CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting op provinciaal inpassingsplan

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen zienswijze over voornemen gedeputeerde staten voorleggen statenvoorstel vaststelling provinciaal inpassingsplan N280-West, wegvak Leudal37.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Hoe is omgegaan met de ligging binnen de ‘goudgroene natuurzone’ komt aan de orde in paragraaf 5.6 van deze toelichting. Voor het plangebied volgen verder uit de verordening vanuit deze zonering geen specifieke regels die door dienen te werken in dit bestemmingsplan. Ook maakt het plangebied deels onderdeel uit van het extensiveringsgebied intensieve veehouderij. Binnen deze zone is uitbreiding van een intensieve veehouderij niet toegestaan. Het extensiveringsgebied intensieve veehouderij is niet meer op de verbeelding van het inpassingsplan aangeduid omdat dat in relatie tot voorliggend plan niet relevant is.

46

Het plangebied valt deels samen met de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het is verboden de grond te roeren of een boorput of een bodem energiesysteem te maken dieper dan 80 meter. De bijbehorende regeling is opgenomen in voorliggend inpassingsplan. Daarnaast valt het plangebied deels samen met het grondwaterbeschermingsgebied van de winplaats Beegden. Binnen de gemeente Leudal zijn 4 stiltegebieden gelegen. Het betreft de 'Groote en Kleine Moost', 'WiddonkWaterbloem-Weyenhout-Doorbrand', 'Asbroekerheide' en 'Leudal'. Dit zijn rustige en geluidarme gebieden, belangrijk voor de rustzoekende mens en voor dieren die weinig verstoring kunnen verdragen. De meeste luidruchtige activiteiten worden in die gebieden verboden. Op grond van de Omgevingsverordening Limburg geldt voor het plangebied de 'normering regionale waterlast' met een diversiteit aan normeringen. Dit houdt in dat de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht op deze normering. Het is aan de beheerder van de regionale wateren om te zorgen dat deze wateren aan de normering voldoen. De beheerder brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer. Het waterschap Limburg is beheerder van deze regionale wateren.

Op basis van kaart 11 'Grondwaterontrekking' is het zuidelijke deel van het plangebied gelegen binnen de Roerdalslenk. Tevens is een klein deel aangeduid als 'bufferzone verdrogingsgevoelige natuurgebieden'. Op basis van de Keur van het waterschap gelden voor deze gebieden nadere regelingen voor grondwateronttrekkingen en infiltratie van water beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. De provincie streeft ernaar dat Limburg uitstekend bereikbaar is en blijft en daarbij speelt een goed functionerend Regionaal Verbindend WegenNet (RVWN) en spoorwegnet een belangrijke rol. De verkeersdruk op het RVWN leidt op dit moment over het algemeen niet tot duidelijke knelpunten of congestie. Slechts op een beperkt aantal deeltrajecten van enkele wegen is er sprake van een kritische belasting. Niettemin is er vanwege het belang van de bereikbaarheid van Limburg aanleiding om voor de bovenregionaal verbindende wegen van het RVWN via monitoring 'de vinger aan de pols te houden' om tijdig knelpunten te kunnen signaleren en te agenderen. Deze bovenregionaal verbindende wegen zijn voorzien van een reserveringszone om te voorkomen dat zich in de tussentijd op de voor een verbreding benodigde grondstroken ruimtelijke ontwikkelingen voordoen die een dergelijke verbreding in de toekomst bij voorbaat onmogelijk maken of ernstig kunnen belemmeren.

Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat nieuwe bestemmingen worden gerealiseerd die een toekomstige wegverbreding verhinderen en dus weer teniet zouden moeten worden gedaan, met alle planologische procedures van dien. Voorliggend plan voorziet juist in een herinrichting (verbreding) van de N280 Leudal. Daarom is de reserveringszone uit de Omgevingsverordening niet over genomen.

Relevantie voor het inpassingsplan Geconcludeerd wordt dat vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 een aantal zoneringen ter plaatse van het plangebied van toepassing is. Deze zoneringen zijn, voor zover relevant, overgenomen en van een passende regeling voorzien. De N280 Leudal behorende tot het plangebied heeft een reserveringszone waar middels dit inpassingsplan gebruik van wordt gemaakt. Het inpassingsplan voorziet niet in een nieuwe reserveringszone. Met de komst van de Omgevingswet zal ook de Omgevingsverordening worden gewijzigd. Hierin wordt de POVI juridisch verankerd. De behandeling van de ontwerp-Omgevingsverordening met nota van zienswijzen door het college van Provinciale Staten is thans voorzien voor december 2021.

4.3.4

Provinciaal Verkeers- en vervoersprogramma Het POL2014 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid. Deze zijn verder geconcretiseerd in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 (PVVP 2014). Het PVVP is een aanvulling op het POL in de vorm van een programma. Het gaat om thema’s als regionale infrastructuur, waaronder het provinciale wegennet, regionaal openbaar vervoer (trein- en busdiensten), verkeersveiligheid, verkeers- en vervoersmanagement, fietsverkeer, logistiek en goederenvervoer.

47

De provincie Limburg heeft de ambitie om in Limburg naar een betrouwbaar, vlot, veilig en duurzaam vervoer van mensen en goederen te willen, door een gericht aanbod van mobiliteitsvoorzieningen van de zijde van de overheid en door een efficiënt gebruik van deze vervoersvoorzieningen door burgers en bedrijven. Dit betekent een afgewogen keuze van maatregelen en aanpakken:  Selectief. De economische bereikbaarheid en de veiligheid van het verkeer staan voorop.  Duurzaam. De mobiliteit mag bovendien geen verslechtering van de leefkwaliteit opleveren en moet toekomstbestendig zijn.  Gevarieerd. Afhankelijk van het probleem wordt ingezet op benutting, beïnvloeding of facilitering.  Afgewogen. De ruimtelijk-economische noodzaak en de politieke bereidheid om middelen in te zetten bepalen de aanpak.  Gebiedsgericht. Dat wil zeggen: toegespitst op verschillen tussen regio's en behoeften uit regio's.  Flexibel. Het bieden van ruimte, om op grond van de actualiteit nadere accenten te kunnen zetten. Met behulp van het PVVP wil de provincie de bereikbaarheid van Limburg in stand houden en waar nodig verbeteren. Er is nog aan bereikbaarheid te winnen door een betere benutting van de infrastructuurnetwerken en vervoersvoorzieningen die er zijn. Daarnaast valt er echter in een aantal gevallen, waar we een structureel tekort constateren, ook niet te ontkomen aan investeringen.

Onze prioriteit in het mobiliteitsbeleid ligt bij de economische bereikbaarheid. De doorontwikkeling van de Limburgse economie en arbeidsmarkt naar nieuwe, moderne richtingen en sectoren kan in belangrijke mate worden ondersteund door adequate infrastructuurvoorzieningen en mobiliteitsmogelijkheden. Een goede bereikbaarheid en (verkeers)leefbaarheid zijn positieve vestigingsplaatsfactoren voor bedrijven en werknemers. Om de regionale en (inter)nationale bereikbaarheid op termijn op peil te houden moet het gehele mobiliteitssysteem dat tot onze beschikking staat op een optimale manier worden gebruikt. De infrastructuurnetwerken moeten daarvoor op orde zijn, en goed op elkaar afgestemd en met elkaar verbonden zijn. De verschillende modaliteiten moeten in voldoende mate beschikbaar zijn, zodat er goede alternatieven zijn voor de nog altijd dominante (vracht)auto. Het hoofdwegennet (HWN) en regionaal verbindend wegennet (RVWN) moet goed met elkaar zijn verknoopt. Via verkeersmanagement kan het wegverkeer vervolgens zo slim en optimaal mogelijk over dit netwerk worden geleid met technische middelen en actuele reisinformatie. Om de mobiliteitsvraagstukken van de komende decennia aan te pakken, blijft de provincie de eerder gekozen drieslag hanteren.

