mogelijk doordat bij de uitvoering van het PIP de belangen: doorstroming, verkeersveiligheid, waterkwaliteit, waterhuishouding, landbouwkundig gebruik en natuurontwikkeling bij elkaar komen. De toelichtende nota die ook als bijlage bij deze toelichting is gevoegd, gaat in op de aan te tasten natuurwaarden (NNN) en is bedoeld als een toelichting op welke oppervlakte verbetering van de goudgroene natuurwaarden (NNN) plaatsvindt, waar dit plaatsvindt en hoe hier invulling aan wordt gegeven. De totale opgave voor de herinrichting van de N280 Leudal als gevolg van directe en indirecte aantasting is afhankelijk van de locatie waar deze gerealiseerd wordt. De opgaves voor directe aantasting en indirecte aantasting mogen gecombineerd worden, wanneer aan voldoende compensatieoppervlak wordt voldaan binnen ‘stil’ gebied. De definitie van ‘stil’ gebied hierbij is dat het beoogde perceel buiten de begrenzing van een geluidsverstoring van 48 dB als gevolg van het plan dient te liggen.
Afhankelijk van de locatie bedraagt de totale opgave 118.492 m2 wanneer er hiervan minstens 37.625 m2 binnen ‘stil’ gebied is gelegen, tot maximaal 156.117 m2 (118.492 + 37.625) wanneer geen (delen) van de locaties buiten de begrenzing van 48 dB zijn gelegen.
74
Locaties ter verbetering van de goudgroene natuurzone (NNL) Ten behoeve van de compensatie van aan te tasten goudgroene natuur (NNL) wordt gebruik gemaakt van artikel 2.6.4 van Provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014 (POL 2014). Artikel 2.6.4 beschrijft de saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen. Het toepassen van dit artikel heeft geleid tot het aanwijzen van een viertal percelen die ter verbetering van de goudgroene natuurzone (NNN) worden ingezet. Deze percelen zijn in dit inpassingsplan voorzien van de bestemming ‘Natuur’ (Perceel 1 t/m 4 in navolgende afbeelding, eveneens opgenomen in de Verbeelding met een bestemming ‘Natuur’).
Afbeelding 16: ligging beoogde gebieden ten opzichte van N280, Goudgroene natuurzone, Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone Een tweetal aanvullende percelen behoudt de bestemming ‘Agrarisch’, maar ter voorkoming van mogelijk negatieve invloed op stikstofdepositie is het niet langer toegestaan hier te bemesten. Betreffende twee percelen zijn reeds provinciaal eigendom en in de Verbeelding opgenomen met de restrictie qua bemesting. Effecten en conclusie natuur Wet natuurbescherming In het plangebied en omgeving komt een breed scala aan natuurwaarden voor, onderverdeeld in beschermde gebieden en beschermde soorten. Van de soortgroepen, vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen zijn beschermde soorten aangetroffen in het gebied. Om de natuurwaarden te behouden en het voorbestaan van soorten te beschermen, zijn er mitigerende en compenserende maatregelen opgesteld, zoals werken buiten kwetsbare periodes, het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en verbeteren van habitat in nieuw leefgebied. In het compensatieplan worden de te verwachten effecten op de in het gebied voorkomende planten en diersoorten en de te nemen (mitigerende en compenserende) maatregelen toegelicht.
Op basis van het uitgevoerde stikstofdepositie onderzoek en de uitgevoerde passende beoordeling blijkt dat ten gevolge van de her in te richten N280 Leudal, rekening houdend met de planeffecten, zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase geen significant negatieve effecten worden verwacht op de aangewezen instandhoudingsdoelen in de Natura 2000-gebieden Roerdal, Meinweg, Sarsven en De Banen, Swalmdal en Leudal. Het gaat veelal om zeer geringe toenamen van de stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen en/of om zeer geringe oppervlakten waar een overbelasting plaatsvindt. Daarnaast is een groot deel van de Natura 2000-beheerplannen reeds uitgevoerd, wat voor een robuust systeem zorgt.
75
Natuurnetwerk Nederland Daarnaast liggen er gebieden die vallen onder het NNN en door de provincie Limburg zijn aangewezen voor natuurontwikkeling. Negatieve beïnvloeding van de NNN-gebieden (vernietiging of verstoring) wordt gecompenseerd. Dit is uitgewerkt in het bijgevoegde compensatieplan (zie bijlage 7).