De provincie wil de beschikbare infrastructuurnetwerken en mobiliteitsvoorzieningen allereerst zo optimaal mogelijk benutten door een betere (technische) organisatie van het verkeer (bijv. door dynamisch verkeersmanagement en voorzieningen voor ketenmobiliteit). Door het zonodig en mogelijk beïnvloeden van burgers en bedrijven in hun mobiliteitskeuzes (bijv. door programma's rond vervoersmanagement, door modal shift, of reisinformatie) wil de provincie sturing geven aan het efficiënter gebruiken van het totale vervoerssysteem en dus van alle vervoersmodaliteiten. Wanneer er echter sprake blijft van een structureel tekort aan capaciteit in de infrastructuur of de vervoervoorzieningen dan zet de provincie in op de optie bouwen. Dat zal naar de toekomst toe, in het licht van de relatieve compleetheid van het mobiliteitsnetwerk (met uitzondering van de grensoverschrijdende verbindingen), dan vooral gaan om de optimalisering van het bestaande (wegen)netwerk en het versterken van de andere vervoerswijzen.

Relevantie voor het inpassingplan Het voornemen is in lijn met bovenstaand programma; het initiatief voorziet in de nadere uitwerking van dit beleid.

48

4.3.5

Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die inde periode 2016-2021 worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water. Vanuit het Provinciaal waterplan is het volgende van belang: in stand houding van een duurzaam watersysteem na aanleg van de N280 Leudal, rekening houdend met de doelstellingen voor de te kruisen watergangen en een duurzame omgang met hemelwater.

Relevantie voor het inpassingsplan Om invulling te geven aan het voorgaande is in het ontwerp van de weg en daarmee ook in het ruimtebeslag van dit inpassingsplan rekening gehouden met de ruimte die nodig is voor onder andere waterberging. Binnen het ontwerp en het inpassingsplan is voldoende ruimte voor waterberging aanwezig en zijn watergangen voorzien van een passende regeling.

4.3.6

(ontwerp) Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Limburg werkt aan een nieuw waterbeheerprogramma, ter opvolging van het Waterplan uit de vorige paragraaf. Het ontwerp waterbeheerprogramma 2022-2027 is inmiddels in procedure gebracht en de vaststelling is voorzien voor december 2020. In de komende periode zet het waterschap in op vier speerpunten: Hoogwaterbescherming in de maasvallei: beschermingen tegen overstromingen vanuit de Maas, onder andere door het aanleggen, onderhouden en versterken van waterkeringen. Klimaatadaptatie: een balans tussen water afvoeren en water vasthouden, rekening houdend met zowel extremere regenval als droogte. Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en terugwinnen en hergebruiken van grondstoffen.

Relevantie voor het inpassingsplan Het nieuwe nog vast te stellen waterbeheerprogramma zal geen specifieke gevolgen hebben voor onderhavig plan. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is in het ontwerp van de weg en daarmee ook in het ruimtebeslag van dit inpassingsplan rekening gehouden met de ruimte die nodig is voor onder andere waterberging. Binnen het ontwerp en het inpassingsplan is voldoende ruimte voor waterberging aanwezig en zijn watergangen voorzien van een passende regeling.

4.3.7

Landschapskader Noord- en Midden Limburg Het Landschapskader Noord- en Midden Limburg biedt een hulpmiddel voor verbetering van landschappelijke kwaliteit bij ontwikkelingen in het landelijk gebied. Kwaliteiten zijn aardkundige en cultuurhistorische waarden en open/gesloten landschappen. Bij het ontwerp van de N280 Leudal is zoveel als mogelijk rekening gehouden met de aanwezige kwaliteiten. Hoe met de openheid en geslotenheid is omgegaan en hoe deze zijn benadrukt bij het ontwerp van de weg is terug te lezen in de paragraaf 2.3.2 en 5.6 van deze toelichting. Het ruimtebeslag van de ‘nieuwe’ weg is zo beperkt mogelijk gehouden om zo het aanwezige landschap zo veel mogelijk te sparen.

Relevantie voor het inpassingsplan Bij de inpassing is rekening gehouden met de landschappelijke waarden. Zie ook paragrafen 2.3.2, 2.4 en 5.6 van deze toelichting.

49

4.3.8

Limburgs Kwaliteitsmenu Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is een instrumentarium dat bijdraagt aan het behoud en versterking van de kwaliteit van de omgeving, door bij ontwikkeling van bebouwing buiten het bestaand bebouwd gebied een tegenprestatie te vragen vanwege het verlies van omgevingskwaliteiten. In 2009 is aan de Limburgse gemeenten gevraagd om dit beleid uit te werken in een gemeentelijk kwaliteitsmenu. Per 1 januari 2012 heeft de provincie de verantwoordelijkheid neergelegd bij de diverse gemeenten om het provinciale LKM nader te concretiseren in een ‘Gemeentelijk Kwaliteitsmenu’ (GKM). Gemeenten hebben – binnen de randvoorwaarden van het LKM – hun kwaliteitsbeleid vervolgens uitgewerkt. Sommigen zelfstandig, sommigen in samenwerkingsverband. De beoordeling ligt bij ‘gemeentelijke of regionale kwaliteitscommissies’. Het LKM is niet van toepassing op de reconstructie van de N280 Leudal. In de meest recente evaluatie (eind 2014) is gekozen voor de continuering van de huidige lijn. Binnen de huidige lijn van het Limburgs Kwaliteitsmenu is er geen module opgenomen voor infrastructuur omdat het hier gaat om een voorziening van algemeen belang. Daarbij is het voor infrastructuur moeilijk om te voldoen aan de voorwaarde om deze in de nabijheid van bestaande bebouwing aan te leggen.

De provincie Limburg is derhalve op basis van haar eigen beleid niet gehouden tot een kwaliteitsbijdrage als gevolg van de aanpassingen aan de weg. Vanuit natuurcompensatieoogpunt is echter wel invulling gegeven aan de inrichting van nieuwe natuurgebieden, als integraal onderdeel van het inpassingsplan. In nauwe samenwerking met een onafhankelijk landschapsarchitect is de landschappelijke inpassing zoals voorzien tot stand gekomen om zo de weg goed in te passen en een duurzame kwaliteitsimpuls te geven aan de nabije omgeving..

Relevantie voor het inpassingsplan Uit het voorgaande blijkt dat geen invulling hoeft te worden gegeven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu.

4.3.9

Beleidsplan fiets 2014 – 2022 Het primaire doel in het Beleidsplan fiets 2014-2022 is om mensen meer te laten fietsen. Om dit te realiseren heeft de Provincie Limburg de volgende werkdoelstellingen geformuleerd die de komende jaren bereikt dienen te worden:  Veiliger fietsen: minder ongevallen waarbij fietsers betrokken zijn.  Makkelijker fietsen: meer comfort voor de fietser in verschillende opzichten.  Leuker fietsen: meer sfeer en beleving voor de fietser.  Sneller fietsen: kortere reistijden om de concurrentiepositie te vergroten  Slimmer fietsen: inzetten van innovaties in relatie tot fietsgebruik.

Relevantie voor het inpassingsplan Langs de huidige N280 liggen fietspaden die onderdeel zijn van het fietsroutenetwerk (utilitair en recreatief). Na herinrichting van de N280 Leudal wordt dit netwerk veiliger.

4.3.10

Investeringsprogramma Toerisme en Recreatie 2016 – 2019 Met het Investeringsprogramma wil de Provincie Limburg het volgende bereiken:  Samen met partners werken aan een toekomstbestendige werkgelegenheid in Limburg.  Stimuleren van en investeren in ondernemerschap.  Prioriteren van projecten met hefboomeffect. De doelstellingen zijn uitgewerkt in drie investeringslijnen: 1. Versterken van het ondernemerschap. 2. Versterken van de Limburgse kracht en infrastructuur. 3. Versterken van één Limburg, marketing en promotie.

50

Relevantie voor het inpassingsplan De Limburgse infrastructuur wordt versterkt door onder andere de maatregelen die dit inpassingsplan mogelijk maakt. Recreatieve voorzieningen zoals Jazz City en het Designer Outlet blijven bereikbaar en worden zelfs beter ontsloten door de maatregelen aan de N280 Leudal.

4.3.11

Beleidskader bodem 2016 In juli 2016 is het geactualiseerde Beleidskader bodem vastgesteld. Dit beleidskader omvat het provinciale beleid voor de aanpak van bodemverontreiniging in Limburg. Het beleidskader is het toetsingskader voor de invulling van de rol van Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag Wet bodembescherming, Wet ruimtelijke ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Besluit bodemkwaliteit. Het beleidskader heeft een tweeledig doel:  het geven van invulling aan de beleidsvrijheid en interpretatieruimte die wet- en regelgeving bieden;  het bijdragen aan een, op hoofdlijnen, uniform beleid binnen de provincie. De provincie heeft in dit beleidskader bepaald dat er op saneringslocaties en vermoedelijke saneringslocaties buiten de gemeenten Heerlen, Maastricht en Venlo sprake is van een provinciaal belang in het kader van het Wet ruimtelijke ordening waarover vooroverleg noodzakelijk is over het ruimtelijke plan. Mede in dit kader, wordt dit bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie. Op de website www.bodemloket.nl zijn voor een groot deel van het plangebied geen gegevens bekend ten aanzien van lopende onderzoeken en/of saneringen. Voor het deel ter plaatse van de Maasplassen is onderzoek uitgevoerd waarbij voor een deel geldt: 'geen noodzaak tot verder onderzoek of sanering' en voor een deel 'verder onderzoek kan noodzakelijk zijn'.

Relevantie voor het inpassingplan De provincie Limburg is bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de benodigde bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor de conclusie en het onderzoeksrapport wordt verwezen naar paragraaf 5.3 en bijlage 4 van deze toelichting.

4.3.12

Verklaring van Roermond Zuinig zijn op vruchtbare landbouwgrond en tegelijkertijd ruimte bieden aan natuur, landschap en al die andere gebruiksmogelijkheden van het platteland. Dát is de kern van de Verklaring van Roermond. De provincie Limburg en de Limburgse Land en Tuinbouwbond (LLTB) bereiden concrete maatregelen voor om dit te bereiken. Dat is uniek, want Limburg is de eerste provincie in Nederland die de gestage afname van landbouwareaal wil stoppen. Allereerst wordt een einde gemaakt aan de vanzelfsprekendheid waarmee landbouwgrond wordt opgekocht voor andere doeleinden. In het kader van de planvorming is getracht om de aantasting van het agrarisch areaal te beperken en agrariërs daarmee zo min mogelijk nadelig te beïnvloeden in hun bedrijfsvoering. Desondanks is aantasting van agrarisch gebied onontkoombaar. Om de voorgenomen activiteiten te kunnen uitvoeren, hoeven geen agrarische bedrijven te worden geamoveerd. Wel is er vanwege het bredere wegprofiel extra ruimte nodig die op dit moment door agrariërs wordt gebruikt. Omdat de nieuwe N280 Leudal zoveel mogelijk op het tracé van de bestaande weg ligt, is het ruimtebeslag op agrarische landbouwgrond zo beperkt mogelijk gehouden.

Relevantie voor het inpassingsplan Bij het ontwerp van de N280 Leudal is rekening gehouden met de ligging ten opzichte van landbouwareaal. De aantasting, doorsnijding van landbouwareaal is zo beperkt mogelijk gehouden.

51

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Structuurvisie Leudal Op 2 februari 2010 heeft de gemeenteraad van de gemeente Leudal de structuurvisie vastgesteld. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. In de structuurvisie ligt bewust de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken. Bij grote projecten is steeds sprake van projectcondities gerelateerde, integrale, complexe afwegingen. In de structuurvisie is het beleid voor de vijf hoofdfuncties 'wonen', 'voorzieningen', 'werken', 'omgevingskwaliteit' en 'mobiliteit' weergegeven. Voor elke functie wordt een vierdeling gemaakt:  Ontwikkelingen die altijd mogelijk moeten zijn;  Ontwikkelingen die de gemeente wil realiseren;  Ontwikkelingen die zouden moeten kunnen;  Ontwikkelingen die voorkomen moeten worden. In deze Structuurvisie geeft de gemeente Leudal aan achter de gedachte van het Kwaliteitsmenu van Limburg (LKM) te staan. Zij geeft hier in deze Structuurvisie haar invulling aan. De wijze waarop de bijdrage per ontwikkeling wordt berekend wordt vastgelegd in de Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal. Uitgangspunt bij deze nota zijn de bouwstenen van het Kwaliteitsmenu van de provincie Limburg.

Deze structuurvisie is uitsluitend zelfbindend voor het orgaan dat de structuurvisie heeft vastgesteld. Aan een structuurvisie zijn burgers noch andere overheden gebonden. Ook de provincie Limburg is derhalve niet gebonden aan deze structuurvisie. In het kader van de mobiliteitsstructuur van Leudal is de toekomstige opwaardering van de N280 van belang voor de gemeente. De N280 Leudal is een project dat aanzienlijke investeringen vergt en de veiligheid in zijn algemeenheid en de bereikbaarheid van Leudal ten goede komt. Daarnaast biedt de opwaardering van de N280 nieuwe kansen voor ontwikkelingen bij Kelpen-Oler en Baexem en draagt ze bij aan de versterking van de ecologische zuid-noord verbinding langs het kanaal. De weg vormt van oudsher een barrière. Door toepassing van uitwisselpunten in de vorm van rotondes en oversteekpunten in de vorm van viaducten en tunnels is er geen toename van de barrièrewerking maar wel een toename van de veiligheid, leefbaarheid en bereikbaarheid bewerkstelligd. Voor landbouwverkeer is een route gecreëerd separaat van de hoofdrijbaan N280 en de fietsers kunnen straks over een bredere en veiligere route hun weg vervolgen. De N280 wordt op landschappelijke wijze ingepast en worden er in brede zin verbeteringen toegepast ten behoeve van flora en fauna. In Kelpen-Oler wordt een transferium voor openbaar vervoer gerealiseerd.

De Provincie Limburg is van mening dat er sprake is van een noodzakelijke maatschappelijke ontwikkeling en een extra kwaliteitsbijdrage voor de aanleg van infrastructuur in dit geval niet aan de orde is.

Relevantie voor het inpassingplan De gemeente Leudal is betrokken bij het proces om te komen tot voorliggend inpassingsplan. Hierbij is er aandacht voor een goede inpassing van de weg in het buitengebied van de gemeente Leudal om zo de aanwezige omgevingskwaliteiten zoveel als mogelijk te behouden. Het LKM biedt geen basis voor het vragen van een kwaliteitsbijdrage vanwege het project N280 Leudal.