Relevantie voor het inpassingsplan De compenserende en mitigerende maatregelen die nodig zijn vanwege de aantasting van natuurgebieden, flora en fauna en houtopstanden zijn op verschillende manieren meegenomen in de planvorming. In de regels van dit plan is een aantal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen zodat verzekerd is dat de volgende maatregelen ook daadwerkelijk worden getroffen en in stand worden gehouden: natuurcompensatie binnen het plangebied (incl. de specifieke inrichting van de compensatielocaties), de realisatie van twee vleermuistorens en een huismussentil en de realisatie van een vijftal voorzieningen voor de geleiding van vleermuizen. De gronden waar NNN-compensatie plaatsvindt, zijn opgenomen in dit inpassingsplan en voorzien van een passende bestemming: ‘Natuur’. Tevens zijn voor deze compensatiegronden inrichtingsontwerpen opgenomen met de specifieke inrichting van de locaties. De faunatorens voor zowel de huismus (huismussentil) als de vleermuis(vleermuistorens) en de voorzieningen voor geleiding van vleermuizen zijn ook opgenomen in het bijgevoegde compensatieplan. De fauna torens zijn tevens in zowel de regels als op de verbeelding specifiek aangeduid in verband met de hoogte. Dit compensatieplan is ook gekoppeld aan de regels, waarin hier naar wordt verwezen (voorwaardelijke verplichting).
Daarnaast wordt conform het compensatieplan gewerkt en geacteerd. De benodigde vergunningen / ontheffingen worden aangevraagd. Aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken en opgestelde mitigerende en compenserende maatregelen wordt er vanuit gegaan dat deze ook daadwerkelijk kunnen worden verkregen en dat er dus zicht is op verkrijging hiervan. De maatregelen zijn reeds opgesteld in samenspraak met het bevoegd gezag (Provincie Limburg). Zoals blijkt uit tabel 8 moet voor een aantal soorten een ontheffing worden aangevraagd, aangezien een verbodsbepaling uit de Wnb wordt overtreden. Middels de beschreven maatregelen wordt daarbij verzekerd (mede op basis van de vastgestelde kennisdocumenten van BIJ12) dat aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten geen afbreuk wordt gedaan. Ook is er geen sprake van een andere bevredigende oplossing. In het kader van het ontwerpproces van de N280 Leudal zijn reeds diverse alternatieven multidisciplinair afgewogen, waaronder het aspect natuur, en hieruit is geen gunstiger alternatief gebleken. Doordat hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor ontheffing verlening, zal dus redelijkerwijs ontheffing kunnen worden verkregen. De soortbeschermingsbepalingen van de Wnb staan het plan derhalve niet in de weg.
5.6
Landschap en cultuurhistorie Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘landschap’, de resultaten van de landschapsanalyse, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De meer uitvoerige analyse is opgenomen als bijlage 7 van deze toelichting. Deze rapportages bevatten het volledige onderzoek.
Onderzoekskader Het Landschapskader Noord- en Midden Limburg zoals ook verwoord en toegelicht in paragraaf 4.3.6 van deze toelichting vormt het kader voor het aspect landschap. Daarnaast zijn de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en het monumenten inventarisatieproject het kader voor het aspect cultuurhistorie.
76
Afbeelding 14: Cultuurlandschappen in het studiegebied.
Onderzoeksresultaat Landschap De N280 Leudal loopt door een gebied met een relatief open karakter en een agrarisch grondgebruik. Het is een gebied dat ontstaan is onder invloed van de Maas. Het bestaat uit Maasterrassen, Maasmeanders en beekdalen. Een groot deel van het gebied is te typeren als jonge heideontginning-landschap; het meest westelijk deel van het plangebied is van oorsprong te typeren als Kampenlandschap. De N280 Leudal doorkruist een drietal beekdalen: de Berkven, de Rijdtbeek en de Haelensebeek, maar deze beken zijn thans vanaf de N280 niet altijd in het landschap waarneembaar.
Afbeelding 15: Landschapstypen in het studiegebied (Bron: Landschapskader Noord- en Midden-Limburg)
77
Ten oosten van Baexem is het beekdal van de Haelensebeek gelegen (lichtblauw in afbeelding hiervoor). Deze beek is circa 11 km lang en is vanuit cultuurhistorisch perspectief van belang vanwege de kastelen (Baexem, Exaten en Aldenghoor) die eraan gevestigd zijn. De oorspronkelijke beek is in het verleden gekanaliseerd, maar in 2016 heeft de beek weer een meer natuurlijk meanderende loop gekregen. Op de hoge zandrug (Exatenbosch), gelegen grond ten oosten van de beek, is een groot bos ontstaan. Dit bos was oorspronkelijk opgezet als productiebos (hakhoutbos) en heeft een vrij eenduidig gesloten karakter. Direct rondom het voormalige klooster Exaten, dat thans in gebruik is als AZC, en bij de hoeve staan enkele bijzondere en beeldbepalende bomen (eiken en beuken). Langs de Kasteelweg, bij de villa, staat een markante oude mammoetboom. Ten oosten en zuiden van de kern Baexem zijn oude bouwlanden (velden) aanwezig. Deze zijn in de afbeelding hiervoor met een bruine kleur aangegeven. Het plangebied is te karakteriseren als agrarisch gebied met een relatief open karakter. Doordat bij de keuze voor het tracé van de nieuwe N280 Leudal zoveel mogelijk het tracé van de bestaande weg is gekozen, is de ingreep op het landschap beperkt. Ook de omleiding om Baexem is zo dicht mogelijk tegen de kern gelegen.
Voor wat betreft de landschappelijke structuren langs de N280 Leudal is de bestaande boomstructuur aan weerszijden van de weg van belang. Bij het ontwerp van de N280 Leudal is getracht bestaande bomen langs de N280 zoveel mogelijk te behouden en deze in te passen in het wegontwerp. Als onderdeel van de landschappelijke inpassing van de vernieuwde N280 Leudal wordt het tracé aan weerszijden weer opnieuw aangeplant met bomen zodat het groene lint als nieuwe robuuste groenstructuur door het landschap weer wordt teruggebracht. Hiermee wordt zoveel mogelijk een uniform doorgaand groen lint door het landschap gecreëerd. Enkel ter plaatse van de molen Aurora (in verband met de aanwezige molenbiotoop) en bij het passeren van de hoogspanningslijnen wordt deze groenstructuur noodgedwongen onderbroken. Ook de belevingswaardes van de open- en geslotenheid van het achterliggende landschap worden door de geplande aanpassingen in het landschap niet aangetast. Zo neemt ter plaatse van de twee viaducten de kans op visuele hinder enigszins toe, maar het aantal gehinderde woningen is op deze plekken beperkt. Ter plaatse van de komomleiding Baexem wordt de weg verdiept aangelegd zodat ook hier visuele hinder voor woningen langs het bestaande tracé hier wordt verminderd.
Met betrekking tot het criterium zichtlijnen is er zelfs sprake van een beperkt positief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Door onderbreking van de bomenlaan ter plaatse van de beekdalen worden deze herkenbaarder in het landschap, waardoor historische waarden worden hersteld en versterkt. Er is derhalve nauwelijks sprake van vernietiging van de huidige landschapswaarden. Cultuurhistorie De nieuwe N280 Leudal volgt met uitzondering van de verdiepte ligging ten zuiden van Baexem globaal het tracé van de bestaande N280. Daardoor is geen sprake van het aantasten van historische wegen en transportroutes. Langs de N280 is een laanbeplanting aanwezig in de vorm van volwassen eiken en berken. Vanwege de voorgenomen verbreding van de weg en de aanleg van parallelwegen en kunstwerken, is extra ruimte nodig en kan een deel van de bestaande laanbeplanting niet gehandhaafd blijven. Omdat het karakteristieke oorspronkelijke beplantingsstructuur betreft, is deze vernietiging, ondanks het feit dat deze op de CHW niet zijn aangegeven, toch als negatief effect aan te merken. Als onderdeel van de landschappelijke inpassing van de vernieuwde N280 Leudal wordt het tracé grotendeels aan weerszijden weer opnieuw aangeplant met bomen zodat het groene lint door het landschap weer wordt teruggebracht en dit negatieve effect wordt gemitigeerd.