4.4.2

Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan In 2015 heeft de gemeente Leudal het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) geactualiseerd. Een duurzaam veilige inrichting van het wegennet en een goede bereikbaarheid van de dorpen onderling en leefbaarheid in de dorpen staat hierbij voorop. De N280 is in dit GVVP ook opgenomen als gebiedsontsluitingsweg in beheer en eigendom van de provincie. De opgave voor herinrichting van deze weg

52

ligt dan ook primair bij de provincie Limburg. De gemeente waakt voor een goede inpassing van de nieuwe weg in de omgeving en volgt daarbij de beleidsnotitie ‘kansen gebiedsontwikkeling N280 Leudal uit 2014.

Relevantie voor het inpassingsplan Bij het ontwerp van de weg is continue aandacht geweest om te komen tot een duurzame, veilige inrichting. Hierbij is rekening gehouden met de bereikbaarheid en leefbaarheid in de kernen.

4.4.3

Geldende bestemmingsplannen In paragraaf 1.3 van deze toelichting wordt ingegaan op de ter plaatse van het plangebied van dit inpassingsplan geldende bestemmingsplannen.

53

5

OMGEVINGSASPECTEN Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en belangenafweging (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Om tot een gedegen planontwikkeling te komen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd. Voor uitgebreidere informatie wordt verwezen naar de feitelijke onderzoeken in de bijlagen.

5.1

M.e.r. Hierna wordt ingegaan op het MER dat is opgesteld in het kader van de planvorming. De resultaten van de m.e.r. en het onderzoekskader komen aan de orde, waarna de relevantie voor het inpassingsplan wordt aangegeven. Het MER is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige MER met bijbehorende onderzoeken en achtergronddocumenten.

Onderzoekskader In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 7) en in het Besluit m.e.r. is geregeld dat plannen of besluiten (zoals een PIP) met mogelijk significante negatieve gevolgen voor het milieu moeten worden getoetst op hun effecten. Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. De nieuwe N280 wordt geen autoweg in termen van de ontwerprichtlijnen van het CROW, zijnde ‘een regionale stroomweg met een snelheidsregime van 100 km/h’, maar wel een autoweg zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Het ontwerp voor de gewijzigde N280 Leudal is namelijk zodanig dat dit in het PIP moet worden aangeduid als een autoweg. Op basis van interpretaties van de toelichtingen bij de teksten van wet- en regelgeving alsmede jurisprudentie4 moet worden vastgesteld dat in dit geval de huidige weg (lees: de huidige N280) in het kader van het Besluit m.e.r. volledig wordt vervangen door een autoweg en dat derhalve in de zin van het Besluit m.e.r. sprake is van de aanleg van een autoweg.

Dit valt dus onder categorie C 1.2, zonder ondergrens, zodat wordt geconcludeerd dat het inpassingsplan voor het gehele tracé moet worden aangemerkt als een m.e.r.-plichtig besluit. Omdat voorliggend inpassingsplan de reconstructie van de N280 Leudal concreet bestemt en de realisering ervan direct en rechtstreeks mogelijk zal maken, is sprake van een Project-m.e.r.-plicht. Daarnaast geldt er een directe Plan-MER-plicht in gevolge artikel 7.2a Wm. In de uitgevoerde voortoets Natura 2000 (zie bijlage 6) is namelijk geconcludeerd dat als gevolg van de aanleg en het gebruik van de nieuwe N280 Leudal significante effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden in de omgeving (zie ook paragraaf 9.2.3 van bijgevoegd MER) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Hierdoor is het uitvoeren van een passende beoordeling aan de orde (zie bijlage 6).

Onderzoeksresultaat In het MER is een nadere analyse van de huidige en toekomstige situatie op de N280 tussen Weert en Roermond uitgewerkt. Die analyse laat de noodzaak zien voor maatregelen die de doorstroming bevorderen, aangezien deze op diverse wegvakken en kruispunten momenteel al wordt belemmerd en deze problemen in de toekomst, zonder aanvullende maatregelen, zullen verergeren. De weg staat bovendien hoog in de ranking van meest onveilige wegen in de Provincie Limburg. Er zijn geen parallelwegen voor landbouwverkeer, waardoor onveilige situaties en doorstromingsproblemen optreden en de oversteekbaarheid plaatselijk beperkt is.

4 Uit uitspraak Europees Hof van Justitie HvJ EG 25 juli 2008 C 142/07 blijkt dat begrip ‘aanleg’ ruim moet worden

geïnterpreteerd.

55

Het (vracht)verkeer levert hinder op (akoestiek, luchtkwaliteit en trillingen) in de nabijgelegen woongebieden aan weerszijden van de weg. Vooral inwoners van Baexem geven aan overlast te ervaren. Op basis van de probleemanalyse zijn de volgende projectdoelstellingen voor het project gedefinieerd:  Het stimuleren van de regionaal-economische ontwikkeling en ambities voor de regio Midden-Limburg;  Het stimuleren van een aantal specifieke projecten en ambities;  Het oplossen van de doorstromingsproblemen;  Het oplossen van de leefbaarheids- en verkeersveiligheidsproblemen. Daarbij gelden enkele randvoorwaarden:  De maatregelen moeten realistisch zijn;  De maatregelen moeten bijdragen aan behoud en verdere ontwikkeling van natuur en landschap;  Negatieve effecten voor de natuur, land- en tuinbouw moeten zo beperkt mogelijk zijn;  Het wegontwerp moet voldoen aan de richtlijnen voor een duurzaam veilige inrichting conform Duurzaam Veilig. Op grond van de toetsing van de verschillende milieuaspecten die in het kader van de m.e.r. heeft plaatsgevonden wordt geconcludeerd dat met het plan grotendeels aan de geformuleerde doelstellingen wordt voldaan en er vanuit milieuoogpunt geen waarneembaar verschil in effect bestaat tussen het planvoornemen en de variant met de Hubert Cuyperslaan in twee richtingen.

In beide gevallen speelt het milieubelang met dit MER een volwaardige rol in de besluitvorming over het PIP voor de nieuwe N280 Leudal. In paragraaf 16.2 van het MER is aangegeven in welke mate de verschillende projectdoelstellingen worden behaald. Hieruit blijkt dat alle projectdoelstellingen ten aanzien van het stimuleren van de regionale economie en de verbetering van de doorstroming worden bereikt. Voor het oplossen van de leefbaarheids- en verkeersveiligheidsdoelstellingen is geconstateerd dat een aantal doelstellingen wel wordt behaald, en voor een aantal criteria de doelstellingen niet volledig worden behaald.  Voor de barrièrewerking van de N280 voor Baexem is gesteld dat ook in de toekomstige situatie een weg door de kern blijft lopen, al wordt deze weg wel een stuk rustiger.  Voor luchtkwaliteit blijkt dat nauwelijks verschillen waarneembaar zijn tussen de berekende luchtkwaliteit voor de toekomstige situatie (na realisering van de voorgenomen activiteit) en de referentiesituatie. Uit het verkeersmodel blijkt een afname van de verkeersintensiteiten binnen de bebouwde kom van Baexem. Lokaal zal de luchtkwaliteit verbeteren, maar de berekende concentraties zijn echter zodanig dat deze op objectniveau niet waarneembaar zijn en de achtergrondconcentraties niet beïnvloeden.