Ook worden plaatselijk bestaande bosopstanden geraakt, maar doordat het huidige tracé wordt gevolgd, is de omvang van dit negatieve effect beperkt. Tegelijkertijd worden aanwezige karakteristieke beken in het landschap weer beter zichtbaar gemaakt door de bomenlaan langs de N280 hier te onderbreken en in en rondom de beekpassage beekgerelateerde beplanting aan te brengen. Historische waarden worden zo hersteld en versterkt. Ten aanzien van het thema historische bouwkunde is aangegeven dat in het studiegebied verschillende Rijksmonumenten aanwezig zijn. Deze worden als gevolg van de voorgenomen herinrichting van de N280West, wegvak Leudal geen van allen fysiek aangetast. Wel worden vier woningen aangemerkt als MIP ten behoeve van de verbreding van de N280 Leudal geamoveerd. Daarnaast zijn zoals gezegd in het studiegebied meerdere (kruis)beelden aanwezig met historische waarde.
78
Het beeld ‘onze lieve vrouw van de weg’ ter plaatse van de kruising met de Grathemerweg kan blijven bestaan en ook in de toekomstige situatie een markante plek als toegang tot het dorp vormen. Overige kruisbeelden langs de N280 zullen in samenspraak met de belanghebbenden worden verplaatst.
Relevantie voor het inpassingsplan Zoveel als mogelijk is rekening gehouden met het landschap ter plaatse en in de directe omgeving van het plangebied van dit inpassingsplan. Het ontwerp voorziet in een landschappelijke inpassing, zodat de N280 Leudal past in het landschap. Ook is zoveel als mogelijk rekening gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden. De aspecten landschap en cultuurhistorie staan de verdere planvorming en de realisatie van het initiatief niet in de weg.
5.7
Geluid Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘geluid’, de resultaten van het uitgevoerde akoestische onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 8 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Onderzoekskader De geluidswetgeving vanwege wegverkeerslawaai is uitgewerkt in de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder (Bgh). De geluidwetgeving is van toepassing op de aanleg van een nieuwe weg, de wijziging van een bestaande weg of de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van een weg. Dit rapport heeft betrekking op de situatie ‘aanleg van een nieuwe weg’ en op de situatie ‘wijziging van een bestaande weg’. Wettelijke aftrek Op grond van verdere ontwikkelingen in de techniek en het treffen van geluidreducerende maatregelen aan de motorvoertuigen is te verwachten dat het wegverkeer in de toekomst minder geluid zal produceren dan momenteel het geval is. Binnen de Wet geluidhinder is in artikel 110g juncto artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 de mogelijkheid geschapen om deze vermindering van de geluidproductie in de geluidbelasting door te voeren. Deze aftrek bedraagt: a.
b.
c. d. e.
3 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 56 dB is; 4 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 57 dB is; 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting afwijkt van de onder a en b genoemde waarden; 5 dB voor de overige wegen; 0 dB bij de bepaling van de geluidwering van de gevel.
Voor de nieuwe N280 is de aftrek snelheidsafhankelijk voor die wegvakken waarop de snelheid in de nieuwe situatie gelijk zijn aan of meer bedragen dan 70 km/uur. Voor kruisingen en rotondes, waar de feitelijke snelheid lager is, is met betrekking tot de te hanteren aftrek, worst case, aangesloten bij de aftrek die geldt voor de maximale toegestane snelheid ter plaatse. Voor de parallelwegen en aansluitende wegvakken waarop de snelheid in de huidige situatie minder dan 70 km/uur bedraagt, is een aftrek van 5 dB van toepassing.
79
Onderzoeksresultaat Het onderzoek is, conform het gestelde in de Wet geluidhinder uitgevoerd en maakt de geluidbelasting inzichtelijk ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen (woningen) binnen het aandachtsgebied voor geluid, de wettelijk vastgestelde zone, vanwege de nieuw aan te leggen wegdelen en de vanwege de aanleg her in te richten wegdelen van het onderliggend wegennet. De te verwachten geluidbelastingen van de nieuwe weg zijn getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. Ten behoeve van de aanleg wordt een aantal wegdelen van het onderliggend wegennet fysiek gewijzigd (gereconstrueerd). Voor deze wegdelen is bepaald of er sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Hiervan is sprake indien de geluidbelasting (vanwege gezoneerde wegen) ter plaatse van de bestaande en geprojecteerde woningen toeneemt met 2 dB of meer. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het vigerende Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Uit de berekeningen voor de aanleg van het nieuwe wegvak van de N280 bij Baexem blijkt dat voor een aantal woningen de voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt in geen enkel geval overschreden.