De doelstelling ’verbetering van de luchtkwaliteit in de bebouwde kom van Baexem’ is daarom niet aantoonbaar behaald.  Ook de doelstelling het reduceren van trillingshinder in het plangebied wordt niet behaald. Uit het trillingsonderzoek blijkt dat bij een aantal woningen de trillingssterkte in de toekomstige situatie (na realisering van de nieuwe N280 West, wegvak Leudal) beperkt toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Dit komt doordat de weg in de toekomstige situatie dichter bij deze woningen komt te liggen. Berekend is dat zowel in de huidige als de toekomstige situatie sprake is van een goed woonen leefklimaat voor het aspect trillingen. Uit het MER en de aanvullende afwegingsnotitie is gebleken dat de effecten van het oorspronkelijke planvoornemen en de variant met tweerichtingenverkeer op de Hubert Cuyperslaan niet onderscheidend zijn. Gelet op deze constateringen en de nadrukkelijke gemeentelijke voorkeur voor het inrichten van de Hubert Cuyperslaan voor verkeer in twee richtingen, is ervoor gekozen om dit als basis te hanteren voor de nadere planuitwerking, het definitief ontwerp en het inpassingsplan. De nadere onderzoeken in het kader van dit inpassingsplan zijn zodoende allen gebaseerd op het plan waarbij de Hubert Cuyperslaan is ingericht voor verkeer in twee richtingen.

Mede op basis van dit MER hebben Provinciale Staten in de ogen van de initiatiefnemer voldoende inzicht in de milieueffecten van het planvoornemen om tot besluitvorming over te gaan.

56

Relevantie voor het inpassingsplan Het aspect milieu is in de volle breedte meegenomen in het besluit tot het vaststellen van het inpassingsplan N280 Leudal.

5.2

Waterparagraaf Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘water’, de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 3 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.

Onderzoekskader Grondwaterbeschermingsgebied winning Beegden De N280 doorkruist het grondwaterbeschermingsgebied van de winning Beegden van WML. In dit gebied dat als beschermingszone voor grondwater bedoeld voor de productie van drinkwater is aangeduid gelden regels ten aanzien van de activiteiten die hier niet uitgevoerd mogen worden. Deze regels zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening van Provincie Limburg (2014), hoofdstuk 4 Milieubeschermingsgebieden. Een belangrijk punt uit deze regels is dat het verboden is de grond dieper dan drie meter beneden maaiveld te roeren. Daarnaast mag eventueel toegepaste grond de maximale waarde van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijden. In het kader van de planvorming gaat het om het verkrijgen van de ontheffing ten aanzien van infiltratie van afstromend hemelwater en hieraan gestelde eisen. Conform de Omgevingsverordening kunnen namelijk ontheffingen voor de onder ‘relevante wetgeving’ genoemde artikelen worden verleend. Deze ontheffingen worden verleend door Gedeputeerde Staten. De eisen die aan het verlenen van een ontheffing worden gesteld zijn besproken met de provincie Limburg. Nadere detaillering vindt plaats bij de ontheffingsaanvraag en – verlening. Ter plaatse van de verdiepte ligging te Baexem komt de weg op ongeveer 7 m-mv te liggen.

Dit is besproken met de provincie en geconcludeerd dat voor het dieper graven dan 3 m geen aanvullende extra eisen gesteld worden bovenop de eisen die reeds gelden. Boringsvrije Zone Roerdalslenk Het tracé van de N280 ligt in de Roerdalslenk, zone III. In de Omgevingsverordening van Provincie Limburg (2014), hoofdstuk 4 Milieubeschermingsgebieden is vastgelegd welke regels binnen deze zone gelden. Deze regels betreffen met name het roeren van de grond en het slaan van boorputten dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Voor de N280 Leudal geldt dat de grond niet dieper dan 80 m-mv (tot aan de Bovenste Brunssumklei) geroerd mag worden. Deze dieptes worden op het tracé, met de werkzaamheden aan de N280 Leudal niet bereikt. De ligging van het tracé in de Roerdalslenk heeft daarom geen gevolgen voor de werkzaamheden. Leggerwatergangen Het te reconstrueren gedeelte van de N280 Leudal kruist een aantal leggerwatergangen. Deze watergangen zijn in het beheer van Waterschap Limburg. Vooralsnog gelden hier echter de regels uit de keur van het voormalig Waterschap Peel en Maasvallei. De kruisingen nemen de vorm aan van overkluizingen of bruggen. Regenwaterbergingseisen Het projectgebied van N280 Leudal valt in het beheergebied van voormalig Waterschap Peel en Maasvallei (het huidige Waterschap Limburg). Wat betreft regenwaterberging gelden hier de eisen van dit waterschap.

De Eisenbibliotheek Provincie Limburg, Asset – Afwatering (16-06-2016) heeft deze eisen wat betreft afwatering overgenomen van het waterschap. De Provincie Limburg heeft deze als volgt in de Eisenbibliotheek opgenomen:  De afwatering in het beheersgebied van Waterschap Peel en Maasvallei dient hemelwater tot een neerslaggebeurtenis (regenbui) van eens per 10 jaar (T=10, 50 mm), te kunnen bergen. Hierbij dient een waakhoogte van 0,5m te worden gehanteerd.”

57

“De afwatering in het beheersgebied van Waterschap Peel en Maasvallei dient wateroverlast te voorkomen tot een neerslaggebeurtenis (regenbui) van eens per 100 jaar (T=100, 84 mm).”

Eisenbibliotheek Provincie Limburg De Provincie Limburg heeft voor de waterhuishouding van de door hun beheerde assets een eisenbibliotheek opgesteld. Deze eisenbibliotheek is opgesteld ten behoeve van de contractvoorbereiding van UAV-GC en RAW contracten. Bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan dat als bijlage is toegevoegd is gebruik gemaakt van deze eisenbibliotheek. Voor de waterhuishouding wordt door de provincie de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd:  Infiltratie in berm(sloot).  Infiltratie via infiltratievoorziening.  Afvoeren via rioleringsstelsel. Voor de watertoets relevante eisen met betrekking tot de waterhuishouding en de bermsloten:  Het hemelwatersysteem dient zodanig te functioneren dat geen plasvorming op wegen ontstaat als gevolg van de maatgevende regenbui met herhalingstijd T=10. De afvoercapaciteit van het hemelwatersysteem moet daarom gedimensioneerd worden met een continue neerslagintensiteit van ten minste 184 l/s/ha.  (Berm)sloten dienen voorzien te zijn van een talud 1:1.  De bodembreedte van de (berm-) sloten naast de provinciale weg [N280] dient minimaal 0,50 m te bedragen.  (Berm)sloten dienen hemelwater te verzamelen, te bergen en te infiltreren en/of af te voeren.  Infiltratievoorzieningen moeten binnen 24 uur beschikbaar zijn voor een volgende neerslaggebeurtenis.

 De infiltratievoorzieningen moeten open voorzieningen worden en op natuurlijke wijze ingepast worden in de beschikbare ruimte.  De infiltratievoorzieningen moeten een talud hebben tussen de 1:1 en 1:5. Minimaal één zijde moet een talud hebben van 1:5 zodat de buffer toegankelijk is voor beheer en onderhoud. Betreffende de drooglegging: verhardingen dienen te zijn voorzien van een drooglegging van minimaal 0,6 meter boven de capillaire opstijging van het grondwater (GHG) gerekend vanaf de bovenzijde van de verhardingsconstructie. Grondwaterstanden bij verdiept aan te leggen locaties en effecten daarvan Binnen de scope van het project vallen enkele onderdelen met een verdiepte ligging. Het betreft enkele kunstwerken (fiets- en voetgangerstunnels) en de verdiepte ligging van de N280 bij Baexem. Aangezien deze onderdelen een verdiepte ligging hebben zijn voor deze onderdelen de grondwaterstanden nader beschouwd. De nadruk ligt hierbij op de GHG en de historisch hoogste grondwaterstanden. Per kunstwerk is inzichtelijk gemaakt wat de consequenties zijn voor de grondwaterstanden en wat eventuele consequenties zijn voor de kunstwerken. Hieruit blijkt dat de aanleg van de kunstwerken wat betreft de gemeten grondwaterstanden en grondwaterstromingen niet op bezwaren stuit.

Wanneer er onverhoopt sprake blijkt te zijn van een dunne ondoorlatende laag, nabij de kunstwerken, waardoor water niet lijkt weg te kunnen stromen, dan kunnen maatregelen worden getroffen. Met behulp van drainage en/of begreppeling valt een eventuele stijging te mitigeren (als die al niet aanwezig is). Oppervlaktewater De N280 Leudal kruist een aantal leggerwatergangen. Bij het bepalen van de inpassing van deze leggerwatergangen is de Keur van het waterschap in acht genomen. Alle kruisende leggerwatergangen worden voorzien van een ecoduiker. Hierover heeft overleg plaats gevonden met Waterschap Limburg. De aangereikte uitgangspunten per kruisende watergang zijn in het waterhuishoudkundig plan weergegeven. De watergangen zijn in dit inpassingsplan voorzien van een passende regeling. Bergingsopgave Het regenwater dat op het te reconstrueren gedeelte van de N280 valt komt tot afstroming en wordt opgevangen. Op het merendeel van het traject worden aan weerszijde van de te reconstrueren N280

58

bermsloten aangebracht. De bermsloten moeten minimaal 50 mm kunnen bergen (uitgaande van het aangesloten verharde oppervlak). Daarnaast mag bij een neerslaggebeurtenis waarbij in relatief korte tijd 84 mm neerslag valt geen wateroverlast ontstaan op percelen van derden. Omdat bij 84 mm de sloten niet tot wateroverlast mogen leiden, toetsen we het ontwerp op de bergingseis van 84 mm. Op basis van de oorspronkelijke principeprofielen is de bergingsopgave bepaald. De verdiepte ligging komt vanwege de GHG in een waterdichte bak te liggen. Afstromend regenwater wordt middels een pomp naar een hoger gelegen bergingsvoorziening (greppel) gepompt. Ook voor de fiets- en voetgangerstunnels worden dergelijke voorzieningen getroffen. Op een aantal plaatsen kunnen in aansluiting met andere wegen de greppels niet (helemaal) gerealiseerd worden, óf wordt meer verharding aangebracht waardoor de greppels niet voldoende bergingscapaciteit hebben. Bijvoorbeeld nabij de viaducten en nabij Kelperbrug zijn voorzieningen (wadi’s) voorzien om extra regenwater op te vangen. Dit geldt ook op enkele wegvakken, waar binnen de groenzones extra regenwater kan worden opgevangen.

Relevantie voor het inpassingsplan In het kader van het uitgevoerde waterhuishoudkundig onderzoek is gekeken naar de (mogelijke) veranderingen van de grondwaterstromen ter hoogte van de verdiepte ligging van de N280 bij Baexem en de verschillende fiets- en voetgangerstunnels. De aanleg van de kunstwerken stuit wat betreft de gemeten grondwaterstanden niet op bezwaren. De realisering van de voorgenomen activiteiten beïnvloedt de grondwaterkwaliteit niet. De N280 Leudal kruist verschillende watergangen. In het ontwerp zijn aanpassingen aan de watergangen meegenomen zodat het systeem in stand kan blijven. In het waterhuishoudkundig onderzoek is voor elk van deze watergangen de toekomstige situatie beschreven. Ook de waterkwaliteit van de regionale oppervlaktewateren zal niet worden beïnvloed als gevolg van de voorgenomen reconstructie van de weg. In de regels van het inpassingsplan is binnen de verschillende bestemmingen rekening gehouden met de mogelijkheden voor het (eventueel) bergen van hemelwater. Watergangen die zijn of worden opgenomen in de Keur van het Waterschap Limburg zijn (weer) voorzien van de bestemming ‘Water’ en zijn op deze manier beschermd. In lijn met de reeds geldende regeling voor de grondwaterbeschermingsgebieden is deze regeling ook in dit inpassingsplan opgenomen.

In het voortraject heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met provincie en Waterschap Limburg. Het aspect water staat de aanleg van de N280 Leudal niet in de weg.

5.3

Bodem Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘bodem’, de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 4 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.

Onderzoekskader In het kader van de planvorming voor dit inpassingsplan is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd vanuit milieukundig oogpunt. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van gegevens over de bodemkundige opbouw, de geohydrologie en over de milieu-hygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Op basis van de verzamelde gegevens worden verwachtingen (hypothesen) opgesteld ten aanzien van de aan- of afwezigheid, de plaats van voorkomen en de ruimtelijke verspreiding van chemische bodemverontreiniging én asbest in de grond. Voor het verkrijgen van de gegevens zijn allerhande informatiebronnen geraadpleegd, zoals literatuur, internetsites, eerder uitgevoerde onderzoeken en eventuele milieu- en vergunningendossiers. De noodzakelijke diepgang van het vooronderzoek is afhankelijk van het historisch grondgebruik en de mate van verdenking van verontreiniging. Voor historisch onverdachte (deel-)locaties (met onverdacht grondgebruik) volstaat een beperkt vooronderzoek. Voor deellocaties met een langdurig, bodembedreigend grondgebruik moet een uitgebreid vooronderzoek worden uitgevoerd. Het vooronderzoek heeft niet alleen betrekking op het plangebied maar ook op de directe omgeving daarvan (tot een afstand van circa 25 meter).

Het vooronderzoek conform NEN 5725 vormt het uitgangspunt voor eventueel uit te voeren verkennend milieukundig bodemonderzoek conform NEN 5740 (naar de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater), nader bodemonderzoek conform de NTA

59

5755 (naar de mate en omvang van chemische bodemverontreiniging) en/of verkennend of nader onderzoek conform NEN 5707 (naar asbest in de grond). In aanvulling op het historisch vooronderzoek is een aanvullend vooronderzoek uitgevoerd om te bepalen of de grond verdacht is op de aanwezigheid van PFAS en GenX in de (water)bodems ter plaatse. Hierbij is rekening gehouden met het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (juli 2020).

Onderzoeksresultaat Op basis van het vooronderzoek (bureaustudie) en uitgevoerde terreininspecties zijn de volgende conclusies getrokken, met betrekking tot de bodemkwaliteit binnen de onderzoek locatie. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn op basis van het vooronderzoek verschillende verdachte locaties en bodembedreigende activiteiten aanwezig of bekend die mogelijk hebben geleid tot verontreiniging van de bodem (grond en grondwater). Overige woon- en bedrijfspercelen worden vooralsnog aangemerkt als onverdacht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is voor een aantal locaties aanvullend bodemonderzoek aanbevolen, maar de resultaten daarvan zijn niet bepalend voor de besluitvorming die thans voorligt. Daarnaast is aanvullend onderzocht of ter plaatse van de bestaande N280 teerhoudend asfalt aanwezig is en wat de aard van het funderingsmateriaal onder de asfaltwegen is. Resultaten zijn gebruikt voor het bepalen van de investeringskosten. In de afbeelding hierna zijn de locaties opgenomen waar onderzoek heeft plaatsgevonden. In de tabel na de afbeelding is een overzicht opgenomen van verdachte locaties binnen het plangebied en directe omgeving.

Afbeelding 15: Locaties waar bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Bron: Ondergrondportaal Provincie Limburg

60

Locatie adres Rijbanen en fietspaden (verharding) Funderingsmateriaal

Li-code n.v.t.

Verdacht / onverdacht Verdacht (teerhoudend asfalt)

parameters PAK

n.v.t.

Zware metalen, PAK, minerale olie, asbest

Ondergrond (t.p.v. verhardingen) Landbouwgronden Toeritten naar landbouwpercelen Bermen

n.v.t.