Uit de doelmatigheidsafweging blijkt dat het toepassen van het stiller wegdektype SMA NL8 G+ doelmatiger is dan het toepassen van het stiller wegdektype DDB. Het toepassen van schermen stuit op overwegende bezwaren van landschappelijke aard. Na het toepassen van het stiller wegdektype SMA NL8 G+ resteren nog overschrijdingen van de voorkeurswaarde. Hiervoor wordt een hogere waardenprocedure doorlopen. Uit de berekeningen voor die delen van de weg waaraan een fysieke wijziging plaatsvindt, is bij een aantal woningen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder (2 dB of meer toename). Uit de doelmatigheidsafweging blijkt dat het toepassen van het stiller wegdektype SMA NL8 G+ doelmatiger is dan het toepassen van het stiller wegdektype DDB. Voor de woningen waarvoor, zonder maatregelen een reconstructie wordt bepaald, wordt na het toepassen van maatregelen een geluidbelasting berekend die lager is dan de heersende waarde. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt ten hoogste 62 dB ter plaatse van de woning Rijksweg 4. Het akoestisch woon- en leefklimaat is bij een aantal woningen te beoordelen als matig, bij één woning als tamelijk slecht. Er is niet automatisch bij alle woningen sprake van een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting is eveneens bepaald ter plaatse van de gevel met de laagste geluidbelasting.
Deze geluidbelastingen zijn te beoordelen als goed tot redelijk. Dit houdt in dat er een buitenruimte is met een geluidbelasting waarvoor geldt dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geluid. Daarmee is ook sprake van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast hebben alle woningen waarvoor een hogere waarde dient te worden verleend, een geluidluwe gevel danwel verslechtert het woon- en leefklimaat in de woning niet.
Relevantie voor het inpassingsplan Uit het onderzoek blijkt dat het toepassen van het stille wegdektype SMA NL8 G+ conform het Actieplan omgevingslawaai doelmatig is. In de regels van dit inpassingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om ervoor te zorgen dat daadwerkelijk het genoemde stille wegdektype (of vergelijkbare maatregelen) wordt toegepast en in stand wordt gehouden. Hierbij wordt ook verwezen naar het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Het aspect geluid staat de verdere planvorming en de realisatie van het initiatief niet in de weg.
80
5.8
Luchtkwaliteit Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘luchtkwaliteit’, de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 9 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Onderzoekskader De eisen waaraan de luchtkwaliteit moet voldoen zijn opgenomen in titel 5.2 (“luchtkwaliteitseisen”) van de Wet milieubeheer. Hierin is opgenomen dat een project doorgang kan vinden indien aan minimaal één van de volgende eisen wordt voldaan:
Het project resulteert niet in een overschrijding van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Saldering moet plaatsvinden in een gebied dat een functionele of geografische relatie heeft met het plan. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Meer informatie over projectsaldering is te vinden in de Handreiking ‘Projectsaldering luchtkwaliteit 2007’. Het project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is sinds 1 augustus 2009 in werking. In het NSL is het begrip NIBM gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)’ zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een project past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De onder het eerste aandachtstreepje genoemde grenswaarden in de Wet milieubeheer geven een niveau van de buitenluchtkwaliteit dat op een aangegeven tijdstip moet zijn bereikt. Conform de Wet milieubeheer dient rekening te worden gehouden met de concentraties van verschillende stoffen in de lucht. De achtergrondconcentraties in Nederland van zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen zijn dusdanig laag dat geen overschrijding van de luchtkwaliteit aangaande deze stoffen is te verwachten. In het uitgevoerde onderzoek zijn alleen de maatgevende stoffen stikstofdioxide en fijn stof beschouwd. De grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide zijn hierna weergegeven. Zwevende deeltjes (fijn stof) De Wet milieubeheer geeft de volgende grenswaarden voor zwevende deeltjes: PM10: 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie; 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, die 35 keer per jaar mag worden overschreden. PM2,5: 25 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie; Stikstofdioxide De Wet milieubeheer geeft de volgende grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2): 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie; 200 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie, die 18 keer per jaar mag worden overschreden.
Conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl) is getoetst in het jaar waarin activiteiten mogelijk worden vergund dan wel een plan wordt vastgesteld, terwijl tevens aangegeven wordt of de beschouwde situatie in de toekomst past binnen de normen voor luchtkwaliteit.
81
Onderzoeksresultaat In het geval van de realisatie van een nieuwe weg wordt een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt door de mogelijke toename van verkeersbewegingen over de weg en de hierop aansluitende verkeersaders. De emissies vanwege het plan zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur en specifieke plangegevens. Met een verspreidingsmodel is de immissie ten gevolge van het plan berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling overeenkomstig het gestelde in de Wet milieubeheer.
Relevantie voor het inpassingsplan Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor de realisatie van het plan.
5.9
Externe veiligheid Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘externe veiligheid’, de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 10 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Onderzoekskader Transport gevaarlijke stoffen over de weg De regelgeving rond de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de gewijzigde Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) (Stb. 2013, nr. 307). De Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervangt de nota en de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico’s: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het Basisnet is de maximale omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. In de Regeling basisnet is opgenomen waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden.
Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op minder dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, is de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren en de (toename van de) hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt. Risiconormen Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
82
Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een buisleiding verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het transport van gevaarlijke stoffen door die buisleiding. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer buisleiding dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de buisleiding in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met die buisleiding. Voor hogedruk aardgasleidingen is sinds 1 mei 2010 het rekenpakket CAROLA beschikbaar voor het berekenen van de externe veiligheidsrisico's van ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen. CAROLA staat voor: Computer Applicatie voor Risicoberekeningen aan Ondergrondse Leidingen met Aardgas. Het rekenpakket is gebaseerd op een rekenmethodiek die is ontwikkeld door Gasunie en het RIVM.
Onderzoeksresultaten Hierna komen de verschillende onderzoeksresultaten / beschouwingen aan de orde zoals ook opgenomen in bijlage 10. Gebleken is dat het plaatsgebonden risico (PR 10-6) als gevolg van de N280 binnen het wegvak blijft en daarnaast geen PAG geldt voor het wegvak te hoogte van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat deze veiligheidsafstanden géén belemmering opleveren voor de planontwikkeling. Naast het plaatsgebonden risico is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt bij de planvorming. Aangetoond is dat de hoogte van het groepsrisico als gevolg van de N280, zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Wel vindt er een toename van de hoogte van het groepsrisico plaats. Ten westen van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding aanwezig, die verlegd wordt. Op grond van de toekomstige ligging is uit berekeningen gebleken dat de verlegging niet leidt tot een toename van de hoogte van het groepsrisico. Voor de verlegging van deze leiding is in februari 2021 een separaat bestemmingsplan vastgesteld om er zo voor te zorgen dat de nieuwe gasleiding, vooruitlopend op de werkzaamheden ter hoogte van de Kelperbrug, kan worden aangelegd en in gebruik kan worden genomen. De huidige leiding wordt te zijner tijd verwijderd.
Het inpassingsplan N280 Leudal en het bestemmingsplan voor de gasleiding ter hoogte van de Kelperbrug zijn op elkaar afgestemd. Eventuele overige externe veiligheidsrelevante risicobronnen zijn eveneens beschouwd. Gebleken is dat er geen inrichtingen in de nabijheid van het tracé zijn die van invloed zijn op het plangebied. Daarnaast is een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd die Gedeputeerde Staten gebruiken om te komen tot een verantwoording van het groepsrisico. Zie hiervoor bijlage 10 van deze toelichting. Het bevoegd gezag heeft in het kader van deze ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Het onderzoek, aangevuld met het advies van de Veiligheidsregio en de verantwoording van de hoogte van het groepsrisico, wordt ter besluitvorming van de acceptatie van het restrisico aan Provinciale Staten voorgelegd. Bij een ongeval met toxische stoffen kan de brandweer, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De bereikbaarheid van de risicobron is bij een toxisch scenario maatgevend. In geval van een plasbrand zal de inzet van de brandweer vooral gericht zijn op blussen van de plasbrand en eventuele secundaire branden. Opgemerkt wordt dat voor deze weg geen sprake is van een plasbrandaandachtsgebied.