Verdacht, vanwege onbekend aard en onbekende milieuhygienische kwaliteit Verdacht, vanwege verontreinigd bovenliggend funderingsmateriaal Onverdacht Verdacht (vanwege aanwezigheid van puin) Verdacht (als gevolg van het wegverkeer)

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Zware metalen, PAK, minerale olie, Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest Zware metalen, PAK, minerale olie

Locatie adres Watergangen (kanaal, beken) Watergangen (greppel, lossing en/of sloten) langs wegen Natuur- en bosgebied Rijksweg Zuid 2, Kelpen (half-verharding)

Li-code n.v.t.

Rijksweg Zuid 2, Kelpen (Cafe Vossen) Rijksweg zuid 3, Kelpen (Restaurant de Molshoof)

n.v.t.

Rijksweg zuid 4, Kelpen (woonperceel)

n.v.t.

Rijksweg zuid 4, Kelpen (akkerland) Rijksweg zuid 8, Kelpen Kelperweg 45, Kelpen Kelperheide 26, Kelpen (bedrijfsterrein den Ouden) Kelperheide 38, Kelpen

n.v.t. Li 092000272 n.v.t. n.v.t.

Kelperheide 55, Kelpen

n.v.t.

Kelperheide 57, Kelpen

n.v.t.

Ellerweg 2b, Kelpen

n.v.t.

Rijksweg Noord 6, Kelpen Kasteelweg 1, Baexem Kasteelweg 2, Baexem

n.v.t. n.v.t. Li 092000013

Kasteelweg 5,Baexem

n.v.t.

Rijksweg 2a, Baexem (noordelijk)

Li 092000036

n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

Li 092000128

n.v.t.

Verdacht / onverdacht Verdacht (als gevolg van verontreinigd slib) Verdacht (als gevolg van verontreinigd afstromend regenwater) Onverdacht Verdacht, a.g.v. bedrijfsactiviteiten (parkeren) en half verhardingsmateriaal Verdacht (a.g.v. bedrijfactiviteiten) Verdacht (parkeerplaats, onbekend funderings-materiaal en historisch gebruik) Verdacht (olietanks, asbesthoudend plaatmateriaal, teerhoudend asfalt) onverdacht Onverdacht Onverdacht Verdacht (opslag grond en onbekend funderingsmateriaal) Verdacht (aanwezigheid onbekend gronddepot en ligging aan de N280) Verdacht (astbesthoudende golfplaten en historische acitviteiten) Verdacht (asbesthoudende golfplaten) Verdacht (onbekende kwaliteit grond in wal) Onverdacht Onverdacht Verdacht (landbouwmachinefabriek en brandstoftanks) Verdacht (asbesthoudende golfplaten) Onverdacht (huidig tankstation, bodemsanering uitgevoerd

parameters Zware metalen, PAK, minerale olie, PCB Zware metalen, PAK, minerale olie Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest Zware metalen, PAK en minerale olie Zware metalen, PAK, minerale olie en asbest Asbest Zware metalen, PAK en minerale olie Zware metalen, PAK, PCB en minerale olie Asbest -

Tabel 5: Overzicht verdachte locaties binnen het plangebied en directe omgeving In het aanvullend vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van PFAS en GenX in de (water)bodems ter plaatse van het plangebied is geconcludeerd dat: Landbouw en natuurpercelen in het plangebied als onverdacht zijn te beschouwen op de aanwezigheid van PFAS en GenX. Diffuse verontreinigingen door het gebruik van landbouwbestrijdingsmiddelen kunnen echter niet worden uitgesloten, maar verwacht wordt dat de PFAS-gehalten echter lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden. Particuliere en bedrijfspercelen in het algemeen als onverdacht zijn te beschouwen op de aanwezigheid van PFAS en GenX. Ter plaatse van het perceel aan de rijksweg 3-5B is de bodem aangemerkt als potentieel verdacht op PFAS vanwege een calamiteit (blussen van een buitenbrand in 2011). Wegbermen binnen het plangebied zijn als onverdacht te beschouwen ten aanzien van de aanwezigheid van PFAS en GenX. De ondergrond ter plaatse van bestaande verhardingen (rijbaan, fietspaden, bushalten) zijn vanwege de aanwezigheid van een duurzame aaneengesloten verharding onverdacht ten aanzien van de aanwezigheid van PFAS en GenX.

61

-

-

De aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS in de bodem van de watergangen wordt niet uitgesloten, maar de gehalten in het slib zullen naar verwachting lager zijn dan de waarden voor functieklassen ‘wonen en industrie’. GenX wordt in de waterbodem niet verwacht. De grond in de aanwezige (geluids)wallen is als onverdacht te beschouwen ten aanzien van de aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS en GenX.

Aanvullend onderzoek Bedrijfs- en woonpercelen Aan de hand van het vooronderzoek is geadviseerd om uitsluitend de woon- en bedrijfspercelen te onderzoeken die worden aangekocht of waar daadwerkelijk (graaf-) werkzaamheden worden uitgevoerd. Vooralsnog is niet voorzien dat ook percelen aanwezig zijn die een gevoeligere functie krijgen dan op dit moment het geval is. Indien dit het geval zou zijn zou onderzoek mede in het kader van de herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan noodzakelijk zijn. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de NEN 5740+A1. Voor zover zich binnen of direct naast het definitieve tracé asbesthoudende bebouwing bevindt, moet ter plaatse verkennend onderzoek worden uitgevoerd conform NEN 5707 om vast te stellen of een verontreiniging met asbest in de grond aanwezig is. Hoewel de bodem ter plaatse van het voormalig tankstation aan de Rijksweg 2a te Baexem is gesaneerd, wordt geadviseerd om ter verificatie nog wel bodemonderzoek uit te voeren. Wegen en fietspaden(verharding, fundering en ondergrond) De teerhoudendheid van het asfalt van de wegen en de fietspaden moet worden vastgesteld conform de CROW publicatie 210 (richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt). De funderingsmaterialen moeten worden onderzocht op de milieuhygiënische kwaliteit.

Indien het funderingsmateriaal bestaat uit puin of puin met grond dan is het materiaal verdacht ten aanzien van een verontreiniging met asbest. Het funderingsmateriaal moet dan worden onderzocht conform de NEN 5707 (asbest in grond) of conform de NEN 5897 (asbest in puin). De ondergrond (bodem) dient milieuhygiënisch te worden onderzocht conform de NEN 5740+A1. Watergangen Indien met de herinrichting en de aanleg van de N280 watergangen worden gedempt of vergraven, dan dient de waterbodem onderzocht te worden middels een verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 (bodem-Waterbodem, strategie voor het uitvoeren van verkennend waterbodemonderzoek en baggerspecie). Bij eventuele ingrepen in de waterbodem van het kanaal Wessem-Nederweert, de Rhijdt of de Haelense beek, moeten deze eveneens worden onderzocht middels een verkennend waterbodem-onderzoek. Vooralsnog worden uitsluitend die watergangen onderzocht die op de BGT (Basisregistratie Grootschalige Topografie) zijn opgenomen. Landbouwgrond, natuur- en bosgebieden De landbouwgronden en het natuur- en bosgebied binnen het plangebied zijn onverdacht. In de bovengrond (tot circa 0,5 m –mv) worden geen of hoogstens marginaal verhoogde gehalten verwacht met zware metalen. In de ondergrond (van 0,5 tot 2,0 m –mv) worden geen verontreinigingen verwacht. Een verontreiniging met asbest wordt niet verwacht.

Een uitzondering hierop zijn de inritten (veelal dammen) naar landbouwpercelen. De inritten zijn in het verleden mogelijk aangevuld met puinhoudende grond en derhalve asbest verdacht. Grondwater Het grondwater binnen het plangebied (met uitzondering van de verdachte locaties) is vooralsnog onverdacht ten aanzien van verontreinigingen. Wel kunnen in het grondwater van nature licht tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen (met name nikkel) worden verwacht. Grondverzet Bij afvoer van grond of bij hergebruik van vrijkomende grond elders binnen het plangebied kunnen aanvullende kwaliteitsgegevens vereist zijn, bijvoorbeeld ten aanzien van PFAS. Hierbij wordt rekening gehouden met de Nota bodembeheer, en eisen van acceptanten.

62

Relevantie voor het plan Hiervoor aangehaalde, geadviseerde nadere onderzoeken worden, zoals besproken met de provincie Limburg, te zijner tijd (ten behoeve van de uitvoering) uitgevoerd. Het aspect bodem staat de verdere planvorming en realisatie van het initiatief niet in de weg.

5.4

Archeologie Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘archeologie’, de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek. In bijlage 5 zijn de achtergrondrapporten met betrekking tot archeologie opgenomen.

Onderzoekskader Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (2006) en de Erfgoedwet (2015) is de zorg voor de archeologische belangen grotendeels een verantwoordelijkheid van de gemeente geworden. Het doel hiervan is de archeologische waarden op verantwoorde wijze te integreren in het ruimtelijk beleid. De gemeente Leudal heeft dit verwoord in het Beleidsprogramma Archeologie 2020-2023.

Onderzoeksresultaat In het kader van de planvorming voor dit inpassingsplan zijn een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd langs de N280 in de gemeente Leudal. Het plangebied ligt op Maasterrassen die doorsneden worden door oude Maasgeulen. In het zuidoostelijke deel van het plangebied ligt een zone met lage landduinen. De Maasafzettingen zijn afgedekt met dekzand, fluvioperiglaciale afzettingen en beekafzettingen. Er zijn diverse vindplaatsen bekend in het plangebied. Het gaat om vindplaatsen uit de Steentijd, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Westelijk van Baexem ligt een AMK-terrein uit de Steentijd binnen het plangebied. Vooral in het dal van de Haelensebeek liggen veel vindplaatsen, wat mogelijk deels met de hoge onderzoeksintensiteit te maken heeft. Hier liggen maar liefst vier omgrachte terreinen: kasteel Baexem, kasteel Exaten, Huis Brias en De Borg. Het dorp Baexem wordt voor het eerst vermeld in de 13e eeuw; het plangebied doorsnijdt de historische kern ervan. Ten zuidwesten van Baexem op de westelijke oever van de Haelensebeek lagen de uitgestrekte akkers, terwijl in het beekdal van de Haelensebeek meer sprake was van weilanden. Op de oostelijke oever was eveneens sprake van een kleine zone met akkers, terwijl verder naar het oosten richting Horn sprake was van heide.

In het westen van het plangebied ligt het dorp Kelpen-Oler, dat voor het eerst in de 14e eeuw vermeld wordt. Het historische landschap wordt hier door kampontginningen met houtwallen gekenmerkt: een afwisseling van akkers op de hoge landschapsdelen en weilanden in de wat lager gelegen landschapsdelen. De zone tussen Kelpen-Oler en Baexem bestond tot in de 19e eeuw bijna helemaal uit heide. In de loop van de 19e eeuw wordt de provinciale weg aangelegd op de plek waar hij nu ligt. Het veldonderzoek heeft de archeologische verwachting die naar aanleiding van het bureauonderzoek werd opgesteld grotendeels bevestigd. Zones met een hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers bestaan met name uit bekende vindplaatsen en plekken waar enkeerdgronden werden vastgesteld: grote zones rondom de historische kernen van Kelpen en Baexem. Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers geldt op plekken met vorstvaaggronden en zeer droge gooreerdgronden, zones die maar een klein deel van het plangebied uitmaken. De hoge verwachting voor jager -verzamelaars kwam voor grote gebieden te vervallen vanwege een lage gaafheid. Toch zijn er ook enkele zones aangetroffen met een hoge bodemgaafheid waar dus nog steeds een hoge verwachting voor vindplaatsen van jager - verzamelaars geldt.

Naast de vindplaatsen gerelateerd aan droge landschapsdelen, is een hoge verwachting toegekend aan zones waar een historische weg (van vóór 1800) een natte laagte of beek kruist. Aan de overige natte landschapsdelen werd een middelhoge verwachting toegekend.

63

De exacte ligging, aard, diepte en omvang van de ingrepen is nog niet bekend. Het is daarom niet mogelijk om gerichte adviezen te geven. Het is niet duidelijk of behoud in situ tot de mogelijkheden behoort. Indien behoud in situ niet tot de mogelijkheden behoord, gelden de volgende adviezen:  Middelhoge en hoge verwachting voor landbouwers: proefsleuvenonderzoek.  Middelhoge verwachting voor natte landschappen: extensieve archeologische begeleiding.  Hoge verwachting voor natte landschappen: intensieve archeologische begeleiding.  Hoge verwachting voor jager-verzamelaars (verkennend booronderzoek reeds uitgevoerd): karterend booronderzoek voor het opsporen van eventuele vindplaatsen.  Hoge verwachting voor jager-verzamelaars (verkennend booronderzoek nog niet uitgevoerd): verkennend booronderzoek. Onder de huidige weg kon vanwege praktische redenen geen verkennend booronderzoek worden uitgevoerd. Omdat de weg veel hoger ligt dan het omliggende maaiveld, bestaat de kans dat de bodem onder de weg beter bewaard is dan op aangrenzende percelen. Dat zal zeker gelden voor vindplaatsen van landbouwers, die onder de recente ophoging én een dik akkerdek waarschijnlijk goed bewaard zullen zijn. Voor vindplaatsen van jager -verzamelaars is de bodemgaafheid onder de weg moeilijk in te schatten.

Het verdient daarom de aanbeveling, mocht de bodem onder de huidige weg dieper geroerd worden dan het omliggende maaiveld, een machinaal verkennend booronderzoek uit te voeren om de gaafheid van de bodem vast te stellen in zones met een hoge verwachting voor jager-verzamelaars. Dit booronderzoek kan gecombineerd worden met een milieukundig onderzoek. Waar onder de huidige weg sprake is van een middelhoge of hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers, kan indien het potentiële archeologische niveau bedreigd wordt, ook meteen gekozen worden voor een proefsleuvenonderzoek of intensieve archeologische begeleiding.

Relevantie voor het inpassingsplan Uit het voorgaande blijkt dat er nog archeologisch onderzoek dient plaats te vinden ter hoogte van delen van het plangebied. Op deze plaatsen zijn de ter plaatse geldende dubbelbestemmingen ‘Waarde-archeologie’ conform het geldende bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Leudal overgenomen. Een aantal gebieden hoeft niet nader te worden onderzocht. De dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie’ uit het geldende bestemmingsplan buitengebied is hier komen te vervallen. Ook is een aantal gebieden dat niet voorzien was van een dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie’ toch archeologisch ‘interessant’ gebleken. Deze gebieden hebben in dit inpassingsplan ook een dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie’ gekregen, met bijbehorende regeling. Zolang aanvullend onderzoek niet is uitgevoerd, blijven deze dubbelbestemmingen gehandhaafd ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het aspect archeologie staat de verdere planvorming niet in de weg.

5.5

Natuur Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘Natuur’, de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportages van het uitgevoerde onderzoek zijn opgenomen als bijlage 6 (voortoets en passende beoordeling) en bijlage 7 (soortenonderzoeken en compensatieplan) van deze toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=f3e5760b-d640-4b3a-bdd6-ab111591ab5b